Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-09-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2687

Essentie (gemaakt door AI)

Medewerking aan religieuze echtscheiding art. 1:68 lid 2 BW. Hof bekrachtigt vonnis waarin de man wordt veroordeeld zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tenietdoen van het Iraanse religieuze huwelijk, met dwangsom. De door man gestelde zwaarwegende belangen (bekering tot christendom, risico bij ambassade, tekst “In naam van Allah”, en voorwaarde afstand bruidsgave) zijn onvoldoende. Vrouw blijft zonder ontbinding beperkt in zelfbeschikking (paspoort, reizen, hertrouwen).

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Vrouw moet bevrijd uit huwelijkse gevangenschap: bekering man tot christendom maakt dit niet anders
Partijen hebben een rechtsgeldig Iraans religieus huwelijk. De vrouw heeft er belang bij dat ingeschreven wordt dat deze verbintenis niet meer bestaat. Bekering man maakt dat niet anders; hij moet meewerken aan religieuze echtscheiding.

Datum publicatie31-07-2026
Zaaknummer200.347.676_01
ProcedureHoger beroep
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:5571
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilieprocesrecht; (Ontbinding) religieus huwelijk
WetsverwijzingenBurgerlijk Wetboek Boek 1 68

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Medewerking aan religieuze echtscheiding (art 1:68 lid 2 BW) .

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.347.676/01

arrest van 30 september 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam.

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 maart 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/419636 / HA ZA 24-115 gewezen vonnis van 14 augustus 2024.

6 De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of de man zijn medewerking moet verlenen aan het tot stand komen van de religieuze echtscheiding naar Iraans recht.

7Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenarrest van 11 maart 2025 waarbij het hof een mondelinge behandeling heeft gelast;

  • de mondelinge behandeling van 30 juli 2025. Partijen zijn verschenen met hun advocaat. De vrouw werd daarnaast bijgestaan door een tolk, M. Salem, tolknummer 25336.

- het H7-formulier met de huwelijksakte en de Nederlandse vertaling daarvan van de advocaat van de vrouw d.d. 7 april 2025.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

8De beoordeling

8.1

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen zijn op 9 september 2004 te [A] , Iran met elkaar gehuwd.

  2. Uit het huwelijk is op [geboortedatum] te [A] , [persoon A] geboren.

  3. Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 9 oktober 2018 is op gemeenschappelijk verzoek van partijen de echtscheiding uitgesproken (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg).

  4. De echtscheidingsbeschikking is op 13 november 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

8.2

In deze procedure vordert de vrouw om, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen:

  1. om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met de geestelijke, [persoon B] , en het inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade te ’s-Gravenhage, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de man weigert aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van € 500.000,--;

  2. in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.3.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

8.4.

In het tussenvonnis van 1 mei 2024 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gelast.

8.5.

In het eindvonnis van 14 augustus 2024 heeft de rechtbank de man veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met een geestelijke, en het laten inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade te ’s-Gravenhage, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de man weigert aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van € 20.000,--.

Daarnaast heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8.6.

De man voert in hoger beroep vier grieven aan. Hij concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de vrouw, met compensatie van de proceskosten.

Internationaal privaatrecht

8.7.

Het geschil heeft internationaal privaatrechtelijke aspecten. Beide partijen wonen in Nederland, maar zijn geboren in Iran. Aangezien partijen in Nederland woonplaats hebben, komt aan de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toe.

Partijen hebben geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).

Medewerking aan totstandkoming Iraanse religieuze echtscheiding

8.8.

De rechtbank heeft overwogen:

3.7. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat er tussen hen nog een Iraans religieus huwelijk bestaat wat nog niet is ontbonden, ondanks dat de echtscheiding naar Nederlands recht is uitgesproken. Op 1 juli 2023 is de wet Tegengaan huwelijke gevangenschap in werking getreden. Deze wet houdt onder meer in de invoering van lid 2 aan artikel 1:68 BW. Ingevolge artikel 1:68 lid 2 BW is de man in essentie verplicht tot het verlenen van medewerking aan het verzoek van de vrouw tot het teniet doen gaan van het Iraanse religieuze huwelijk, tenzij dit gelet op zwaarwegende belangen aan zijn zijde in redelijkheid niet van de man kan worden gevergd.

3.8.

De rechtbank stelt vast dat de man weliswaar stelt dat hij wenst mee te werken aan de religieuze echtscheiding maar dat hij daaraan de voorwaarden verbindt dat deze niet zal plaatsvinden op de Iraanse ambassade alsmede dat de vrouw afstand doet van haar recht op de bruidsgave. Bovendien belemmert volgens de man het zijn van christen hem om voor een Iraanse geestelijke te scheiden.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in die zin dus gevangen blijft binnen het huwelijk. Beoordeeld zal moeten worden of de door de man opgevoerde belangen zwaarwegend genoeg zijn voor het niet verlenen van zijn onvoorwaardelijke medewerking.

3.9.

Voor wat betreft het beroep van de man op het christen zijn acht de rechtbank het belang van de vrouw om, gezien de nu bestaande beperkingen van haar recht op zelfbeschikking, bevrijd te worden uit het religieuze huwelijk zwaarder dan het belang van de man om niet mee te werken aan ontbinding omdat hij christen is. Bovendien strookt zijn stelling niet met zijn verklaring dat hij wenst mee te werken op voorwaarde dat de vrouw afstand doet van haar recht op de bruidsgave.

Hieruit leidt de rechtbank af dat de religieuze overtuiging van de man niet dusdanig zwaarwegend is dat die hem in elk geval belemmerd om zijn toestemming te geven. Dit standpunt van de man wordt gepasseerd.

3.10.

Ook de voorwaarde dat de vrouw afstand doet van haar recht op de bruidsgave acht de rechtbank niet zwaarwegend genoeg voor het niet verlenen van medewerking door de man aan ontbinding van het religieuze huwelijk. De bruidsgave, volgens de man bestaande uit munten die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen, is een vorderingsrecht van de vrouw. Bij aanvang van het huwelijk zijn partijen deze bruidsgave overeengekomen. Desgevraagd hebben partijen op de mondelinge behandeling verklaard dat deze bruidsgave nog niet is voldaan door de man aan de vrouw. Volgens de man loopt er in Iran een procedure waarin de vrouw haar bruidsgave opeist maar in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw is dit bij gebrek aan verder bewijs niet komen vast te staan. Dit betekent dat er vanuit moet worden gaan dat het vorderingsrecht van de vrouw nog bestaat. Partijen staat het vrij om hierover afspraken te maken maar afstand van dit recht kan door de man niet als voorwaarde worden gesteld aan het verlenen van zijn medewerking aan het ontbinden van het religieuze huwelijk, nog daargelaten dat het vorderingsrecht nog niet is ingeroepen en dat onduidelijk is gebleven hoe dat recht in de huwelijksakte is opgenomen en of hier bepaalde voorwaarden aan zijn verbonden. De door de man gestelde voorwaarde wordt gepasseerd.

3.11.

Tot slot stelt de man zich op het standpunt dat hij gevaar loopt hij als hij een bezoek moet brengen aan de Iraanse ambassade om de echtscheiding te regelen omdat hij is gevlucht. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man echter onvoldoende gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid waar het gevaar voor hem uit blijkt of wat de gevolgen zijn omdat hij is gevlucht. Bovendien zou de vrouw hetzelfde risico lopen omdat zij ook is gevlucht. Desgevraagd heeft de man ook op de mondelinge behandeling niet kunnen uitleggen waar het gevaar uit bestaat. Omdat de man zijn vrees onvoldoende heeft onderbouwd, weegt zijn belang niet zwaarder dan het recht van de vrouw op zelfbeschikking. Daarbij komt dat de advocaat van de vrouw heeft aangevoerd dat er een andere manier is om de religieuze echtscheiding te regelen bij de Iraanse ambassade zonder de fysieke aanwezigheid van de man. Dit zou een schriftelijke procedure betreffen waarbij de man de documenten bij de vrouw moet aan leveren zoals aangegeven in productie 4, onder 5 tot en met 11 bij de dagvaarding. Daarvoor hoeft de man niet bij de ambassade te verschijnen, enkel de vrouw. De man heeft desgevraagd aangegeven aan een dergelijke schriftelijke procedure te willen meewerken. Dat hij daarbij als voorwaarde heeft gesteld dat de vrouw afstand doet van haar recht op de bruidsgave. doet daaraan niet af nu die voorwaarde door de rechtbank onder rechtsoverweging 3.10. al is gepasseerd.

3.12, Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de vrouw door het Iraanse huwelijk wordt beperkt in haar vrije participatie in de samenleving, haar bewegingsvrijheid en verdere levensmogelijkheden. Daartegenover heeft de man onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat hij zwaarwegende belangen heeft die maken dat hij zijn medewerking aan ontbinding van het Iraanse huwelijk mag onthouden. Daarmee handelt hij onrechtmatig. De rechtbank zal de man veroordelen zijn medewerking te verlenen aan ontbinding van het Iraanse huwelijk als na te melden.”

8.9.

De grieven van de man keren zich tegen:

  • het oordeel van de rechtbank dat de vrouw gevangen blijft binnen het huwelijk (grief I);

  • de (onjuiste) belangafweging door de rechtbank (grief II)

  • de toewijzing van de vordering van de vrouw (grief III);

  • de koppeling van een dwangsom aan de nakoming van de veroordeling door de man (grief IV).

Ter toelichting voert de man het volgende aan.

De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De man houdt de vrouw daarom niet gevangen in het huwelijk.

Partijen zijn naar Nederland gevlucht omdat zij bekeerd zijn tot christenen. Zij zullen daarom in Iran worden gediscrimineerd en vervolgd. De bekering van partijen tot het christendom leidt er primair toe dat het islamitisch huwelijk volgens de islamitische wetten automatisch nietig wordt. Er is derhalve geen rechtsgeldig islamitisch huwelijk meer zodat er ook geen sprake meer kan zijn van een (medewerking aan een) religieuze echtscheiding. De man verwijst naar een verklaring van een door de Iraanse ambassade aangestelde mollah.

Subsidiair stelt de man dat Iran de Nederlandse echtscheiding niet erkent en dat Wet huwelijkse gevangenschap ziet op een situatie waarin (met name) mannen islamitisch gehuwd willen blijven. Dat wil de man juist niet. Hij wil niets met Iran te maken hebben. Hij wil niet gedwongen worden het pand van de ambassade van Iran te betreden. Hij vreest dat hem wordt verweten te zijn gevlucht naar Nederland. Een bezoek aan de ambassade is voor hem niet veilig. Zijn zwaarwegende belangen leiden ertoe dat in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd dat hij zich tot de ambassade van Iran wendt.

Overigens is hij ook niet in staat het formulier van de Iraanse ambassade te ondertekenen omdat op dat formulier dik gedrukt staat ‘In naam van Allah’. Als hij dat formulier ondertekent, erkent hij Allah opnieuw als god. Hij wil niet liegen en deze erkenning is volledig in strijd met de verklaringen die partijen af hebben gelegd ten overstaan van de IND en op basis waarvan zij toegang tot Nederland hebben gekregen.

Het is de vrouw te doen om geld. Zij wil in Nederland leven, maar wenst nu in Iran een bruidsgave op te eisen. Dat is niet redelijk gezien het totale feitencomplex en het feit dat zij door bekering afscheid heeft genomen van islamitische gebruiken en aanspraken.

Voor de vrouw is het mogelijk om naar Iraans recht zonder medewerking van de man het huwelijk te laten ontbinden. Dit kan door een Khul-scheiding. Zij hoeft daarvoor alleen contact te leggen met een Iraanse advocaat. De vrouw dient dan wel haar recht op de bruidsgave prijs te geven.

Ten slotte is van onrechtmatig handelen geen sprake, nu de vrouw niet gevangen zit in een huwelijk indien zij afstand doet van de bruidsgave. Nederland kent die rechtsfiguur niet en in Nederland kunnen vrouwen zonder bruidsgave verder leven na de ontbinding van het huwelijk.

8.10.

De vrouw voert in reactie op de grieven het volgende aan.

Onder rov. 3.7 is door de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen niet ter discussie staat dat er tussen hen nog een Iraans religieus huwelijk bestaat dat nog niet ontbonden is.

Het is niet duidelijk welk redelijk belang de man heeft bij de weigering zijn medewerking te verlenen aan de ontbinding van het huwelijk. Dat de man bij een bezoek aan de ambassade niet veilig is, is niet aannemelijk. De situatie van de man, die Iran wegens religieuze overtuigingen stelt te zijn ontvlucht, is geen uitzondering. Achter deze stelling van de man gaat schuil dat hij eist dat de vrouw afstand doet van de bruidsgave voordat hij zijn medewerking zal verlenen aan de Iraanse echtscheiding. De man is niet openbaar actief in de uitoefening van zijn geloof. Het is daarom niet aannemelijk dat de Iraanse overheid en/of de Iraanse ambassade bekend is met het feit dat hij zich zou hebben bekeerd tot het christendom, laat staan dat het aannemelijk is dat de Iraanse overheid en/of de Iraanse ambassade spanningen zal laten ontstaan door de veiligheid van de man in het geding te brengen tijdens een bezoek aan de ambassade.

In de enkele ondertekening van een formulier met de standaardvermelding (‘in naam van Allah’) kan geen erkenning van een god worden gezien. Het bezwaar van de man tegen het plaatsen van een handtekening is moeilijk te rijmen met het in stand laten van een islamitisch religieus huwelijk.

De Nederlandse rechter is de aangewezen rechter voor haar vordering. Beide partijen wonen in Nederland. Een procedure in Iran brengt onnodige kosten en praktische bezwaren met zich mee. In Nederland kan worden volstaan met het ondertekenen van een formulier voor de Iraanse ambassade. In redelijkheid kan van de vrouw niet worden verwacht dat zij in Iran gaat procederen over de echtscheiding naar Iraanse recht, terwijl de echtscheiding naar Nederlands recht reeds is uitgesproken. Indien de man van mening is dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de door hem genoemde bruidsgave, kan hij dit geschil eveneens aan de Nederlandse rechter voorleggen. Een Iraans vonnis kan de vrouw hier niet direct ten uitvoer laten leggen.

De weigering om medewerking te verlenen aan de Iraanse echtscheiding moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad van de man. Hij heeft geen redelijk belang bij deze procedure en hij tracht de vrouw tegen te werken. Er is sprake van misbruik van procesrecht. De man dient daarom te worden veroordeeld in de proceskosten.

8.11.

Het hof overweegt als volgt.

Wet Tegengaan huwelijkse gevangenschap

8.12.

Artikel 1:68 lid 2 BW bepaalt dat een partij bij een religieuze of levensbeschouwelijke verbintenis is gehouden tot het verlenen van medewerking aan het teniet doen gaan van die verbintenis indien een andere partij daarom verzoekt, tenzij dit gelet op de zwaarwegende belangen in redelijkheid niet kan worden gevergd. Genoemd wetsartikel is op 1 juli 2023 in werking getreden met de Wet Tegengaan huwelijkse gevangenschap.

Het hof dient te beoordelen of van de man, gelet op zijn (zwaarwegende) belangen niet kan worden gevergd dat hij medewerking verleent aan het teniet doen gaan van de verbintenis. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Tegengaan huwelijkse gevangenschap (MvT, Kamerstukken II 2019/20, nr. 3, p. 4) blijkt dat alle omstandigheden van het geval bij deze beoordeling moeten worden betrokken:

‘De rechter moet alle omstandigheden van het geval moeten bij zijn oordeel betrekken, met name de mate waarin de verzoeker (hof: de vrouw) bij het uitblijven van het tenietgaan van het religieuze verbintenis in verdere levensmogelijkheden wordt beperkt, de aard en het gewicht van de bezwaren die bij de weigerachtige persoon tegen de medewerking bestaan en de kosten die aan die medewerking zijn verbonden, mede in verband met de vermogenspositie van partijen en de eventuele bereidheid van verzoeker deze kosten ten dele of geheel zelf te betalen’. .

Slechts als de rechter van oordeel is dat het verlenen van medewerking aan het teniet doen gaan van het religieuze huwelijk in redelijkheid niet van de man verwacht kan worden – er moet dan sprake zijn van zwaarwegende belangen aan zijn zijde – zal hij het verzoek tot verlenen van het beval afwijzen.

Van rechtswege nietigheid religieus huwelijk

8.13.

De man stelt primair dat het religieus huwelijk ingevolge Islamitische wetten nietig is door de bekering van partijen tot het christendom en dat daarom geen medewerking van de man nodig is.

8.14.

Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of het huwelijk, zoals de man stelt, thans nietig is. Vast staat dat er sprake was van een rechtsgeldig Iraans religieus huwelijk. De vrouw heeft er dan ook belang bij dat ingeschreven wordt dat de religieuze verbintenis niet meer bestaat. Van een zwaarwegend belang van de man in dit verband om zijn medewerking te weigeren is dan ook naar het oordeel van het hof geen sprake.

8.15.

Het hof overweegt verder als volgt. Doordat de man niet onvoorwaardelijk zijn medewerking verleent aan het verzoek van de vrouw tot het teniet doen van het religieuze huwelijk blijft de vrouw gevangen binnen het huwelijk. Voor de vrouw gelden immers op dit moment (nu het tenietgaan van de religieuze verbintenis niet is ingeschreven) nog steeds de regels die van toepassing zijn op een religieus huwelijk. Dit heeft voor haar onder meer de volgende gevolgen. Als de vrouw naar Iran reist, heeft zij de toestemming van de man nodig om het land weer te kunnen verlaten. Zij kan niet zelfstandig een nieuw paspoort aanvragen. Ook kan de vrouw op dit moment niet met een ander trouwen omdat zij naar Iraans recht nog met de man gehuwd is.

8.16.

De man heeft gesteld dat de vrouw in Iran een Khul-scheiding kan aanvragen en daarvoor zijn medewerking niet nodig is. Ook in het geval van een Khul-scheiding heeft de vrouw echter de medewerking van de man nodig omdat afspraken moeten worden gemaakt over de bruidsgave. De vrouw blijft dan, bijvoorbeeld voor de aanvraag van een nieuw paspoort, afhankelijk van de man omdat de man naar Iraans recht daarvoor (zolang het religieus huwelijk niet is ontbonden) toestemming moet geven. Dit kan niet van de vrouw worden gevergd.

8.17.

De man beroept zich er verder op dat hij zich heeft bekeerd tot het christendom en daarom niet van hem verlangd kan worden dat hij meewerkt aan ontbinding van het religieuze huwelijk. Het hof is van oordeel dat het belang van de vrouw om bevrijd te worden uit het religieuze huwelijk zwaarder weegt, gezien de bestaande beperkingen van haar recht op zelfbeschikking, zoals hiervoor in rov. 8.15 genoemd. Daarbij is het volgende van belang.

a. a) Zoals ook de rechtbank reeds heeft overwogen, strookt deze stellingname van de man niet met zijn verklaring dat hij wél bereid is om mee te werken aan het teniet doen van het religieuze huwelijk als de vrouw afstand doet van haar recht op de bruidsgave.

b) Dat de man gevaar zou lopen als hij een bezoek moet brengen aan de Iraanse ambassade om het teniet doen van het religieuze huwelijk te regelen omdat hij is gevlucht én zich heeft bekeerd tot het Christendom kan niet worden vastgesteld. Bovendien heeft de vrouw onweersproken aangevoerd dat de man niet fysiek aanwezig hoeft te zijn bij de Iraanse ambassade. Er kan een schriftelijke procedure worden gevoerd. De man heeft in eerste aanleg aangegeven dat hij aan een dergelijke schriftelijke procedure wil meewerken als de vrouw afstand doet van haar recht op de bruidsgave. Op deze door de man gestelde voorwaarde gaat het hof hierna in rov. 8.18 in.

c) Bovendien kan de man bij deze schriftelijke procedure in het midden laten dat hij Christen is. Dat de man daarbij een verklaring moet ondertekenen waar boven staat ‘In naam van Allah’ is onvoldoende zwaarwegend in het licht van de belangen die vrouw heeft bij het tenietgaan van het religieuze huwelijk.

8.18.

Dat de vrouw geen afstand wil doen van haar aanspraak op de bruidsgave, zoals die in de huwelijksakte is opgenomen, kan niet leiden tot een ander oordeel. De man kan, gelet op de bestaande beperkingen van het recht op zelfbeschikking van de vrouw, zoals hiervoor in rov. 8.15 genoemd, niet het doen van afstand van haar vordering op betaling van de bruidsgave als voorwaarde stellen voor het verlenen van zijn medewerking aan het ontbinden van het religieuze huwelijk. Het bezwaar van de man is, gelet op de belangen van de vrouw bij haar recht op zelfbeschikking in dit verband onvoldoende zwaarwegend. Het hof merkt daarbij nog op dat thans niet aan de orde is of de vrouw daadwerkelijk een vordering heeft op de man vanwege de in de huwelijksakte opgenomen bruidsgave en/of aan deze vordering beperkingen dienen te worden gesteld.

8.19.

Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan het teniet doen van het religieuze huwelijk. Ook in hoger beroep is niet gebleken dat de man zijn medewerking aan het teniet doen van het religieuze huwelijk vrijwillig zal verlenen, daarom is een dwangsom op zijn plaats.

De grieven van de man falen. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.

8.20.

Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

9De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 augustus 2024;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 september 2025.

griffier rolraadsheer



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733