Gerechtshof Amsterdam 07-07-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1851

Essentie (gemaakt door AI)

Huwelijksvermogensrecht. Niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding. Vaststelling verrekenvordering van man wegens uit overgespaarde inkomsten bekostigde verbouwingen en investeringen in op naam van vrouw staande woonark. Hof volgt taxateur en hanteert voor verbouwingen de formule [X : (Y+X)] x Z, onder verwijzing naar HR en art. 1:87 lid 2 onder b BW. Voor aflossingen en inbreng geldt (X : Y) x Z. Verrekenvorderingen leiden tot €168.708 aan man; na verrekening met €100.000 en €2.750 resteert €71.458. Wettelijke rente afgewezen wegens verrekening [[art. 6:129 BW

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

"Voor aflossingen geldt een andere berekeningswijze dan voor de verbouwingen"
Hof stelt verrekenvordering man vast wegens uit overgespaarde inkomsten bekostigde verbouwingen en investeringen in op naam van vrouw staande woning (woonark). Verschillende formules toegepast, onder verwijzing naar HR en art. 1:87 BW.

Datum publicatie03-08-2026
Zaaknummer200.320.560/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Titel 8 Huwelijksvoorwaarden; Vergoedingsrechten art. 1:87
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Huwelijksvermogensrecht. Niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding. Verrekening van door de man uit overgespaarde inkomsten uitgevoerde verbouwingen en gedane investeringen in de op naam van de vrouw staande woonark. Berekeningswijze ten aanzien van verbouwingen uit overgespaarde inkomsten: [X : (Y+X)] x Z. Daarbij staat X voor de verbouwingskosten op de peildatum waarop de verbouwing plaatsvond, Y betreft de waarde van de woonark voor de verbouwing en Z staat voor de waarde van de woonark op de peildatum. Berekeningswijze ten aanzien van de aflossingen: (X : Y) x Z. Daarbij staat X voor het afgeloste bedrag, respectievelijk de inbreng bij aankoop van de woonark, Y staat voor de waarde van de woonark bij aankoop en Z staat voor de waarde van de woonark op de peildatum. Wettelijke rente. Tussenuitspraak ECLI:NL:GHAMS:2025:2164 ECLI:NL:GHAMS:2025:1240 ECLI:NL:GHAMS:2024:2795 ECLI:NL:GHAMS:2024:706

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.320.560/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/715942 / FA RK 22-2081

Beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 inzake

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A. Krim te Haarlem,

en

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.D. Leuftink te Amsterdam.

1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure naar hetgeen is opgenomen in zijn beschikkingen van 19 maart 2024, 8 oktober 2024, 13 mei 2025 en 12 augustus 2025.

1.2

Bij de beschikking van 12 augustus 2025 heeft het hof een onderzoek bevolen door een deskundige.

1.3

Na de beschikking van 12 augustus 2025 heeft het hof de volgende stukken ontvangen:

- een deskundigenbericht van [naam] (hierna: de deskundige) van 17 november 2025;

- een bericht van de man van 15 december 2025;

- een bericht van de vrouw van 29 december 2025.

2De beoordeling door het hof

2.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, waarbij zij iedere gemeenschap van goederen hebben uitgesloten. Wel zijn zij een zogenoemd periodiek verrekenbeding overeengekomen. Vaststaat dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Wat nog voorligt is de vraag wat de hoogte is van de verrekenvordering van de man ter zake van de door hem uit overgespaarde inkomsten uitgevoerde verbouwingen aan en gedane investeringen in de woonark die eigendom van de vrouw is.

Verbouwingen uit overgespaarde inkomsten

2.2

Bij beschikking van 13 mei 2025 heeft dit hof de uit overgespaarde inkomsten betaalde verbouwingen per periode in redelijkheid bepaald op een bedrag van:

- € 10.000,- over de periode 2009-2010 (zwaartepunt begin 2010);

- € 45.000,- over de periode 2015-2017 (zwaartepunt medio 2016);

- € 25.000,- over de periode 2018-2020 (zwaartepunt medio 2019).

2.3

Bij beschikking van 12 augustus 2025 heeft het hof de deskundige benoemd en hem de volgende vragen gesteld:

1. Wat is de onderhandse verkoopwaarde van de woonark gelegen aan de [B-straat] te [plaats A] :

- vóór de verbouwing in 2010, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 januari 2010;

- vóór de verbouwing in 2016, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 juli 2016;

- vóór de verbouwing in 2019, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 juli 2019;

- op 13 juli 2021.

Bij de taxatie is uitgangspunt dat de werkzaamheden genoemd in rechtsoverweging 3.7 van de beschikking van 13 mei 2025 per periode op de genoemde taxatiedatum nog niet hebben plaatsgevonden, zoals onder 3.10 van de beschikking van 13 mei 2025 uiteen is gezet. Ook dient u ervan uit te gaan dat de woonark voldoet aan alle eisen van de gemeente en sprake is van een ligplaatsvergunning en de benodigde vergunningen voor de verbouwing/uitbreiding van de woonark;

2. Geeft het onderzoek u aanleiding tot aanvullende opmerkingen? Zo ja, welke?

2.4

De taxateur heeft in zijn (concept-)rapport van 21 oktober 2025 de onderhandse verkoopwaarde van de woonark getaxeerd op:

- € 345.000,- per 1 januari 2010;

- € 480.000,- per 1 juli 2026;

- € 671.000,- per 1 juli 2019;

- € 730.000,- per 13 juli 2021.

2.5

In reactie op het concept-deskundigenbericht heeft de man onder andere aangevoerd dat het rapport niet deugdelijk is opgemaakt, met name omdat de gebruikte referentieobjecten niet te toetsen zijn. Zo zijn geen verkoopprijzen inzichtelijk gemaakt en geen foto’s van de verkochte objecten toegevoegd. De taxatieresultaten kunnen dan ook niet worden geverifieerd.

Verder hecht de taxateur waarde aan het feit dat de woonark scheef ligt, maar uit foto’s van april 2024 blijkt dat daarvan toen geen sprake was.

2.6

De vrouw heeft in haar reactie erop gewezen dat de boot in 2021 alleen voor € 730.000,- zou kunnen worden verkocht als geen sprake is van verborgen gebreken, terwijl ook kosten moeten worden gemaakt om het object verkoopbaar te maken. Deze kosten moeten van de taxatiewaarde worden afgehaald. De vrouw schat deze kosten op € 37.250,-.

2.7

De taxateur heeft gereageerd op beide reacties van partijen. De referentieobjecten betreffen alle door de deskundige zelf uitgevoerde taxaties voor financieringsaanvragen. Er waren op alle gewenste taxatiemomenten voldoende vergelijkingsobjecten voorhanden om een betrouwbare vierkante-meterprijs te kunnen destilleren. Dit is volgens hem een volstrekt gebruikelijke wijze om vergelijkingen te maken.

Dat de woonark aanzienlijk scheef ligt, is evident volgens de taxateur. Dat de woonark op enig moment wel recht heeft gelegen doet daar niets aan af, omdat er geen duidelijke oorzaak is aan te wijzen waarom de woonark nu weer scheef ligt. De gekozen wijze om de woonark te verbreden door middel van een drijvend ponton waarop een zware staalconstructie is geplaatst en waarop de opbouw deels over twee woonlagen is geplaatst, zou wel een waarschijnlijke oorzaak voor het scheef liggen kunnen zijn, aldus de taxateur.

Verder heeft de taxateur reeds grotendeels met de door de vrouw genoemde kosten rekening gehouden bij de waardering van de woonark. Zo heeft de taxateur rekening gehouden met de kosten voor het verwijderen van de illegale schuur, het recht leggen van de ark, het afvullen van de standpijpen, de aansluiting op de riolering en het herstellen van de lekkage aan het dak. De schimmel in de badkamer kan worden verholpen door ventilatie, terwijl het probleem van de kozijnen en de stalen kokerconstructie in het rapport wordt genoemd. Ook hiermee is rekening gehouden bij de waardering. Dat sprake zou zijn van defecte zonnepanelen was de deskundige niet bekend, wel dat de zonnepanelen niet zijn aangesloten zodat de aanwezigheid ervan niet tot een meerwaarde leidt.

De deskundige heeft geen aanleiding gezien de conclusies van zijn (concept-) deskundigenonderzoek aan te passen naar aanleiding van de reacties van partijen.

2.8

In zijn reactie na het deskundigenonderzoek wijst de man erop dat de woonark op 22 mei 2019 recht is gelegd door middel van koppelpontons. Het is volgens hem dan ook opvallend dat bij de taxatie de ark zo scheef ligt als is geconstateerd. De man vraagt zich af of de vrouw met het oog op de uit te voeren taxatie de pontons heeft weggehaald. Dat geldt ook voor de aansluiting op de vuilwaterpomp. Op 10 juni 2016 heeft de vrouw de woonark al laten aansluiten op de vuilwaterpomp. Het lijkt erop dat bij de taxatie de indruk is gewekt dat er nimmer een aansluiting heeft plaatsgevonden met geen ander doel dan de taxateur hierdoor op het verkeerde been te zetten, aldus de man.

De taxateur heeft aangegeven dat met de opmerkingen van de vrouw en met alle gebreken, (illegale) verbouwingen en (illegale) bouwwerkzaamheden reeds rekening is gehouden bij de waardering van de ark. De man acht het onredelijk om daar in het taxatiebedrag rekening mee te houden, omdat de ark in betere staat was toen de man de ark verliet dan de staat waarin deze zich thans bevindt. Het is onredelijk om een achteruitgang in waarde ten laste van de man te brengen, terwijl hij geen invloed hierop heeft kunnen uitoefenen.

De vrouw heeft in haar reactie na het deskundigenbericht meegedeeld dat zij het nodige heeft op te merken over het taxatierapport, maar dat zij dit vanwege proceseconomische redenen achterwege laat.

2.9

Het hof constateert dat de man weliswaar op- en aanmerkingen heeft op het deskundigenbericht, maar daaraan geen consequenties verbindt voor wat betreft de getaxeerde waarden. De man gaat voor de berekening van de verrekenvordering immers uit van de door de taxateur vastgestelde waarden. Het hof heeft voorts geen reden om aan de juistheid van de verklaring van de taxateur over de referentieobjecten te twijfelen. De overige opmerkingen van de man over het taxatierapport leiden evenmin tot een aanpassing van de conclusies van de deskundige. Het hof zal daarom uitgaan van de door de taxateur vastgestelde waarden van de woonark op de verschillende tijdstippen.

2.10

Het hof heeft bij beschikking van 13 mei 2025 in rechtsoverweging 3.10 het volgende overwogen ten aanzien van de berekening van de verrekenvordering met betrekking tot de verbouwingen van de woonark.

“Het te verrekenen bedrag in verband met de door de man gedane investeringen wordt dan volgens de volgende formule berekend: X : (Y+X) x Z. Daarbij staat X voor de kosten van de verbouwingen per respectievelijk 2010, 2016 en 2019, Y betreft de nog te taxeren waarde van de woonark per 1 januari 2010, 1 juli 2016 en 1 juli 2019 voor de verbouwing, en Z staat voor de waarde van de woonark op de peildatum, te weten 13 juli 2021.”

2.11

De man heeft vraagtekens gezet bij deze wijze van berekening. Het is voor de man niet duidelijk waarom het geïnvesteerde bedrag meegenomen dient te worden in de deling ter zake de getaxeerde waarde. In de bestreden beschikking wordt het afgeloste bedrag niet nogmaals meegenomen in de deling. Volgens de man luidt de formule als volgt: (X:Y) x Z, waarbij X staat voor het geïnvesteerde bedrag, Y voor de waarde van de woonark op de taxatiedatum en Z de waarde van de woonark op de peildatum.

2.12

De vrouw is van mening dat de door het hof voorgestelde wijze van berekening moet worden gevolgd, omdat het gaat om een benadering van het evenredige aandeel van de investering in de eindwaarde. Y is de waarde voor de verbouwing, zodat X+Y de waarde na verbouwing is. Vervolgens kan de waarde na de verbouwing naar evenredigheid in de eindwaarde worden vastgesteld, aldus de vrouw.

2.13

Het hof overweegt als volgt. Het betreft hier de vraag op welke wijze de verbouwingen aan de woning voor zover deze zijn gefinancierd uit overgespaarde inkomsten in de verrekening moeten worden betrokken. Omdat de woning eigendom is van de vrouw, dient de waarde die de woning voor de verbouwing had – en derhalve ook de waardestijging tot aan het moment van de verbouwing – buiten de verrekening te blijven. Het bedrag dat tussen partijen verrekend moet worden, dient te worden bepaald door het bedrag van de verbouwingskosten op de peildatum waarop de verbouwing plaatsvond (X) te delen door het totaalbedrag dat wordt gevormd door de waarde van de woning voor de verbouwing (Y) en het bedrag van de verbouwingskosten (X), en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met de waarde van de woning op de peildatum (Z). 1

De som is dan ook, anders dan de berekeningswijze van de rechtbank, [X : (Y+X)] x Z.

2.14

Aan de hand van de hiervoor onder 2.2 genoemde verbouwingskosten, voornoemde formule en de door de taxateur vastgestelde waarden kunnen de verrekenvorderingen als volgt worden vastgesteld, waarbij het hof de bedragen afrondt:

2010: [€ 10.000,- : (€ 345.000,- + € 10.000,-)] x € 730.000,- = € 20.563,-;

2016: [€ 45.000,- : (€ 480.000,- + € 45.000,-)] x € 730.000,- = € 62.571,-;

2019: [€ 25.000,- : (€ 671.000,- + € 25.000,-)] x € 730.000,- = € 26.221,-.

De verrekenvordering bedraagt € 109.355,-. De man kan aanspraak maken op de helft hiervan, dat wil zeggen op een bedrag van (€ 109.355,- : 2 =) € 54.678,-.

De vrouw heeft in haar reactie van 29 december 2025 geschreven dat zij zich kan vinden in de berekening van de man, maar vervolgens een ander bedrag genoemd voor de verrekenvordering die op 2010 ziet. Ook bij de door haar gemaakte berekening van de aanspraak van de man komt zij op een ander bedrag uit. Het hof kan de door de vrouw genoemde bedragen niet thuisbrengen en gaat ervan uit dat het verschrijvingen betreft.

Verrekenvordering aflossingen

2.15

Zoals bij beschikking van dit hof van 8 oktober 2024 onder rechtsoverweging 2.13 is overwogen, heeft de vrouw de volledige eigendom van de woonark op 14 februari 2007 verkregen voor een koopsom van € 192.000,-. Voor die aankoop hebben partijen een hypothecaire lening van € 182.000,- inclusief bouwdepot afgesloten, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. De aankoop van de woonark is verder gefinancierd met een bedrag van € 41.168,36 aan overgespaard inkomen. Daarnaast is uit overgespaard inkomen een bedrag van € 18.815,- afgelost op de hypothecaire lening. Niet in geschil is dat de man op grond van deze twee investeringen een verrekenvordering op de vrouw heeft conform de evenredigheidsmaatstaf.

2.16

Voor aflossingen geldt een andere berekeningswijze dan voor de verbouwingen, in die zin dat niet per aflossingstermijn wordt vastgesteld wat de waarde van de woning was, maar dat het totaalbedrag van de aflossingen wordt gedeeld door het aankoopbedrag van de woning, waarna deze som wordt vermenigvuldigd met de waarde van de woning op de peildatum. Een zelfde berekening vindt plaats voor wat betreft de inbreng bij aankoop van de woonark. Daarvan uitgaande is niet tussen partijen in geschil dat voor het door de man uit overgespaard inkomen afgeloste bedrag van € 18.815,- en de inbreng bij aankoop van de woonark van (afgerond) € 41.168,- de formule (X : Y) x Z dient te worden toegepast. X staat voor het afgeloste bedrag van € 18.815,-, respectievelijk de inbreng bij aankoop van de woonark van € 41.168,-. Y staat voor de waarde van de woonark bij aankoop, oftewel de aankoopprijs van € 192.000,- in 2006. Z staat voor de waarde van de woonark op de peildatum, te weten € 730.000,- op 13 juli 2021.

Dit resulteert in de volgende verrekenvordering:

(€ 18.815,- : € 192.000,-) x € 730.000,- = € 71.536,-

(€ 41.168,- : € 192.000,-) x € 730.000,- = € 156.524,-

Totaal: € 228.060,-.

Een ieder is gerechtigd tot de helft van dit bedrag, oftewel € 114.030,-.

2.17

Dit betekent dat de vrouw de man in het kader van deze verrekenvorderingen een bedrag van in totaal (€ 54.678,- + € 114.030,- =) € 168.708,- dient te betalen.

Totale verrekenvordering

2.18

De vrouw verzoekt de verrekenvordering waarbij de man een bedrag van € 100.000,- aan de vrouw dient te voldoen ter zake de uit overgespaard vermogen gevormde vermogensbestanddelen van de man weg te strepen tegen de verrekenvorderingen ter zake de verbouwingen van de woonark en de aflossing op de hypothecaire geldlening.

2.19

Het hof zal dit verzoek toewijzen, maar kiest ervoor ter wille van de duidelijkheid in het dictum eerst afzonderlijk de verrekenvorderingen ten aanzien van de woonark en de uit overgespaard vermogen gevormde vermogensbestanddelen van de man vast te stellen. Ook zal het hof bepalen dat de vrouw een bedrag van € 2.750,- ten aanzien van de Ford S-Max aan de man verschuldigd is (zie r.o. 2.23 hierna). Na verrekening resteert een door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 71.458,- , zoals eveneens opgenomen in het dictum.

Wettelijke rente

2.20

De vrouw heeft in haar voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzocht te bepalen dat wettelijke rente is verschuldigd over de door de man aan de vrouw verschuldigde verrekenvordering van € 100.000,-.

2.21

Zoals hiervoor aan de orde gekomen, heeft de vrouw ook verzocht om verrekening van hetgeen zij aan de man moet betalen met hetgeen de man aan haar betalen. Dit verzoek wordt toegewezen (r.o. 2.19). De verrekening werkt terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan (artikel 6:129 lid 1 BW) . Aangezien beide vorderingen hun grondslag vinden in het verrekenbeding en tegelijk zijn ontstaan, brengt de toewijzing van de verrekenvordering mee dat de man geen wettelijke rente meer verschuldigd is. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Kosten taxatierapport

2.22

De uiteindelijke totale kosten van het taxatierapport bedragen € 3.388,- inclusief btw, terwijl partijen een voorschot van € 3.500,- hebben betaald. Het hof zal daarom bepalen dat het teveel betaalde voorschot van in totaal € 112,- bij helfte, oftewel € 56,- per persoon, aan partijen door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak wordt terugbetaald.

Slotsom

2.23

Het voorgaande brengt mee dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor wat betreft de verrekenvorderingen ten aanzien van de verbouwingen en de aflossingen van de woonark. De vrouw dient in dat kader een bedrag van € 168.708,- aan de man te voldoen.

Bij beschikking van dit hof van 8 oktober 2024 is reeds in de overwegingen opgenomen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man met betrekking tot de hypothecaire geldlening verbonden aan de woonark binnen zes maanden nadat de ligplaatsvergunning en de omgevingsvergunning voor de woonark definitief zijn verleend door de gemeente. Het hof zal deze verplichting in deze eindbeschikking opnemen.

Het hof zal de bestreden beschikking eveneens vernietigen voor zover het de beslissing betreft die is genomen onder het kopje “Auto’s, motoren, camper, boten en horloges”. Weliswaar blijft het door de man te betalen bedrag hetzelfde, maar dit bedrag ziet ook op andere vermogensbestanddelen van de man die zijn gevormd uit overgespaard inkomen, te weten de bouwkavel, de eenmanszaak van de man en de Engelse Ltd.

De vrouw dient daarnaast een bedrag van € 2.750,- aan de man te voldoen, ten aanzien van de auto van de vrouw van het merk Ford S-Max met een waarde van € 5.500,-. De rechtbank heeft dit abusievelijk niet opgenomen in het dictum, zodat het hof dit alsnog zal doen.

Met betrekking tot de inboedel zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Partijen dienen de inboedel bij helfte te verdelen, zonder verdere verrekening, waarbij partijen om en om een inboedelgoed zullen kiezen en waarbij de vrouw de eerste keuze heeft. Verder heeft het hof in de beschikking van 8 oktober 2024 overwogen dat de man de spullen uit de schuur (behalve het babybedje) dient op te halen binnen veertien dagen na afgifte van die beschikking, op straffe van een dwangsom. Het hof heeft abusievelijk die veroordeling niet in de beschikking van 8 oktober 2024 opgenomen en zal dat alsnog in deze beschikking doen.

Het hof heeft bij beschikking van 8 oktober 2024 reeds overwogen dat het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 2.500,- aan de man dient te betalen, omdat hij een bedrag van € 5.000,- heeft overgemaakt naar de vader van de vrouw, zal worden afgewezen.

2.24

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

3De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover het betreft de beslissingen onder de kopjes “Woonark” en “Auto’s, motoren, camper, boten en horloges” in het dictum en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- bepaalt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 168.708,- verschuldigd in het kader van de verrekenvordering ten aanzien van de inbreng, de verbouwingen en de aflossingen met betrekking tot de woonark;

- bepaalt in aanvulling op de bestreden beschikking dat de vrouw een bedrag van € 2.750,- aan de man verschuldigd is ten aanzien van de auto van de vrouw van het merk Ford S-Max;

- bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 100.000,- verschuldigd is in het kader van de verrekenvordering ten aanzien van de auto’s, motoren, camper, boten, horloges, de bouwkavel, de eenmanszaak van de man en de Engelse Ltd;

- na verrekening van de hiervoor genoemde bedragen resteert een door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 71.458,-;

- bepaalt dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man met betrekking tot de hypothecaire geldlening verbonden aan de woonark binnen zes maanden nadat de ligplaatsvergunning en de omgevingsvergunning voor de woonark definitief zijn verleend door de gemeente;

- bepaalt dat de man de spullen uit de schuur (behalve het babybedje) dient op te halen binnen veertien dagen na afgifte van deze beschikking, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat de man daarmee in gebreke zal blijven, tot een maximum van € 10.000,-;

- bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat de kosten van de taxateur [naam] ten bedrage van € 3.388,- (inclusief btw) ten laste komen van partijen, ieder voor de helft;

- bepaalt dat het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een bedrag van in totaal € 112,- oftewel € 56,- per persoon uit het door partijen betaalde depot terugbetaalt aan de man en de vrouw;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. H.A. van den Berg en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

1

vgl. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7043 en HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4387 en vgl. de wijze van berekening in artikel 1:87 lid 2 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin de wijze van berekening van vergoedingsrechten is neergelegd, welke regeling blijkens de Memorie van Antwoord in de Eerste Kamer (10 maart 2009, 28 867) ook ziet op gevallen waarin de ene echtgenoot meebetaalt aan verbouwing of verbetering van het huis van de andere echtgenoot.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733