Essentie (gemaakt door AI)
Nevenvoorzieningen waarin zorgregeling pro forma is aangehouden. Vader en kind hebben al drie jaar geen contact; kind staat onder toezicht van JBRA. Rechtbank draagt JBRA op het contactherstel te begeleiden en bepaalt dat het eerste begeleide contact uiterlijk 30 september 2026 plaatsvindt; verzoek van vader om dwangsom wordt afgewezen. Kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 1.028 per maand, waarbij kosten internationale school tijdelijk in de behoefte worden betrokken. Verdeling woning en appartement met bindende taxatie en spoorboekje, plus verrekeningen voor:Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 03-08-2026 |
| Zaaknummer | 745079 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Dwangsom bij omgang; Geen omgang (een van) ouders; Jeugdbescherming / Jeugdwet; Familievermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Nevenvoorzieningen. Zorgregeling aangehouden, vader en kind hebben al 3 jaar geen contact. Kind staat onder toezicht van jeugdbescherming. Met hulpverlening werken aan contactherstel. Kinderalimentatie (kosten voor internationale school) en verdeling met spoorboekje voor woning en appartement.Volledige uitspraak
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
locatie Amsterdam
zaaknummer / rekestnummer: C/13/745079 / FA RK 24-280
C/13/759419 / FA RK 24-7747
Beschikking d.d. 29 juli 2026 betreffende de nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw] ,
blijkens de huwelijksakte: [de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat voorheen mr. M.L. Spekschoor, mr. R. Holland en mr. M.L. Neuteboom-van Asselt,
tegen
[de man] ,
blijkens de huwelijksakte: [de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. C.H.M. Koster, gevestigd te Amsterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen JBRA.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
[locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.
1Het verdere verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de beschikking van deze rechtbank van 13 maart 2025 en de daarin genoemde stukken;
-
het proces-verbaal van bevindingen van 7 oktober 2025;
-
de e-mails van de vrouw, ingekomen op 1 februari 2026;
-
het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, met bijlagen van 11 februari 2026, ingekomen op 12 februari 2026;
-
het F9-formulier van de man, ingediend op 13 februari 2026;
-
het aanvullend verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de man, ingediend op 11 juni 2026;
-
de brief met bijlagen van de vrouw, ingediend op 12 juni 2026.
De mondelinge behandelingen hebben plaatsgevonden op 27 februari 2025, 18 augustus 2025 en 22 juni 2026.
Bij de laatste mondelinge behandeling zijn verschenen:
- de vrouw;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk;
- mevrouw [persoon 1] namens de Raad;
- mevrouw [persoon 2] namens JBRA.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling drie brieven voorgedragen en overgelegd.
Bij voornoemde beschikking van 13 maart 2025 is de echtscheiding uitgesproken. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bepaald bij de vrouw. De rechtbank heeft een raadsonderzoek gelast ten einde een antwoord te krijgen op de volgende vragen:
-
Welke mogelijkheden zijn er voor een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders?
-
Zijn er factoren die een regeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit de minderjarige en welke vanuit de ouders? Hoe en op welke termijn zijn deze belemmeringen op te heffen?
-
Is er voor [minderjarige] hulp, ondersteuning of therapie noodzakelijk? Zo ja: geeft de moeder hiervoor toestemming?
-
Hoe dient de regeling qua vorm en frequentie, in het belang van de minderjarige vorm te worden gegeven?
-
Zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet betrekken?
De nevenvoorzieningen (zorgregeling, kinderalimentatie, verdeling en proceskosten) zijn aangehouden.
In het proces-verbaal van pro forma-behandeling, tevens proces-verbaal van bevindingen van 18 augustus 2025 heeft de rechtbank het volgende opgenomen.
Op 18 augustus 2025 was de voortzetting van de mondelinge behandeling gepland. Door de vrouw is vervolgens om aanhouding van de behandeling verzocht. Het aanhoudingsverzoek is bij email van 28 juli 2025 door de rechtbank afgewezen ten aanzien van de verzoeken omtrent de kinderbijdragen. Vervolgens is op 13 augustus 2025 door de man eveneens verzocht om aanhouding. Hierop is besloten de behandeling uit te stellen. Gelet op het voorgaande dient een nieuwe mondelinge behandeling te worden gepland. Hierbij merkt de rechtbank op dat het gelet op de beperkte zittingscapaciteit van groot belang is dat partijen na het inplannen van de mondelinge behandeling waarbij rekening is gehouden met de verhinderdata niet wederom om aanhouding verzoeken. Dit gaat ten koste van andere procedures. De procedure zal pro forma worden aangehouden tot een nader te bepalen moment. De griffie zal partijen binnenkort verzoeken opgave te doen van hun verhinderdata.
2De verdere beoordeling
De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar beschikking van 13 maart 2025.
Aan de rechtbank liggen nog voor de verzoeken inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de onderhoudsbijdrage en de verdeling.
Bij beschikking van de kinderrechter van 12 maart 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van JBRA van 12 maart 2026 tot 12 maart 2027.
De doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling gewerkt moeten worden zijn:
-
Er is zicht op het opvoed handelen van moeder;
-
Moeder ontvangt hulpverlening en psycho-educatie om [minderjarige] toestemming te kunnen geven voor het contact met zijn vader;
-
Er komt zicht op de gezagsbeslissingen die moeder al dan niet in zijn belang maakt;
-
[minderjarige] ontvangt de behandeling die hij nodig heeft alvorens contactherstel met vader aan te kunnen gaan (zoals het eerdere advies voor EMDR);
-
[minderjarige] heeft contact met zijn vader;
-
Er komt zicht op [minderjarige] zijn vrijetijdsbesteding;
-
[minderjarige] leert op een adequate manier omgaan met ruzies op school;
-
Moeder informeert vader hoe het met [minderjarige] gaat en ontvangt daar begeleiding bij om dit zo goed mogelijk vorm te geven;
-
Ouders werken mee aan een vorm van ouderschapsbegeleiding om te leren omgaan met gescheiden opvoeden.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
De man stelt dat hij inmiddels al drie jaar geen contact meer heeft met zijn zoon. Omdat de man [minderjarige] al zo lang niet heeft gezien en omdat er momenteel geen zicht is op het functioneren van [minderjarige] en zijn gevoel van vertrouwdheid bij de man, verzoekt de man om in eerste instantie begeleide omgang te bepalen. De man stelt een regeling voor waarbij hij [minderjarige] uiterlijk op 31 augustus 2026 eenmaal onder begeleiding ziet, dit een maand later nogmaals en vervolgens gedurende oktober tot en met december 2026 eens per twee weken, in januari en februari 2027 elke week een hele dag, in mei en juni 2027 een dag met overnachting, in juli en augustus 2027 een week (vakantie) en elk weekend van vrijdag tot zondagavond. Vanaf oktober 2027 verzoekt de man een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige] in de even weken bij de man is en in de oneven weken bij de vrouw, met het overdrachtsmoment op zondagavond.
Gelet op de afwijzende houding van de vrouw, de hoogte van het inkomen van de vrouw en gelet op de lage initiële frequentie van de contactmomenten verzoek de man om een dwangsom van € 1.000,- per contactmoment op te leggen, met een maximum van € 30.000,-.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij het goed vindt als een onafhankelijke derde met [minderjarige] praat. Zij wil daar zelf echter niet verantwoordelijk voor zijn of meewerken aan de ondertoezichtstelling. De vrouw wil het vertrouwen van [minderjarige] niet beschamen.
Zij heeft verder aangevoerd dat zij – nu de man heeft verzocht om dwangsommen op te leggen als de vrouw de door hem verzochte zorgregeling niet nakomt – klaar is om dood te gaan en haar organen te doneren aan mensen die het nodig hebben en voor experimenten. Op die manier kunnen de verzochte dwangsommen betaald worden. De vrouw heeft daarnaast een brief voorgelezen die geschreven zou zijn door [minderjarige] . In deze brief staat dat de vrouw aan [minderjarige] heeft verteld waar deze zaak over gaat en dat hij het dossier heeft kunnen lezen. Het is de keuze van [minderjarige] om niet naar zijn vader te gaan. In de brief staat dat [minderjarige] geen geld heeft en de dwangsommen niet kan betalen. Ook hij kan zijn organen doneren. Hij wil niet naar zijn vader, omdat die hem fysiek en mentaal mishandelt.
Volgens de Raad moet de visie van JBRA leidend zijn in welke zorgregeling tussen de man en [minderjarige] haalbaar is en hoe deze opgebouwd moet worden. Eerst zal een zorgaanbieder ingezet moeten worden die dit proces zorgvuldig kan begeleiden. Het is van groot belang dat de vrouw ondersteunend kan zijn naar [minderjarige] en er meer zicht is op haar invloed hierin. Omdat de man [minderjarige] al zo lang niet heeft gezien, kan de Raad geen concreet advies geven over de frequentie van de zorgregeling. Zij adviseert de rechtbank dan ook om de behandeling ten aanzien van de zorgregeling aan te houden voor 9 maanden. De Raad adviseert dat JBRA binnen deze periode het contact tussen de man en [minderjarige] zal starten zodra dit haalbaar is. Hiervoor is eerst nodig dat een zorgaanbieder start die zicht krijgt op de opvoedsituatie bij de vrouw en die een plan maakt hoe tot contactherstel gekomen kan worden. Parallel hieraan is het nog altijd van belang dat [minderjarige] EMDR ontvangt om een ander beeld van de man te kunnen vormen.
Namens JBRA is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij heeft geprobeerd contact te krijgen met de vrouw, in het kader van de ondertoezichtstelling. Het is JBRA niet gelukt om afspraken te maken met de vrouw. JBRA weet niet of de vrouw zal meewerken aan de ondertoezichtstelling. Volgens JBRA is er een moreel beraad nodig.
Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie zorgelijk. [minderjarige] is een jongen van 9 jaar oud, die in de door hem geschreven brief – net als zijn moeder – spreekt over het verkopen van zijn organen aan de wetenschap, om mogelijke dwangsommen aan de man te kunnen voldoen. De Raad en JBRA hebben, desgevraagd, aan de rechtbank laten weten dat een uithuisplaatsing of een andere maatregel op dit moment niet in het belang van de minderjarige is. Wel benadrukt de rechtbank dat zij zich grote zorgen maakt over de veiligheid van de minderjarige bij de vrouw, temeer nu de vrouw heeft aangegeven niet te zullen meewerken in het kader van de ondertoezichtstelling.
De vrouw betrekt de minderjarige te veel bij de scheiding. Dat blijkt ook uit de handgeschreven brief van de minderjarige die de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft overgelegd – daargelaten of deze brief daadwerkelijk de eigen mening van de minderjarige weergeeft. Hij moet kind kunnen zijn, en niet belast worden met de problematiek tussen zijn ouders en deze procedure. Dit is niet passend bij zijn leeftijd. Bovendien bevindt hij zich al veel te lang in deze situatie. De rechtbank geeft de vrouw dan ook nadrukkelijk mee hiermee te stoppen; voortzetting hiervan kan schadelijk voor [minderjarige] zijn.
De rechtbank benadrukt daarnaast dat de minderjarige, naast recht op een moeder, ook recht heeft op een vader. Naar het oordeel van de rechtbank dient op zo kort mogelijke termijn, op verantwoorde wijze, te worden gewerkt aan contactherstel. De minderjarige moet ervaren dat zijn vader geen kwade intenties heeft. Er dient contact tot stand te komen tussen de man en de minderjarige, zodat diens vertrouwen in de man kan worden hersteld. De rechtbank laat de verdere opbouw hiervan over aan JBRA, met dien verstande dat het eerste begeleide contactmoment uiterlijk op 30 september 2026 dient plaats te vinden.
Om een vinger aan de pols te houden, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen om op uiterlijk 15 oktober 2026 aan de rechtbank te laten weten hoe dit verlopen is. Ook stelt de rechtbank JBRA in de gelegenheid om uiterlijk op die pro forma datum de uitkomst van het moreel beraad met de rechtbank te delen. Indien nodig zal een nieuwe mondelinge behandeling gepland worden.
De rechtbank begrijpt het verzoek van de man om aan de contactmomenten dwangsommen te verbinden. De man heeft de minderjarige al geruime tijd niet gezien en de opstelling van de vrouw geeft, zoals hiervoor overwogen, geen blijk van bereidheid om aan het herstel van het contact mee te werken.
De rechtbank zal het verzoek tot het opleggen van dwangsommen niettemin afwijzen. Daarvoor is het volgende redengevend. Het contactherstel tussen de man en de minderjarige moet, zoals hiervoor is overwogen, op een zorgvuldige en voor de minderjarige verantwoorde wijze plaatsvinden, in een tempo dat is afgestemd op wat hij aankan. JBRA is belast met de begeleiding van dit traject en is daarmee ook de aangewezen instantie om, indien nodig, in te grijpen wanneer de vrouw onvoldoende meewerkt. Het opleggen van dwangsommen zou aan dit proces een financieel en juridisch conflict toevoegen dat naar het oordeel van de rechtbank averechts kan werken: de druk die daarvan uitgaat, komt niet alleen op de vrouw te liggen, maar zal onvermijdelijk ook zijn weerslag hebben op de minderjarige, die – zoals hiervoor is overwogen – al te veel bij de strijd tussen zijn ouders wordt betrokken. Een dwangsom kan de spanning tussen partijen verder doen oplopen, terwijl het belang van de minderjarige er juist bij gebaat is dat de spanning tussen zijn ouders wordt verminderd.
Onderhoudsbijdrage
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige vast te stellen van afgerond € 1.226,- per maand met ingang van 16 januari 2024.
De man heeft verzocht een door hemzelf te betalen kinderbijdrage vast te stellen van € 251,- per maand. Hij betaalt sinds 2023 een maandelijkse voorlopige bijdrage van € 300,- per maand, dit bedrag is afgesproken met Altra in het kader van de hulpverlening.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Ingangsdatum
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of wijziging van de alimentatie. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.
Gelet op de omstandigheid dat de man de afgelopen jaren de tussen partijen overeengekomen voorlopige alimentatie heeft voldaan, acht de rechtbank het niet redelijk om voor de bij deze beschikking vast te stellen alimentatie een datum in het verleden als ingangsdatum te bepalen. De rechtbank acht het redelijk dat hij niet met terugwerkende kracht wordt geconfronteerd met een betalingsverplichting waarvan de omvang tot op heden niet vaststond. Daarnaast heeft de man onweersproke gesteld dat hij veel (school)kosten steeds heeft voldaan. De rechtbank zal de ingangsdatum van de kinderalimentatie dan ook bepalen op de datum van deze beschikking.
Behoefte
Partijen zijn het eens over de ‘kale’ behoefte van [minderjarige] . Dat is het gemaximeerde bedrag in 2023, zijnde € 870,- per maand. Geïndexeerd naar heden is dat een bedrag van € 1.029,- per maand.
De vrouw stelt dat de kosten voor de internationale school van [minderjarige] aangemerkt moeten worden als bijzondere kosten die deze behoefte verhogen. Deze kosten bedragen voor het schooljaar 2026-2027 € 21.077,-. De vrouw wil [minderjarige] voorbereiden op een internationale toekomst en wil hem niet belasten met het moeten leren van de Nederlandse taal.
De man voert aan dat deze kosten niet moeten worden meegenomen voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] . De man wil graag dat [minderjarige] naar een Nederlandse school gaat. Ook geldt volgens de man dat de financiële situatie van partijen door de echtscheiding aanzienlijk is veranderd. Er zijn nu immers geen huurinkomsten meer uit het appartement, waarmee eerder de schoolkosten werden gedekt. De internationale school is een hele hoge kostenpost. Dit is voor partijen niet meer op te brengen.
De rechtbank zal bij de bepaling van de behoefte van de minderjarige rekening houden met de kosten van de internationale school, zijnde een bedrag van afgerond € 1.756,- per maand. Het is op dit moment niet in het belang van de minderjarige om hem van zijn vertrouwde school te halen. Ook de Raad en JBRA onderschrijven dit. De rechtbank merkt hierbij echter op dat niet onaannemelijk is dat de minderjarige in de nabije toekomst naar een andere school zal moeten gaan. Nu partijen uit elkaar zijn gegaan en de minderjarige waarschijnlijk in Nederland zal (blijven) verblijven, ligt het in de rede dat hij op enig moment de Nederlandse taal zal moeten leren. Gelet hierop, en gelet op de kosten die aan de internationale school verbonden zijn, is deze school mogelijk niet langer de meest passende school voor hem. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de behoefte van [minderjarige] berekent op (1.029 + 1.756 =) € 2.785,-.
De draagkracht van de ouders
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.200,- per maand in 2026 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening.
De draagkracht van de man
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.480,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van zijn salarisspecificaties over april en mei 2026, waarop een inkomen van afgerond € 7.488,-bruto per maand is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met de pensioenpremie en de premie private aanvulling op WW. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man bedraagt hiermee € 4.972,- per maand.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van € 1.480,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 1.676,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties over maart, april en mei 2026 waarop een inkomen van afgerond € 7.442,- bruto per maand is vermeld. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met 8% vakantiegeld, de pensioenpremie en de premie private aanvulling op WW. Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het NBI is dan € 5.372,- per maand.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de vrouw een draagkracht van € 1.676,- per maand.
De verdeling van de kosten
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
De ouders hebben samen een draagkracht van € 3.156,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 2.785,- per maand. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.480 / 3.156 x 2.785 = € 1.306,-.
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.676 / 3.156 x 2.785 = € 1.479,-.
De zorgkorting
De rechtbank ziet aanleiding om bij de vaststelling van de kinderalimentatie rekening te houden met een zorgkorting van 10%. Weliswaar is op dit moment nog geen sprake van een vastgestelde zorgregeling tussen de man en de minderjarige, maar partijen dienen, zoals hiervoor is overwogen, te gaan werken aan contactherstel en de opbouw van een zorgregeling. De rechtbank acht het redelijk om daarop bij de vaststelling van de kinderalimentatie te anticiperen en de man niet eerst na de daadwerkelijke totstandkoming van een zorgregeling in aanmerking te laten komen voor een zorgkorting. Bovendien wil de man juist heel graag contact met zijn kind en is de vrouw degene die niet meewerkt.
Conclusie
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 1.028,- per maand (1.306 -/- 278).
Verdeling van huwelijksvermogen
Wagonstelsel
Bij beschikking van 13 maart 2025 is bepaald dat Indiaas recht van toepassing is op het huwelijksvermogen van partijen van 12 februari 2012 tot 23 december 2021. Vanaf 23 december 2021 is Nederlands recht van toepassing.
Indiaas recht van 26 februari 2012 tot 23 december 2021
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen zijn gehuwd onder de Hindu Marriage Act 1955. Ten aanzien van het huwelijksvermogensrecht bevat deze wet geen regels. Daaruit kan worden afgeleid dat het huwelijk van partijen geen rechtsgevolg heeft voor de vermogens van partijen, wat overeenkomt met een volledige uitsluiting van enige vorm van gemeenschap van goederen. Wel is het naar het toepasselijke Indiase recht mogelijk om goederen in gemeenschappelijke eigendom te hebben. Die gemeenschap is dan niet het gevolg van het huwelijk, maar eerder vergelijkbaar met een gemeenschap van Boek 3 Titel 7 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek.
Aangezien partijen gezamenlijk een koopwoning en appartement bezitten, merkt de rechtbank dit aan als een dergelijke gemeenschap die tussen partijen verdeeld moet worden.
Nederlands recht van 23 december 2021 tot 12 januari 2024
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW, zoals dat gold tot 1 januari 2018) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
De rechtbank gaat er ten aanzien van de overige te verdelen goederen van uit dat deze onder het Nederlands recht vallen. Dit is door de man gesteld en door de vrouw niet betwist.
Peildatum
De rechtbank overweegt dat voor de omvang/samenstelling van de gemeenschap als peildatum 11 januari 2024, de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, geldt. Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.
Partijen stellen dat hun vermogen de volgende bestanddelen omvat:
-
de echtelijke woning aan de [adres 1] en de daarop rustende hypotheek;
-
het appartement aan het [adres 2] ;
-
de inboedel;
-
e Citycar;
-
de BMW;
-
de saldi op de privé bankrekeningen van partijen;
-
de sierraden;
-
een stuk grond in India.
Omdat de vrouw de mondelinge behandeling heeft verlaten voordat de verdeling aan de orde kwam, gaat de rechtbank ten aanzien van haar standpunt uit van hetgeen zij in haar verweerschrift op zelfstandige verzoeken, tevens indiening aanvullende verzoeken van 23 april 2024 naar voren heeft gebracht..
Ad a) de echtelijke woning en de daarom rustende hypotheek
Partijen zijn het erover eens dat de woning aan de [adres 1] wordt toebedeeld aan de man.
De man verzoekt om een onafhankelijke waardebepaling, waarbij de vrouw drie taxateurs kan voordragen en de man er een uitkiest. De opdracht zal worden te taxeren naar waarde bij verkoop in onbewoonde staat per datum beschikking, dan wel per datum taxatie. De kosten voor de taxatie van de woning worden gedragen door de man. Na bepaling van de woningwaarde zal de man gehouden worden de helft van de overwaarde aan de vrouw te vergoeden. Op de helft van de vrouw zal de helft van de door de man betaalde hypotheeklasten in mindering gebracht worden.
De rechtbank zal beslissen als verzocht een daartoe een spoorboekje opnemen in de beslissing.
De rechtbank zal het verzoek van de man met betrekking tot de door hem betaalde hypotheeklasten als onweersproken toewijzen, met dien verstande dat zij niet uitgaat van de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, zoals de man verzoekt. Zolang de echtscheidingsbeschikking niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zijn partijen nog gehuwd en behoren de hypotheeklasten tot de kosten van de huishouding als bedoeld in artikel 1:84 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Eerst vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking is van kosten van de huishouding geen sprake meer en ontstaat voor de man een vergoedingsrecht ter zake van de door hem gedane aflossingen op de hypothecaire lening. De woning wordt toegedeeld aan de man, die de vrouw zal uitkopen tegen de nog vast te stellen waarde van de woning. De man kan de helft van de hypotheeklasten die hij heeft betaald vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot de datum van taxatie van de woning in mindering brengen op het aan de vrouw te betalen bedrag.
Ad b) het appartement
Partijen zijn het erover eens dat het appartement aan het [adres 2] wordt toebedeeld aan de vrouw. De man verzoekt om een onafhankelijke waardebepaling, waarbij de vrouw drie taxateurs kan voordragen en de man er een uitkiest. De opdracht zal worden te taxeren naar waarde bij verkoop in onbewoonde staat per datum beschikking, dan wel per datum taxatie. De kosten voor de taxatie van het appartement worden gedragen door de vrouw.
Na bepaling van de woningwaarde zal de vrouw gehouden worden de helft van de waarde aan de man te vergoeden.
Ook ten aanzien van het appartement zal de rechtbank beslissen als verzocht en daartoe een spoorboekje opnemen in de beslissing.
Ad c) de inboedel
De man stelt dat zowel de woning als het appartement gemeubileerd waren. De waarde hiervan is moeilijk vast te stellen, maar de man meent dat beide inboedels minimaal een waarde van € 5.000,- vertegenwoordigen. De vrouw heeft de inboedel van de woning meegenomen, waardoor de man een nieuwe inboedel heeft moeten aanschaffen. De vrouw zal in het kader van overbedeling een bedrag van € 2.500,- aan de man dienen te betalen.
De vrouw voert aan dat de inboedel niks waard is. Partijen hebben geen meubelstukken van waarde.
De rechtbank gaat ervan uit dat de inboedel van de woning en het appartement wél een waarde vertegenwoordigt. De vrouw heeft niet betwist dat zij de woning heeft leeggehaald, zodat de inboedel zich thans onder haar bevindt. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag dient te vergoeden.
Nu partijen geen (onderbouwd) inzicht hebben gegeven in de concrete samenstelling en waarde van de inboedel, zal de rechtbank de waarde daarvan schatten op een bedrag van € 3.000,-. De vrouw dient aan de man de helft van dit bedrag te vergoeden, zijnde € 1.500,-.
Ad d) de Citycar
De man stelt dat de Citycar is gekocht op 28 januari 2023, voor een bedrag van € 11.990,-. De man stemt ermee in als de Citycar aan de vrouw wordt toebedeeld onder verrekening van de waarde per peildatum. Dat is volgens de man een bedrag van € 9.692,-.
De vrouw voert aan dat zij de Citycar aan haar toebedeeld wil hebben.
De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de door de man geschatte waarde, zodat de rechtbank dit als uitgangspunt neemt. De rechtbank zal bepalen dat de Citycar aan de vrouw wordt toebedeeld onder verrekening van de helft van de waarde, zijnde (9.692/2 =) afgerond € 4.846,-.
Ad e) de BMW
De man stelt dat hij ermee instemt als de BMW aan de vrouw wordt toebedeeld met verrekening van de waarde per peildatum. Aanschafwaarde € 70.845,- nieuwprijs € 69.468,-. Volgens de man is de waarde van de BMW op de peildatum 54.636,-.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen en bepalen dat de BMW aan de vrouw wordt toebedeeld onder verrekening van de helft van de waarde per peildatum, zijnde (54.636/2 =) € 27.318,-.
Ad f) de saldi op de bankrekeningen van partijen
De man verzoekt te bepalen dat beide partijen hun eigen rekeningen houden, zonder nadere verrekening.
De vrouw is het ermee eens dat de bankrekeningen worden toebedeeld aan degene op wiens naam deze staan.
De rechtbank zal aldus bepalen, zonder verrekening van de saldi over en weer.
Ad g) de sieraden
De man stelt dat de vrouw de volgende gemeenschappelijke sieraden in bezit heeft:
-
4-5 gouden kettingen (gemiddelde waarde € 700, totaal € 3.050);
-
4-5 gouden ringen (gemiddelde waarde € 300, totaal € 1.350);
-
4-5 gouden oorbellen (gemiddelde waarde € 150, totaal € 675);
-
2 gouden armbanden en een zilveren armband (totale waarde € 1.200).
De man ontkent dat hij sieraden van de vrouw in bezit heeft. De vrouw dient de sieraden die zij heeft aan de man te retourneren of de helft van het totaalbedrag van € 6.275,- aan de man te voldoen in het kader van overbedeling.
De vrouw voert aan dat zij enkel één gouden ring en één gouden hanger in haar bezit heeft, die de man in de echtelijke woning heeft achtergelaten. Volgens de vrouw hebben de sieraden geen bijzondere financiële waarde. De vrouw kan ermee instemmen dat de sieraden tussen partijen worden gedeeld.
De rechtbank stelt vast dat beide partijen hebben verklaard de sieraden niet in bezit te hebben. Nu partijen over en weer betwisten dat zij de sieraden onder zich hebben, kan de rechtbank deze niet feitelijk verdelen. Dit laat onverlet dat partijen ieder gerechtigd zijn tot de helft van de waarde van de sieraden/het goud.
Ad h) een stuk grond in India
Partijen hebben gesteld dat het stuk grond door de vrouw is gekocht in 2014. De man heeft verzocht het stuk grond in India buiten de verdeling te houden, hetgeen door de vrouw niet is weersproken. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en dit onderdeel dan ook buiten de verdeling houden.
Pensioenverevening
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de door partijen tijdens het huwelijk in Nederland opgebouwde pensioenrechten dienen te worden verevend conform de Wet vervening pensioenrechten bij scheiding (hierna Wvps).
De man voert aan dat de Wvps onverkort van toepassing is. In het kader van de echtscheiding hoeft daarover dan ook geen beslissing te worden genomen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 1:155 BW na echtscheiding recht bestaat op pensioenverevening overeenkomstig de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien in deze wet de toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten. Nu het recht op pensioenverevening rechtstreeks uit de wet volgt, zal de rechtbank het verzoek met betrekking tot de pensioenverevening bij gebrek aan belang afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
3De beslissing
De rechtbank:
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/745079 / FA RK 24-280:
houdt de beslissing ten aanzien van de zorgregeling pro forma aan tot 15 oktober 2026, in afwachting van het verloop van het eerste begeleide omgangsmoment en het moreel beraad van JBRA, en verzoekt partijen en JBRA uiterlijk op die datum aan de rechtbank te laten weten hoe het verlopen is;
bepaalt dat de man vanaf heden een bedrag van € 1.028,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
houdt iedere verdere beslissing met betrekking de tot zorgregeling en de proceskosten aan.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/759419 / FA RK 24-7747:
gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning aan de [adres 1] :
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. de vrouw dient binnen één maand na de datum van deze beschikking drie onafhankelijke NVM-makelaar-taxateurs aan de man voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar/taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar/taxateur zal tussen partijen bindend de waarde van de woning in onbewoonde staat vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
- voor zover de vrouw niet binnen één maand na de datum van deze beschikking drie makelaars/taxateurs heeft aangewezen, staat het de man vrij zelf een makelaar/taxateur te kiezen en de opdracht te verstrekken;
- voor zover de man niet binnen één week nadat de vrouw drie makelaars/taxateurs heeft aangewezen, één makelaar/taxateur kiest, staat het de vrouw vrij zelf een makelaar te kiezen en de opdracht te verstrekken;
de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. De overwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar/taxateur;
de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning, bij gebreke waarvan deze beschikking in de plaats treedt van de ontbrekende toestemming;
2. Indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
-
partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar/taxateur een gezamenlijke opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar/taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
-
de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. De overwaarde bestaat uit verkoopopbrengst minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar/taxateur;
-
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
bepaalt dat de man gerechtigd is om 50% van de door hem betaalde hypotheeklasten over de periode vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot de datum van de overdracht van de woning, in mindering te brengen op het door hem aan de vrouw te betalen bedrag wegens overbedeling;
gelast de navolgende wijze van verdeling van het appartement aan het [adres 2] :
1. het appartement wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
-
Partijen verstrekken eveneens een gezamenlijke opdracht aan dezelfde makelaar/taxateur - die op de wijze als hierboven omschreven ten aanzien van de verkoop van de woning is uitgezocht - tot taxatie van het appartement. Deze makelaar/taxateur zal tussen partijen bindend de waarde van het appartement in onbewoonde staat vaststellen waartegen de vrouw het appartement zal overnemen;
-
de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij het appartement tegen de getaxeerde waarde kan overnemen;
-
de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. De overwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de kosten van de makelaar/taxateur;
-
e kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw als kosten koper, voldaan;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van het appartement, bij gebreke waarvan deze beschikking in de plaats treedt van de ontbrekende toestemming;
2. Indien de vrouw het appartement niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt het appartement verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
-
partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt het appartement niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar/taxateur een gezamenlijke opdracht te verstrekken tot verkoop van het appartement aan een derde. Deze makelaar/taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van het appartement;
-
de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. De overwaarde bestaat uit verkoopopbrengst minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar/taxateur;
-
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van het appartement;
stelt de verdeling van de overige bestanddelen van de (ontbonden) gemeenschap als volgt vast:
aan de vrouw wordt toegedeeld:
-
de bankrekeningen, met de saldi, die op haar naam staan;
-
alle inboedelgoederen, onder verrekening van de helft van de waarde (€ 1.500,-);
-
de Citycar, onder verrekening van de helft van de waarde (€ 4.846,-);
-
de BMW, onder verrekening van de helft van de waarde (€ 27.318,);
waarbij de vrouw wegens overbedeling aan de man zal voldoen een bedrag van in totaal € 33.664,-;
aan de man wordt toegedeeld:
de bankrekeningen, met de saldi, die op zijn naam staan;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.E. Luijckx op 29 juli 2026. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt. |
||
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
