Essentie (gemaakt door AI)
Erfbelasting. In geschil is de omvang van de overbedelingsschuld van erflaatster aan dochter bij het tweede overlijden. Rechtbank bepaalt dat moet worden uitgegaan van de werkelijke waarde van de woning ten tijde van het eerste overlijden (NLG 595.000/€ 269.999) en niet van de destijds gebruikte lagere WOZ-waarde. Verwijzing naar ECLI:NL:HR:2009:BI1127. Aanslag moet dienovereenkomstig worden herzien, met rente conform testament. Verweerder wordt in de proceskosten veroordeeld.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 30-07-2026 |
| Zaaknummer | AWB - 25 _ 7809 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Bestuursrecht; Belastingrecht |
| Trefwoorden | Fiscaal familierecht; Schenkbelasting/erfbelasting |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
erfbelastingVolledige uitspraak
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/7809
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.Procesverloop
Aan eiseres is een aanslag erfbelasting voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar tegen de aanslag afgewezen. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld en daarbij bijlagen en een proceskostenformulier ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.
Eiseres heeft naar aanleiding van het verweerschrift een reactie met bijlagen ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , [naam 3] , , [naam 4] .
Eiseres heeft na de zitting stukken ingediend. Verweerder heeft hierop gereageerd en nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft bij bericht van 7 april 2026 partijen geïnformeerd dat zij het onderzoek heeft gesloten en uiterlijk binnen zes weken na verzenddatum van dit bericht uitspraak zal doen, omdat partijen desgevraagd niet hebben aangegeven een nadere zitting te wensen.
Overwegingen
Feiten
1. De vader van eiseres is op [dag 1] 1999 overleden (het eerste overlijden). Erfgenamen waren de moeder van eiseres (erflaatster), eiseres en haar broer en zus. Tot de gedingstukken behoort een testament van haar vader van 21 juli 1983 waarbij hij over zijn nalatenschap heeft beschikt. In dit testament staat voor zover hier van belang:
“Ik deel toe:
A. aan [erflaatster]: alle goederen en rechten die tot mijn nalatenschap zullen blijken te behoren, onder verplichting:
(…)
2. om aan ieder van mijn overige erfgenamen wegens overbedeling uit te keren: de aan deze toekomende erfdelen, berekend in het saldo van mijn nalatenschap.
B. aan ieder van mijn overige erfgenamen: recht op een uitkering in contanten te doen door [erflaatster], voor ieder ten bedrage van het hem of haar in het saldo van mijn nalatenschap toekomende erfdeel. (…)
a. bedoelde uitkeringen zullen niet eerder opeisbaar zijn dan bij overlijden van [erflaatster], (…)
Zij zal inmiddels over deze uitkeringen met ingang van de datum van mijn overlijden een enkelvoudige rente verschuldigd zijn, welke jaarlijks wordt vastgesteld op het per mijn overlijdensdatum in dat jaar geldende promesse-disconto van de Nederlandsche bank, vermeerderd met 2 punten, evenwel met een minimum van acht en een maximum van tien procent, voor de eerste maal vast te stellen per mijn overlijdensdatum; (…)
Onder het saldo van mijn nalatenschap, als hiervoor bedoeld, moet worden verstaan: de totale waarde, naar de toestand op mijn sterfdag van de op na te melde wijze gewaardeerde, tot mijn nalatenschap behorende activa, verminderd met de ten laste van mijn nalatenschap komende passiva (…).
2. Tot de ontbonden gemeenschap van goederen behoorde de echtelijke woning (de woning). De WOZ-waarde met peildatum 1 januari 1999 van de woning bedroeg NLG 595.000 (€ 269.999).
3. Door de ouderlijke boedelverdeling heeft eiseres in 1999 na het overlijden van vader een vordering op erflaatster verkregen in verband met onderbedeling. Die vordering is destijds vastgesteld, rekening houdend met een waarde in het economisch verkeer van de woning van NLG 423.000 (de WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 1995).
In de aangifte erfbelasting in verband met het overlijden van vader is de waarde van de woning aangegeven voor een bedrag van NLG 253.800 (60% van NLG 423.000).
De aanslagen erfbelasting zijn destijds vastgesteld op grond van deze waarde en er is erfbelasting geheven over de vordering van eiseres, rekening houdend met een waarde van NLG 423.000.
4. Op [dag 2] 2023 is erflaatster overleden (het tweede overlijden). Naar aanleiding hiervan is de aanslag opgelegd. Tot de nalatenschap van erflaatster behoren de schulden aan haar drie kinderen die in 1999 zijn ontstaan door het overlijden van vader en de toepassing van de ouderlijke boedelverdeling.
Geschil
5. In geschil is voor welk bedrag de schuld van erflaatster in aanmerking dient te worden genomen bij het bepalen van de omvang van de verkrijging van eiseres in de nalatenschap van erflaatster.
6. Verweerder stelt dat bij het vaststellen van de aanslag rekening moet worden gehouden met een schuld van erflaatster van € 253.485. Dit is gebaseerd op een waarde van de woning van NLG 423.000, rekening houdend met oprenting. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder gesteld dat de erfgenamen destijds bij het doen van aangifte naar aanleiding van het eerste overlijden zelf de keuze hebben gemaakt om als waarde in het economisch verkeer van de woning in 1999 de WOZ-waarde te gebruiken die op dat moment bekend was (met peildatum 1995). Er is door geen van de erven (waaronder eiseres) bezwaar gemaakt tegen de destijds opgelegde aanslagen erfbelasting. Hierdoor was eiseres in 1999 akkoord met de destijds berekende hoogte van haar vordering en de hierover verschuldigde erfbelasting. De vorderingen van de kinderen op erflaatster in 1999 zijn op basis van deze waarde vastgesteld en belast met erfbelasting. Dat bedrag moet corresponderen met de schuld die ten tijde van het tweede overlijden moet worden vastgesteld. Het verschuldigde bedrag aan erfbelasting in 1999 zou hoger zijn geweest wanneer de waarde van de woning destijds op een hogere waarde was vastgesteld. Verweerder kan dit niet meer navorderen. Volgens verweerder is het niet mogelijk de waarde die in 1999 is aangegeven en is vastgesteld, in 2023 ter discussie te stellen. De hoogte van de vordering van eiseres op erflaatster (en dus de hoogte van de schuld van erflaatster in haar nalatenschap) vloeit voort uit de aanslagen erfbelasting die destijds zijn opgelegd in verband met het eerste overlijden. Dit volgt uit de systematiek van de belastingwetgeving.
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van de schuld van erflaatster ten tijde van het tweede overlijden moet worden uitgegaan van de waarde van de woning van € 269.999 (NLG 595.000), de WOZ waarde met waardepeildatum 1 januari 1999 die gelet op de overlijdensdatum van vader veel beter de werkelijke waarde vertegenwoordigt. Eiseres wijst op ECLI:NL:HR:1995:AA3167 en het kennisgroep standpunt KG:063:2023:32 (Waardering, overbedelingsschuld tweede overlijden die ziet op een woning). Eiseres is niet betrokken geweest bij de afhandeling van de nalatenschap van vader. Eiseres heeft voorts uit correspondentie van verweerder begrepen dat, als zij aannemelijk zou maken wat de waarde in het economisch verkeer van de woning was op de overlijdensdatum van vader, verweerder hiermee rekening zou houden bij het in aanmerking nemen van de schuld bij het vaststellen van de aanslag.
Beoordeling van het geschil
8. De rechtbank gaat uit van de inhoud van het testament van vader van
21 juli 1983 voor wat betreft het beoordelen van de verkrijging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, ten eerste, van de Successiewet 1956. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit de gedingstukken volgt dat er mogelijk in 1994 nog een aanpassing van het testament van erflater is geweest, maar dat die aanpassing, gelet op onder meer hetgeen in de onder 3 vermelde aanslag stond en hetgeen in de stukken van eiseres is opgemerkt, niet ziet op een aanpassing van hetgeen in het testament van erflater van 21 juli 1983 over de ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 oud BW (oud) is opgenomen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank moet bij het vaststellen van de aanslag voor de erfbelasting in verband met het overlijden van erflaatster voor de grootte van haar overbedelingsschuld en de daartegenover staande onderbedelingsvordering van eiseres worden uitgegaan van de werkelijke waarde van de woning ten tijde van het overlijden van vader op 20 maart 1999. Daarbij verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009
1 waaruit de rechtbank opmaakt dat ook in een geval als het onderhavige, waarbij na het vaststellen van de aanslag ten tijde van het eerste overlijden blijkt dat de werkelijke waarde van de woning hoger is, bij het tweede overlijden voor het vaststellen van de onderbedelingsvordering(en) in de dan openvallende nalatenschap gewaardeerd moet worden naar de werkelijke waarde van die woning. Partijen zijn het erover eens dat van een werkelijke waarde per 20 maart 1999 van (€ 269.999) NLG 595.000 kan worden uitgegaan gelet op de aanslag waterschapsomslag. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Gelet hierop dient verweerder, bij de berekening van de overbedelingsschuld van erflaatster aan eiseres, die in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de omvang van de verkrijging van eiseres in de nalatenschap van erflaatster, uit te gaan van een waarde van de woning van € 269.999 (NLG 595.000). Over de aldus berekende overbedelingsschuld dient vervolgens nog rente te worden berekend conform hetgeen is bepaald in het onder 1 vermelde testament.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten voor een bedrag van € 57,78, te weten reiskosten (retourkaartje openbaar vervoer 2e klas voor eiseres en haar echtgenoot) welke dienen te worden vergoed op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
gelast dat verweerder de aanslag vaststelt in overeenstemming met deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 57,78;
en draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 53 aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
ECLI:NL:HR:2009:BI1127
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
