Essentie (gemaakt door AI)
Beschikking waarin adoptie van minderjarige door aspirant-adoptiefouders is uitgesproken ondanks tegenspraak van vader. Kind is ruim drie jaar bij hen geplaatst, veilig aan hen gehecht en heeft in de hoedanigheid van ouder niets meer van vader en moeder te verwachten. Verzoeken tot voornaamswijziging en vaststelling geslachtsnaam worden toegewezen. Verzoek van vader tot omgang wordt afgewezen; eventuele contacten staan in het teken van afstammingsvoorlichting. Beperkte informatieregeling: eenmaal per zes maanden.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 29-07-2026 |
| Zaaknummer | C/01/405539 / FA RK 24-2385 en C/01/414816 / FA RK 25-1625 |
| Procedure | Eerste aanleg - meervoudig |
| Zittingsplaats | 's-Hertogenbosch |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Adoptie; Overig; Voornaam (art. 1:4 BW); Geslachtsnaam (art. 1:5 t/m 1:9 BW); Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen | Burgerlijk Wetboek Boek 1 227; Burgerlijk Wetboek Boek 1 228; Verdrag inzake de rechten van het kind 21; Verdrag inzake de rechten van het kind 3 |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Adoptie, voornaam- en geslachtsnaamwijziging en vaststellen van een omgangs- en informatieregeling. De rechtbank spreekt de adoptie uit ondanks tegenspraak van een ouder. Het kind was door de moeder ter adoptie afgestaan buiten medeweten van de (biologische) vader en verblijft ondertussen ruim drie jaar in het gezin van de adoptiefouders. Adoptie is in het kennelijk belang van het kind en het kind heeft niets meer van de ouders te verwachten in de hoedanigheid van ouder. Eventuele omgang met de (biologische) vader moet in het teken van afstammingsvoorlichting staan en is nu nog niet aan de orde. Geen omgangsregeling, wel een beperkte informatieregeling.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers : C/01/405539 / FA RK 24-2385 en C/01/414816 / FA RK 25-1625
Uitspraak : 12 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over adoptie, voornaam- en geslachtswijziging en vaststellen van een omgangs- en informatieregeling
in de zaak met zaaknummer C/01/405539 / FA RK 24-2385 van
en
beiden wonend op een voor de rechtbank bekend adres,
verzoekers, hierna mede te noemen: (de) aspirant-adoptiefouders,
advocaat: mr. V.J. Nijenhof-van der Donk,
en in de zaak met zaaknummer C/01/414816 / FA RK 25-1625 van
wonend op een voor de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: (de) vader,
advocaat: mr. E.P.J. Appelman, voorheen mr. W.H.A. de Koning,
over (in beide zaken)
In beide zaken merkt de rechtbank als belanghebbenden aan:
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: (de) moeder,
en
statutair gevestigd te 's-Hertogenbosch, [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
advocaat: mr. J. Nederlof.
in de zaak met zaaknummer C/01/405539 / FA RK 24-2385 wordt de vader ook als belanghebbende aangemerkt,
in de zaak met zaaknummer C/01/414816 / FA RK 25-1625 worden de aspirant-adoptiefouders ook als belanghebbenden aangemerkt.
Tevens is voor de mondelinge behandeling uitgenodigd:
locatie Arnhem, hierna te noemen: de raad.
Deze beschikking volgt op de beschikkingen van deze rechtbank van 16 oktober 2025 waarin de rechtbank de raad heeft verzocht om een onderzoek in te stellen naar de vraag of de adoptie in het belang van [minderjarige] is en of [minderjarige] in de toekomst redelijkerwijs nog iets van zijn vader te verwachten heeft in de hoedanigheid van ouder. Daarnaast heeft de rechtbank de raad verzocht om een onderzoek in te stellen naar de omgang tussen de vader en [minderjarige] en of er een informatie- en consultatieregeling moet worden vastgesteld. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om hem met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten afgewezen. Iedere verdere beslissing heeft de rechtbank aangehouden.
1De verdere procedure
Vervolgens heeft de rechtbank kennisgenomen van de volgende stukken:
-
een brief van de raad van 29 oktober 2025;
-
een F9-formulier van mr. Appelman van 2 februari 2026;
-
het rapport van de raad van 11 februari 2026;
-
een F9-formulier (met bijlage) van mr. Nijenhof-van der Donk van 2 maart 2026;
-
een F9-formulier (met bijlage) van mr. Nederlof van 2 maart 2026;
-
een F9-formulier van mr. Appelman van 5 maart 2026;
-
een F9-formulier van mr. Appelman van 6 maart 2026;
-
een F9-formulier (met bijlage) van mr. Appelman van 20 maart 2026;
-
een F9-formulier (met bijlage) van mr. Nederlof van 20 maart 2026;
-
een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Nijenhof-van der Donk van 2 april 2026;
-
een F9-formulier van mr. Appelman van 2 april 2026;
-
een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Nederlof van 3 april 2026;
-
een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Appelman van 3 april 2026;
-
een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Appelman van 9 april 2026.
De mondelinge behandeling van de zaken is voortgezet tijdens de zitting van de meervoudige kamer van 14 april 2026. Verschenen zijn:
-
de aspirant-adoptiefouders, bijgestaan door mr. Nijenhof-van der Donk;
-
de vader, bijgestaan door mr. Appelman;
-
[medewerker] namens de GI , bijgestaan door mr. Nederlof;
-
[medewerker] en [medewerker] namens de raad .
De moeder is op de juiste wijze opgeroepen. Zij was niet bij de mondelinge behandeling aanwezig.
2De aanvullende feiten
De vader heeft hoger beroep aangetekend tegen de tussenbeschikking (in de zaak bekend onder zaaknummer C/01/414816 / FA RK 25-1625) van deze rechtbank van
16 oktober 2025 voor wat betreft de beslissing over het gezag. Het hoger beroep wordt bij het gerechtshof behandeld op 27 mei 2026.
De vader en aspirant-adoptiefouders hebben op 28 november 2025 met elkaar gesproken over [minderjarige] .
Op 14 januari 2026 heeft er een eerste ontmoeting plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader bij een binnenspeeltuin in Amersfoort. De aspirant-adoptiefouders, hun [adoptiekind] , de voogd, twee neefjes en een neef van de vader waren hierbij aanwezig.
Op 26 maart 2026 heeft er een tweede ontmoeting plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader bij een binnenspeeltuin. De aspirant-adoptiefouders, [adoptiekind] , de voogd en een neef van de vader waren hierbij aanwezig.
3De verdere beoordeling
Het verslag van het aXiehuisDe GI heeft de rechtbank verzocht om het verslag van het aXiehuis van
28 november 2025 buiten beschouwing te laten en te bepalen dat dit verslag geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier. De inhoud van het verslag moet bij de beoordeling van het geschil buiten beschouwing worden gelaten.
Zoals de rechtbank partijen tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgehouden, heeft de rechtbank kennisgenomen van het verslag van het aXiehuis. Niet weersproken is dat het een persoonlijk verslag is dat bedoeld is voor persoonlijk gebruik. Voor zover noodzakelijk weegt de rechtbank bij het beschouwen van het verslag mee dat het verslag niet tot stand is gekomen door hoor en wederhoor of op basis van voorafgaande afspraken en dat uit een brief van het aXiehuis blijkt dat het verslag (om de door het aXiehuis aangegeven redenen) door hen is ingetrokken.
De adoptie
De rechtbank zal vervolgens het verzoek van de aspirant-adoptiefouders tot adoptie van [minderjarige] beoordelen.
Met adoptie wordt een juridisch ouderschap gecreëerd waarbij alle banden met de oorspronkelijke ouders worden verbroken. Dat maakt dat adoptie met veel waarborgen is omgeven. Op een in Nederland uit te spreken adoptie zijn de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing.
Bij beschikking van 16 oktober 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat aspirant-adoptiefouders ontvankelijk zijn in hun verzoek tot adoptie omdat zij al meer dan drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek hebben samengeleefd.
Vervolgens kan het verzoek alleen worden toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW wordt voldaan.
Kennelijk belang van het kind en of het kind nog iets van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft
Anders dan de vader en de raad is de rechtbank van oordeel dat de adoptie wel in het kennelijk belang van [minderjarige] is en dat hij niets meer te verwachten heeft van de vader in de hoedanigheid van ouder. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel “Wijziging van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek” (Kamerstukken II, 1998/99, 26673, 3, p. 4) blijkt dat ‘het criterium dat het kind van zijn oorspronkelijke ouder of ouders niets meer te verwachten heeft, ziet op de ouder/kind-relatie. Het gaat dus niet om de vraag of het kind met zijn oorspronkelijke ouders in het geheel geen feitelijke contacten meer heeft of nog zal krijgen. (…) Ouderschap impliceert het dragen van verantwoordelijkheid jegens het kind, onder meer ten aanzien van verzorging, opvoeding of uitoefening van het gezag. Tevens is ouderschap naar zijn aard bestendig en duurzaam, bij voorbeeld wat het geven van liefde, aandacht en affectie betreft.’’
Volgens de raad is adoptie niet in het kennelijk belang van [minderjarige] , omdat hij nog een vader heeft die er voor hem wil zijn. De raad ziet hierin een rol op afstand voor de vader. Dit houdt volgens de raad in dat de vader niet dagelijks betrokken is, geen beslissingen neemt en niet de volledige verzorging op zich neemt. De raad heeft voor ogen dat er drie volwassenen in het leven van [minderjarige] zijn, die steeds in zijn belang met elkaar samenwerken om er voor hem te zijn. Hoewel de rechtbank [minderjarige] deze ideale situatie gunt, is de rechtbank van oordeel dat dit in de huidige situatie niet realistisch is. De rechtbank ziet niet in hoe onder de huidige omstandigheden van de aspirant-adoptiefouders en de vader verwacht kan worden dat zij, zonder spanningen en zonder kenbare emoties, hierin een weg kunnen vinden zonder dat dit een nadelige impact heeft op de ontwikkeling van [minderjarige] . De vader blijft bij zijn standpunt dat hij [minderjarige] (zo snel mogelijk) wil opnemen in zijn gezin en tot die tijd wil de vader zo veel mogelijk contact met [minderjarige] . Dit zorgt voor grote druk op de aspirant-adoptiefouders en hun gezin, waarvan te verwachten valt dat dit op een nadelige wijze zal doorwerken in de verzorging en opvoeding van zowel [minderjarige] als van [adoptiekind] .
Hoewel de wens van de vader invoelbaar is, moet het belang van [minderjarige] leidend zijn. Zijn belang is steeds de voornaamste en eerste overweging. Dit volgt uit de bepalingen over adoptie in het Burgerlijk Wetboek, maar is ook het uitgangspunt van artikel 21, gelezen in samenhang met artikel 3, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het belang van [minderjarige] op een stabiele, voorspelbare en liefdevolle ontwikkeling en ontplooiing is naar het oordeel van de rechtbank het meest gebaat bij voortzetting van de huidige situatie bij aspirant-adoptiefouders. Daarbij kan duidelijkheid over de afstammingspositie van [minderjarige] bijdragen aan een afname van de strijd en de daarmee gepaard gaande spanningen tussen de aspirant-adoptiefouders en de vader.
Dat [minderjarige] nog een juridische vader heeft die er voor hem wil zijn, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de adoptie niet in het belang van [minderjarige] is. Voor de rechtbank, maar ook voor de raad en de GI, staat vast dat [minderjarige] veilig aan aspirant-adoptiefouders is gehecht, dat zij de primaire hechtingsfiguren voor [minderjarige] zijn en dat het perspectief tot opgroeien van [minderjarige] bij aspirant-adoptiefouders ligt. Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank de adoptie juist wel in het kennelijk belang van [minderjarige] . De rechtbank heeft de raad tijdens de tweede mondelinge behandeling kritisch bevraagd over de beoogde inhoud van de vaderschap op afstand en over de noodzaak van hechting van [minderjarige] aan de vader in het licht van de afstammingsvoorlichting, ook gelet op de veilige hechting van [minderjarige] aan de adoptiefouders na twee eerdere hechtingsbreuken. De raad heeft niet nader kunnen duiden en onderbouwen waarom de conclusie dat [minderjarige] aan de vader moet hechten logischerwijs volgt uit het raadsonderzoek en wordt gedragen door de bevindingen van dat onderzoek.
De aspirant-adoptiefouders nemen al ruim drie jaar de verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor hun rekening en [minderjarige] ontwikkelt zich daar goed. [minderjarige] zal ook bij hen opgroeien. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de aspirant-adoptiefouders een rol vervullen voor [minderjarige] die overeenkomt met de rol van het ouderschap zoals de wetgever heeft omschreven in de hiervoor aangehaalde Memorie van Toelichting. Dat maakt tegelijkertijd dat de rechtbank vaststelt dat deze rol van ouderschap niet bij de vader ligt en dat ook voor de toekomst redelijkerwijs niet te voorzien is dat hij een dergelijke rol zal gaan vervullen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank ook dat [minderjarige] van de vader niets meer te verwachten heeft in de zin van een ouder/kind-relatie. Dit houdt nadrukkelijk niet in dat de vader (en zijn andere kinderen) in het geheel geen contacten zou kunnen hebben met [minderjarige] . De rechtbank zal hier verder op ingaan onder het kopje ‘De omgangsregeling’.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat [minderjarige] niets meer van de moeder te verwachten heeft in de hoedanigheid van ouder. Onder begeleiding van het Fiom heeft de moeder [minderjarige] na de geboorte afgestaan ter adoptie. Zij heeft in deze procedure op geen enkele manier van zich laten horen.
Voorwaarden artikel 1:228 BW
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of aan de gestelde voorwaarden voor adoptie is voldaan zoals verwoord in artikel 1:228 BW. De rechtbank stelt vast dat dit het geval is, met uitzondering van de voorwaarde dat geen van de ouders het verzoek tegenspreekt. Hoewel de vader de adoptie tegenspreekt, zal de rechtbank aan de tegenspraak van de vader voorbij gaan. [minderjarige] en de vader hebben immers niet in gezinsverband met elkaar samengeleefd en het perspectief van [minderjarige] is inmiddels bepaald bij de aspirant-adoptiefouders.
Conclusie over adoptie
Met de voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot het oordeel dat het verzoek van de aspirant-adoptiefouders om [minderjarige] te mogen adopteren dient te worden toegewezen omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan en de adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is.
De rechtbank is zich bewust van de voor alle betrokkenen heftige en pijnlijke situatie. De basis voor het verdriet en frustratie van de vader en de aspirant-adoptiefouders ligt in de beslissing van de moeder om [minderjarige] onder valse voorwendselen af te staan. De vader wist niet van het bestaan van [minderjarige] en de aspirant-adoptiefouders hebben zich ontfermd over [minderjarige] met het idee dat dit voor altijd zou zijn. De emoties bij alle betrokkenen, voortkomend uit de dreiging van verlies, zijn tastbaar en invoelbaar. De rechtbank moet uiteindelijk beslissen wat hier de beste uitkomst is, met het belang van [minderjarige] als eerste overweging, waarbij het door de tegengestelde belangen onvermijdelijk is dat er (meer) pijn en verlies wordt ervaren.
Voornaam- en geslachtsnaamwijziging
De aspirant-adoptiefouders hebben verzocht te bepalen dat [minderjarige] voortaan de voornamen ‘ [voornaam 1] [voornaam 2] ’ en de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam aspirant-adoptieouder 2] ’ zal dragen.
Op grond van artikel 1:4 lid 4 BW kan de rechter wijziging van de voornamen gelasten op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijk vertegenwoordiger. De verzochte voornamen mogen op grond van artikel 1:4 lid 2 BW niet ongepast zijn of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn.
De rechtbank overweegt in dat verband dat voornamen voor een betrokkene een middel zijn om zich binnen zijn of haar familie en in het maatschappelijk verkeer te identificeren. In die zin zijn voornamen een middel van persoonlijke en emotionele identificatie en hebben zij betrekking op het privéleven, familie- en gezinsleven van de betrokkene. Voornamen vervullen een belangrijke rol in het maatschappelijk verkeer met betrekking tot de identiteit van personen. Het rechtsverkeer heeft dan ook belang bij een zo hoog mogelijke mate van consistentie in de registratie van persoonsgegevens in het bevolkingsregister. Voor een wijziging van één of meerdere voornamen moet daarom een voldoende zwaarwichtig belang bestaan.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een voldoende zwaarwichtig belang bestaat bij de wijziging van de voornaam ‘ [minderjarige] ’ in de voornamen ‘ [voornaam 1] [voornaam 2] ’. De aspirant-adoptiefouders vinden het belangrijk om de naam die de GI heel bewust aan [minderjarige] heeft gegeven te behouden. Voor de aspirant-adoptiefouders is de naam [voornaam 2] een verwijzing naar de vader van de aspirant-adoptiefmoeder. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze namen dan ook onderdeel uit van zijn identiteit.
Nu verder naar het oordeel van de rechtbank het verzochte niet in strijd is met de in artikel 1:4 lid 2 BW geformuleerde maatstaven, en de voornaam geoorloofd is, zal het verzoek tot wijziging van de voornaam in de verzochte voornamen worden toegewezen, zoals hierna in het dictum staat vermeld.
[minderjarige] zal na de adoptie de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam aspirant-adoptieouder 2] ’ hebben, nu de aspirant-adoptiefouders dit gezamenlijk hebben verklaard. De rechtbank zal deze verklaring vermelden in het dictum van deze beschikking.
De naam van [minderjarige] als volgt komen te luiden:
- [voornaam 1] [voornaam 2] (voornamen) [geslachtsnaam aspirant-adoptieouder 2] (geslachtsnaam).
Gezagsregister
Als gevolg van de adoptie komt [minderjarige] ingevolge artikel 1:245 lid 3 BW onder ouderlijk gezag van de aspirant-adoptiefouders te staan. Dit ouderlijk gezag komt in de plaats van de door GI uitgeoefende voogdij.
De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en sub k van het Besluit gezagsregisters ambtshalve bepalen dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking.
Uitvoerbaar bij voorraad
Uit artikel 1:230 BW volgt dat de adoptie haar gevolgen heeft vanaf de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. De aard van de zaak verzet zich daarmee tegen het bij voorraad uitvoerbaar verklaren van de beschikking. Verder volgt uit artikel 1:20 lid 1 sub a BW dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de geboorteakte een latere vermelding toevoegt op basis van een rechterlijke uitspraak waarvan de dagtekening ten minste drie maanden oud is. De rechterlijke uitspraak moet eerst in kracht van gewijsde zijn gegaan voordat de naamswijzigingen effect hebben. De rechtbank zal het verzoek van de aspirant-adoptiefouders om de beschikking, voor zover de wet dit toelaat, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren daarom afwijzen.
De omgangsregeling
De vader heeft de rechtbank – samengevat – verzocht om een opbouwende zorgregeling vast te stellen. Nu de rechtbank het verzoek van de vader om met het gezag over [minderjarige] te worden belast heeft afgewezen, leest de rechtbank het verzoek van de vader zo dat hij de rechtbank verzoekt om een omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen en legt hierna uit waarom.
Uit het onderzoek van de raad komt naar voren dat de raad adviseert om een opbouw in de contactmomenten te laten plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] . Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] heeft de raad een intensieve regeling geadviseerd, van uiteindelijk om de twee weken een ontmoeting tussen de vader en [minderjarige] van een uur of wekelijks een uur. Volgens de raad is het voor [minderjarige] belangrijk dat hij een hechtingsrelatie kan opbouwen met de vader in de rol van ouder op afstand.
De GI en de aspirant-adoptiefouders kunnen zich niet vinden in het advies van de raad. De GI en de aspirant-adoptiefouders zien de rol van de vader gelegen in het kader van [minderjarige] zijn identiteitsontwikkeling en de daarbij horende afstammingsvoorlichting. Hiervoor hoeft geen hechtingsrelatie opgebouwd te worden en hoeft ook geen frequent contact plaats te vinden, aldus de GI en de aspirant-adoptiefouders. Volgens de GI zal er dan ook maximaal zes keer per jaar omgang moeten zijn tussen de vader en [minderjarige] en volgens de aspirant-adoptiefouders maximaal vier keer per jaar.
De rechtbank is, anders dan de raad, van oordeel dat de vader niet een rol van ouder op afstand zal vervullen, maar dat contact tussen [minderjarige] en de vader van belang is met het oog op het leren kennen van zijn biologische afstamming. In onderling overleg tussen partijen hebben er inmiddels twee (begeleide) omgangsmomenten plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige] . [minderjarige] was tijdens de omgangsmomenten niet op de hoogte dat de vader zijn biologische vader was. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] had er immers nog geen afstammingsvoorlichting plaatsgevonden. Zoals de rechtbank hiervoor al eerder heeft overwogen moet bij de beslissing over omgang het belang van [minderjarige] de eerste overweging zijn (artikel 3 IVRK) . Hoewel de rechtbank begrijpt dat de vader zo snel mogelijk en zo veel mogelijk contact met [minderjarige] wil hebben, is de rechtbank van oordeel het belang van [minderjarige] hier niet bij is gebaat, nu de vader geen rol van ouder op afstand in het leven van [minderjarige] zal krijgen.
Voor [minderjarige] is het belangrijk dat hij in zijn huidige (veilige) gezin kan opgroeien en zich positief en gezond kan ontwikkelen. Voor zijn identiteitsontwikkeling is bekendheid met de afstamming een belangrijk onderwerp. In dat licht kan contact met de vader van belang zijn, zodat [minderjarige] zich mogelijk kan identificeren met zijn biologische vader. Het mogelijk herkennen van onder meer karaktereigenschappen en uiterlijke kenmerken kan [minderjarige] helpen bij een gezonde identiteitsontwikkeling. Het tempo waarin een dergelijke afstammingsvoorlichting dient plaats te vinden is echter van meerdere factoren afhankelijk, waaronder de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . De rechtbank volgt de raad dus niet in het advies tot het intensiveren van contact tussen [minderjarige] en de vader om de hechtingsrelatie te doen groeien.
Zoals hiervoor benoemd is afstammingsvoorlichting een belangrijk traject dat [minderjarige] in de toekomst zal gaan doorlopen. Daarbij is het van belang dat dit op een zorgvuldig wijze plaatsvindt. Niet ter discussie staat dat de situatie van [minderjarige] als complex kan worden omschreven. Mede gezien de eerdere hechtingsbreuken die hij heeft meegemaakt, en de plotselinge aanwezigheid van de vader in zijn leven, is de rechtbank van oordeel dat de aspirant-adoptiefouders behoedzaam met dit traject moeten omgaan. De rechtbank acht het daarom niet in het belang van [minderjarige] om op dit moment een omgangsregeling vast te stellen. Dit neemt niet weg dat het passend kan zijn dat er (op enig moment) contact zal zijn tussen [minderjarige] , de man van wie hij afstamt en de familie die daar bij hoort. Hoe dit er uit moet komen te zien is echter afhankelijk van wat [minderjarige] daarin nodig heeft voor de ontwikkeling van zijn identiteit. De adoptiefouders dragen daar de verantwoordelijkheid voor en zij kunnen daar eventueel hulpverlening bij inschakelen, mochten zij daar behoefte aan hebben.
De rechtbank zal het verzoek van de vader gelet op het voorgaande afwijzen. Dat betekent dat de regie over het eventuele contact en de omgang tussen de vader en [minderjarige] bij de aspirant-adoptiefouders komt liggen. Uit de processtukken van aspirant-adoptiefouders en ook uit hetgeen tijdens de twee mondelinge behandelingen naar voren is gekomen, blijkt dat aspirant-adoptiefouders zich hiervoor in het belang van [minderjarige] willen inzetten. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen.
De informatieregeling
De vader verzoekt de rechtbank primair om een informatieregeling vast te stellen waarbij de voogd van [minderjarige] en bij het ontbreken van een voogd, de aspirant-adoptiefouders, gehouden zijn om een goedgelijkende foto van [minderjarige] alsmede een verslag van ten minste 100 woorden aan de vader toe te sturen over de belangrijkste ontwikkelingen in de voorafgaande periode over het leven van [minderjarige] , waarbij de frequentie wordt bepaald op minimaal één verslag en foto per maand. Subsidiair verzoekt de vader om in goede justitie een informatieregeling vast te stellen die recht doet aan het belang van de vader om de belangrijkste ontwikkelingen in het leven van [minderjarige] te volgen waaronder wordt begrepen het frequent ontvangen van goedgelijkende foto’s van [minderjarige] .
De rechtbank acht het in belang van [minderjarige] dat de vader geïnformeerd wordt over de ontwikkeling van [minderjarige] , waaronder de voortgang van de status- en afstammingsvoorlichting. De rechtbank gaat ervan uit dat de aspirant-adoptiefouders in het belang van [minderjarige] de daartoe noodzakelijke informatie met de vader zullen delen. De rechtbank zal dan ook geen verdere kaders verbinden aan de informatievoorziening, omdat iedere keer weer aangesloten moet worden bij de actuele belangen van [minderjarige] . Anders dan door de vader is verzocht, zal de rechtbank bepalen dat de aspirant-adoptiefouders gehouden zijn om de vader eens per zes maanden te informeren. Op deze wijze kan de vader de ontwikkeling van [minderjarige] volgen, net als de voortgang van de afstammingsvoorlichting die daar een onderdeel van is.
4De beslissing
De rechtbank:
spreekt de adoptie uit van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , door:
[aspirant-adoptieouder 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
en
[aspirant-adoptieouder 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
verstaat dat [minderjarige] na de adoptie de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam aspirant-adoptieouder 2] ’ zal hebben;
gelast de wijziging van de voornamen van [minderjarige] na de adoptie, in die zin dat de voornamen zullen luiden ‘ [voornaam 1] [voornaam 2] ’;
draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – voor zover daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] ;
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] een latere vermelding van de adoptie en de voornaamswijziging aan de daarvoor in aanmerking komende akte(n) toe te voegen;
draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – voor zover daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking;
bepaalt dat de aspirant-adoptiefouders de vader een keer per zes maanden informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , waaronder in ieder geval de voortgang van de statusvoorlichting;
verklaart de beslissing over de informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af;
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. W.S. Badri, als voorzitter, mr. M. de Vries en mr. dr. V.M. Smits, als leden van de meervoudige kamer, allen rechters en tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.F. Wintjes als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026. |
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
