Essentie (gemaakt door AI)
Verlenging ondertoezichtstelling wordt toegewezen voor een jaar, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing slechts voor zes maanden wordt verlengd. Reden is onduidelijkheid over invulling van de plaatsing, vastgelopen samenwerking tussen ouders en GI en mogelijke overdracht aan WSS; resterende duur wordt aangehouden voor extra toetsmoment. Verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing aan moeder wordt afgewezen, waarin is geoordeeld dat de GI bij bestaande zorgregeling niet bevoegd is op grond van art. 1:265f BW.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 05-08-2026 |
| Zaaknummer | C/15/378162 / JU RK 26-818 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Alkmaar |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; 1:263 e.v. BW Aanwijzing GI; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt voor kortere duur verlengd dan verzocht, vanwege onduidelijkheid over de invulling van de machtiging tot uithuisplaatsing, de vastgelopen samenwerking tussen de ouders en de GI en een mogelijke wijziging van de GI. Het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing aan de moeder wordt afgewezen omdat de GI, gezien de rechtspraak van de Hoge Raad, niet bevoegd was tot het geven van de schriftelijke aanwijzing.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummers: C/15/378162 / JU RK 26-818 & C/15/378163 / JU RK 26-819
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt inzake C/15/378162 / JU RK 26-818 als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. S. Kuijs, kantoorhoudende te Heiloo,
[vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk ook noemen: de ouders.
De kinderrechter merkt inzake C/15/378163 / JU RK 26-819 als belanghebbende aan:
de moeder,
en merkt als informant aan:
de vader.
1Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift in C/15/378162 / JU RK 26-818 van 19 mei 2026 met bijlagen;
-
het verzoekschrift in C/15/378163 / JU RK 26-819 van 1 mei 2026 met bijlagen;
-
de stukken van de advocaat van de moeder in C/15/378163 / JU RK 26-819, ontvangen op 18 juni 2026.
De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting met gesloten deuren op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft bij [de groep] (onderdeel van [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ) te [plaats] .
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 november 2019 een zorgregeling vastgelegd. De zorgregeling is in het kader van de ondertoezichtstelling meermaals gewijzigd, laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 2 mei 2023.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 juli 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 4 juli 2026.
De rechtbank heeft bij beschikking van 11 juli 2025:
- de moeder vervangende toestemming verleend om ten behoeve van [de minderjarige] , zo spoedig
mogelijk een zorg- en dienstverleningsovereenkomst met [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] aan te gaan
ter plaatsing van [de minderjarige] bij [de groep] ;
- de moeder vervangende toestemming verleend om ten behoeve van [de minderjarige] , na voornoemde
plaatsing bij [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ( [de groep] ) met het oog op optimale behandeling
van [de minderjarige] mede met betrekking tot zijn Coffin-Siris syndroom, adviezen van de betrokken
deskundigen op te volgen in de breedste zin, waaronder de inzet van (para)medische,
pedagogische dan wel psychologische hulpverlening.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 november 2025 een (spoed)machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De machtiging is daarna tweemaal verlengd, laatstelijk bij beschikking van 6 maart 2026, tot 4 juli 2026.
De GI heeft de moeder op 2 april 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
Elke week is vanaf 12 april 2026 hetzelfde: weekenden worden gedeeld voor belastbaarheid
van het gezin.
Dit zou betekenen voor thuis: Bij moeder van zondag 10.00 uur tot dinsdag 8.00 uur.
De meivakantie in overleg.
3De verzoeken
De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een Wlz-instelling (Wet langdurige zorg) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. [de minderjarige] heeft als gevolg van zijn medische indicatie een verhoogde opvoedvraag en behoefte aan veel structuur en duidelijkheid. Na een lange zoektocht is in samenwerking met de hulpverlening een plek gevonden voor [de minderjarige] bij [de groep] . De GI ziet dat het goed gaat met [de minderjarige] op [de groep] , hij zit op een passende groep die aansluit bij wat hij nodig heeft en hij komt er tot rust. Een (verlengde) machtiging tot uithuisplaatsing is in de eerste plaats juridisch noodzakelijk omdat [de minderjarige] op [de groep] woont binnen een ondertoezichtstelling. De ouders staan niet achter (het verloop van) de plaatsing van [de minderjarige] en houden zich niet aan de (omgangs)afspraken met de hulpverlening en de GI. Ook de verstandhouding tussen de ouders onderling is verstoord. De GI wil de komende maanden verder gaan werken aan het opstellen van een vaste omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de beide ouders, zodat meer zicht komt op welke rol de ouders gaan invullen in het leven van [de minderjarige] . De GI heeft niet de verwachting dat de ondertoezichtstelling binnen een jaar kan worden afgesloten.
De schriftelijke aanwijzing
De GI verzoekt daarnaast bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing en heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Al bij de start van de plaatsing van [de minderjarige] bij [de groep] is besproken dat uitbreiding van zijn verblijf op de groep nodig is. Daarnaast verlopen de momenten dat [de minderjarige] bij de moeder thuis niet goed en zorgt het wisselende schema bij [de minderjarige] voor onrust. Tot slot is de huidige situatie ook op de lange termijn niet in het belang van [de minderjarige] omdat hij wellicht niet bij [de groep] kan blijven wanneer zijn verblijf niet uitgebreid wordt. Sinds januari 2026 wordt met de moeder gewerkt aan een plan hieromtrent maar de moeder wil hier niet aan meewerken.
Ter zitting heeft de GI ter onderbouwing van beide verzoeken naar voren gebracht dat het onvoldoende lukt om [de minderjarige] op [de groep] te houden. Het is de bedoeling dat [de minderjarige] van vrijdag tot dinsdag bij de moeder is maar gezien wordt dat dat de afgelopen periode veel vaker is geweest. [de groep] ziet dat het beter gaat met [de minderjarige] als hij vaker op de groep is en dat het voor hem belangrijk is dat er duidelijkheid en structuur is. Daarnaast moet [de minderjarige] een minimaal aantal dagen op de groep zijn om zijn plek bij [de groep] te behouden. De vader voldoet op dit moment niet aan de voorwaarden die de GI heeft gesteld aan de contactmomenten met [de minderjarige] . Omdat de GI ziet dat [de minderjarige] blij naar de vader gaat, laat de GI de contactmomenten wel doorgaan. Het is positief dat de vader recent heeft aangegeven open te staan voor hulpverlening in de thuissituatie, zodat zicht komt op de contactmomenten met [de minderjarige] . De GI wil de ondertoezichtstelling graag overdragen aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering omdat zij gespecialiseerd zijn in de problematiek van [de minderjarige] . De GI heeft de vraag uitgezet maar heeft nog geen bereidverklaring van de WSS ontvangen.
4De standpunten
De moeder heeft zich niet verzet tegen de ondertoezichtstelling maar wel tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] en het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. De advocaat heeft naar voren gebracht dat de moeder zich afvraagt hoe de samenwerking binnen de ondertoezichtstelling vormgegeven gaat worden. De moeder heeft een klacht ingediend bij de GI en de jeugdbeschermer heeft aangegeven niet in gesprek te gaan met de moeder zolang de klachtenprocedure loopt. Over de klacht wordt op zijn vroegst in augustus gesproken. De moeder heeft op dit moment dus geen aanspreekpunt. De machtiging tot uithuisplaatsing is anders dan in andere zaken en was in eerste instantie alleen bedoeld om de contacten tussen de vader en [de minderjarige] te reguleren. [de minderjarige] zou immers al geplaatst worden bij [de groep] door de vervangende toestemming van de rechtbank, op verzoek van de moeder. Nu is de moeder in een situatie beland waarin zij alle regie kwijt is. Een machtiging tot uithuisplaatsing is niet nodig om de contactmomenten tussen [de minderjarige] en de vader te reguleren; hiervoor kan de GI een verzoek tot wijziging van de zorgregeling indienen. In het verlengde daarvan is de schriftelijke aanwijzing van de GI niet de juiste manier om het contact tussen de moeder en [de minderjarige] te beperken. Ook klopt het niet dat [de groep] de Wlz-indicatie zou verliezen als het verblijf van [de minderjarige] niet uitgebreid wordt; [de minderjarige] verblijft daarvoor voldoende dagen op de groep. De advocaat heeft primair verzocht om het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair fors te bekorten in duur, zodat de moeder weer zelf de opbouw van het verblijf van [de minderjarige] op de groep kan vormgeven.
De moeder heeft naar voren gebracht dat zij zich wel aan de afspraken houdt en dat het onjuist is dat zij [de minderjarige] eerder of vaker ophaalt van de groep, zoals de GI beweert. De woedeaanvallen van [de minderjarige] horen bij zijn problematiek en komen juist tot uiting bij de persoon waar hij zich het meest veilig voelt. De moeder doet er alles aan om daar goed mee om te gaan. De moeder ziet dat [de minderjarige] het naar zijn zin heeft op de groep en vindt dat het goed gaat zoals het nu gaat. De moeder snapt dat [de minderjarige] in de toekomst misschien meer op de groep moet verblijven, maar nu nog niet. [de minderjarige] is pas elf jaar.
De vader heeft aangegeven te begrijpen dat de ondertoezichtstelling er is, maar ook hij ervaart dat de communicatie met de GI stroef verloopt. De vader staat niet achter de beslissingen van de GI en wordt voor zijn gevoel buiten de deur gehouden. Hij heeft zich neergelegd bij het verblijf van [de minderjarige] op de groep maar kan er niet volledig mee instemmen. Het klopt namelijk niet dat [de minderjarige] een prikkelarme omgeving nodig heeft, hij kan veel aan en is bij de vader altijd op zoek naar contact. De woensdagen met [de minderjarige] verlopen goed en de vader snapt niet dat de contactmomenten niet uitgebreid kunnen worden. De vader wil niet evalueren met de GI omdat het toch geen zin heeft en de vader al afspraken heeft gemaakt met [de groep] . De vriendin van de vader is wel bij de contactmomenten met [de minderjarige] , maar is uit de communicatie met de GI gestapt omdat het niks toevoegt. De vader weet dat de moeder wel afwijkt van de gemaakte afspraken en [de minderjarige] meer bij haar thuis is.
5De beoordeling
De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.
1 Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
2 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] zoals beschreven in de beschikking van 4 juli 2025 is nog steeds aanwezig. Het lukt de ouders niet om te communiceren over [de minderjarige] en zij zijn het niet eens over de zorg voor [de minderjarige] en zijn verblijfplek. [de minderjarige] heeft een medische indicatie waardoor hij zowel fysieke problemen als gedragsproblemen heeft. Hij heeft daardoor een verhoogde opvoedvraag en extra behoefte aan structuur en duidelijkheid. In september 2025 is [de minderjarige] (deels) geplaatst op de groep [de groep] . Volgens de huidige afspraken zou [de minderjarige] drie weken per maand van vrijdagavond tot dinsdagochtend en één week per maand van zondagochtend tot dinsdagochtend bij de moeder verblijven en elke week op woensdagmiddag bij de vader. De afgelopen periode werd gezien dat de weekenden bij de moeder onrustig verliepen en dat [de minderjarige] steeds vaker en meer boos gedrag liet zien. De contactmomenten met de vader verlopen goed en er wordt gezien dat deze [de minderjarige] ook goed doen. De vader staat echter niet open voor evaluaties met de GI waardoor er geen zicht is op de contactmomenten. Recent heeft de vader echter ingestemd met hulpverlening vanuit [de groep] bij hem thuis, om zicht te verkrijgen op het verloop van het contact met [de minderjarige] .
Het is van belang dat de nodige hulpverlening wordt voortgezet en dat zicht wordt gehouden op de ontwikkeling en de belangen van [de minderjarige] . Gezien de ernst en de complexiteit van zijn problematiek en de verstoorde verstandhouding tussen de ouders, is de kinderrechter van oordeel dat betrokkenheid van de GI in het gedwongen kader noodzakelijk is. De kinderrechter stelt [de minderjarige] daarom onder toezicht voor de verzochte duur van een jaar.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat het vanwege zijn medische problematiek niet mogelijk is voor [de minderjarige] om geheel bij één van de ouders te wonen. Er is lang gezocht naar een geschikte plek voor [de minderjarige] , welke uiteindelijk is gevonden bij [de groep] . De groep kan voldoen aan de verhoogde opvoedvraag van [de minderjarige] . Er wordt gezien dat [de minderjarige] baat heeft bij de duidelijkheid en vaste structuur die hem op de groep wordt geboden en dat hij tot rust komt. Omdat sprake is van een ondertoezichtstelling en [de minderjarige] niet bij (één van) de gezaghebbende ouders woont, is het nodig om de plaatsing van [de minderjarige] juridisch te borgen middels een machtiging tot uithuisplaatsing. Wel verleent de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor kortere duur dan verzocht, namelijk voor de duur van zes maanden, en houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
Het afgelopen jaar is de samenwerking tussen de ouders en de GI moeizaam verlopen. De vader geeft aan het gevoel te hebben dat enkel naar de moeder en niet naar hem geluisterd wordt. De vader is het ook niet eens met de beslissingen van de GI. Hoewel hij aangeeft zich te hebben neergelegd bij de plaatsing van [de minderjarige] bij [de groep] , blijkt ook dat hij de groep niet passend vindt voor [de minderjarige] . De moeder geeft aan dat zij ziet dat [de minderjarige] het goed doet op de groep. Zij is het echter niet eens met de uitbreiding van het verblijf van [de minderjarige] op de groep en wil (voorlopig) de verdeling van het verblijf van [de minderjarige] houden zoals die nu is. In april 2026 heeft de GI na een gesprek hierover met de moeder een agressiemelding gedaan ten aanzien van de moeder. In mei 2026 heeft de moeder een klacht ingediend over de werkwijze van de betrokken jeugdbeschermers waarin zij onder andere heeft verzocht de agressiemelding te rectificeren. Ter zitting is duidelijk geworden dat sindsdien geen contact is geweest tussen de GI en de moeder. De kinderrechter acht dit zorgelijk aangezien de verstoorde communicatie de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen belemmert.
Daarnaast bestaat er nog veel onduidelijkheid over de invulling en het verloop van de plaatsing van [de minderjarige] bij [de groep] . De moeder en de GI hebben hierover ter zitting tegenstrijdige informatie gegeven. De GI heeft zorgen geuit over het gedrag van [de minderjarige] in de thuissituatie van de moeder en is van mening dat het beter is voor [de minderjarige] om langere perioden achter elkaar op [de groep] te verblijven. Dit is ook de visie van [de groep] , aldus de GI. Als er geen uitbreiding komt is het daarnaast wellicht niet mogelijk voor [de minderjarige] om nog langer bij [de groep] te blijven vanwege de financiering. De GI heeft echter niet duidelijk gemaakt waar deze grens precies ligt. De moeder heeft aangegeven dat de woedeaanvallen en het gedrag van [de minderjarige] passen bij zijn problematiek en dat de weekenden tegelijkertijd ook goed en fijn verlopen en dat uitbreiding van het verblijf van [de minderjarige] bij [de groep] niet noodzakelijk is om de plek te borgen. De GI, en ook de vader, heeft daarnaast gesteld dat de moeder zich niet aan de afspraken houdt en [de minderjarige] vaker en eerder ophaalt van de groep dan afgesproken. De moeder heeft dit tegengesproken en aangegeven dat zij [de minderjarige] haalt en brengt volgens de afspraken. Het is de kinderrechter hierdoor niet duidelijk geworden hoe de zorgverdeling van [de minderjarige] daadwerkelijk verloopt.
Tot slot zal binnenkort hulpverlening vanuit [de groep] voor de vader starten en is ter zitting gesproken over het voornemen van de GI om de contactregeling ten aanzien van beide ouders en [de minderjarige] te herzien en om de ondertoezichtstelling over te dragen aan de WSS. Gezien deze (mogelijke) veranderingen, de onduidelijkheid over de invulling van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] en de vastgelopen samenwerking tussen de GI, vindt de kinderrechter het nodig dat een extra toetsmoment plaatsvindt. Hierbij is het van belang dat over een half jaar meer (objectieve) informatie beschikbaar is over het verloop van de contactmomenten en het gedrag van [de minderjarige] bij beide ouders aan de hand van de hulpverlening, in hoeverre de moeder zich aan de afspraken met [de groep] houdt, wat de visie van [de groep] over het verblijf van [de minderjarige] op de groep is en hoe het zit met de financiering. Ook hoopt de kinderrechter dat tegen die tijd stappen zijn gezet in het herstellen van het onderling vertrouwen tussen de ouders en de GI dan wel dat er duidelijkheid is over de overdracht van de ondertoezichtstelling aan de WSS.
De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van zes maanden, te weten tot 4 januari 2027, met aanhouding van de overige zes maanden.
De schriftelijke aanwijzing
De GI kan op grond van artikel 1:263, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), ter uitvoering van haar taak, een ouder een schriftelijke aanwijzing geven voor de verzorging en opvoeding van (een) kind(eren). Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de kinderrechter op verzoek van de GI een schriftelijke aanwijzing bekrachtigen. Dat betekent dat de GI aan de kinderrechter vraagt om te beoordelen of de schriftelijke aanwijzing terecht is gegeven. Voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige kan de GI op grond van artikel 1:265f BW voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Deze beslissing geldt als een schriftelijke aanwijzing.
De kinderrechter is van oordeel dat de GI niet bevoegd was tot het geven van de schriftelijke aanwijzing. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt namelijk dat wanneer sprake is van een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling, de GI niet op grond van artikel 1:265f BW de contacten tussen de ouder en het kind kan beperken.
3 De kinderrechter stelt vast dat bij beschikking van 14 november 2019 een zorgregeling is vastgesteld, welke daarna meermaals is gewijzigd, laatstelijk bij beschikking van 2 mei 2023. Aangezien [de minderjarige] onder toezicht is gesteld, kan de GI alleen op grond van artikel 1:265g BW de kinderrechter verzoeken de zorgregeling te wijzigen. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing afwijzen.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
4
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
C/15/378162 / JU RK 26-818
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 4 juli 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een Wlz-instelling tot 4 januari 2027;
verklaart deze beschikking tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de overige zes maanden aan tot een nader te bepalen zitting [datum], tegen welke zitting de moeder, mr. Kuijs, de vader en de GI dienen te worden opgeroepen;
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voorafgaand aan de zitting een schriftelijke update te sturen aan de kinderrechter en alle belanghebbenden;
C/15/378163 / JU RK 26-819
wijst het verzoek af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgelegd en ondertekend op 2 juli 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
