Rechtbank Noord-Holland 17-06-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8800

Essentie (gemaakt door AI)

Onrechtmatige daad. Eiser stelt dat gedaagde haar doelbewust de kans ontneemt om afscheid van moeder te nemen en vordert immateriële schade en afgifte van familiebezittingen. De rechter oordeelt dat geen normschending of feitelijke grondslag is onderbouwd; alle vorderingen in conventie worden afgewezen. In reconventie wordt, wegens misbruik van bevoegdheid, een beperkt procedeerverbod met dwangsom toegewezen. Vordering gedaagde tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Procedeerverbod voor zus over ziektebed en overlijden moeder - dwangsommaximum ad € 100.000
Zus stelt dat zus haar doelbewust de kans heeft ontnomen om afscheid van moeder te nemen en eist immateriële schadevergoeding. Gedaagde zus eist procedeerverbod. Eisende zus krijgt ongelijk; eis gedaagde zus wordt toegewezen.

Datum publicatie28-07-2026
Zaaknummer11905064 \ CV EXPL 25-6579
ProcedureBodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenErfrecht; Uitvaart / asbestemming;
Familieprocesrecht; Proceskosten
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Onrechtmatige daad. Eiseres verwijt haar zus in de kern dat deze haar doelbewust de mogelijkheid heeft ontnomen om afscheid van haar moeder te nemen. Vordering tot immateriële schadevergoeding afgewezen. Het in reconventie gevorderde (beperkte) procedeerverbod wordt toegewezen. Reële proceskostenveroordeling.

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: 11905064 \ CV EXPL 25-6579

Vonnis van 17 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. M.G. Hees.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het incidenteel vonnis van 25 februari 2026 en de daarin vermelde stukken,
- de akte overleggen aanvullende producties tevens akte vermeerdering van eis van [eiser], ontvangen op 1 mei 2026,

- de mondelinge behandeling van 11 mei 2026, waarbij partijen gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, die zijn vastgelegd in een proces-verbaal van zitting.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2Feiten

2.1.

Op 18 november 2018 is de moeder van partijen, mevrouw [moeder] op 85-jarige leeftijd overleden (hierna: moeder). Zij was de niet-hertrouwde weduwe van de op 6 februari 2013 overleden heer [vader] (hierna: vader). Uit het huwelijk tussen moeder en vader zijn, naast [gedaagde] en [eiser], geboren [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

2.2.

Bij testament van 11 juni 2008 heeft moeder de vier dochters benoemd tot erfgenamen, ieder voor een gelijk deel, welke benoeming ieder van hen (beneficiair) heeft aanvaard. In haar testament heeft moeder ook een executeur-afwikkelingsbewindvoerder benoemd. Notaris mr. [betrokkene 3] heeft in die hoedanigheid de afwikkeling en verdeling van de nalatenschap van moeder ter hand genomen.

2.3.

Sinds 2017 heeft [eiser] [gedaagde] in verschillende (gerechtelijke) procedures betrokken, te weten:
- een klachtprocedure tegen [gedaagde] bij de het College van Toezicht van het Nederlands Instituut voor Psychologen. [eiser] is bij uitspraak van 18 april 2018 niet-ontvankelijk verklaard;

- een ontslagprocedure tegen de executeur-afwikkelingsbewindvoerder bij de kantonrechter ‘s-Hertogenbosch, waarbij [gedaagde] en haar andere zussen als belanghebbenden zijn opgeroepen. Bij beschikking van 15 november 2019 is het verzoek van [eiser] afgewezen;

- het hoger beroep in de ontslagprocedure. Het hoger beroep is bij beschikking van 15 oktober 2020 ongegrond verklaard;

- een bodemprocedure bij de rechtbank Oost-Brabant waarin [eiser] naast [gedaagde] en haar andere zussen, de executeur-afwikkelingsbewindvoerder en de kopers van de woning van moeder uit de nalatenschap heeft gedagvaard. In de zaak stonden naast de positie van de executeur-afwikkelingsbewindvoerder onder meer de kwesties centraal betreffende het financiële handelen van [gedaagde] op basis van een volmacht van moeder aan haar (schenkingen, pintransacties en betalingen) en de betalingen inzake 24-uurs zorg van moeder. Bij eindvonnis van 5 april 2023 zijn alle vorderingen van [eiser] afgewezen en is zij veroordeeld tot onder meer betaling van de proceskosten van [gedaagde];

- het hoger beroep van de bodemprocedure bij het hof ’s-Hertogenbosch. In het eindarrest van 25 maart 2025 is het hoger beroep van [eiser] ongegrond verklaard, waarbij zij onder meer is veroordeeld tot betaling van de proceskosten jegens [gedaagde].

2.4.

In het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 april 2023 staat:
3.20. In de tussentijd had [eiser] een vordering ingesteld tegen de partner van [gedaagde] tot afgifte van een bureau, dat volgens haar toebehoorde aan de nalatenschap van moeder. De rechtbank Noord-Holland heeft die vordering bij vonnis van 23 december 2020 afgewezen.
3.21. Verder had [eiser] bij de Kamer voor het notariaat een klacht ingediend tegen [betrokkene 3]. Die klacht is bij beslissing van 11 augustus 2020 afgewezen. Het gerechtshof Amsterdam heeft vervolgens bij beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 6 april 2021 het daartegen ingestelde beroep van [eiser] afgewezen.
3.22. [eiser] heeft daarnaast een klacht ingediend tegen de advocaat van [gedaagde], [betrokkene 2] en [betrokkene 1], waarin zij door de deken niet-ontvankelijk is verklaard.
3.23. Op 12 november 2021 heeft [eiser] [betrokkene 3] in kort geding gedagvaard om haar te verbieden om geld over te maken naar de erven totdat de rechtbank in deze bodemprocedure eindvonnis heeft gewezen. De voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland heeft die vordering bij vonnis in kort geding van 6 december 2021 afgewezen.

2.5.

In een brief van 16 januari 2015 heeft [eiser] afscheid van moeder genomen en haar verweten eenzijdige en achterbakse beslissingen te hebben genomen.

2.6.

In een e-mail van 18 november 2018 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven: (…) ik heb net je voice mail ingesproken. Mama is stervende. Mocht je nog willen langs komen, neem dan even contact op om af te spreken wanneer het het beste uitkomt.

3Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert – na vermeerdering van eis – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 18.408,- en de volledige kosten van de procedure, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten. Daarnaast vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om alle films, dia’s en ordner met octrooien die in het ouderlijk huis lagen aan haar te overhandigen. Ten slotte vordert zij ook teruggave van haar geboorteakte en haar babyboek.

3.2.

[eiser] legt aan de vorderingen (in de kern) ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] doelbewust de mogelijkheid te ontnemen om afscheid van haar moeder te nemen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] haar belet om moeder nog in bewuste toestand te zien/spreken tijdens haar laatste dagen voorafgaand aan haar sterfdag op 18 november 2018. Daarbij zou [gedaagde] doelbewust en weloverwogen hebben besloten om palliatieve sedatie in gang te zetten teneinde het overlijden van moeder te bespoedigen.

Verder heeft [eiser] ter onderbouwing van haar vordering een aantal incidenten benoemd, te weten:

- een incident op 29 oktober 2018 waarbij haar de toegang tot de woning van moeder werd ontzegd door de verzorgster, die daarbij aangaf dat zij [eiser] van de andere zussen niet mocht binnenlaten;

- het doelbewust inlichten van de biologische vader van haar dochter [minderjarige] over het overlijden van moeder, terwijl hij met beiden geen enkele band heeft;

- een incident op 25 maart 2019 waar volgens [eiser] urenlang voor haar voordeur is gepost, haar voordeurraam is bevuild en met een vieze snotdoek onder haar ruitenwissers de auto werd bevuild. Ook zou die dag haar dochter [minderjarige] twee uur lang gegijzeld zijn gehouden, die uitsluitend met behulp van de politie de woning kon verlaten.

3.3.

Volgens [eiser] heeft [gedaagde] haar (daarmee) een familieleven misgund, haar stress bezorgd en zich krenkend en grievend publiekelijk over haar uitgelaten. Ook heeft [gedaagde] de nagedachtenis van een overledene aangetast door “met opzet en verwerpelijke beslissingen” de waardigheid van moeder aan te tasten door haar niet meer zelf te laten beslissen over cruciale ontmoetingen voor haar overlijden.

3.4.

[eiser] stelt dat zij als gevolg van het voorgaande immateriële schade heeft geleden 1. Daarnaast stelt [eiser] dat zij recht heeft op afgifte van diverse films, dia’s en een ordner van octrooien. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] deze ongeoorloofd in bezit genomen. Verder is [gedaagde] volgens [eiser] in het bezit van haar geboorteakte en babyboek.

3.5.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen. In de eerste plaats beroept zij zich op verjaring van de vorderingen. Daarnaast betwist zij dat sprake is van onrechtmatige handelen en schade. Subsidiair betwist zij de hoogte van de gevorderde immateriële schade.

3.6.

Ten aanzien van de gevorderde afgifte van diverse zaken die behoren tot de nalatenschap voert [gedaagde] aan dat de executeur-afwikkelingsbewindvoerder privatief bevoegd is ter zake van de nalatenschap. [gedaagde] concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.8.

[gedaagde] vordert – samengevat – dat de kantonrechter:

I. [eiser] een verbod oplegt tot procederen tegen [gedaagde], althans subsidiair tegen [gedaagde] voor zover dat betrekking heeft op (het ziekbed en overlijden van) moeder en/of de nalatenschap van moeder, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,-, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere keer dat [eiser] dit verbod overtreedt;

II. [eiser] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van een vergoeding wegens immateriële schade, in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [eiser] veroordeelt in de kosten van deze procedure, primair zijnde een reële proceskostenveroordeling ter hoogte van een in goede justitie vast te stellen bedrag, subsidiair een forfaitaire proceskostenveroordeling (a) onder toekenning van meer punten dan het standaard puntensysteem, (b) met toepassing van een correctiefactor en (c) met toewijzing van een deel van de werkelijk gemaakte kosten, meer subsidiair op een in goede justitie te bepalen wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag,

althans een in goede justitie te bepalen termijn, na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.9.

[gedaagde] legt aan de vordering onder I ten grondslag dat er evident sprake is van misbruik van bevoegdheid, Het overlijden van moeder althans haar nalatenschap is al vijf keer op vordering/verzoek van [eiser] onderdeel geweest van een juridische procedure. In al die procedures is [eiser] in het ongelijk gesteld. Het uitspreken van zo'n verbod is noodzakelijk omdat [eiser] in de dagvaarding alweer een volgende procedure heeft aangezegd. Daarbij is noodzakelijk een prikkel tot nakoming in de vorm van een dwangsom.

3.10.

Aan de vordering onder II legt [gedaagde] ten grondslag dat [eiser] heeft onrechtmatig gehandeld door [gedaagde] in de dagvaarding ongefundeerd te betichten van zware en zeer ernstige strafbare feiten zoals witwassen, gijzeling, intimidatie en algeheel misdadig gedrag. Daardoor is de eer en goede naam van [gedaagde] geschaad althans is op andere wijze in haar persoon aangetast.

3.11.

Aan de vordering onder III legt [gedaagde] ten grondslag dat sprake is van buitengewone omstandigheden waardoor een afwijking van het wettelijk uitgangspunt van compensatie van de proceskosten gerechtvaardigd is. Niet alleen had het [eiser] duidelijk moeten zijn dat de vorderingen ongegrond zijn en zij op onderdelen niet-ontvankelijk is, maar ook dat zij - door het instellen van deze procedure - [gedaagde] op zeer aanzienlijke kosten zou jagen. Tot en met opstellen van de conclusie heeft [gedaagde] € 2.912,47 inclusief BTW aan kosten gemaakt, bestaande uit 8:18 uur uren maal het uurtarief van de advocaat ad € 290,- .

3.12.

[eiser] voert verweer.

3.13.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

in conventie

immateriële schadevergoeding

4.1.

Om een vordering tot immateriële schadevergoeding te kunnen toewijzen, moet eerst vast komen te staan dat er een reden is waarom [gedaagde] aan [eiser] het door haar gesteld nadeel moet vergoeden. Naar de kantonrechter begrijpt beroept [eiser] zich daarvoor op onrechtmatig handelen van [gedaagde]. Daarvan kan sprake zijn als [gedaagde] jegens [eiser] inbreuk op een recht heeft gemaakt of jegens haar heeft gehandeld (of niet gehandeld) in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het is aan degene die zich op onrechtmatig handelen beroept (in dit geval [eiser]) om aan de hand van concrete feiten aan te tonen waaruit dat onrechtmatig handelen heeft bestaan.

4.2.

Op basis van hetgeen [eiser] heeft aangevoerd, valt niet in te zien dat en hoe [gedaagde] in het licht van de gegeven omstandigheden heeft gehandeld in strijd met een van de hiervoor genoemde normen. Er is immers geen regel die voorschrijft dat alle kinderen in gelijke mate worden betrokken bij het sterfproces van een ouder: het is in hoge mate aan de stervende zelf om te bepalen of en hoe dat sterfproces wordt ingezet en wie daarbij betrokken wordt. In dit verband kan niet uit het oog worden verloren dat de relatie tussen [eiser] en haar zusters al jaren verstoord was (en is) en dat [eiser] in een brief van 16 januari 2015 afscheid van moeder had genomen. Dat laatste nam overigens niet weg dat [eiser], die een sleutel van de woning van moeder had, nog wel eens langs kwam, maar blijkens diverse verklaringen van medewerkers van de thuiszorg over bezoekjes die plaatsvonden op 7 juli 2015, 22 februari 2018, 26 oktober 2018 en 27 oktober 2018, verliepen die bezoekjes niet plezierig en raakte moeder hierdoor van slag. Dat juist [gedaagde] [eiser] heeft verhinderd om moeder te bezoeken, blijkt uit niets.

4.3.

Volgens [gedaagde] is de palliatieve sedatie van moeder in samenspraak tussen moeder, die leed aan de ziekte van Parkinson, en de huisarts ingezet en heeft zij daarin geen rol gehad: die bevoegdheid had en heeft zij immers ook niet. Dat dit anders was, blijkt uit niets. Verder blijkt uit het bericht van 18 november 2018 dat [gedaagde] aan [eiser] kenbaar heeft gemaakt dat moeder stervende was en dat zij haar dus, ondanks de getroebleerde verhoudingen, actief in de gelegenheid heeft gesteld om moeder nog te zien. [eiser] heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt (en kunnen maken), is eigener beweging weer weggegaan en was dus niet bij het uiteindelijke overlijden aanwezig. [gedaagde] heeft bovendien [eiser] over het overlijden geïnformeerd. Dat zij dit niet terstond heeft gedaan maar anderhalf of twee uur na het moment van overlijden, maakt niet dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, alleen al omdat [gedaagde] zelf ook niet bij het overlijden aanwezig was en dus eerst door degenen die daar wel waren, geïnformeerd moest worden.

4.4.

De verwijten die [eiser] verder aan [gedaagde] maakt zijn vooral gebaseerd op veronderstellingen van [eiser] betreffende de medische en mentale situatie van moeder en het handelen van [gedaagde], maar zijn niet met feiten of stukken onderbouwd. Ook op grond hiervan kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] op enigerlei wijze onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

4.5.

De door [eiser] aangevoerde incidenten leiden niet tot een ander oordeel, alleen al omdat in het licht van de betwisting door [gedaagde] onvoldoende vast staat wat het aandeel van [gedaagde] in die gebeurtenissen is geweest. Verder ziet de “gijzeling” van [minderjarige] niet op [eiser] (maar op haar dochter) en was met name zuster [betrokkene 1], en dus niet [gedaagde], hierbij betrokken. Overigens valt ook niet in te zien waarom het weren van bezoek (door de thuiszorg) op een ongelegen moment of het informeren van de vader van de dochter van [eiser] over het overlijden van moeder onrechtmatig zouden zijn. Deze incidenten en hetgeen [eiser] verder heeft gesteld, kunnen ook niet leiden tot de conclusie dat [gedaagde] zich publiekelijk krenkend heeft uitgelaten over [eiser] of haar een familieleven heeft misgund.

4.6.

De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Enerzijds heeft [eiser] niet duidelijk kunnen maken welke norm [gedaagde] zou hebben overschreden. Anderzijds heeft zij ook niet of nauwelijks feiten gesteld die wijzen op enige normoverschrijding. Dat betekent dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade, wat daar verder ook van zij, niet zal worden toegewezen.


afgifte films, dia’s en ordners

4.7.

De vordering van [eiser] tot afgifte van films, dia’s en ordners zal evenmin worden toegewezen. [eiser] heeft niet toegelicht waarom [gedaagde] jegens haar verplicht zou zijn om deze goederen die deel uitmaakten van de reeds verdeelde nalatenschap aan haar zou moeten afgeven. [gedaagde] heeft verder onbetwist aangevoerd dat de executeur-afwikkelingsbewindvoerder privatief (dus met uitsluiting van anderen) bevoegd is ter zake de nalatenschap. De vordering had dus niet tegen [gedaagde] ingesteld moeten worden.

afgifte babyboek en geboorteakte

4.8.

Ten slotte kan ook de vordering tot afgifte van het babyboek en de geboorteakte van [eiser] niet worden toegewezen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij deze niet onder zich heeft en uit niets is gebleken dat dit wel het geval is. [gedaagde] kan niet worden veroordeeld tot iets waartoe zij evident niet in staat is.

in reconventie

procedeerverbod

4.9.

Het door [gedaagde] in reconventie gevorderde procedeerverbod moet worden beoordeeld aan de hand van het leerstuk van misbruik van bevoegdheid. Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen,
voor zover hij haar misbruikt. Een bevoegdheid wordt onder meer misbruikt als die bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan het aanbrengen van schade of met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend. Ook wanneer men in redelijkheid niet tot uitoefening van een recht kon komen, gelet op de onevenredigheid tussen de aan de orde zijnde belangen, is sprake van misbruik (lid 2). Wanneer een eiser een vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende, of moest begrijpen dat de aangevoerde gronden kansloos waren, sprake kan zijn van misbruik van procesrecht en kan een procedeerverbod gerechtvaardigd zijn 2. Bij het opleggen van een procedeerverbod past grote terughoudendheid: de toegang tot de rechter is immers zwaarwegend 3.

4.10.

[gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat [eiser] in verband met de nalatenschap inmiddels vijf procedures heeft gevoerd die zij allemaal heeft verloren. [eiser] weet echter van geen ophouden en heeft ook in de onderhavige procedure al weer nieuwe procedures (in verband met het overlijden van moeder en de afwikkeling van haar nalatenschap) aangekondigd. Volgens [gedaagde] procedeert [eiser] met geen ander doel dan om [gedaagde] schade toe te brengen. [eiser] heeft hiertegen als verweer aangevoerd dat dit een emotionele kwestie betreft en niemand ervan mag worden weerhouden om afscheid te nemen van haar moeder.

4.11.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Moeder is in 2018 overleden. Sindsdien heeft [eiser] niet alleen de vijf door [gedaagde] genoemde procedures gevoerd die zagen op het overlijden van moeder, haar nalatenschap en de afwikkeling daarvan, maar ook nog de in het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant weergegeven procedures. Die procedures waren weliswaar niet uitsluitend gericht tegen [gedaagde], maar zij is daarbij wel steeds direct of indirect betrokken geweest. Lezing van de overgelegde uitspraken maakt duidelijk dat de vorderingen van [eiser] veelal zijn gestrand op de stelplicht:
- (…) Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende gesteld om te twijfelen aan de geestelijke gesteldheid van moeder ten tijde van de volmachtverlening en de periode daarna. Alle stukken waarnaar zij in dit kader verwezen heeft, hebben met elkaar gemeen dat daar geen onderzoek naar de geestelijke capaciteiten van moeder aan ten grondslag heeft gelegen. (…), vonnis rechtbank Oost-Brabant 5 april 2023;
- (…) [eiser] heeft in hoger beroep volstaan met de enkele niet nader geadstrueerde stelling dat moeder in de ‘rechtens relevante periode’ niet meer kon schrijven en maar moeizaam praatte en hoorde, en dat moeder vele bewustzijnsvernauwende medicijnen gebruikte. Daarmee herhaalt zij de stellingen die zij in de inleidende dagvaarding al had ingenomen, zonder die van de vereiste onderbouwing te voorzien. Dat had – vanwege de gemotiveerde betwisting door de zussen – in het licht van het oordeel van de rechtbank en in dit stadium van de procedure wel op haar weg gelegen (…), arrest hof ’s-Hertogenbosch 25 maart 2025.
- (…) Voor zover verzoekster andere verwijten maakt aan verweerster met betrekking tot de boedelbeschrijving zijn deze onvoldoende geconcretiseerd. Wat betreft de inhoud van de kluis heeft verzoekster onvoldoende onderbouwd dat de kluis geld, goud en stenen bevatte. (…) De stellingen van verzoekster rondom de inboedel en de schilderijen acht de kantonrechter onvoldoende onderbouwd en overigens van onvoldoende gewicht om tot een ontslag van verweerster te komen. Dit laatste geldt tevens voor de stellingen van verzoekster met betrekking tot de legaten, het ouderlijke telefoonnummer en de as van de overledene (…), beschikking kantonrechter ’s-Hertogenbosch 15 november 2019.

Het voorgaande maakt duidelijk dat [eiser] keer op keer nalaat haar verwijten (aan het adres van [gedaagde]) van een deugdelijke onderbouwing te voorzien, terwijl haar inmiddels wel duidelijk zou moeten zijn dat haar vorderingen niet alleen gebaseerd kunnen worden op aannames en veronderstellingen. Ook in de onderhavige kwestie strandt de vordering van [eiser] op de stelplicht.

4.12.

Deze is de zoveelste procedure die ziet op het overlijden van moeder. In deze procedure maakt [eiser] [gedaagde] allerhande verwijten, waaronder ook verwijten die in de eerdere procedures al ongegrond zijn bevonden. Bovendien beschuldigt [eiser] [gedaagde] in deze procedure van leugenachtigheid, valsheid en kwaadaardigheid: het handelen van [gedaagde] zou er uitsluitend op zijn gericht om [eiser] te schaden. Ter zitting beschuldigde [eiser] [gedaagde] er in feite van dat zij het overlijden van moeder had bewerkstelligd. Dit zijn zware beschuldigingen waarvoor [eiser] geen bewijs heeft aangedragen, althans slechts bewijsmiddelen die eenvoudig weerlegbaar zijn. Zij baseert zich ook in deze procedure vooral op vermoedens en veronderstellingen.

4.13.

Gelet hierop moet [eiser], mede in het licht van de eerdere voor haar negatief uitgevallen vonnissen, begrijpen dat de door haar aangevoerde gronden kansloos zijn en heeft zij misbruik van bevoegdheid gemaakt door deze procedure aan te spannen. Dat [eiser] een andere rol heeft gehad bij het sterven van moeder en het in gang zetten van dat sterfproces dan zij (kennelijk) zou hebben gewild en dat de afhandeling van de nalatenschap niet naar haar genoegen is gelopen, is niet aan [gedaagde] te verwijten. Mede gelet op de dreiging van [eiser] met nieuwe procedures, zal de subsidiaire vordering van [gedaagde] (dat [eiser] niet tegen haar mag procederen inzake het overlijden van moeder en de afwikkeling van haar nalatenschap) worden toegewezen. De primaire vordering is niet toewijsbaar omdat dit een te vergaande beperking van het recht van [eiser] tot toegang tot de rechter zou impliceren. De over de veroordeling gevorderde dwangsom zal worden toegewezen om [eiser] ervan te weerhouden in weerwil van het voorgaande toch weer te gaan procederen.

immateriële schadevergoeding

4.14.

De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen. Weliswaar is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] onrechtmatig handelt jegens [gedaagde] door haar zonder deugdelijke grond zulke ernstige verwijten te maken, maar dat leidt er nog niet toe dat [gedaagde] jegens [eiser] ook recht heeft op immateriële schadevergoeding. [gedaagde] moet niet alleen stellen en onderbouwen dat [eiser] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld maar ook dat zij hierdoor is aangetast in haar eer en goede naam. Daarvan is onvoldoende gebleken. [gedaagde] wijst voor het onrechtmatig handelen uitsluitend naar de uitspraken die [eiser] in deze procedure (in de dagvaarding en ter zitting) heeft gedaan. Hoewel begrijpelijk is dat die uitlatingen [gedaagde] hebben geraakt, leiden deze uitlatingen, mede gelet op het feit dat ze zijn gedaan binnen de (enigszins) besloten setting van een gerechtelijk geschil, niet tot een zodanig aantasting van de eer en goede naam dat hieruit schade voortvloeit. Waar de schade door aantasting van eer en goede naam verder uit bestaat, heeft [gedaagde] ook niet toegelicht. Vooralsnog wordt [gedaagde] nog steeds gesteund door de andere twee zusters en is het de kantonrechter niet gebleken dat haar relatie met moeder door het gedrag van [eiser] verstoord geweest.
Kortom, [gedaagde] had voor deze schadepost meer moeten aanvoeren dan zij heeft gedaan.

reële proceskostenvergoeding

4.15.. [gedaagde] heeft aanspraak gemaakt op primair een reële proceskostenvergoeding, subsidiair in forfaitaire zin, dit laatste primair met toekenning van meer punten dan het standaard puntensysteem en met toepassing van een correctiefactor omhoog en met toewijzing van een deel van de werkelijk gemaakte kosten, subsidiair op een in goede justitie te bepalen wijze. Volgens [gedaagde] is sprake van buitengewone omstandigheden, bestaande aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad, die maken dat bij de toewijzing van de proceskosten moet worden afgeweken van het algemene beginsel dat deze in familiezaken worden gecompenseerd. [eiser] had deze procedure niet aanhangig moeten maken: niet alleen had haar duidelijk moeten zijn dat haar vorderingen ongegrond zijn maar ook dat zij [gedaagde] ten onrechte en wederom op hoge kosten zou jagen.

4.16.

Als uitgangspunt geldt dat een volledige proceskostenvergoeding mogelijk is, maar de lat hiervoor ligt hoog. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is pas sprake als de eisende partij ([eiser]) haar vordering baseert op i) feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of ii) op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden of iii) als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.

4.17.

De kantonrechter is van oordeel dat gelet op hetgeen zij in r.o. 4.11 tot en met 4.13 heeft overwogen en beslist, de vordering tot vergoeding van de reële proceskosten toewijsbaar is. In het licht van alle reeds gevoerde (en voor [eiser] negatief uitgevallen) procedures had [eiser] de onderhavige procedure niet aanhangig mogen maken, zeker omdat zij wederom haar stellingen niet deugdelijk heeft kunnen onderbouwen en zelfs niet eens duidelijk heeft kunnen maken welke norm [gedaagde] zou hebben geschonden. Daarbij moet voor [eiser] kenbaar zijn dat deze procedure zowel financieel als mentaal zeer belastend voor [gedaagde] is.

4.18.

[gedaagde] heeft aangegeven dat zij tot en met het opstellen van de conclusie van antwoord een bedrag van € 2.407,00 aan kosten exclusief btw heeft gemaakt, uitgaande van een uurtarief van haar advocaat van € 290,00. De kantonrechter begroot het aantal uren dat de advocaat bezig is geweest met de mondelinge behandeling (inclusief voorbereiding en reistijd op vier uur), zodat voormeld bedrag wordt verhoogd met een bedrag van € 1.160,00 exclusief btw. Daarnaast wordt [eiser] veroordeeld tot betaling van € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4.19.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

in reconventie

5.2.

verbiedt [eiser] om te procederen tegen [gedaagde] voor zover die procedure betrekking heeft op het ziekbed en overlijden van moeder en/of de nalatenschap van moeder,

5.3.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 20.000,00 voor iedere keer dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

in conventie en reconventie

5.4.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten bestaande uit een bedrag van € 3.567,00 exclusief btw aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.5.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

1

In de zin van artikel 6:106 BW.

2

HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828

3

zie artikel 6 EVRM en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733