Gerechtshof Den Haag 02-06-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2185

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. Vraag is of het in testament gelegateerde vruchtgebruik voor appellante eindigt doordat haar goederen onder bewind zijn gesteld. Testament bepaalt dat het vruchtgebruik eindigt bij verlies van het vrije beheer over het vermogen. Het hof oordeelt dat onderbewindstelling dit verlies meebrengt en dat het vruchtgebruik definitief eindigt; geen herleving na opheffing van het bewind. Tekst is duidelijk; geen nadere testamentuitleg of bewijslevering. Vonnis wordt bekrachtigd. Proceskosten gecompenseerd.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Testamentair vruchtgebruik eindigt - conform testament - bij onderbewindstelling goederen
Hof beantwoordt vraag of het in het testament gelegateerde vruchtgebruik eindigt, doordat de goederen van betrokkene onder bewind zijn gesteld: "verlies van vrije beheer over het vermogen" komt overeen met bewind. Vruchtgebruik geëindigd.

Datum publicatie28-07-2026
Zaaknummer200.353.651/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht; Testamentair vruchtgebruik;
Meerderjarigenbescherming; Bewind
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrecht. Is in testament gelegateerde vruchtgebruik van nalatenschap geëindigd doordat de goederen van legataris onder bewind zijn gesteld?

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.353.651/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/677266/ HA ZA 24-307

Arrest van 2 juni 2026

in de zaak van

[appellante] ,

wonend in [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. H. Loonstein, kantoorhoudend in Amsterdam,

tegen

[de executeur] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater] ,

wonend in [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F. van Schaik, kantoorhoudend in Berkel en Rodenrijs.

Het hof noemt partijen hierna: [appellante] en de executeur.

1Procesverloop in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 8 april 2025, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 8 januari 2025 (hierna: het bestreden vonnis);

  • het anticipatie-exploot van de executeur van 9 april 2025;

  • de memorie van grieven van [appellante] ;

  • de memorie van antwoord van de executeur.

1.2

Partijen hebben om arrest gevraagd en vervolgens heeft appellant het procesdossier gefourneerd.

2De zaak in het kort

2.1

In kern gaat het in deze zaak om de vraag of het aan [appellante] gelegateerde vruchtgebruik van de nalatenschap definitief is geëindigd doordat de goederen van [appellante] onder bewind zijn gesteld. Omdat in het testament van erflater is bepaald dat het vruchtgebruik eindigt als [appellante] het vrije beheer over haar vermogen verliest, beantwoordt het hof deze vraag bevestigend. De tekst van het testament is voldoende duidelijk, zodat het hof niet toekomt aan verdere uitleg van de uiterste wil op grond van feiten en omstandigheden buiten het testament.

3Feitelijke achtergrond

3.1

[erflater] , (hierna te noemen: ‘erflater’), is op [datum] 2015 overleden. Hij voerde een gemeenschappelijk huishouden met [appellante] .

3.2

Erflater heeft op [datum] 1997 een testament gemaakt waarin hij, voor zover relevant in deze procedure, aan [appellante] het vruchtgebruik van de nalatenschap heeft gelegateerd. Verder heeft de erflater in dit testament de executeur in deze functie benoemd. Eén van de tot de nalatenschap behorende en aldus aan het vruchtgebruik onderworpen goederen is een (erven)bankrekening ( [de (erven)bankrekening] , hierna: de (erven)bankrekening.

3.3

Bij beschikking van 7 juni 2023 van de rechtbank Amsterdam zijn de goederen, die (zullen) toebehoren aan [appellante] onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke/geestelijke toestand. [de bewindvoerder] , h.o.d.n. [handelsnaam] (hierna: [de bewindvoerder] ), is benoemd tot bewindvoerder.

3.4

[appellante] heeft op 12 maart 2024 conservatoir beslag laten leggen op de (erven)bankrekening.

3.5

De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 25 maart 2024 het bewind over de goederen die aan [appellante] (zullen) toebehoren met ingang van 15 april 2024 opgeheven.

4Procedure bij de rechtbank

4.1

[appellante] , toen nog vertegenwoordigd door [de bewindvoerder] , heeft gevorderd dat de executeur wordt veroordeeld aan [appellante] een bedrag van € 33.778,52 te betalen, althans het saldo dat op 12 maart 2024, dan wel op de dag van het vonnis, op de bedoelde (erven)bankrekening staat.

4.2

De executeur heeft verweer gevoerd en – voor zover van belang – in reconventie (voorwaardelijk) gevorderd i) dat het gelegde beslag wordt opgeheven en ii) een verklaring voor recht dat het vruchtgebruik van [appellante] op 7 juni 2023 is geëindigd als gevolg van het verlies van het vrije beheer over haar vermogen. Daarnaast heeft de executeur gevorderd [de bewindvoerder] in haar hoedanigheid van bewindvoerder te veroordelen in de proceskosten.

4.3

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, voor zover van belang:

in conventie:

- de vordering van [de bewindvoerder] in haar hoedanigheid van bewindvoerder afgewezen;

in reconventie:

  • het op 12 maart 2024 door gerechtsdeurwaarder [gerechtsdeurwaarder] onder de [bank] , gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , gelegde conservatoire derdenbeslag opgeheven;

  • [de bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van (gewezen) bewindvoerder veroordeeld de schade die is geleden door het beslag te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  • voor recht verklaard dat het vruchtgebruik van [appellante] , als bedoeld in het testament van erflater, op 7 juni 2023 is geëindigd als gevolg van het verlies van het vrije beheer over het vermogen;

in conventie en reconventie:

  • [de bewindvoerder] in haar hoedanigheid van (gewezen) bewindvoerder veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de executeur tot op heden begroot op € 3.175,-, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis;

  • het meer of anders gevorderde afgewezen.

5Vorderingen in hoger beroep

5.1

[appellante] vordert het bestreden vonnis te vernietigen, de in eerste aanleg ingestelde vorderingen van [appellante] alsnog toe te wijzen en [appellante] in de in reconventie ingestelde tegenvorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze tegenvorderingen geheel of gedeeltelijk af te wijzen, kosten rechtens.

5.2

[appellante] voert drie grieven in hoger beroep aan. In de kern komen die op het volgende neer. Erflater kan niet de bedoeling hebben gehad dat het vruchtgebruik zou eindigen bij een situatie als deze, waarbij een onderbewindstelling is verzocht op advies van een rechtsbijstandsverzekering omdat er een juridisch geschil was ontstaan tussen de niet-betalende executeur en [appellante] , terwijl er materieel geen aanleiding was voor een onderbewindstelling, deze onderbewindstelling maar kort heeft geduurd en de term onderbewindstelling niet staat vermeld in het testament.
Daarnaast meent [appellante] dat bij de opheffing van de onderbewindstelling, het vruchtgebruik herleeft. [appellante] biedt getuigenbewijs aan door oud-notaris [notaris] (of kantoorgenoten) op te roepen. De bepaling in het testament van erflater over het eindigen van het vruchtgebruik lijkt namelijk op een standaardbepaling, zodat duidelijkheid kan worden verkregen wat daarmee bedoeld wordt. Ook [appellante] kan als getuige worden gehoord. Dit betekent dat het vruchtgebruik er nog steeds is, dan wel is herleefd, zodat het conservatoire beslag ten onrechte is opgeheven, ten onrechte voor recht is verklaard dat het vruchtgebruik van [appellante] is geëindigd en [appellante] ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld. Verder is de executeur niet-ontvankelijk in zijn reconventionele vordering omdat hij de verkeerde procespartij heeft gedagvaard.

5.3

De executeur voert gemotiveerd verweer en vordert [appellante] te veroordelen in de kosten van het geding. Voor het geval het hof de vorderingen van [appellante] toewijst, vraagt de executeur om de uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5.4

De executeur verweert zich – samengevat – als volgt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het vruchtgebruik is geëindigd. De bewoordingen van het testament zijn helder en daardoor is er geen reden om de notaris als getuige te horen. Het is onjuist dat het vruchtgebruik zou kunnen herleven. De executeur is wel degelijk ontvankelijk in zijn reconventionele vordering.

6Beoordeling in hoger beroep

Procespartijen

6.1

Tot op het moment van dagvaarden in eerste aanleg was [de bewindvoerder] de bewindvoerder over het vermogen van [appellante] . [appellante] betoogt dat de executeur voor wat betreft de (voorwaardelijke) eis in reconventie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze is gericht tegen [de bewindvoerder] en [de bewindvoerder] toen niet langer bewindvoerder was. Het hof volgt [appellante] niet in dit betoog. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de executeur ontvankelijk is in zijn reconventionele vordering aangezien [appellante] steeds de materiële procespartij is geweest. [appellante] heeft geen in rechte te respecteren belang bij niet-ontvankelijkverklaring van de executeur.

Uitleg testament

6.2

In het testament van erflater is– voor zover van belang – het volgende is bepaald:

“Indien ik kom te overlijden voor [ [appellante] ] beschik ik als volgt:

A. Ik legateer aan [ [appellante] ] (…) af te geven binnen acht maanden na mijn overlijden, het vruchtgebruik van het gedeelte van mijn nalatenschap dat overblijft na afgifte van het onder Ten Tweede vermelde legaat.

(…)

Met betrekking tot gemeld recht van vruchtgebruik bepaal ik het volgende:

(…)

8. De vruchtgebruiker heeft het recht in te teren op de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen.

Dit interingsrecht eindigt bij het beëindigen door de vruchtgebruiker van het voeren van een zelfstandige huishouding door het voortzetten van de huishouding in een bejaarden-, verpleeg- of verzorgingstehuis, tenzij de vruchtgebruiker de verzorgingskosten/ verpleegprijs uit inkomsten en/of eigen vermogen kan betalen.

9. Het vruchtgebruik eindigt:

- in de gevallen als in de wet genoemd,

- alsmede indien de vruchtgebruiker failleert, surseance van betaling aanvraagt, het beheer over zijn vermogen verliest, ondubbelzinnig blijk geeft van het voornemen zich buiten Europa te vestigen dan wel

- indien het vermogen van de vruchtgebruiker met inachtneming van de aan de hoofdgerechtigden schuldig erkende nominale bedragen en verminderd met het vruchtgebruikkapitaal is gedaald tot of beneden het bescheiden vermogen als bedoeld in de Algemene Bijstandswet en/of de Wet op de Bejaardenoorden en/of andere soortgelijke wetten én de vruchtgebruiker in aanmerking wenst te komen voor een uitkering op grond van die wetten.

(…)
Bij het einde van het vruchtgebruik zijn de aan de hoofdgerechtigden schuldig erkende bedragen of het restant daarvan onmiddellijk opeisbaar.”

6.2.1

Na het overlijden van erflater heeft [appellante] het vruchtgebruik verkregen van het gedeelte van de nalatenschap dat is overgebleven na onder meer afgifte van de overige in het testament opgenomen legaten. Blijkens notariële akte van [datum] 2019 is het vruchtgebruiklegaat aan [appellante] van onroerende goederen uitgevoerd en het vruchtgebruik op de onroerende goederen notarieel gevestigd.

6.2.2

Het vruchtgebruik houdt in het recht om goederen die aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten (artikel 3:201 lid 1 BW) .

6.2.3

Op 7 juni 2023 zijn vervolgens de goederen, die (zullen) toebehoren aan [appellante] onder bewind gesteld. Een van de belangrijkste gevolgen van de instelling van een beschermingswind is dat het beheer over de onder bewind gestelde goederen niet langer toekomt aan de rechthebbende, [appellante] , maar aan de bewindvoerder (op grond van artikel 1:438 lid 1 BW) .

6.3

Aan de orde is de vraag of de bepaling in het testament “het beheer over zijn vermogen verliest” aldus moet worden uitgelegd dat daaronder ook de uitgesproken onderbewindstelling valt.

6.4

Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW moet bij uitleg worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil gemaakt. Als zich na het opmaken van de uiterste wil feiten of omstandigheden voordoen, waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij wat de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikkingen alleen golden voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. Voor die uitleg is niet nodig dat erflater bij het maken van de uiterste wil op die feiten en omstandigheden is vooruitgelopen (vgl. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531).

6.4.1

Het hof is van oordeel dat de tekst van het testament duidelijk is en dat het testament – mede gelet op het belang van de rechtszekerheid in het erfrecht en de daardoor al dan niet ontstane goederenrechtelijke verhoudingen – niet anders kan worden uitgelegd dan dat het de bedoeling van erflater was dat zodra [appellante] het beheer van haar vermogen zou verliezen, zoals in dit geval door een onderbewindstelling, het vruchtgebruik van [appellante] zou eindigen.

6.4.2

Dat de term ‘onderbewindstelling’ niet expliciet is genoemd in het testament, maakt dit niet anders, aangezien het (juridische) gevolg van de onderbewindstelling is dat [appellante] het beheer over haar goederen heeft verloren waardoor aan de beëindigingsgrond van het vruchtgebruik in het testament is voldaan. Het hof gaat voorbij aan het – bestreden – standpunt van [appellante] dat sprake was van een ‘informele’ onderbewindstelling. De rechter die de goederen van [appellante] onder bewind heeft gesteld, heeft namelijk uitdrukkelijk geoordeeld dat was voldaan aan de gronden voor een onderbewindstelling.

6.4.3

Aangezien de tekst van het testament voldoende duidelijk is, komt het hof niet toe aan toepassing van lid 2 van artikel 4:46 BW, waarbij verdere uitleg van de uiterste wil kan plaatsvinden op grond van feiten en omstandigheden buiten het testament. Om diezelfde reden komt het hof ook niet toe aan het bewijsaanbod van [appellante] .

6.4.4

Het gevolg van het eindigen van het vruchtgebruik door de onderbewindstelling van de goederen van de vruchtgebruiker is dat de erfgenamen/hoofdgerechtigden van het tot dan toe met vruchtgebruik belaste vermogen op dat moment van rechtswege de volle eigendom (‘volledige gerechtigdheid’) van het vermogen waarop het vruchtgebruik rustte toekwam. Anders gezegd, de bloot eigendom (‘hoofdgerechtigdheid’) van de erfgenamen/hoofdgerechtigden wast bij het eindigen van het vruchtgebruik van rechtswege aan tot volle eigendom (‘volledige gerechtigdheid’).

6.4.5

Noch uit het testament van erflater noch uit het systeem van de wet vloeit naar het oordeel van het hof voort dat opheffing van het beschermingsbewind in dit geval leidt tot herleving van het vruchtgebruik. Het betoog van [appellante] dat het vruchtgebruik herleeft vanaf het moment dat de onderbewindstelling is beëindigd, faalt dan ook.

Conclusie en proceskosten

6.5

De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen.

6.6

Omdat deze procedure voortvloeit uit de relationele betrekking tussen erflater en [appellante] en de executeur in opdracht van erflater (de levenspartner van [appellante] ) uitvoering geeft aan het testament en de erfgenamen familieleden zijn van erflater, zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

7Beslissing

Het hof:

  • bekrachtigt het bestreden vonnis;

  • compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Wieman-Bart, mr. G.G.B. Boelens en mr. R.L.M.C. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733