Gerechtshof Den Haag 21-04-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2350

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. Procedure tussen broer en zus over nalatenschap van moeder. Het hof oordeelt dat dochter de nalatenschap zuiver aanvaardt door na overlijden eigenmachtig €1.200 over te boeken en daarmee schuldeisers te benadelen. In incidenteel appel wordt beslist dat dochter verplicht is rekening en verantwoording af te leggen over €107.197,96 aan overboekingen en pin-/cashopnames met een gemachtigdenpas in de jaren vóór en kort na overlijden. Mantelzorg- en vertrouwensrelatie, beperkte controle door erflaatster en patroon van substantiële opnames wegen mee. Verdere af

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Dochter maakt € 1.200 over naar eigen bankrekening: nalatenschap moeder zuiver aanvaard
Hof: dochter heeft de nalatenschap zuiver aanvaard, door na het overlijden eigenmachtig € 1.200 over te boeken en daarmee schuldeisers te benadelen. Dochter ook verplicht rekening en verantwoording af te leggen over €107.198.

Datum publicatie27-07-2026
Zaaknummer200.334.880/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2023:7103, Meerdere afhandelingswijzen
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht; Zuivere aanvaarding nalatenschap
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrecht. Rekening en verantwoording. Procedure tussen twee erfgenamen, de dochter en de zoon van erflaatster. Beneficiaire aanvaarding door de dochter? Is de dochter verplicht tot het doen van rekening en verantwoording voor betalingen en pinopnames met de gemachtigdenpas en overboekingen naar haar eigen rekening ten laste van de rekening van erflaatster in de periode vóór en kor na haar overlijden. Omstandigheden van het geval. Tussen erflaatster en de dochter was sprake van een vertrouwens- en familierelatie waarbij de dochter de mantelzorgster van erflaatster was.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer : 200.334.880/01

Zaaknummer rechtbank: C/10/643322 / HA-ZA 22-666

Arrest van 21 april 2026

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.C.G. Stut te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. T.J. Fluitman te Naaldwijk.

Het hof zal appellante hierna [appellante] noemen en geïntimeerde [geïntimeerde] .

1De zaak in het kort

1. In geschil is de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van partijen, meer in het bijzonder de vraag of [appellante] verplicht is tot het afleggen van rekening en verantwoording over een bedrag van € 107.197,96, welk bedrag zij met een gemachtigdenpas door overboekingen en pin- en cashopnames van de bankrekening van erflaatster heeft opgenomen.

2Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 1 november 2023 waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2023 (hierna ook: het bestreden vonnis);

- de memorie van grieven, met bijlagen;

- de memorie van antwoord tevens incidenteel appel, met bijlagen;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel.

2.2

Op 20 maart 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn: [appellante] , bijgestaan door haar advocaat, en [geïntimeerde] , bijgestaan door zijn advocaat. Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd.

2.3

Het hof zal arrest wijzen op het procesdossier zoals genoemd onder 2.1, aangevuld met de overgelegde pleitnotities en het (verder) verhandelde ter zitting.

3Feitelijke achtergrond

3.1

Op [datum] 2020 is overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster). [appellante] isPartijen zijn haar dochter en [geïntimeerde] haarrespectievelijk haar zoon.

3.2

Erflaatster heeft niet bij uiterste wilsbeschikking over haar nalatenschap beschikt. Zij was niet gehuwd en ook niet geregistreerd als partner op het moment van haar overlijden. Op grond van de wet zijn partijen haar erfgenamen.

3.3

[geïntimeerde] heeft de nalatenschap van erflaatster op 10 juni 2020 beneficiair aanvaard.

4Procedure bij de rechtbank

4.1

[geïntimeerde] heeft [appellante] gedagvaard en, kort samengevat, gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat [appellante] een bedrag van € 107.197,96 aan de nalatenschap van erflaatster verschuldigd is;

2. voor recht verklaart dat [appellante] haar aandeel in de nalatenschap aan [geïntimeerde] heeft verbeurd;

3. voor recht verklaart dat, voor zover de transacties tot een bedrag van € 104.983,86 als gift(en) c.q. schenking(en) kwalificeren, de gift(en) c.q. schenking(en) door [geïntimeerde] zijn vernietigd dan wel hiervan de vernietiging uit te spreken;

4. de omvang van de nalatenschap vaststelt op de wijze als weergegeven in randnummer 4.1.2 van de inleidende dagvaarding;

Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [appellante] de nalatenschap (beneficiair) heeft aanvaard heeft [geïntimeerde] gevorderd dat de rechtbank:

Primair

5. [appellante] veroordeelt om tegen kwijting een bedrag van € 107.197,96 aan [geïntimeerde] te betalen;

6. ten aanzien van het overige de nalatenschap verdeelt in die zin dat aan [appellante] en [geïntimeerde] ieder de helft van het saldo van de nalatenschap toekomt, dan wel op de wijze door de rechtbank naar billijkheid te bepalen;

Subsidiair:

7. de nalatenschap verdeelt door te bepalen dat [appellante] en [geïntimeerde] ieder de helft van het saldo van de nalatenschap toekomt, dan wel op de wijze door de rechtbank naar billijkheid te bepalen;

8. [appellante] veroordeelt om tegen kwijting aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 53.598,98 ten titel van overbedeling;

Meer subsidiair:

9. de nalatenschap verdeelt door te bepalen dat [appellante] en [geïntimeerde] ieder de helft van het saldo van de nalatenschap toekomt, dan wel op de wijze door de rechtbank naar billijkheid te bepalen;

10. de legitieme portie van [geïntimeerde] vaststelt op een bedrag van € 26.477,27 en [appellante] veroordeelt om tegen kwijting aan [geïntimeerde] te betalen het bedrag van € 53.598,98 ten titel van overbedeling dan wel ten titel van inkorting;

Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [appellante] de nalatenschap heeft verworpen:

Primair:

11. bepaalt dat [appellante] gehouden is om aan de nalatenschapsboedel (terug) te betalen een bedrag van € 107.197,96 en [appellante] veroordeelt om het bedrag van € 107.197,96 rechtstreeks aan [geïntimeerde] tegen kwijting te betalen;

Subsidiair:

12. [appellante] veroordeelt om tegen kwijting aan de nalatenschapsboedel (terug) te betalen een bedrag van € 107.197,96;

Meer subsidiair:

13. de legitieme portie van [geïntimeerde] vaststelt op een bedrag van € 26.477,27 en [appellante] veroordeelt om tegen kwijting aan [geïntimeerde] te betalen het bedrag van € 26.477,27 ten titel van inkorting;

In alle gevallen waarin een verdeling plaatsvindt:

14. [appellante] veroordeelt aan de afwikkeling en verdeling als vastgesteld in het te wijzen vonnis mee te werken, daarbij uitdrukkelijk mede inbegrepen het geven van (betaal)opdrachten aan de bank om de verdeling en betaling te kunnen effectueren, met de uitdrukkelijke bepaling dat indien [appellante] niet binnen zeven dagen na een daartoe strekkend verzoek haar volledige medewerking verleent, te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis voor de benodigde medewerking in de plaats treedt op grond van artikel 3:300 BW;

In alle gevallen:

15. [appellante] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over al hetgeen zij aan de nalatenschapsboedel dan wel aan [geïntimeerde] is verschuldigd, primair vanaf datum overlijden ( [datum] 2020) en subsidiair vanaf de dag der dagvaarding, in elk geval tot de dag van algehele voldoening;

16. [appellante] veroordeelt in de kosten van de procedure, het salaris van de advocaat en verschotten daaronder begrepen, en voor zoveel als mogelijk deze kosten te verrekenen met haar erfdeel.

4.2

[appellante] heeft verweer gevoerd en, kort samengevat, gevorderd dat de vordering van [geïntimeerde] wordt afgewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.3

De rechtbank heeft:

3.1

voor recht verklaard dat [appellante] een bedrag van € 2.006,15 aan de nalatenschap van erflaatster verschuldigd is;

3.2

de omvang van de nalatenschap vastgesteld op € 16.903,15 negatief;

3.3

de legitieme portie van [geïntimeerde] vastgesteld op € 19.834,50;

3.4

bepaald dat het in de nalatenschap vallende banksaldo van € 925,20 aan [geïntimeerde] toekomt, ter aflossing van de schuld aan [geïntimeerde] uit de legitieme portie;

3.5

[appellante] veroordeeld om € 2.006,15 aan de nalatenschap van erflaatster te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf [datum] 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, en bepaald dat dit bedrag vervolgens toekomt aan [geïntimeerde] ter aflossing van de schuld aan [geïntimeerde] uit de legitieme portie;

3.6

[appellante] veroordeeld aan de betaling van de onder 3.4 en 3.5 genoemde bedragen aan [geïntimeerde] mee te werken, waaronder begrepen het geven van (betaal)opdrachten aan de bank, met bepaling dat indien [appellante] niet binnen zeven dagen na een daartoe strekkend verzoek hieraan haar volledige medewerking verleent, dit vonnis voor de benodigde medewerking in de plaats treedt op grond van artikel 3:300 BW;

3.7

[appellante] veroordeeld om tegen kwijting een bedrag van € 16.903,15 ten titel van inkorting aan [geïntimeerde] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf [datum] 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

3.8

de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.9

het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

3.10

het meer of anders gevorderde afgewezen.

5Vorderingen in hoger beroep

5.1

[appellante] is in hoger beroep gekomen en vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende:

- de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst;

- [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten in beide instanties, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, salaris advocaat daaronder begrepen, en met veroordeling in de nakosten van € 131,- indien betekening achterwege kan blijven en van € 199,- indien betekening noodzakelijk zal blijken te zijn.

5.2

[geïntimeerde] voert verweer en vordert dat het hof [appellante] in haar hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart althans haar dit hoger beroep ontzegt.

5.3.

In incidenteel appel vordert [geïntimeerde] dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering of aanvulling van de gronden:

- zijn vorderingen alsnog toewijst;

- [appellante] veroordeelt in de kosten van beide instanties.

5.4

[appellante] heeft verweer gevoerd in het incidenteel appel.

6Beoordeling in hoger beroep

Algemeen

6.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten tenzij hiertegen een grief tegen is gericht.

6.2.

[appellante] heeft ter zitting van het hof haar bezwaar, zoals verwoord in haar memorie van grieven in het incidenteel appel, tegen de omvang van de memorie van grieven tevens houdende incidenteel appel van [geïntimeerde] ingetrokken, zodat het hof hier geen oordeel meer over hoeft te geven.

Verdere beoordeling

Geschilpunten partijen

6.2

[appellante] is het niet eens met het bestreden vonnis en voert daartegen, kort weergegeven, het volgende aan. [appellante] stelt dat zij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de nalatenschap van erflaatster niet zuiver heeft aanvaard. Zij heeft beneficiair aanvaard, en mocht dit niet komen vast te staan dan moet zij worden geacht de nalatenschap te hebben verworpen. Voorts betwist zij dat sprake is van onverschuldigde betaling met betrekking tot een bedrag van € 2.006,15 dat zij na het overlijden van erflaatster van de bankrekening van erflaatster naar zichzelf heeft overgeboekt. Zij heeft dit bedrag immers aangewend voor betaling van schulden van de nalatenschap. [appellante] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat pinopnames met een totaalbedrag van € 62.970,- die zij met haar gemachtigdenpas heeft opgenomen van de bankrekening van erflaatster moeten worden beschouwd als giften van erflaatster aan haar. Allereerst gaat het volgens [appellante] om een bedrag van € 62.070,-. Daarbij heeft zij deze bedragen in opdracht van erflaatster opgenomen en aan erflaatster afgedragen. Het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van giften voor een totaalbedrag van € 84.269,35, bestaande uit geldopnames en overboekingen, is volgens [appellante] niet juist. Volgens [appellante] ontbreekt de voor een gift vereiste bevoordelingsbedoeling bij erflaatster. Zij geeft wel aan dat zij in een periode van 10 jaar een bedrag van nog geen € 10.000,- aan kleine giften heeft ontvangen, zoals benzinekosten, kleding of speeltjes voor haar hond, een voor haar betaalde lunch etcetera. [appellante] heeft voorts nog grieven gericht tegen de (berekening van) de legitieme portie van [geïntimeerde] , de (berekening van de) omvang van de nalatenschap, waaronder de inkorting als gevolg van de aangenomen giften, en de te berekenen wettelijke rente.

6.3

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. In zijn incidenteel appel voert hij, kort weergegeven, het volgende aan. [appellante] is volgens [geïntimeerde] , anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel verplicht tot het afleggen van rekening en verantwoording van een bedrag van € 107.197,-. Het vermogen van erflaatster is in een periode van 10 jaar voor en vlak na haar overlijden met dit bedrag verminderd als gevolg van handelingen van [appellante] . [appellante] heeft dit bedrag met haar gemachtigdenpas ten laste van de bankrekening van erflaatster gebracht door het doen van overboekingen naar haar eigen bankrekening, het doen van pinopnames en contante opnames. Dit bedrag ziet volgens [geïntimeerde] niet op de vaste lasten van erflaatster en ook niet op uitgaven ten behoeve van het normale bestedingspatroon van erflaatster. De besteding van dit bedrag is volgens [geïntimeerde] ook niet met instemming van of ten behoeve van erflaatster gedaan. [appellante] is, zo stelt [geïntimeerde] , dan ook primair verplicht tot het afleggen van rekening en verantwoording. [geïntimeerde] voert verder aan dat, mocht de opname van deze bedragen worden gezien als door erflaatster aan [appellante] gedane schenkingen, deze schenkingen door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen. [geïntimeerde] doet voorts een beroep op verboden Selbsteintritt, een door [appellante] gepleegde onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking van [appellante] . Ook doet hij nog een aanvullend beroep op zijn legitieme portie en stelt hij dat [appellante] haar aandeel in de nalatenschap heeft verbeurd op grond van artikel 3:194 lid 2 BW.

6.4

Het hof zal hieronder eerst beoordelen of [appellante] de nalatenschap al dan niet zuiver heeft aanvaard (grief 1 van [appellante] ). Vervolgens zal het hof oordelen over de meest verstrekkende grief, en wel de incidentele grief 1 van [geïntimeerde] in samenhang bezien met de incidentele grieven 2 en 3, waarin [geïntimeerde] stelt dat [appellante] rekening en verantwoording dient af te leggen.

Zuivere aanvaarding nalatenschap door [appellante] ?

6.5

De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een zuivere aanvaarding omdat [appellante] na het overlijden van erflaatster bedragen van de bankrekening van erflaatster heeft gehaald, waarmee zij deze bedragen aan verhaal door schuldeisers heeft onttrokken. [appellante] betwist dit en stelt dat zij deze bedragen van de rekening van erflaatster naar haar eigen rekening heeft overgeboekt om vanaf haar eigen rekening schulden van de nalatenschap te voldoen. Er is volgens [appellante] dan ook geen sprake van benadeling van schuldeisers. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6.6

De vraag of [appellante] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard moet worden beantwoord aan de hand van artikel 4:192 lid 1 BW. Van een zuivere aanvaarding is alleen sprake als een erfgenaam beschikkingshandelingen verricht door goederen van de nalatenschap te verkopen, bezwaren of op andere wijze aan verhaal door schuldeisers te onttrekken. Het gaat dan om beschikkingshandelingen die zo ingrijpend zijn dat de erfgenaam daarmee ‘als heer en meester’ beschikt over de nalatenschap. Of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid de nalatenschap te aanvaarden, hangt af van de omstandigheden van het geval. Uit handelingen die erop gericht zijn de erflater een passende uitvaart te bezorgen kan geen stilzwijgende (zuivere) aanvaarding worden afgeleid (Hoge Raad 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1284).

6.7

Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat [appellante] na het overlijden van erflaatster op [datum] 2020 in ieder geval de volgende bedragen van haar bankrekening heeft overgeboekt naar haar eigen bankrekening: € 450,- op 25 februari 2020, € 450,- op 23 maart 2020 en € 300,- op 22 april 2020. [appellante] heeft naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat zij, zoals zij stelt, deze bedragen van totaal € 1.200,- heeft aangewend om de factuur van de uitvaartondernemer te voldoen. De factuur van de uitvaartondernemer is gedateerd op 10 maart 2020 en bedroeg € 1.809,34. Uit een door [appellante] overgelegd bankafschrift blijkt dat zij op 2 april 2020 een bedrag van € 1.000,- aan de uitvaartondernemer heeft betaald. Vast staat ook dat in ieder geval op 2 juni 2020 de factuur nog niet volledig was betaald. [appellante] heeft naar het oordeel van het hof, mede gezien de data waarop de overboekingen van de bankrekening van erflaatster naar haar eigen bankrekening zijn gedaan, de relatie van de overboekingen met de (volledige) betaling van de factuur van de uitvaartondernemer niet aangetoond. Nu [appellante] ook geen verdere onderbouwing heeft gegeven van de (bestemming van de) overboekingen, heeft zij deze overboekingen naar het oordeel van het hof zonder recht of titel aan of ten behoeve van zichzelf gedaan. Zij heeft daarmee (mogelijke) schuldeisers van de nalatenschap benadeeld. Hetgeen [appellante] naar voren heeft gebracht met betrekking tot een tweetal overboekingen op [datum] 2020 kan onbesproken blijven, nu [appellante] reeds op grond van het vorenstaande de erfenis naar het oordeel van het hof zuiver heeft aanvaard.

6.8

Dat [appellante] de erfenis van erflaatster heeft verworpen op 19 januari 2022, zoals ook in de verklaring van erfrecht is vermeld, maakt dit niet anders. Is de erfenis eenmaal aanvaard, dan is dit onherroepelijk en werkt deze aanvaarding terug tot het moment van het openvallen van de nalatenschap (lid 4 van 4:190 BW).

Moet [appellante] rekening en verantwoording afleggen?

6.9

[geïntimeerde] stelt dat het vermogen van erflaatster in een periode van 10 jaar voor en vlak na haar overlijden met een bedrag van € 107.197,96 is verminderd als gevolg van handelingen van [appellante] . [appellante] heeft volgens [geïntimeerde] voor een bedrag van € 25.833,45 van de rekening van erflaatster naar haar eigen rekening overgeboekt, een bedrag van € 18.394,51 aan pinuitgaves gedaan ten laste van de rekening van erflaatster en een bedrag van € 62.970,- aan contanten van de rekening van erflaatster opgenomen. Zij heeft hiervoor haar gemachtigdenpas gebruikt. [geïntimeerde] stelt dat [appellante] deze handelingen ten behoeve van zichzelf heeft verricht en dat de bedragen niet aan erflaatster ten goede zijn gekomen. Erflaatster had een bescheiden levensstijl en de gedane betalingen en opnames passen hier volgens hem niet bij. Zo werden de vaste lasten van erflaatster via automatische afschrijving voldaan en betaalde erflaatster haar dagelijkse boodschappen zelf met haar eigen pinpas. Bovendien werden de financiële handelingen door [appellante] voortgezet toen erflaatster in het verzorgingstehuis zat en ook nog na het overlijden van erflaatster. Er was volgens [geïntimeerde] , gezien de inkomsten en lasten van erflaatster, dan ook geen reden voor de afname van het vermogen van erflaatster naar nagenoeg nihil. [geïntimeerde] stelt voorts dat [appellante] ook geen toe- dan wel instemming van erflaatster had voor het doen van de overboekingen en opnames en dat erflaatster geen kennis had van de besteding door [appellante] van de hierdoor verkregen gelden. Erflaatster kon volgens [geïntimeerde] niet voor zichzelf opkomen omdat zij zowel in zorg als in financieel opzicht van [appellante] afhankelijk was. [appellante] had alle toegang tot de financiën van erflaatster, zodat erflaatster het handelen van [appellante] niet kon controleren. [appellante] heeft erflaatster een verkeerde voorstelling van zaken gegeven door te zeggen dat zij maandelijks geld tekort kwam en daarom moest interen op haar vermogen.

6.10

[appellante] stelt dat zij alle overboekingen en (pin)opnames in overleg met erflaatster heeft gedaan en dat het opgenomen geld ten goede van erflaatster is gekomen. Volgens [appellante] beheerde erflaatster zelf haar vermogen en heeft zij alleen hand- en spandiensten verricht. Zij verrichtte op verzoek van erflaatster financiële transacties, hielp haar met de financiële administratie en deed de belastingaangiften. Erflaatster had, zo stelt [appellante] , inzicht in haar financiële situatie. [appellante] liet regelmatig via haar telefoon of laptop aan erflaatster via internetbankieren het verloop van de saldi van de bankrekeningen zien. Ook legde [appellante] alle (pin)bonnetjes in de fruitschaal bij erflaatster. Aan de hand van deze bonnetjes controleerde erflaatster de bankafschriften die [appellante] voor haar uitprintte. Deze bankafschriften werden door erflaatster bewaard in mappen in haar woning. [appellante] stelt dat erflaatster tot haar overlijden wilsbekwaam was en in staat om [appellante] ter verantwoording te roepen voor het gebruik van de gemachtigdenpas. Erflaatster heeft daartoe volgens [appellante] geen aanleiding gezien. Om deze reden moet ervan uit worden gegaan dat [appellante] voor de transacties die met de gemachtigdenpas zijn verricht, de instemming van erflaatster had. [appellante] stelt voorts nog dat zij erflaatster alleen heeft voorgehouden dat haar woonlasten, door de verhuizing van [plaats] naar [plaats] , zouden stijgen. Erflaatster heeft deze verhoging geaccepteerd om zo dichter bij haar dochter te kunnen wonen.

6.11

Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht. Of het doen van rekening en verantwoording geboden is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (zie HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1848).

6.12

Het hof oordeelt als volgt. [appellante] beschikte over een gemachtigdenpas van de bankrekening van erflaatster. Daaruit blijkt, zoals ook niet is betwist, dat erflaatster aan [appellante] een volmacht heeft verstrekt om ten laste van de bankrekening van erflaatster betalingen en opnamen te doen. De rechtsverhouding tussen [appellante] en erflaatster kenmerkt zich enerzijds door voornoemde verleende volmacht en anderzijds door de familie- en zorgrelatie tussen erflaatster en [appellante] . Dat [appellante] over een gemachtigdenpas beschikte maakt nog niet dat zij rekening en verantwoording moest afleggen. Voor de vraag of op [appellante] de verplichting rustte om rekening en verantwoording af te leggen dient het hof te beoordelen of sprake is van een of meer van de hiervoor genoemde omstandigheden (i) tot en met (v).

6.13

De reden van het beheer was gelegen in het verlenen van bijstand aan erflaatster bij het voeren van haar financiële administratie. Tussen erflaatster en [appellante] was sprake van een vertrouwens- en familierelatie, waarbij [appellante] de zorg- en financiële taken voor erflaatster op zich heeft genomen. [appellante] was, zo zegt zij zelf ook, de mantelzorgster van erflaatster, zeker nadat erflaatster in 2010 aan haar heup was geopereerd en na de verhuizing van erflaatster van [plaats] naar [plaats] . Erflaatster had een eigen bankpas waarmee zij, tot haar opnames in medische instellingen vanaf midden oktober 2019, zelf de dagelijkse boodschappen deed. [appellante] kon zelfstandig handelen en erflaatster was naar het oordeel van het hof niet (voldoende) in staat om de handelingen van [appellante] te overzien. [appellante] beschikte over een gemachtigdenpas van de bankrekeningen van erflaatster, deed vanaf 2010 de belastingaangiften voor erflaatster en had als enige toegang tot het internetbankieren van erflaatster. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] , heeft [appellante] niet aangetoond dat zij erflaatster, zoals zij stelt, van alle financiële handelingen op de hoogte heeft gehouden. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij via bankafschriften, bonnetjes en het laten meekijken via laptop of telefoon erflaatster steeds op de hoogte heeft gehouden van alle overboekingen en (pin)opnames. [appellante] biedt in haar memorie van grieven onder randnummer 57 bewijs aan van haar stelling dat zij de contante opnamen aan erflaatster heeft afgedragen door het overleggen van nadere documenten en getuigenverklaringen. Het hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij. Het bewijsaanbod is naar het oordeel van het hof niet voldoende concreet, nu [appellante] niet aangeeft welke getuigen zij nog wenst te horen dan wel van welke getuigen zij nog verklaringen in het geding wil brengen. Ten aanzien van het aanbod schriftelijk bewijs bij te brengen verwijst het hof naar het hierna te geven bevel aan [appellante] tot het doen van rekening en verantwoording.

6.14

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dan ook dat [appellante] , anders dan zij stelt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle handelingen heeft verricht met instemming van erflaatster. In zaken als de onderhavige, waarin een van de kinderen de zorg en het beheer van de financiën van een ouder voor het grootste deel op zich neemt, is het gebruik van een gemachtigdenpas gebruikelijk en hoeft niet elke kleine uitgave te worden verantwoord. Dit ligt echter anders bij financiële handelingen die zijn gedaan ten behoeve van zichzelf en betalingen en opnames die niet tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster gerekend kunnen worden.

6.15

Het hof oordeelt te dien aanzien als volgt. Als niet weersproken staat vast dat erflaatster een inkomen uit pensioen en AOW had van ongeveer € 22.000,- per jaar. Uit de aangifte IB 2013 blijkt dat erflaatster een vermogen had van € 67.396, opgebouwd uit het saldo op haar [bankrekening] van € 15.503,- en het saldo op haar spaarrekening bij [spaarrekening] van € 51.893,-. (prod. 26 bij de inleidende dagvaarding). [appellante] heeft onvoldoende betwist dat erflaatster, zoals [geïntimeerde] stelt, een sobere levensstijl had en daardoor ook dit vermogen had kunnen sparen. Het hof is van oordeel dat [appellante] haar stelling, dat erflaatster maandelijks geld tekort kwam en daarom moest interen op haar vermogen, niet aannemelijk heeft gemaakt. [geïntimeerde] heeft een overzicht van de inkomsten en lasten van erflaatster gemaakt (randnummer 72 van de memorie van grieven tevens incidenteel appel) waaruit niet van enig tekort blijkt. [appellante] heeft dit overzicht niet weersproken. De vaste lasten van erflaatster werden via automatische bankafschrijvingen betaald. Erflaatster had een eigen bankpas en deed zelf, totdat zij werd opgenomen in een medische voorziening in 2019, met deze pas haar dagelijkse boodschappen. Deze uitgaven zijn terug te vinden in de overgelegde bankafschriften. Daarnaast is echter een patroon te zien van vaak substantiële bedragen die met de gemachtigdenpas van de bankrekening van erflaatster bij betaalautomaten worden opgenomen. [appellante] erkent dat door haar in ieder geval een bedrag van € 62.070,- met de gemachtigdenpas cash is opgenomen van de [bankrekening] van erflaatster. Uit de bankafschriften blijkt voorts, en dit wordt ook door [appellante] erkend, dat het gehele bedrag van de spaarrekening bij [spaarrekening] in de periode van 2013 tot en met 2016 naar de [bankrekening] van erflaatster is overgeboekt, vaak met substantiële bedragen van € 5.000,- per keer. Op bankafschriften van die laatste rekening is te zien dat telkens nadat dergelijke overboekingen waren gedaan stelselmatig grote bedragen, van vaak € 500,-, met de gemachtigdenpas van [appellante] van deze [bankrekening] rekening cash werden opgenomen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij (het grootste deel van) deze bedragen aan erflaatster heeft gegeven dan wel dat deze bedragen aan erflaatster ten goede zijn gekomen. [appellante] stelt dat erflaatster liever met cash geld betaalde en dat zij geld uitgaf aan luxe spullen, kleding, nieuwe meubels, kosten voor persoonlijke verzorging, cadeaus, uitstapjes en vakantie, en geld in envelopjes gaf aan mensen als dank voor hun hulp. De cash opnamen zijn echter gedaan naast de reguliere pinbetalingen voor boodschappen en verzorging voor erflaatster. [geïntimeerde] heeft voorts onweersproken gesteld dat er geen luxe spullen zijn aangetroffen na overlijden van erflaatster. De door [appellante] in het geding gebrachte verklaringen van een vriendin van haar en een buurman, waarin deze verklaren een enveloppe met geld te hebben ontvangen als dank voor hun hulp bij de verhuizing van erflaatster, is onvoldoende om een dergelijk patroon aan te tonen.

6.16

Het hof komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor de door haar met haar gemachtigdenpas verrichtte financiële handelingen de toe- dan wel instemming van erflaatster had. Voorts heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat deze financiële handelingen betalingen en opnames betreffen die tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster kunnen worden gerekend. [appellante] heeft ook niet voldoende kunnen weerleggen dat de betalingen en opnames ten goede van haarzelf zijn gekomen. Dit alles leidt tot het oordeel dat [appellante] rekening en verantwoording zal moeten afleggen over het bedrag van € 107.197,96. Het hof zal bepalen dat zij deze rekening en verantwoording ten overstaan van het hof moet afleggen, nu de afwikkeling van de nalatenschap aan het hof voorligt.

Na ontvangst van de rekening en verantwoording zal [geïntimeerde] in de gelegenheid worden gesteld hierop een reactie in te dienen.

6.17

Derhalve wordt als volgt beslist, waarbij het hof iedere verdere beslissing aanhoudt.

7Beslissing

Het hof:

bepaalt dat [appellante] aan het hof rekening en verantwoording aflegt over het bedrag van € 107.197,96, zoals in rechtsoverweging 6.16 vermeld;

verwijst de zaak naar de rol van 20 oktober 2026 voor het nemen van akte door [appellante] inhoudende het afleggen van rekening en verantwoording als bedoeld in rechtsoverweging 6.16;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, A.N. Labohm en A. Zonneveld en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733