Rechtbank Midden-Nederland 07-07-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5125

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding waarin voorlopige kinder- en partneralimentatie is vastgesteld. Vrouw is dga; dividend telt als inkomen mee ondanks verdelingsrisico, met mitigatie door voorlopig karakter en hantering van laagste recente dividend (€140.000). Kinderalimentatie €446 p/m door vrouw aan man, uitgaande van co-ouderschap en beperkte draagkracht man (fictief minimumloon). Partneralimentatie €8.238 bruto p/m, gebaseerd op hoge huwelijksgerelateerde behoefte en draagkracht vrouw. Verzoeken vrouw tot nihil- en terugbetaling afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Kan alimentatierechter rekening houden met dividend als onderneming nog verdeeld moet worden?
Vrouw (DGA) wijst op risico dubbeltelling omdat haar onderneming nog verdeeld wordt. Rb: ter voorkoming van dubbeltelling is afstemming nodig tussen draagkracht en waardering onderneming. PAL na echtscheiding voorlopig € 8.238 p/m.

Datum publicatie04-08-2026
ZaaknummerC/16/581321 / FL RK 24-939
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsLelystad
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; DGA: inkomen voor NBI; Dividenduitkeringen bij onderneming
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding. Alimentatie. Dividend als inkomen DGA, gevolgen voor de nog te verdelen onderneming.

Volledige uitspraak


RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/581321 / FL RK 24-939 (echtscheiding)

C/16/584036 / FL RK 24-1123 (verdeling)

Beschikking van 7 juli 2026

in de zaak van:

[de man] ,

wonende in [plaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K.J. de Vaan.

tegen

[de vrouw] ,

wonende in [plaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.A. Johannsen.

1De procedure

1.1

Het gaat hier om een echtscheidingsprocedure, waarin ook verzoeken zijn ingediend die met de echtscheiding te maken hebben (nevenvoorzieningen). De rechtbank behandelt deze verzoeken niet allemaal in één keer. Op een aantal verzoeken heeft de rechtbank al beslist. Op een aantal andere verzoeken moet de rechtbank nog beslissen: het gaat om verzoeken over (i) de echtscheiding zelf, (ii) de kinder- en partneralimentatie, en (iii) de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Deze beslissing gaat over de verzoeken om kinder- en partneralimentatie en over het echtscheidingsverzoek.

1.2

In haar beslissing van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , de kinderen van de ouders, bij de vrouw is. Daarnaast is er een zorgregeling vastgesteld, die inhoudt dat de kinderen in de even weken bij de vrouw verblijven en in de oneven weken bij de man (een co-ouderschap). De beslissing over de echtscheiding, de kinder- en partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling.

1.3

De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:

  • het verweerschrift van de man op aanvullende verzoeken van de vrouw, binnengekomen op 6 oktober 2025;

  • de aanvullende/gewijzigde verzoeken (met bijlagen 14 t/m 16) van de man, binnengekomen op 29 mei 2026;

  • de brief (met bijlagen 9 t/m 16) van de vrouw, binnengekomen op 29 mei 2026;

  • het F9-formulier van de vrouw van 2 juni 2026, waarin zij toestemming vraagt om haar financieel adviseur mee te mogen nemen naar de zitting;

  • het F9-formulier van de man van 3 juni 2026, waarin hij toestemming vraagt om zijn financieel adviseur mee te mogen nemen naar de zitting.

1.4

Vervolgens zijn de verzoeken over de kinder- en partneralimentatie besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en zijn financieel adviseur [A.] ;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en haar financieel adviseur [B.] .

2Waar de procedure over gaat

2.1

Voor de vaststaande feiten wordt verwezen naar de beschikkingen van 11 februari 2025 en 1 oktober 2025.

2.2

In deze beschikking zal de rechtbank over de volgende verzoeken van de vrouw beslissen: 1

  1. het verzoek om de echtscheiding uit te spreken;

  2. het verzoek om te bepalen dat dividenduitkeringen uit het verleden niet meegenomen dienen te worden bij het bepalen van de kinderalimentatie en partneralimentatie en enkel uit te gaan van de salarisspecificaties van partijen, zulks uit 2022:

  3. het verzoek om te bepalen dat het inkomen waar bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw rekening mee is gehouden (om dubbeltelling te voorkomen) bij de waardebepaling van het bedrijf als bedrijfskosten op de winst in mindering wordt gebracht:

  4. het verzoek om met het dividend nadrukkelijk te bepalen dat dit invloed heeft op de verdeling, en dat bij de waardebepaling dit als bedrijfskosten in mindering wordt gebracht;

  5. het verzoek om de man te veroordelen om een door de rechtbank in goede justitie te bepalen maandelijks bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw te voldoen;

  6. het verzoek om te bepalen dat de partneralimentatie per 1 november 2025 op nihil wordt gesteld, met tevens de verplichting voor de man tot terugbetaling van al hetgeen hij vanaf die datum op grond van de voorlopige voorziening zal ontvangen van de vrouw aan partneralimentatie.

2.3

In deze beschikking zal de rechtbank over de volgende verzoeken van de man beslissen: 2

  1. het verzoek om de echtscheiding uit te spreken;

  2. het verzoek om te bepalen dat de vrouw vanaf de datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een bedrag aan kinderalimentatie van € 211,- per kind per maand moet betalen aan de man, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand;

  3. het verzoek om te bepalen dat de vrouw vanaf de datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een bedrag van € 11.194,- bruto per maand moet betalen aan de man, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand.

2.4

Er is dan nog een aantal verzoeken van beide partijen waarover de rechtbank nog geen beslissing zal nemen. Die verzoeken gaan over de verdeling (inclusief de echtelijke woning). Deze verzoeken zullen op een later moment worden behandeld.

3De beoordeling

Inleiding

3.1

In deze beschikking spreekt de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uit en neemt de rechtbank een voorlopige beslissing over de kinder- en partneralimentatie. Over de definitieve kinder- en partneralimentatie en ook over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen beslist de rechtbank nog niet. Die verzoeken worden later inhoudelijk behandeld op een nader te bepalen zitting.

3.2

De rechtbank zal hierna uitleggen wat de reden is dat er nu alleen nog maar een voorlopige beslissing over de kinder- en partneralimentatie wordt genomen, en waarom de echtscheiding op dit moment in de procedure wordt uitgesproken

3.3

In de beschikking voorlopige voorzieningen van 11 oktober 2024 is voor de duur van de echtscheidingsprocedure bij wijze van een ordemaatregel een voorlopige partneralimentatie vastgesteld van € 2.600,- bruto per maand. In diezelfde beschikking is het verzoek van de man over een voorlopige kinderalimentatie (door de vrouw aan de man te betalen), afgewezen. De in de voorlopige voorzieningen vastgestelde partneralimentatie geldt tot de beslissing over de partneralimentatie in de echtscheidingsprocedure in kracht van gewijsde gaat. 3 ‘In kracht van gewijsde’ betekent, kortgezegd, dat er óf door de hoogste rechterlijke instantie over is beslist, óf dat er geen hoger beroep meer tegen de beslissing mogelijk is, omdat de termijn daarvoor is verstreken. De bedoeling van deze regel is dat de in de bodemprocedure vast te stellen partneralimentatie aansluit op de voorlopige voorziening.

3.4

De man heeft geen wijziging van de voorlopige voorzieningen van de kinder- en partneralimentatie verzocht. De rechtbank kan niet ambtshalve (dus: zonder dat daarom is gevraagd) die voorlopige voorzieningen wijzigen. Wat de rechtbank wel kan doen, is een voorlopige beslissing nemen in deze bodemprocedure. De rechtbank is van oordeel dat een voorlopige beslissing over de kinder- en partneralimentatie in deze bodemprocedure het meeste recht doet aan de belangen van beide partijen:

  • Aan de ene kant heeft de man er namelijk belang bij dat er al wel een beslissing wordt genomen over de partneralimentatie. Dat komt omdat er in deze bodemprocedure – anders dan in de procedure voorlopige voorzieningen - door de rechtbank wel rekening wordt gehouden met de inkomsten van de vrouw uit dividend. Dat heeft invloed op de te betalen partneralimentatie: die wordt hoger. Dit wordt hierna uitgelegd.

  • Aan de andere kant heeft de vrouw er belang bij dat er nog geen definitieve beslissing over de alimentatie volgt. Dat komt omdat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap nog moet plaatsvinden. Daaronder valt ook de verdeling van de (waarde van de) onderneming van de vrouw. Zoals hierna zal worden uitgelegd, ontstaat er bij het bepalen van alimentatie vóór de verdeling het risico op een dubbeltelling. Daarom is het voor de vrouw van belang dat de definitieve alimentatieverplichting pas na – of tegelijk met – de verdeling wordt vastgesteld, omdat dit anders in haar nadeel zou (kunnen) werken.

3.5

Dat er nu alleen een voorlopige kinder- en partneralimentatie wordt vastgesteld, betekent dat tijdens een nader te bepalen zitting naast de verdeling ook de alimentatie opnieuw met partijen besproken zal worden. Als er op dat moment voor de alimentatie relevante wijzigingen van omstandigheden zijn – bijvoorbeeld in het inkomen van partijen – kunnen die bij de definitieve beslissing over de alimentatie in aanmerking worden genomen.

Echtscheiding

3.2.

De rechtbank zal in deze beschikking de echtscheiding tussen partijen uitspreken. Het is gebruikelijk dat de rechtbank dit pas aan het eind van een echtscheidingsprocedure doet, als op alle andere verzoeken van partijen is beslist; dit heeft de rechtbank ook uitgelegd in de beschikking van 1 oktober 2025 (onder 3.1.). De echtscheiding zelf is dan het sluitstuk. Dit is echter geen harde regel. De rechtbank kan de echtscheiding ook eerder in de procedure al uitspreken, bijvoorbeeld omdat daar een noodzaak toe bestaat. Dat is hier inmiddels het geval: het uitspreken van de echtscheiding is, zoals hiervoor is benoemd, nodig om van de eerder als voorlopige voorziening vastgestelde partneralimentatie ‘over te schakelen’ naar de in deze beslissing in de bodemprocedure vast te stellen voorlopige partneralimentatie. Aan de wettelijke vereisten voor echtscheiding is bovendien voldaan. 4 Partijen zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.

De alimentatie (inleiding)

3.6

De rechtbank zal beslissen dat de vrouw een bedrag van € 446,- per maand (voor de drie kinderen samen) aan kinderalimentatie aan de man moet betalen, en dat zij een bedrag van € 8.238,- (bruto) per maand aan partneralimentatie aan de man moet betalen.

3.7

De kinderalimentatie moet worden betaald vanaf de datum van de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De partneralimentatie moet de vrouw aan de man betalen vanaf de datum dat deze beschikking in kracht van gewijsde gaat. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van kinderalimentatie af. Ook wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw tot nihilstelling van de partneralimentatie en terugbetaling van partneralimentatie door de man af. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissingen neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

3.8

Beide partijen hebben verzoeken gedaan met betrekking tot de kinderalimentatie.

De reden dat de rechtbank het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van kinderalimentatie zal afwijzen, is omdat de vrouw geen bedrag heeft genoemd dat de man aan haar zou moeten betalen en haar verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie ook verder niet heeft onderbouwd.

3.9

De vrouw heeft in haar processtuk van 12 september 2025 daarnaast diverse aanvullende verzoeken gedaan die zien op (samengevat) het al dan niet rekening houden met dividenduitkeringen bij de berekening van de alimentatie en de verdeling. 5 Op de zitting heeft de vrouw, na vragen van de rechter, verklaard dat deze verzoeken alleen zijn bedoeld om haar standpunt over het betrekken van de dividenduitkeringen kracht bij te zetten en dus niet zozeer als verzoeken waarover een separate beslissing nodig is. De rechtbank zal de standpunten van de vrouw hieronder bij de beslissingen over de kinder- en partneralimentatie bespreken en meewegen, maar de verzoeken zelf voor de volledigheid afwijzen.

Kinderalimentatie

3.10

Kinderalimentatie gaat voor op partneralimentatie. 6 De rechtbank beslist daarom eerst op het verzoek van de man tot het vaststellen van kinderalimentatie, om daarna te beoordelen in hoeverre er (nog) ruimte is voor partneralimentatie.

De ingangsdatum

3.11

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie zal gaan gelden. De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. 7 Drie momenten liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage vaststellen of wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan, omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.

3.12

De rechtbank hanteert als ingangsdatum voor de kinderalimentatie de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De man heeft dit namelijk als ingangsdatum verzocht en de vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd.

De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders de echtscheidingsbeschikking in 2026 zullen laten inschrijven en zal daarom rekenen met de belastingtarieven van 2026. 8

De behoefte van de kinderen

3.13

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van de kinderen voor 2026 vast op een bedrag van € 1.805,-, dat is € 602,- per kind per maand. Hierna legt de rechtbank dit uit.

3.14

De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kinderen. Daarbij wordt uitgegaan van wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen in 2024 € 1.620,- per maand bedroeg. Deze behoefte is gebaseerd op het inkomen van de ouders in 2024. Omdat partijen het hierover eens zijn, neemt de rechtbank dit bedrag als uitgangspunt. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is de behoefte van de kinderen in 2026 afgerond

€ 1.805,- per maand, dat is afgerond € 602,- per kind per maand.

De draagkracht van de ouders

3.15

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kinderen voorzien. 9

3.16

Voor het bepalen van de draagkracht van de ouders past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.

3.17

Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.200,- per maand in 2026 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].

De draagkracht van de man

3.18

De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 186,- per maand. 10

De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

3.19

Tussen partijen is niet in geschil dat de man tot 1 oktober 2025 werkzaamheden heeft verricht in de onderneming van de vrouw ( [bedrijf] B.V., hierna: [bedrijf] ). De man en [bedrijf] hebben per 1 maart 2019 een arbeidsovereenkomst gesloten voor de functie van ‘ [functie 1] ’ tegen een salaris van € 6.541,00 bruto per maand. De vrouw is per november 2025 gestopt met het betalen van loon, waarna de man een loonvorderingsprocedure is gestart bij de kantonrechter van deze rechtbank. Bij vonnis van 18 februari 2026 heeft de kantonrechter de vordering van de man afgewezen, omdat er volgens de kantonrechter geen sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet. 11

3.20

De man heeft hierdoor sinds 1 oktober 2025 geen inkomen meer en hij kan geen aanspraak maken op een WW-uitkering of een Ziektewet-uitkering. Op dit moment werkt de man niet. Hij heeft verteld dat hij niet in staat is om te werken vanwege zijn mentale gesteldheid. De man heeft veel stress van de echtscheiding en alles wat daarmee te maken heeft, en de kantonprocedure gaf hem ook veel onzekerheid. De man stelt dat hij, gelet op deze situatie, slechts de minimale draagkracht heeft van € 50,- per maand.

3.21

De vrouw vindt dat aan de zijde van de man uitgegaan moet worden van een verdiencapaciteit. Dat betekent: zij vindt dat hij wel in staat is om inkomen te verdienen. De vrouw (althans [bedrijf] ) heeft de man al op 16 juli 2025 schriftelijk laten weten dat hij een andere baan moest zoeken. De man is toen door de vrouw vrijgesteld van werk met doorbetaling van loon tot en met 31 oktober 2025. De voorwaarde hierbij was dat de man aantoonbaar ander werk moest gaan zoeken. De man had dit dus allang kunnen doen, en wist dat hij zonder inkomen zou komen te zitten, aldus de vrouw. De man heeft volgens haar niet aangetoond dat hij vanwege medische redenen niet in staat is om te werken.

3.22

De rechtbank is, met de vrouw, van oordeel dat de man een verdiencapaciteit heeft.

De rechtbank neemt zonder meer aan dat de man stress heeft: dat een echtscheidingsprocedure stress geeft is een feit van algemene bekendheid. De man heeft echter niet onderbouwd dat hij daardoor in het geheel niet kan werken. Het had wel op de weg van de man gelegen om zijn stelling dat hij niet in staat is om te werken, te onderbouwen, bijvoorbeeld met medische stukken waaruit dit blijkt. Bovendien is de kantonprocedure op 18 februari 2026 afgerond, dus in ieder geval vanaf dat moment was de onzekerheid daarover ten einde.

3.23

Nu de rechtbank van oordeel is dat er verdiencapaciteit is, moet zij bekijken hoe hoog het inkomen is dat de man moet worden geacht te kunnen verdienen. De vrouw vindt dat voor de hoogte van de verdiencapaciteit moet worden aangesloten bij het laatst verdiende loon van de man toen hij in dienst was van [bedrijf] , maar de rechtbank is van oordeel dat dit niet redelijk is. De man verdiende bij [bedrijf] een bedrag van € 77.980,- bruto op jaarbasis, maar de vrouw heeft zelf ook gezegd dat dit geen representatief salaris is voor de werkzaamheden die de man in de onderneming verrichtte. De man was ‘ [functie 1] ’ – volgens beide partijen was hij een soort ‘manusje van alles’. De man is, voordat hij in de onderneming van de vrouw ging werken, werkzaam geweest als [functie 2] en als [functie 3] in het betaald voetbal. De man heeft gevraagd om, als de rechtbank toch uitgaat van een verdiencapaciteit aan zijn zijde, aan te knopen bij het salaris van een [functie 2] of bij het minimumloon. De man heeft geen gegevens overgelegd van het salaris van een [functie 2] . Daarom kan de rechtbank dit niet als aanknopingspunt gebruiken. De rechtbank kan wel vaststellen wat het minimumloon is, omdat dit algemeen bekende gegevens zijn, en zal daarom rekening houden met een fictief inkomen ter hoogte van het minimumloon. De man wordt namelijk – omdat hij niet voldoende heeft onderbouwd dat hij niet kan werken - in staat geacht om in ieder geval inkomen te kunnen genereren ter hoogte van het minimumloon.

3.24

Op de website van de Rijksoverheid staat dat per 1 juli 2026 voor mensen van 21 jaar en ouder het minimumloon € 14,99 bruto per uur bedraagt, exclusief vakantiegeld.

De man wordt in staat geacht om 36 uur per week te werken, want dat deed hij bij [bedrijf] ook. Rekeninghoudend met 8% vakantiegeld komt dit neer op een bedrag van € 30.300,- bruto per jaar. Verder houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het netto besteedbaar inkomen van de man is dan € 2.328,- per maand.

3.25

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule heeft de man dan een draagkracht van (70% [2328– (0,3 x 2.328 + 1.365)]=) € 186,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

3.26

De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 7.890 ,- per maand. 12 De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

3.27

De vrouw is directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga ) van [bedrijf] . Partijen zijn het erover eens dat het dga -salaris van de vrouw in 2025 € 208.893,- bedroeg. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of daarnaast rekening moet worden gehouden met dividenduitkeringen.

3.28

De man stelt dat rekening moet worden gehouden met een gemiddeld bedrag van

€ 180.000,- per jaar aan dividenduitkering. In 2025 bedroeg de dividenduitkering € 230.000,- bruto en in 2024 was de dividenduitkering € 180.000,- bruto per jaar. In 2021 was dit

€ 283.556,- bruto in 2022 € 255.000,- bruto en in 2023 € 140.000,- bruto. De vrouw heeft de afgelopen jaren, kortom, steeds behoorlijke bedragen aan dividend uitgekeerd gekregen, en de man verwacht dat dit ook de komende jaren mogelijk zal zijn. Het gemiddelde bruto bedrag dat de vrouw aan dividenduitkering heeft uitgekeerd over de afgelopen vier jaar is

€ 217.500,- bruto. De man vindt het redelijk om bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit te gaan van een bedrag van € 180.000,- bruto aan dividenduitkering.

3.29

De vrouw stelt dat bij de berekening van de alimentatie géén rekening moet worden gehouden met de dividenduitkeringen. Zij heeft daarvoor twee argumenten aangevoerd. Ten eerste heeft de vrouw toegelicht dat partijen in gemeenschap van goederen gehuwd zijn, en dat bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap daarom de waarde van de onderneming van de vrouw tussen partijen moet worden verdeeld. Deze verdeling zal invloed hebben op het inkomen van de vrouw. Vereenvoudigd uitgelegd: de vrouw krijgt dan de helft van de ‘dividend-opleverende’ onderneming toebedeeld (en kan daarmee dus nog maar de helft van het dividend genereren), terwijl het dividend voor het bepalen van haar inkomen niet voor de helft, maar voor het geheel door de man wordt meegeteld. Dat is niet redelijk, aldus de vrouw.

3.30

Ten tweede stelt de vrouw dat de dividenduitkeringen incidenteel waren en niet bedoeld waren voor het bekostigen van de levensstijl van het gezin, maar voor onder meer de aflossing van een rekeningcourant-krediet (vanwege een vereiste van de bank) en voor een zakelijke reis naar Dubai. Ook om die reden vindt de vrouw dat geen rekening moet worden gehouden met de dividenduitkeringen in de alimentatieberekeningen.

3.31

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw terecht heeft aangevoerd dat het meewegen van de dividenduitkeringen bij de alimentatie een risico geeft op een dubbeltelling wanneer de verdeling van de onderneming van de vrouw plaatsvindt. De man stelt dat de hoogte van de dividenduitkering geen invloed heeft op de waarde van de onderneming, omdat de waarde wordt vastgesteld op basis van de EBITDA (de potentiële winst vermeerderd met afschrijvingen, belastingen en betaalde rente), maar de rechtbank is van oordeel dat dit argument van de man niet relevant is in het kader van de alimentatie. Partijen verschillen van mening over de te gebruiken waarderingsmethode, maar de verdeling van de onderneming is nu nog niet aan de orde. De uiteindelijk te kiezen waarderingsmethode is in dit verband dus nog niet relevant. Voor de alimentatie maakt dit ook niet uit; feit is dat als de rechtbank nu 100% van de dividenduitkeringen zou meewegen in de berekening van de draagkracht van de vrouw, terwijl zij straks na de verdeling eigenlijk nog maar recht heeft op 50% van de waarde van de ‘dividend-opleverende’ onderneming, dit onredelijk zou zijn; deze problematiek staat ook in de juridische literatuur beschreven 13 Ter voorkoming van dubbeltellingen moet er dus altijd een afstemming plaats te vinden tussen het bedrag dat in de draagkracht wordt betrokken en het bedrag waar in de waardering rekening mee wordt gehouden. De beslissingen over de verdeling/verrekening en de alimentatie zijn dus communicerende vaten. Dit is de reden dat de rechtbank nu een voorlopige alimentatie bepaalt en pas bij de verdeling de definitieve alimentatie zal vaststellen. Omdat nu nog niet verdeeld is, wordt wel met dividend als inkomen van de vrouw rekening gehouden. Partijen kunnen zich bij de behandeling van de definitieve kinder- en partneralimentatie en de verdeling uitlaten over de vraag hoe dit uiteindelijk verdisconteerd moet worden en hoe dubbeltellingen daarbij voorkomen worden.

3.32

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de dividenduitkeringen wel degelijk werden gebruikt voor het bekostigen van de levensstijl van het gezin, en niet alleen incidenteel plaatsvonden. Ook in 2020 werd al substantieel dividend uitgekeerd en dat was vóór de kredietverlening. Bovendien heeft de vrouw erkend dat niet het gehele dividend-bedrag bestemd was voor de aflossing van het rekening-courantkrediet. Ten slotte heeft de financieel adviseur van de vrouw desgevraagd bevestigd dat de reis naar Dubai weliswaar deels een zakelijk doel had, maar óók een gezinsvakantie was. Dat is de reden waarom de reis met dividend werd bekostigd en niet als bedrijfskosten in [bedrijf] werd opgevoerd. De rechtbank vindt daarom dat wel met de dividenduitkeringen rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw. Daarbij neemt de rechtbank niet het door de man gehanteerde gemiddelde van € 180.000,- als uitgangspunt, maar het laagste bedrag dat de vrouw de afgelopen jaren heeft laten uitkeren, namelijk € 140.000,- (in 2023). Op die manier houdt de rechtbank er rekening mee dat een deel van de dividenduitkeringen wél alleen incidenteel was, en wordt zoveel mogelijk vermeden dat onverantwoorde dividenduitkeringen door de onderneming nodig zijn om de vrouw in staat te stellen om aan haar alimentatieverplichtingen te kunnen voldoen.

3.33

De rechtbank zal voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw dus uitgaan van het dga -salaris van € 208.893,- bruto per jaar en een dividenduitkering van

€ 140.000,- bruto per jaar. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw bedraagt dan

€ 18.053,- per maand.

3.34

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule heeft de vrouw een draagkracht van (70% [18.053– (0,3 x 18.053 + 1.365)]=) € 7.890,- per maand.

De verdeling van de kosten

3.35

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

3.36

De ouders hebben samen een draagkracht van € 8.076,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die zijn € 1.805,- per maand.

3.37

De kosten voor de kinderen kunnen worden verdeeld in de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ en de ‘verblijfskosten’. De verblijfsoverstijgende kosten zijn de kosten die niet te maken hebben met het dagelijkse verblijf van de kinderen. Deze kosten maken, zo is de vaste aanname bij alimentatieberekeningen, 30% uit van de totale kosten van de kinderen, in dit geval dus (30% van € 1.805,- =) € 541. Deze verblijfsoverstijgende kosten worden betaald door de ouder bij wie de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben (en die in dit verband ook de kinderbijslag ontvangt). Dat is in dit geval de vrouw.

3.38

Er blijft dan nog 70% van de kosten van de kinderen over. Dat zijn de verblijfskosten: de kosten van bijvoorbeeld dagelijks eten en drinken, energie en water. Deze kosten moeten gedragen worden door de ouder bij wie de kinderen verblijven volgens de zorgregeling. In dit geval geldt een co-ouderschap. Dat betekent dat de kinderen de helft van de tijd bij de man zijn, en de helft van de tijd bij de vrouw. De vrouw heeft gezegd dat dit in de praktijk niet wordt uitgevoerd, en dat de kinderen alleen maar bij haar zijn, maar daar houdt de rechtbank geen rekening mee. Dit is namelijk wel de zorgregeling die de rechtbank heeft vastgesteld en waar partijen zich (tenzij ze samen iets anders afspreken) aan moeten houden. De rechtbank vindt het daarom niet redelijk om daarvan af te wijken, ook al loopt het in de praktijk nu – kennelijk – anders. Daarom zal de rechtbank er rekening mee houden dat de verblijfskosten, in lijn met de vastgestelde zorgregeling, 50/50 worden verdeeld. Dat betekent dat de man van die 70% verblijfskosten de helft, dus 35%, moet betalen, en de vrouw ook. Dat is voor ieder van hen een bedrag van (35% van € 1.805,- =) € 632.

3.39

De man heeft niet genoeg draagkracht om zijn gedeelte van de verblijfskosten voor de kinderen te betalen. Hij zou immers € 632,- moeten betalen, maar heeft maar een draagkracht van € 186,- per maand. Omdat de vrouw wel genoeg draagkracht heeft, moet zij het verschil aan de man betalen. 14 Dat betekent dat de vrouw (€ 632,- -/- € 186,- =) € 446,- per maand aan kinderalimentatie aan de man moet betalen.

3.40

Resumerend: de kosten van de kinderen zijn in 2026 € 1.805,-. De vrouw moet hiervan in ieder geval 30 % verblijfsoverstijgende kosten betalen, en daarnaast de helft van de verblijfskosten, dus (50% x 70% =) 35%. De man moet in beginsel ook 35% verblijfskosten betalen voor de tijd dat de kinderen bij hem (zouden moeten) zijn, maar omdat hij daarvoor niet genoeg draagkracht heeft, moet hij alleen zijn hele draagkracht gebruiken en moet de vrouw de rest aanzuiveren. Dat komt neer op € 446,- per maand.

Partneralimentatie

3.41

Omdat nu duidelijk is hoeveel de vrouw voor de kinderen moet betalen, kan de rechtbank vervolgens berekenen of zij daarnaast nog ruimte heeft om partneralimentatie te betalen.

De huwelijksgerelateerde behoefte

3.42

Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de man nodig heeft om zijn kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de man moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de man daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.

3.43

Voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. De hofnorm neemt het netto besteedbaar gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. Dit inkomen wordt eerst verminderd met de kosten van de kinderen. Wat er overblijft, konden partijen voor zichzelf uitgeven.

Dat betekent dat ieder van hen de helft (50%) van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen hun kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte niet 50%, maar 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen is.

3.44

De vrouw heeft in eerste instantie (zonder onderbouwing) bezwaar gemaakt tegen toepassing van de hofnorm, maar op de zitting heeft zij gezegd dat zij geen bezwaar meer heeft tegen toepassing van de hofnorm. De vrouw vindt wel dat bij de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte van de man uitgegaan moet worden van de inkomens die partijen hadden in 2022. De vrouw vindt namelijk dat de inkomens van partijen van 2023 en 2024 niet meegeteld moeten worden, omdat die jaren niet representatief waren voor de huwelijkse welstand: het inkomen was toen hoger dan partijen eerder gewend waren. De rechtbank zal, anders dan de vrouw wenst, wel uitgegaan van de inkomens van partijen in het jaar 2024. Dat is het jaar was dat partijen uit elkaar zijn gegaan en het is gebruikelijk dat jaar als uitgangspunt te nemen. Ook het hogere inkomen in de jaren 2023 en 2024 kwam immers ten behoeve van het gezin.

3.45

Uit de aangifte inkomstenbelasting 2024 van de vrouw blijkt dat zij als dga van [bedrijf] een loon had van € 208.193. Daarnaast heeft de vrouw in 2024 € 180.000,- aan dividend uitgekeerd gekregen. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedroeg in 2024 € 20.075,- per maand.

3.46

Het inkomen van de man bedroeg in 2024 € 77.890,- bruto per jaar. Verder is rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting waar de man in 2024 recht op had. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedroeg dan in 2024 € 4.571,- per maand.

3.47

Partijen ontvingen in 2024 geen kindgebonden budget, omdat hun verzamelinkomen als fiscaal partners daarvoor te hoog was.

3.48

Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedroeg in 2024 dus (20.075 + 4.571=) € 24.646,- per maand.

3.49

De kosten van de kinderen bedroegen in 2024, zoals hiervoor bij de kinderalimentatie berekend, € 1.620,- per maand. Er bleef dan (24.646-1.620=) € 23.026,- per maand over van het inkomen voor partijen zelf. Van dat inkomen heeft de man 60% nodig. Dat was afgerond € 13.816,- netto per maand in 2024. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 15.391,- netto per maand. Dit is de huwelijksgerelateerde behoefte.

De behoeftigheid

3.50

Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de man redelijkerwijs in staat is om zelf het hiervoor vermelde bedrag (€ 15.391,- netto per maand) te verdienen. Als de man niet in staat is om zelf het bedrag van de huwelijksgerelateerde behoefte te verdienen, dan is hij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de man om partneralimentatie toewijzen. Omdat de man degene is die partneralimentatie verzoekt, is hij degene die moet stellen en, als de vrouw dit betwist, onderbouwen dat hij ‘behoeftig’ is.

3.51

De man heeft op dit moment geen inkomen. Zoals hiervoor bij de draagkracht van de man in het kader van de verdeling van de kosten van de kinderen is uitgelegd, gaat de rechtbank aan de zijde van de man uit van een fictief inkomen ter hoogte van het minimumloon. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt dan € 2.328,- per maand. Dit bedrag moet worden verminderd met de kosten die de man maakt voor de kinderen. Zoals hiervoor is overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat de man met een bedrag van € 186,- bijdraagt in de kosten van de kinderen. Van het netto besteedbaar inkomen van de man resteert dan een bedrag van (2.328- /- 186 =) € 2.142,- per maand om in de kosten van zijn levensonderhoud te voorzien.

3.52

Bij een huwelijksgerelateerde behoefte van € 15.391,- netto per maand en een netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.142,- resteert dan een aanvullende behoefte van (15.391 -/- 2.142=) € 13.249,- netto per maand. Als de vrouw partneralimentatie aan de man betaalt, dan moet de man daarover nog belasting afdragen. De rechtbank moet de aanvullende behoefte daarom bruteren (omzetten van netto naar bruto). De rechtbank berekent dat de man een bedrag van € 26.164,- bruto per maand nodig heeft om in zijn huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien. 15

De draagkracht van de vrouw

3.53

Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de vrouw in deze aanvullende behoefte van de man kan voorzien. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de vrouw genoemd. De rechtbank stelt vast dat de vrouw een bedrag van € 8.238,- bruto per maand kan betalen. 16 De rechtbank heeft dat als volgt berekend.

3.54

Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen. Zoals hiervoor is besproken bij de kinderalimentatie, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2026 € 18.053,- per maand.

3.55

Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de man. Daarvoor maakt de rechtbank net als bij de vaststelling van de draagkracht voor kinderalimentatie gebruik van de hiervoor vermelde zogenoemde ‘draagkrachtformule’. Voor het berekenen van partneralimentatie geldt dat 60 % van de ‘draagkrachtruimte’ beschikbaar is voor partneralimentatie. De overige 40% mag de vrouw vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit:

60% [18.053– (0,3 x 18.053 + 1.365]. Dit levert een draagkracht op van € 11.272,- per maand. Hiervan is 60 % beschikbaar voor partneralimentatie, dus € 6.763,- netto per maand.

3.56

Zoals hiervoor is besproken, gaat kinderalimentatie voor op de partneralimentatie. Daarom brengt de rechtbank kosten die de vrouw voor de kinderen maakt in mindering op de hiervoor berekende draagkracht van € 6.763,- per maand. Bij de berekening van de verdeling van de kosten van de kinderen heeft de rechtbank berekend dat de vrouw in totaal een bedrag van € 1.173,- aan haar eigen kosten voor de kinderen voldoet, en daarnaast nog op € 446,- aan kinderalimentatie moet betalen aan de man. Dat betekent dat zij in verband met de kinderen maandelijks in totaal € 1.619,- kwijt is. Er blijft dan (€ 6.763 -/- € 1.619 =) € 5.144,- netto per maand over voor partneralimentatie.

3.57

Als de vrouw partneralimentatie betaalt, dan mag zij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de vrouw minder belasting, zodat zij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de vrouw op een bedrag van € 8.238,- bruto per maand. Omdat dit bedrag lager is dan de aanvullende behoefte van de man (want die is € 26.164 ,- bruto per maand), moet de vrouw dit gehele bedrag van

€ 8.238,- bruto per maand aan de man betalen als partneralimentatie.

Geen nihilstelling en geen terugbetaling

3.58

De rechtbank zal de verzoeken van de vrouw om te bepalen dat de partneralimentatie per 1 november 2025 op nihil wordt gesteld, met tevens de verplichting voor de man tot terugbetaling van al hetgeen hij vanaf die datum op grond van de voorlopige voorziening zal ontvangen van de vrouw aan partneralimentatie, afwijzen. Zoals hiervoor is overwogen, kan de man zelf niet volledig in zijn huwelijksgerelateerde behoefte voorzien en heeft de vrouw voldoende draagkracht om aan de man partneralimentatie te betalen.

Alimentatie vooruitbetalen

3.59

De rechtbank beslist dat de vrouw de kinder- en partneralimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om bijdragen in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas aan het eind van de maand wordt betaald.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.60

De rechtbank zal de beslissing gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Dat betekent dat dat deel van de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De beslissing over de partneralimentatie kan ook niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat als voorlopige voorziening partneralimentatie is vastgesteld. Deze voorlopige voorziening blijft gelden tot de beslissing over de partneralimentatie in de echtscheidingsprocedure in kracht van gewijsde gaat. Dit is het geval als er in hoogste instantie op is beslist, of als er geen hoger beroep meer tegen die beslissing kan worden aangewend.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum huwelijk] 2008 in [plaats] ;

4.2

bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand voorlopige een bedrag van € 446,- per maand (voor de drie kinderen samen) moet betalen aan de man, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

4.3

bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand voorlopig een bedrag van € 8.238,- bruto per maand moet betalen aan de man, als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud;

4.4

bepaalt dat de vrouw deze kinder- en partneralimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

4.5

wijst de verzoeken van de vrouw die zijn weergegeven onder rechtsoverweging 2.2, onder (ii) tot en met (vi), af;

4.6

verklaart de beslissing over de voorlopige kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad;

4.7

houdt de beslissing over de definitieve kinder- en partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aan tot een nader te bepalen mondelinge behandeling.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Bijlage 1: draagkracht van de man (kinderalimentatie)

Bijlage 2: draagkracht van de vrouw (kinderalimentatie)

Bijlage 3: brutering behoefte van de man

Bijlage 4: draagkracht van de vrouw (partneralimentatie)

1

Zoals laatstelijk gewijzigd / aangevuld in het stuk van 12 september 2025.

2

Zoals laatstelijk gewijzigd / aangevuld in het stuk van 29 mei 2026.

4

Artikel 1:151 BW

5

De eerste drie gedachtestreepjes van het verzoek van de vrouw.

8

De echtscheiding komt tot stand door het inschrijven van de beschikking: dit moet binnen zes maanden na deze uitspraak (artikel 1:163 van het Burgerlijk Wetboek) .

10

Bijlage 1: draagkracht van de man (kinderalimentatie).

12

Bijlage 2: draagkracht van de vrouw (kinderalimentatie).

13

Zie voor een overzicht de conclusie van de A-G bij het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2025: ECLI:NL:PHR:2025:387

14

Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924.

15

Bijlage 3: brutering aanvullende behoefte van de man.

16

Bijlage 4: draagkracht van de vrouw (partneralimentatie).



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733