Essentie (gemaakt door AI)
Per vaststellingsovereenkomst heeft de vrouw zich verplicht de woning in Marokko over te dragen en te leveren aan de man. De vrouw heeft geweigerd deze verplichting na te komen. Ook na veroordeling tot medewerking. Het hof veroordeelt de vrouw om de man een gemaximeerde dwangsom te betalen per dag dat zij in gebreke blijft mee te werken aan de onbelaste overdracht en levering van de woning aan de man. Proceskostenveroordeling.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 03-08-2026 |
| Zaaknummer | 200.355.235/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; IPR huwelijksvermogensrecht; Familievermogensrecht; Medewerking aan verkoop/toedeling; Familieprocesrecht; Dwangsom; Proceskosten |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vrouw wordt veroordeeld mee te werken aan overdracht en levering van een in Marokko gelegen woning onder oplegging van dwangsommen omdat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om reële executie te bepalen voor een in Marokko gelegen woning waarbij de eigendomsoverdracht dient plaats te vinden met inachtneming van de daarvoor geldende Marokkaanse regels voor eigendomsoverdracht.Volledige uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.235/01
zaaknummer rechtbank: C/13/749119 / HA ZA 24-337
arrest van de meervoudige familiekamer van 28 juli 2026
inzake:
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
appellant,
advocaat: mr. H.A. From te Zwolle,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T.C. ten Rouwelaar-Hoogland te Amstelveen.
Partijen worden hierna de man respectievelijk de vrouw genoemd.
1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is overwogen in zijn arrest van 29 juli 2025. In dat arrest heeft het hof de man ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, voor zover dat hoger beroep zich niet richt tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van het bestreden vonnis van 26 februari 2025 dat blijkens het dictum in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen. De zaak is verwezen naar de rol van 9 september 2025 voor memorie van grieven door de man. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord;
- een bericht van de zijde van de man van 24 april 2026 met producties 13 en 14.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 7 mei 2026 laten toelichten, de man door mr. From voornoemd en de vrouw door mr. Ten Rouwelaar-Hoogland voornoemd, mr. From aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2De feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Ook het hof zal daarvan uitgaan, voor zover in hoger beroep nog van belang. Die feiten zijn, aangevuld met andere relevante feiten die in dit geding zijn komen vast te staan, de volgende.
De man en de vrouw zijn voormalige echtgenoten. Zij zijn gescheiden in 2015.
Op 19 december 2019 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de vrouw zich ertoe verplicht om, kort gezegd, de woning in [plaats] , Marokko (verder: de woning), vóór 1 april 2020 over te dragen en te leveren aan de man (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Partijen hebben onder punt 4 dat zij in overleg treden over de wijze waarop de overdracht van de woning vanuit Nederland in Marokko kan plaatsvinden (bijvoorbeeld door machtiging van de notaris of een ander in Marokko aan te wijzen persoon).
De woning is niet overgedragen en geleverd aan de man.
3De omvang van het geschil
Bij inleidende dagvaarding van 26 maart 2024 heeft de man gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1) de vrouw te veroordelen tot onbelaste overdracht en levering aan hem van de woning, onder de voorwaarden opgenomen in de vaststellingsovereenkomst van 19 december 2019, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat zij in gebreke blijft om hieraan binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis te voldoen;
2) te bepalen dat dit vonnis ingevolge artikel 3:300 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in de plaats treedt van de leveringshandelingen die nodig zijn om de woning aan de man over te dragen en te leveren, indien de vrouw na verloop van 10 dagen na betekening van dit vonnis die woning niet aan hem heeft overgedragen en geleverd;
3) de vrouw te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 925,-, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van het vonnis;
4) de vrouw te veroordelen in de werkelijke kosten van de procedure, althans in de kosten van de procedure, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van het vonnis.
De vrouw heeft in reconventie gevorderd te bepalen dat de man uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan de overdracht van de woning de volledige (nog nader te berekenen) achterstand in de servicekosten aan haar voldoet, waarmee zij die volledige (resterende) achterstand kan aflossen, zodat de woning vrij is om over te dragen.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis (onder 5.1.) de vrouw veroordeeld om binnen 32 dagen na betekening van het vonnis mee te werken aan de onbelaste overdracht en levering aan de man van de woning, onder de voorwaarden opgenomen in de vaststellingsovereenkomst van 19 december 2019, en (onder 5.2.) bepaald dat het vonnis 40 dagen na betekening daarvan ingevolge artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de van de vrouw vereiste leveringshandelingen die nodig zijn om de woning over te dragen en te leveren aan de man. Daarnaast heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders door de man gevorderde is afgewezen. Verder heeft de rechtbank de vordering in reconventie van de vrouw afgewezen. In conventie en in reconventie heeft de rechtbank bepaald dat elke partij de eigen kosten draagt.
Het bestreden vonnis is op 19 maart 2025 aan de vrouw betekend.
De man heeft in hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daartegen door hem wordt gegriefd en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, althans een zodanige beslissing zal nemen als het hof juist acht;
II. met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van beide instanties, primair de werkelijke kosten en subsidiair de forfaitaire kosten, in beide gevallen te vermeerderen met de nakosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest, indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het arrest, althans de 14e dag na de datum van het arrest tot aan de dag der algehele voldoening.
De vrouw heeft in hoger beroep geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de man integraal zal afwijzen, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep, zijnde € 176,- eigen bijdrage in verband met de verkregen rechtsbijstand en € 362,- griffierecht, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.
4De beoordeling
De man is met twee grieven tegen het vonnis van 26 februari 2025 opgekomen.
Dwangsom
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 4.7 geoordeeld dat de redenen die de vrouw opgeeft voor het niet kunnen nakomen van haar verplichting om de woning over te dragen niet opgaan. Omdat zij inmiddels meer dan voldoende gelegenheid heeft gekregen om de woning aan de man over te dragen, zal haar 30 dagen worden gegeven om een nieuw paspoort aan te vragen, waarna zij zal moeten meewerken aan overdracht van de woning. Mocht zij dat niet doen dan zal het vonnis in de plaats kunnen treden van de vereiste leveringshandelingen. Een dwangsom daarnaast is niet nodig. De rechtbank heeft de vorderingen onder 1 en 2 in zoverre toegewezen.
De man stelt zich in zijn eerste grief op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een dwangsom in deze zaak niet nodig is, omdat het vonnis in de plaats kan treden van de vereiste leveringshandelingen. Hij voert aan dat hij tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft aangegeven dat het van groot belang is dat op de eerste plaats een dwangsom verbonden wordt aan de vereiste medewerking van de vrouw aan de levering en pas op de tweede plaats, bij wijze van laatste redmiddel, als ook blijkt dat een financiële prikkel geen soelaas biedt om de vrouw te bewegen mee te werken aan de overdracht en levering van de woning, de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de vereiste leveringshandeling. Hij heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat het van belang is dat beide vorderingen worden toegewezen omdat het maar zeer de vraag is of een Nederlands vonnis dat in de plaats wordt gesteld van leveringshandelingen die moeten worden uitgevoerd in Marokko, uitvoerbaar is in Marokko. Voor uitvoering van het vonnis in Marokko is een exequaturprocedure in Marokko vereist, die geruime tijd in beslag kan nemen en waarvan de uitkomst zeer onzeker is. Gelet hierop is het volgens de man onbegrijpelijk dat de rechtbank onder 4.7 zonder enige motivering heeft geoordeeld dat een dwangsom naast de indeplaatsstelling van het vonnis niet nodig is. De man wil graag dat de vrouw op het Marokkaanse consulaat in [plaats A] een machtiging ondertekent, waarmee hij in Marokko de woning aan hem kan laten leveren. Als de gevorderde dwangsom in hoger beroep alsnog wordt toegewezen heeft hij een executiemiddel dat in Nederland kan worden uitgevoerd.
De vrouw heeft aangevoerd dat het op de weg van de man had gelegen om haar, voorafgaand aan de procedure in hoger beroep, te melden dat het hem niet is gelukt om de levering van de woning in Marokko te bewerkstelligen. De vrouw had dan naar een oplossing kunnen zoeken. De vrouw dacht dat het geregeld was. De rechtbank heeft immers de man in de gelegenheid gesteld om met het bestreden vonnis in de hand de leveringshandelingen te verrichten welke nodig zijn om de woning aan hem over te dragen. De man had haar medewerking hierbij niet nodig. Om die reden kon zij zich dan ook vinden in het bestreden vonnis. Gelet hierop was het volgens de vrouw dan ook aan de man om het initiatief te nemen tot overleg over de ontstane situatie nu de levering in Marokko niet lijkt te lukken. Dit heeft hij niet gedaan. Volgens de vrouw kan het bestreden vonnis overigens gewoon in Marokko worden erkend. De man kan bij de rechtbank in Marokko een apostille halen en het vonnis aldaar in het kadaster laten inschrijven. De door de man voorgestelde route om met de vrouw naar het Marokkaanse consulaat te gaan is volgens haar dus niet nodig. Het is ook niet de juiste route om tot overdracht en levering van de woning te komen omdat het de man niet zal lukken om met een door de vrouw ondertekende machtiging in Marokko de woning aan hem overgedragen en geleverd te krijgen. Het vorenstaande leidt volgens de vrouw ertoe dat de rechtbank de vordering om een dwangsom te verbinden aan de van haar vereiste overdrachts- en leveringshandeling terecht heeft afgewezen. Daarbij komt nog dat als een dwangsom wordt opgelegd, de vrouw deze vanwege haar financiële situatie niet kan betalen.
Het hof overweegt als volgt. In de vaststellingsovereenkomst van 19 december 2019 heeft de vrouw zich verplicht de woning te [plaats] over te dragen en te leveren aan de man. In de jaren daarna heeft vrouw geweigerd deze verplichting na te komen, reden waarom de rechtbank in het bestreden vonnis de vrouw heeft veroordeeld tot medewerking aan de overdracht en levering van de woning. De verplichting tot overdracht en levering door de vrouw is in hoger beroep niet in geschil. Het bestreden vonnis is aan de vrouw betekend en het had op haar weg gelegen de nodige leveringshandelingen te verrichten. Gebleken is echter dat de vrouw ook na het bestreden vonnis geen actie heeft ondernomen die tot levering en overdracht heeft geleid. Door bij email van haar advocaat van 10 april 2025 om de identiteitskaart van de man te verzoeken leek het erop dat de vrouw aan de ondertekening van de machtiging zou meewerken, maar de vrouw en haar advocaat hebben vervolgens niets meer gedaan, nadat de man de advocaat van de vrouw een kopie van zijn identiteitskaart had toegestuurd. Het gaat gelet op deze gang van zaken niet aan om te stellen dat de man de vrouw voorafgaand aan de procedure in hoger beroep had moeten melden dat het hem niet was gelukt om de levering van de woning te bewerkstelligen, zodat zij naar een oplossing had kunnen zoeken en evenmin dat het op de weg van de man had gelegen om met een alternatieve oplossing te komen. De man heeft haar immers de gelegenheid gegeven om op de door hem voorgestelde wijze aan de levering mee te werken, maar zij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de vrouw gesteld dat er iets is misgegaan met het door haar aan de vrouw doorsturen van de identiteitskaart van de man. Het hof stelt vast dat, wat daar ook van zij, de vrouw en haar advocaat na de email van 14 april 2025 geen actie hebben ondernomen om ervoor te zorgen dat de overdracht en levering van de woning konden plaatsvinden. Vast staat in ieder geval dat de man na voormelde datum niets meer heeft vernomen van de vrouw en haar advocaat, wat voor de man aanleiding is geweest om hoger beroep in te stellen.
De vrouw heeft in hoger beroep ook nog gesteld dat zij bereid is mee te gaan naar het Marokkaanse consulaat, maar dat het de man niet zal lukken om met een door haar ondertekende machtiging ervoor te zorgen dat in Marokko de woning aan hem wordt geleverd. In dit verband heeft zij ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij in 2015 al een machtiging heeft ondertekend en dat zij in 2019 samen met de man naar het consulaat is geweest. Omdat zij deze stelling, tegenover de betwisting door de man, niet nader heeft onderbouwd zal het hof daaraan voorbijgaan. Datzelfde geldt voor de stelling van de vrouw ter zitting in hoger beroep dat de man bij de rechtbank in Marokko een apostille kan halen, waarna hij het vonnis in het kadaster aldaar kan inschrijven. Het hof overweegt dat partijen in de vaststellingsovereenkomst de afspraak hebben opgenomen dat zij in overleg treden over de wijze waarop de overdracht van de woning vanuit Nederland in Marokko kan plaatsvinden (bijvoorbeeld door machtiging van de notaris of een ander in Marokko aan te wijzen persoon).
De man stelt dat hij met het in het bestreden vonnis opgelegde dwangmiddel van reële executie de levering en overdracht in Marokko niet kan bewerkstelligen en dat de medewerking van de vrouw ook dan nog nodig blijft. Het hof volgt de man daarin. Zoals onder meer uiteengezet in een uitspraak van dit hof van 9 december 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:3397, onder 5.1), is de Nederlandse rechter niet bevoegd om reële executie te bepalen voor een in Marokko gelegen woning waarbij de eigendomsoverdracht dient plaats te vinden met inachtneming van de daarvoor geldende Marokkaanse regels voor eigendomsoverdracht. Het hof acht het daarom aannemelijk dat de man tegen problemen zal aanlopen indien hij tracht het bestreden vonnis in Marokko ten uitvoer te leggen. Ook om die reden gaat het hof voorbij aan het verweer van de vrouw dat de man door het verkrijgen van een apostille in Nederland de overdracht in Marokko kan bewerkstelligen.
Gelet hierop ligt het verbinden van een dwangsom aan de door de man voorgestelde handelingen die de vrouw moet verrichten om tot overdracht en levering van de woning te komen meer voor de hand dan reële executie van het bestreden vonnis.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de eerste grief van de man slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen, voor zover daarin de gevorderde dwangsom is afgewezen, en de vordering van de man om aan de veroordeling tot onbelaste overdracht en levering van de woning een dwangsom te verbinden, toewijzen. De gevorderde dwangsom zal, gelet op de omstandigheden van de vrouw, worden gematigd en gemaximeerd als in de beslissing vermeld.
Proceskosten
De man stelt zich in zijn tweede grief op het standpunt dat de rechtbank in onder 5.7 van het bestreden vonnis ten onrechte de proceskosten tussen partijen heeft verrekend in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Partijen zijn in 2015 gescheiden en sindsdien neemt de vrouw al een weigerachtige houding aan om de gevolgen van de echtscheiding ook daadwerkelijk af te wikkelen. Hierdoor zag de man zich genoodzaakt om de vrouw in diverse procedures te betrekken. De vrouw legt alle rechterlijke beslissingen naast zich neer, wijst ook overigens alle voorstellen van de man om tot overdracht en levering van de woning te komen van de hand en onderneemt geen concrete stappen om tot een oplossing van de situatie te komen. Met deze houding heeft zij de man op onnodig hoge proceskosten gejaagd. Daarbij komt dat de man in eerste aanleg in het gelijk is gesteld. Tot slot dient mee te wegen dat de onderhavige kwestie weliswaar een familierechtelijke kwestie betreft maar enkel een financieel dan wel zakelijk karakter heeft.
De vrouw voert verweer en stelt dat compensatie van kosten de hoofdregel is en dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen hiervan kan worden afgeweken, bijvoorbeeld indien sprake is van misbruik van procesrecht. Daar is in de onderhavige situatie geen sprake van. Het stond haar vrij verweer te voeren.
Het hof overweegt als volgt. De artikelen 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) regelen de kostenveroordeling van de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in civiele procedures. De hoogte van de proceskosten wordt via zogenoemde liquidatietarieven bepaald aan de hand van het aantal proceshandelingen in relatie tot het belang van de zaak tegen bedragen die los staan van door een partij werkelijk gemaakte kosten (forfaitaire bedragen). Volgens vaste jurisprudentie (HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360) bevatten genoemde artikelen, behoudens wettelijke uitzonderingsgevallen - die zich hier niet voordoen - en behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die bij vonnis (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Hoewel in personen- en familierechtelijke procedures op grond van artikel 237 Rv de proceskosten tussen ex-echtgenoten doorgaans worden gecompenseerd, is het hof van oordeel dat de jarenlange hardnekkige weigering van de vrouw om over te gaan tot overdracht en levering van de woning terwijl zij hiertoe meermaals in gerechtelijke procedures verplicht is geoordeeld, een forfaitaire proceskostenveroordeling in beide instanties rechtvaardigt. Grief 2 slaagt in zoverre.
Een volledige vergoedingsplicht, zoals door de man is gevorderd, is alleen in buitengewone omstandigheden denkbaar, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatig handelen. De feiten en omstandigheden die de vrouw in het kader van het voeren van verweer in de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep heeft aangevoerd zijn weliswaar niet gegrond, maar daarmee staat niet vast dat zij haar verweer in beide procedures heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Uit het voorgaande volgt dat het hof de vordering van de man tot vergoeding van de werkelijke proceskosten zal het hof dan ook afwijzen.
5De beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij is afgewezen de vordering van de man om te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 1.000,- per dag verbeurt per dag dat zij in gebreke blijft binnen twee dagen na betekening van het vonnis mee te werken aan de onbelaste overdracht en levering van de woning aan de man;
en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 150,- voor iedere dag dat zij niet aan de onder 5.1 van het dictum van het bestreden vonnis uitgesproken veroordeling voldoet binnen twee weken na betekening van dit arrest, tot een maximum van € 30.000,- is bereikt;
veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van de man begroot op € 0,- aan verschotten en € 1.228,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 362,- aan verschotten en € 2.580,- voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertiendagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt de vrouw tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris als betekening van dit arrest plaats vindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van het nasalaris aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad:
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Overmars, A.R. Sturhoofd en J.M. van Baardewijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
