Gerechtshof Den Haag 28-04-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2352

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding omgang. In bestreden vonnis is moeder veroordeeld tot nakoming, op straffe van een dwangsom. In hoger beroep overlegt moeder een brief van Veilig Thuis met bevindingen van huiselijk geweld, kindermishandeling en signalen van intieme terreur, waarin moeder slachtoffer is en vader dader. Hof vernietigt het vonnis, wijst nakoming op verbeurte van dwangsom af en schorst de regeling. Betaalde dwangsommen zijn onverschuldigd, maar terugbetalingsvordering is te onbepaald. Voorlopig alleen begeleide contacten via hulpverlening.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

"Achteraf gezien" niet in belang kind dat moeder werd veroordeeld tot nakoming omgangsregeling
In bestreden vonnis is moeder veroordeeld tot nakoming omgangsregeling, met dwangsommen. In hoger beroep brengt moeder brief Veilig Thuis in over huiselijk geweld, kindermishandeling en intieme terreur door vader. Dwangsommen retour.

Datum publicatie28-07-2026
Zaaknummer200.358.217/01
ProcedureHoger beroep kort geding
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Geen omgang (een van) ouders;
Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kort geding omgang. Moeder is in bestreden vonnis veroordeeld tot nakoming, met dwangsom. “Na kortgedingvonnis heeft Veilig Thuis geconcludeerd dat sprake is geweest van huiselijk geweld en kindermishandeling. Hof wijst vordering tot nakoming op verbeurte van een dwangsom alsnog af; dwangsommen achteraf onverschuldigd betaald. Voorlopig alleen begeleide contacten.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.358.217/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/698328 / KG ZA 25-357

Arrest van 28 april 2026 in kort geding

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonend in [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen, kantoorhoudend in Wadenoijen,

tegen

[de man] ,

wonend in [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen, kantoorhoudend in Venlo.

Het hof noemt partijen hierna de vrouw en de man.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

1De zaak in het kort

1.1

In geschil is de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige. In het bestreden vonnis is de vrouw veroordeeld tot nakoming van een eerder overeengekomen omgangsregeling. De vrouw heeft in hoger beroep een brief van Veilig Thuis van [datum] 2026 overgelegd, waarin de uitkomst van een onderzoek van Veilig Thuis naar de gezinssituatie van partijen is beschreven. Veilig Thuis concludeert dat sprake is geweest van huiselijk geweld en kindermishandeling. Ook ziet Veilig Thuis veel signalen die duiden op intieme terreur, waarbij de vrouw het slachtoffer is en de man de dader. Het hof zal de omgangsregeling overeenkomstig het advies van Veilig Thuis wijzigen en beslissen dat er pas begeleide omgang tussen de minderjarige en de man zal zijn als de hulpverleningsinstanties daarvoor mogelijkheden zien.

2Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 29 juli 2025, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2025 (hierna: het bestreden vonnis) en waarin de grieven staan;

  • het arrest van dit hof van 16 september 2025, waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast;

  • het journaalbericht van 20 november 2025 met productie HB5 (brief van Veilig Thuis van [datum] 2025);

  • de memorie van antwoord van de man tevens houdende incidenteel hoger beroep, met bijlagen;

  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 26 november 2025;

  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van de vrouw met bijlage;

  • het journaalbericht van 18 februari 2026 van de zijde van de man met bijlagen;

  • het journaalbericht van de zijde van de man van 24 februari 2026 met bijlagen;

  • het journaalbericht van de zijde van de man van 25 februari 2026 met bijlagen;

  • het journaalbericht van de zijde van de man van 2 maart 2026 met bijlage;

  • het journaalbericht van de zijde van de man van 9 maart 2026, met bijlage.

2.2

Op 10 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

De raad is niet verschenen.

3Feitelijke achtergrond

3.1

Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019, in dit arrest ook te noemen de minderjarige. De vrouw heeft het eenhoofdig gezag. De man heeft de minderjarige erkend. De relatie tussen partijen is in [maand] 2024 beëindigd.

3.2

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling in kort geding van 8 november 2024 onder meer een omgangsregeling overeengekomen. Hun afspraken houden het volgende in:

  • partijen zullen zich aanmelden bij [hulpverleningsinstantie 1] , als dat nodig is regelt de vrouw daartoe een verwijzing bij de huisarts;

  • partijen zullen zo spoedig mogelijk starten met videobellen in aanwezigheid van het sociaal wijkteam. Bij voorkeur twee keer per week maar in ieder geval eenmaal per week;

  • met ingang van maandag 9 december 2024 zal er een keer per week gedurende drie weken onder begeleiding van iemand van het sociaal team contact zijn tussen de minderjarige en de man;

  • vanaf maandag 30 december 2024 zal er wekelijks op maandag onbegeleid contact zijn tussen de minderjarige en de man. Tijdens schoolvakanties zal de man de minderjarige ophalen om 15.00 uur op een door partijen nader overeen te komen plek en zal de man de minderjarige bij de vrouw terugbrengen om 19:00 uur. Op andere maandagen zal de man de minderjarige uit school ophalen en bij de vrouw terugbrengen om 19.00 uur. Deze onbegeleide regeling zal niet starten als het sociaal wijkteam op grond van door hen waargenomen contra-indicaties deze omgang niet adviseert.

4Procedure bij de rechtbank

4.1

De man heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter - samengevat – zal bepalen dat:

a. de vrouw de overeengekomen omgangsregeling zal nakomen, in die zin dat zij zal toestaan dat er wekelijks op maandag onbegeleid contact zal zijn tussen de minderjarige en de man, waarbij de man de minderjarige uit school zal ophalen en om 19:00 uur bij de vrouw zal terugbrengen;

b. de man de minderjarige op de maandagen tijdens schoolvakanties om 15:00 uur zal ophalen op een door partijen nader overeen te komen plek en de minderjarige om 19:00 uur bij de vrouw zal terugbrengen;

c. de vrouw een dwangsom verschuldigd is van € 250,- voor iedere keer dat zij het in dit geding te wijzen vonnis niet nakomt, met een maximum van € 25.000,-,

met compensatie van de proceskosten.

4.2

De vrouw heeft op haar beurt (in reconventie) gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen geldende omgangsregeling van 8 november 2024 zal schorsen/opschorten in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek van de raad naar de veiligheid en de ontwikkeling van de minderjarige en de aan de hand daarvan nader te treffen maatregelen en hulpverlening, althans de omgangsregeling voor een nader door de voorzieningenrechter vast te stellen (on)bepaalde tijd zal schorsen/opschorten, althans de man het recht op omgang te ontzeggen, althans een zodanige beslissing zal nemen als de voorzieningenrechter juist acht, met compensatie van de proceskosten.

4.3

In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, in conventie en reconventie, de vrouw veroordeeld tot nakoming van de in het proces-verbaal van 8 november 2024 neergelegde omgangsregeling, in die zin dat:

- elke maandag onbegeleid contact tussen de man en de minderjarige zal zijn, waarbij de man de minderjarige ophaalt bij school en vervolgens om 19:00 uur bij de vrouw brengt;

- tijdens schoolvakanties zal de man de minderjarige ophalen om 15.00 uur op een door partijen nader overeen te komen plek en zal de man de minderjarige bij de vrouw terugbrengen om 19:00 uur.

Deze omgangsregeling is opgelegd op verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere keer dat de vrouw daaraan niet voldoet tot een maximum van € 5.000,-. Het bestreden vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5Vorderingen in hoger beroep

5.1

De vrouw vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden,

1. de vorderingen van de man, als eiser in conventie zal afwijzen onder verplichting van de man wanneer het bestreden vonnis wordt vernietigd, de betaalde dwangsommen terug te betalen uit hoofde van onverschuldigde betaling;

2. de tussen partijen geldende zorgregeling van 8 november 2024 zal schorsen/opschorten tot de rechtbank in de bodemprocedure tussen partijen, zo mogelijk na onderzoek van de raad voor de kinderbescherming, nader heeft beslist over de vraag welke omgang in het belang van de minderjarige is;

3. de man te veroordelen tot nakoming van de in het proces-verbaal van 8 november 2024 neergelegde verplichting zich aan te melden bij [hulpverleningsinstantie 1] en het hulpverleningstraject bij [hulpverleningsinstantie 1] aan te gaan;

4. te bepalen dat het contact tussen de man en de minderjarige voorlopig onder begeleiding zal plaatsvinden bij de hulpverleningsinstantie op de door de hulpverleningsinstantie te bepalen momenten;

met compensatie van de proceskosten.

Ter zitting is namens de vrouw meegedeeld dat de vordering onder 3 niet langer wordt gehandhaafd voor zover het de aanmelding van de man bij [hulpverleningsinstantie 1] betreft, omdat deze aanmelding inmiddels is gedaan.

5.2

De vrouw stelt - samengevat - het volgende. Van onbegeleide omgang tussen de man en de minderjarige kan geen sprake zijn, omdat de hulpverlening via [hulpverleningsinstantie 1] niet van start is gegaan. Deze hulpverlening was onderdeel van de omgangsafspraken. Tijdens de relatie van partijen was sprake van huiselijk geweld. De vordering tot nakoming had moeten worden afgewezen. Voor het opleggen van een dwangsom is geen aanleiding. Omdat de man alleen onder protest wenst mee te werken aan begeleide omgang, is omgang via [hulpverleningsinstantie 2] en [hulpverleningsinstantie 1] in het vrijwillig kader niet mogelijk. De vrouw zal een bodemprocedure starten. De betaalde dwangsommen wil de vrouw terug uit hoofde van onverschuldigde betaling.

5.3

De man verweert zich en eist in incidenteel hoger beroep – kort gezegd – dat de dwangsom die is verbonden aan de nakoming van de omgang in het bestreden vonnis wordt verhoogd tot € 500,- dan wel een ander bedrag hoger dan € 100,-, omdat de dwangsom in zijn visie te laag is. Verder vordert hij veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het bestreden vonnis. Hij stelt in dit verband dat de vrouw geen medewerking verleent aan de omgang. Er zijn geen ontzeggingsgronden voor de omgang aanwezig. Een medewerker van het Sociaal Team is juist positief geweest over het contact tussen de man en de minderjarige. De onbegeleide omgang en de hulpverlening kunnen gelijktijdig plaatsvinden. Uit eerdere relaties heeft de man drie dochters die hij regelmatig ziet en met wie het contact goed verloopt, zo voert de man aan. Hij doet een algemeen bewijsaanbod. De man ontkent de aantijgingen van intieme terreur en huiselijk geweld.

5.4

De vrouw bestrijdt het incidenteel hoger beroep en eist dat het hof de vorderingen van de man in hoger beroep zal afwijzen, met compensatie van de proceskosten.

6Beoordeling in hoger beroep

Spoedeisend belang
6.1

Het hof stelt voorop dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is. De vraag of een eisende partij voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening dient dus te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Naar het oordeel van het hof volgt reeds uit de aard van de vordering (verzet tegen nakoming omgang onder verbeurte van een dwangsom) dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij dit kort geding.

Inhoudelijke beoordeling

6.2

Bij de beoordeling van een vordering als in deze procedure, waarin de man verzoekt dat gevolg wordt gegeven aan de eerder door partijen op 8 november 2024 overeengekomen omgangsregeling, geldt als uitgangspunt dat deze moet worden nagekomen. Niettemin is het hof van oordeel dat de vrouw in dit hoger beroep voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat nakoming van deze omgangsregeling strijdig is met zwaarwegende belangen van de minderjarige. Het hof legt hierna uit hoe het tot deze beslissing is gekomen.

6.3

Na de mondelinge behandeling na aanbrengen bij dit hof op 26 november 2025 is het onderzoek van Veilig Thuis afgerond en is de uitkomst daarvan beschreven in een brief aan partijen van [datum] 2026. Veilig Thuis concludeert – kort gezegd – het volgende. Er is sprake geweest van huiselijk geweld en kindermishandeling. Er zijn veel signalen die duiden op de aanwezigheid van intieme terreur, waarbij de vrouw slachtoffer is en de man dader. Er is sprake geweest van geweld, zowel psychisch als mogelijk seksueel, waarvan de minderjarige en zijn halfbroer meerdere keren getuige zijn geweest. De man toont weinig inzicht in de impact van het geweld, zijn eigen aandeel daarin en heeft moeite om zich te verplaatsen in de positie van de minderjarige en die van de vrouw. De minderjarige is angstig en wil op dit moment geen omgang met de man.
Veilig Thuis acht de volgende veiligheidsvoorwaarden minimaal nodig om te komen tot veiligheid in de gezinssituatie:

  1. de minderjarige is geen getuige van/wordt niet blootgesteld aan schelden, schreeuwen, oplopende spanningen, ruzies en fysiek geweld tussen zijn ouders;

  2. de minderjarige heeft te allen tijde een emotioneel voorspelbare volwassene die voor hem kan zorgen, beschermen en emotioneel beschikbaar is;

  3. de minderjarige kan vertrouwen op de man doordat hij voorspelbaar is in zijn gedrag en kan afstemmen op wat de minderjarige nodig heeft.

Verder noemt Veilig Thuis de volgende veiligheidsafspraken:

  • Veilig Thuis vindt het nodig dat er hulpverlening actief betrokken is, allereerst gericht op de veiligheid van de vrouw, de minderjarige en zijn halfbroer. Deze hulpverlening is aangevraagd bij [hulpverleningsinstantie 1] ;

  • de casusregie, gericht op veiligheid, zal Veilig Thuis overdragen aan het [hulpverleningsinstantie 3] ;

  • vanuit deze hulpverlening is er contact met de man over de minderjarige;

  • Veilig Thuis vindt het van belang dat er geen contact is tussen partijen als ouders van de minderjarige, ook niet via vrienden. Wanneer er contact nodig is, is het belangrijk dat dit loopt via de hulpverlening en/of advocaten.

6.4

Het hof ziet op dit moment geen andere mogelijkheid dan aan te sluiten bij het advies van Veilig Thuis, dat inhoudt dat contactherstel tussen de man en de minderjarige tot stand moet komen onder de professionele begeleiding van een hulpverleningsinstantie die deskundig is op het gebied van patronen van huiselijk geweld. Het hof acht het in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige – zonder de hiervoor bedoelde begeleiding – wordt hervat. Het hof acht het van belang dat partijen nu uitvoering geven aan de veiligheidsvoorwaarden en -afspraken die Veilig Thuis heeft gesteld. Partijen zijn inmiddels aangemeld bij [hulpverleningsinstantie 1] . Het is van belang dat de door deze hulpverleningsinstanties noodzakelijke hulpverlening voor de betrokkenen wordt ingezet, zodat daarna – zodra de hulpverleners dit mogelijk achten – begeleide omgang kan plaatsvinden tussen de man en de minderjarige.

6.5

Gelet op de uitkomst van het onderzoek van Veilig Thuis is het hof van oordeel dat het, achteraf gezien, niet in het belang van de minderjarige was dat de vrouw bij het bestreden vonnis werd veroordeeld tot nakoming van de omgangsregeling op verbeurte van een dwangsom. Het hof zal daarom de vordering van de man tot nakoming op verbeurte van een dwangsom alsnog afwijzen en het bestreden vonnis op dit punt vernietigen, onder toewijzing van het verzoek van de vrouw tot schorsing van de omgangregeling. Dit betekent dat de vrouw de door haar betaalde dwangsommen onverschuldigd heeft betaald en dat de man deze bedragen terug zal moeten betalen. Echter, de vordering van de vrouw dat de man wordt veroordeeld haar de betreffende bedragen terug te betalen, is onvoldoende concreet om voor toewijzing in aanmerking te komen. Het hof wijst deze vordering dan ook af.
Het hof is verder van oordeel dat de vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot het aangaan van het afgesproken hulpverleningstraject niet voor toewijzing in aanmerking komt omdat het nog onduidelijk is wat dit traject precies zal inhouden. Bovendien staat vast dat dit een vrijwillig traject is, zodat medewerking daaraan niet in rechte kan worden afgedwongen.
Omdat partijen het er over eens zijn dat contact tussen de man en de minderjarige, zodra dit mogelijk is, onder begeleiding moet plaatsvinden, zal het hof deze vordering van de vrouw toewijzen.

6.6

Een kortgedingprocedure leent zich naar zijn aard niet voor nadere bewijslevering. Het hof gaat dan ook voorbij aan het algemene bewijsaanbod van de man.

6.7

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, zal het hof bepalen dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt. De vordering van de man om de vrouw te veroordelen in de proceskosten zal het hof dan ook afwijzen.

7Beslissing

Het hof:

  • vernietigt het bestreden vonnis;

  • wijst de vorderingen van de man betreffende de nakoming van de omgangsregeling door de vrouw alsnog af;

  • schorst de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het proces-verbaal van 8 november 2024;

  • bepaalt dat het contact tussen de man en de minderjarige voorlopig onder begeleiding zal plaatsvinden bij de hulpverleningsinstantie op de door de hulpverleningsinstantie te bepalen momenten tot in de bodemprocedure anders is beslist danwel tussen partijen anders wordt overeengekomen;

  • verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

  • compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

  • wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Sutorius-Van Hees, mr. H.J. Wieman-Bart, en mr. J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733