Essentie (gemaakt door AI)
Scheiding met verdeling. Echtscheiding wordt uitgesproken. Partneralimentatie voor vrouw wordt afgewezen wegens eigen draagkracht. Woning wordt verkocht met spoorboekje; over-/onderwaarde en schuld aan BV en hypotheek worden uit opbrengst verrekend en restant gelijkelijk gedeeld. Peildatum periodiek verrekenbeding is 29‑11‑2024 op grond van art. 1:141 lid 1 en 2 BW jo 1:142 lid 1 sub b BW. Stamrecht in BV geldt als overgespaard inkomen; vrouw krijgt € 71.219,50 (fiscaal neutraal te storten). Bankrekeningsaldi en helft vermogen eenmanszaak aan vrouw te voldoen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 27-07-2026 |
| Zaaknummer | C/09/676544 / FA RK 24-8604 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Titel 8 Huwelijksvoorwaarden |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
scheiding met verdelingVolledige uitspraak
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-8604 (Scheiding) en FA RK 25-2866 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/676544 (Scheiding) en C/09/683700 (verdeling)
Datum beschikking: 11 juni 2026
Scheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 29 november 2024 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Dorhout te Egmond aan den Hoef.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.M. van Wijk te Delft.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift;
-
het F9-formulier van 10 oktober 2024 van de zijde van de man, met bijlage;
-
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 20 april 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
- twee F9-formulieren van 20 april 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.
Op 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum 1] 1997 te [plaats 1] .
- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- te bepalen dat partijen zullen overgaan tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen, bestaande uit een woning aan het adres [adres] [plaats 2] , die partijen gemeenschappelijk in eigendom hebben, in die zin dat de woning zal worden verkocht aan een derde als volgt:
te bepalen dat verkoop van de woning geschiedt binnen vier weken na de datum van de te wijzen beschikking, door middel van een opdracht aan makelaar ESTATA Makelaars te Den Haag. Ieder van partijen is gehouden deze makelaar daartoe opdracht te geven;
te bepalen dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de door hem vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs bepaalt;
te bepalen dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. Als partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit naar beste weten en bindend bepalen;
te bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n);
te bepalen dat de hypothecaire geldleningen bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning, waarna de resterende netto verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;
te bepalen dat iedere partij bij overdracht aan (een) derde(n) gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
- te bepalen dat partijen de inboedel van de echtelijke woning in goed onderling overleg zullen verdelen;
- te bepalen dat partijen de saldi van de bankrekeningen ABN AMRO Privérekening met Rood Staan onder nummer [rekeningnummer] en de beleggingsrekening Zelf Beleggen Plus onder nummer [rekeningnummer] bij helfte zullen verdelen;
- te bepalen dat de vrouw met ingang van de dag van de inschrijving van de te wijzen echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats 1] aan de man een gebruiksvergoeding zal betalen van € 1.187,50 per maand voor de periode vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidings-beschikking tot aan de dag dat de woning zal worden geleverd aan een derde;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – onder referte voor het overige – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht:
- te bepalen dat als peildatum voor het einde van het verrekenbeding tussen partijen heeft te gelden 31 december 2023, subsidiair 31 december 2022;
- te bepalen dat de woning aan de [adres] te [plaats 2] zal worden verkocht door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen makelaar, waarbij als partijen hier niet onderling uitkomen de vrouw drie in de regio bekende makelaars met wie geen van partijen connecties heeft zal aanwijzen en de man er daarvan één zal kiezen;
- te bepalen dat de met de verkoopopbrengst van de woning de resterende hypotheekschuld bij ING Bank zal worden voldaan, alsmede de kosten gemoeid met de verkoop (voor zover niet al door partijen voldaan), waarna de resterende verkoopopbrengst gelijkelijk onder partijen verdeeld wordt, derhalve ieder de helft;
- te verklaren voor recht dat de hypotheekschuld van partijen aan de BV van de man overgespaarde inkomsten betreft die verrekend dienen te worden, zodat de man geacht wordt met zijn aandeel in de verkoopopbrengst deze schuld volledig af te lossen;
- te bepalen dat de inboedel, aanwezig in de respectievelijk door partijen bewoonde woningen, bij helfte verdeeld dient te worden, waarbij aan de man in ieder geval toegedeeld worden de in de door hem bewoonde woning aanwezige inboedelzaken. In het verlengde hiervan te bepalen dat partijen de verdeling zullen vaststellen door op een door ieder van hen op te stellen inboedellijst aan te kruisen welke zaken zij willen hebben, waarbij op de lijst van de man uitgangspunt zal zijn dat alle in zijn huurwoning aanwezige zaken op zijn naam worden aangekruist en in het geval sprake mocht zijn van overlap, partijen zullen loten wie het betreffende inboedelgoed krijgt;
- ten aanzien van roerende zaken aanwezig in de voormalig echtelijke woning te bepalen dat een aantal nader door de vrouw aan te wijzen roerende zaken als persoonlijke bezittingen van haarzelf en/of haar dochters buiten de verdeling zullen blijven dan wel dat deze zaken aan de vrouw zullen worden toegedeeld;
- te bepalen dat het saldo op de en/of rekeningen bij helfte gedeeld wordt, onder oplegging aan de man van de verplichting met bankafschriften de door hem genoemde saldi aan te tonen;
- te bepalen dat voor alle overige bankrekeningen geldt dat het aanwezige saldo per 31 december 2023 (zoals volgt uit de IB-aangifte 2023) dan wel subsidiair 31 december 2022 (zoals volgt uit de IB-aangifte 2022) verrekend dient te worden aldus dat ieder van partijen de helft van het totaal aanwezige saldo zal ontvangen, hetgeen per saldo leidt tot een verrekenvordering van de vrouw op de man van
€ 142.240,50 of subsidiair € 89.908,50 en aldus te bepalen dat de man aan de vrouw uit dien hoofde een bedrag van € 142.240,50 of subsidiair € 89.908,50 dient te voldoen;
- te bepalen dat de man aan de vrouw de helft van het in zijn BV aanwezige vermogen uit hoofde van de aandelenverkoop dient te voldoen, zodat de vrouw een vordering uit dien hoofde op de man heeft van € 316.434,-;
- te bepalen dat de man aan de vrouw de helft van het eigen vermogen per peildatum in zijn eenmanszaken dient te voldoen, onder oplegging van de verplichting aan de man om dit vermogen inzichtelijk te maken voor de vrouw door het tonen van bankafschriften en jaarcijfers van de betreffende eenmanszaken;
- te bepalen dat aan de vrouw de helft van het stamrechtvermogen in de stamrecht BV van de man toekomt, waarbij de man de helft van dit vermogen fiscaal neutraal zal dienen te storten in een op naam van de vrouw aan te kopen lijfrentepolis, dan wel (indien dit niet mogelijk blijkt) dat de man aan de vrouw de helft van het stamrechtvermogen in de stamrecht BV van de man dient te voldoen, rekening houdend met een belastinglatentie van ten hoogste 25%;
- te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar eigen levensonderhoud dient te voldoen van € 1.982,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander, met uitzondering van het verzoek met betrekking tot de echtelijke woning, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
Echtscheiding
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Partneralimentatie
De vrouw stelt behoefte te hebben aan een bijdrage in haar levensonderhoud. Zij heeft haar behoefte onderbouwd aan de hand van een behoeftelijst. De man heeft de door de vrouw gestelde behoefte(lijst) betwist. Gelet op de betwisting van de man ziet de rechtbank aanleiding om de behoefte van de vrouw vast te stellen aan de hand van de hofnorm. De rechtbank zal daarom berekenen wat het netto gezinsinkomen (NGI) van partijen was ten tijde van het uiteengaan. Uit de overgelegde stukken en op de zitting is gebleken dat de samenleving van partijen in november 2018 is geëindigd, dat zij sindsdien ook gescheiden huishoudens voeren en dat de vrouw vanaf dat moment uitsluitend leefde van haar eigen inkomen. De rechtbank acht het daarom redelijk om in het kader van de partneralimentatie aan te sluiten bij deze datum.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij in 2018 (en de jaren daarna) over weinig inkomen beschikten en sober leefden. Door de vrouw is niet betwist dat de man toen geen inkomen had, zodat de rechtbank tot het oordeel komt dat het NGI van partijen op dat moment enkel bestond uit het inkomen van de vrouw. De vrouw heeft niet gesteld wat haar inkomen was in 2018. De man heeft gesteld dat haar netto besteedbaar inkomen in 2018 € 1.397,-- per maand bedroeg, zodat de rechtbank van dat bedrag uit zal gaan. Hoewel strikt genomen volgens de hofnorm de behoefte 60% van dat NBI bedraagt vindt de rechtbank dat niet passend voor de situatie van partijen. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw te stellen op 100% van het NBI ten tijde van het uiteengaan, derhalve op (afgerond) € 1.400,--. Geïndexeerd naar 2026 gaat het om een netto-bedrag van € 1.842,--. . De vrouw heeft inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en de vrouw heeft recht op een AOW-uitkering voor alleenstaanden van € 1.637,57 bruto per maand, alsmede een arbeidongeschiktheidspensioen van € 3.468,-- per jaar (in 2024) en een ABP pensioen van
€ 14.873,-- per jaar (in 2025). De vrouw kan daarmee in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte voorzien. Het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud zal daarom worden afgewezen.
Verdeling eenvoudige gemeenschappen
Partijen hebben de volgende eenvoudige gemeenschappen naar voren gebracht die moeten worden verdeeld:
-
de echtelijke woning aan de [adres] , [plaats 2] en bijbehorende hypothecaire geldleningen
-
de inboedel in de echtelijke woning
ad a) de echtelijke woning
Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning moet worden verkocht aan een derde. Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat zij binnen vier weken na de datum van deze beschikking contact zullen opnemen met mevrouw [naam] van Estata Makelaars te Den Haag om de woning in de verkoop te zetten. De rechtbank zal hiertoe een zogenoemd ‘spoorboekje’ opnemen in het dictum.
Het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat de hypotheekschuld van partijen aan [vennootschap 1] BV overgespaard inkomen betreft, zodat de man geacht wordt met zijn aandeel in de verkoopopbrengst deze schuld volledig af te lossen, zal worden afgewezen. Allereerst overweegt de rechtbank in dit kader dat het gaat om een gezamenlijke schuld van partijen aan deze BV, zijnde een zelfstandige rechtspersoon. Het geleende bedrag is mede aan de vrouw ten goede gekomen doordat partijen hiermee (een) externe hypotheeklening(en) bij Nationale-Nederlanden hebben afgelost. Ook indien zou worden geoordeeld dat (het vermogen in) [vennootschap 1] BV moet worden aangemerkt als overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking komen, dan doet dit niets af aan het gegeven dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor deze schuld aan de BV en dat deze schuld, net zoals de resterende hypotheekleningen bij Nationale-Nederlanden, moet worden afgelost vanuit de verkoopopbrengst van de echtelijke woning waarna het resterende saldo, minus kosten, tussen partijen bij helfte moet worden gedeeld. De rechtbank zal hierna ingaan op de vraag of, en zo ja, tot welk bedrag, het stamrechtkapitaal in [vennootschap 1] BV voor verrekening in aanmerking komt.
De vrouw heeft verzocht de beslissingen ten aanzien van de woning niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit verzoek was ingegeven door de wens om de nodige tijd te hebben om na het uitspreken van de echtscheiding aan de hand van haar nieuwe financiële situatie passende beslissingen te kunnen nemen ten aanzien van de aankoop van een nieuwe woning. Op de zitting heeft de vrouw ermee ingestemd dat de verkoop van de woning op korte termijn in gang wordt gezet. De rechtbank zal daarom de beslissingen ten aanzien van de woning uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit neemt niet weg dat de rechtbank ervan uitgaat dat partijen een redelijke termijn afspreken voor de oplevering van de woning, zodat de vrouw ook in de gelegenheid wordt gesteld om een passende nieuwe woning voor zichzelf te vinden.
ad b) de inboedel
Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de inboedel uit de huidige woning van de man aan hem toekomt. De inboedel uit de echtelijke woning komt aan de vrouw toe, met uitzondering van een aantal goederen die de man wenst te verkrijgen. Het gaat hierbij om de spullen uit [land] , de spiegel in de kamer en de golf- en skispullen van de man.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partijen hebben op 22 april 1997 huwelijkse voorwaarden opgemaakt. In artikel 1 van deze huwelijkse voorwaarden staat dat partijen zijn gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. Artikel 5 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt:
“Onder inkomsten uit arbeid worden verstaan de inkomsten uit arbeid als bedoel in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (…) Onder inkomsten uit arbeid worden mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede winst uit onderneming (…)”
Artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt:
(…)
1. De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen in de zin van artikel 5 lid 2 na aftrek van hetgeen daarvan is besteed als kosten van de gemeenschappelijke huishouding overblijft, onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van hetgeen van het inkomen van laatstbedoelde echtgenoot is overgebleven. (…)
(…)”
Periode waarover verrekend moet worden
Niet in geschil is dat partijen de periodieke verrekening zoals bepaald in artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden nimmer hebben uitgevoerd. Wanneer een periodiek verrekenbeding niet is uitgevoerd dan moet de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald naar de op het betreffende geval toepasselijke tijdstip als bedoeld in artikel 1:141 lid 1 en 2 BW jo 1:142 lid 1 aanhef en sub b BW (datum indiening verzoek tot echtscheiding). Van deze peildatum kunnen partijen schriftelijk afwijken. Partijen hebben beiden een afwijkende peildatum bepleit, onder verwijzing naar artikel 6 lid 4 sub a van de huwelijkse voorwaarden. Daarin is het volgende bepaald:
“Geen verrekening heeft plaats:
Over de tijd dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat.”
Volgens de man moet op grond van deze bepaling worden uitgegaan van 1 november 2018 als peildatum, omdat partijen vanaf dat moment niet meer samenwoonden. Volgens de vrouw moet voor de peildatum worden uitgegaan van 31 december 2023, althans 31 december 2022, omdat dat het moment was waarop het haar duidelijk was dat de man wilde scheiden respectievelijk de man zich uit de echtelijke woning had uitgeschreven.
De man voert aan dat het bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden de bedoeling van partijen was dat zij niet meer zouden verrekenen vanaf het moment dat zij niet meer zouden samenwonen, ongeacht of dit in overleg zou zijn geschied of niet. De vrouw heeft deze uitleg van de bepaling van artikel 6 lid 4 betwist en bepleit de peildatum van 31 december 2023, althans 31 december 2022 om voornoemde redenen.
De man noch de vrouw hebben feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat de uitleg die zij aan de bepaling van artikel 6 lid 4 sub a van de huwelijkse voorwaarden geven, strookt met de bedoeling van partijen ten tijde van het aangaan van die voorwaarden. Gelet hierop zal de rechtbank dit beding uitleggen op basis van de tekst. Naar de letter van de tekst eindigt het tijdvak van verrekening op het moment dat partijen niet meer samenwonen, zonder dat hierover overleg is geweest. Anders gezegd: de verrekenperiode eindigt niet wanneer het beëindigen van de samenwoning een gezamenlijke beslissing is.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man in november 2018 elders is gaan wonen. In de lezing van de man heeft de vrouw hem, nadat hij had medegedeeld dat hij had besloten de woning te verlaten, aangespoord om zo snel mogelijk een appartement te zoeken. In de lezing van de vrouw kwam dit besluit van de man als een verrassing maar heeft zij de man de door hem gewenste ruimte en rust gegund en gewacht tot hij zou terugkomen of een ander besluit zou nemen. De rechtbank leidt hieruit af dat de vrouw zich erbij neerlegde dat zij tijdelijk uit elkaar zouden gaan. Dat de man op dat moment al, zoals hij op de zitting heeft toegelicht, de intentie had om definitief te scheiden (doch dit nog niet aan de vrouw kenbaar had gemaakt omdat hij de door hem voorgenomen scheiding langzaam wilde laten indalen bij de vrouw) doet hier niet aan af. De rechtbank is van oordeel dat uit deze feiten en omstandigheden volgt dat partijen sinds november 2018 in onderling overleg niet langer samenwoonden. Het tijdvak waarover verrekend moet worden is dus niet geëindigd in november 2018. De omstandigheden waar de vrouw zich op beroept – de scheidingsmelding van de man eind 2023/begin 2024 of het uitschrijven van de man uit de echtelijke woning per 1 augustus 2022 – leiden, gelet op voormelde bepaling van artikel 6 lid 4 van de huwelijkse voorwaarden, er ook niet toe dat het tijdvak waarover verrekend moet worden is geëindigd op 31 december 2023 respectievelijk 31 december 2022.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het tijdvak waarover verrekend moet worden niet eerder is geëindigd dan op de datum zoals bepaald in artikel 1:141 lid 1 en 2 BW jo 1:142 lid 1 aanhef en sub b BW: de datum van de indiening van het verzoek tot echtscheiding, zijnde 29 november 2024.
Te verrekenen vermogen
Als uitgangspunt geldt dat wanneer niet is voldaan aan het verrekenbeding tijdens het huwelijk, het aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden (art. 1:141 lid 1 en lid 3 BW) . Geen van partijen heeft verzocht om een integrale beoordeling van (de omvang en hoogte van) het te verrekenen vermogen. Zij hebben ook geen van beiden een overzicht gegeven van de te verrekenen bestanddelen.
De vrouw heeft een aantal verzoeken geformuleerd ten aanzien van enkele vermogensbestanddelen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw hiermee enkel verrekening van de door haar genoemde vermogensbestanddelen wenst. Het gaat hierbij om de volgende vermogensbestanddelen:
-
bankrekeningen (door de vrouw, anders dan verwijzing naar aangiftes IB niet
nader gespecificeerd) -
het vermogen in [vennootschap 1] BV (waaronder de verkoopopbrengst van de
aandelen in [vennootschap 2] BV) -
de eenmanszaak van de man
De man heeft ten aanzien van twee bankrekeningen (ABN AMRO Privérekening met Rood Staan onder nummer [rekeningnummer] en Beleggingsrekening Zelf Beleggen Plus onder nummer [rekeningnummer] ) verzocht te bepalen dat partijen de saldi op deze bankrekeningen bij helfte zullen verdelen. Voor het overige heeft de man alleen verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw en geen eigen verzoeken geformuleerd.
bankrekeningen
De vrouw heeft verzocht te bepalen:
-
dat het saldo op de en/of rekeningen bij helfte gedeeld wordt, onder oplegging aan
de man van de verplichting met bankafschriften de door hem genoemde saldi aan
te tonen, en -
dat voor alle overige bankrekeningen geldt dat het aanwezige saldo per
31 december 2023 (zoals volgt uit de IB-aangifte 2023) dan wel subsidiair 31
december 2022 (zoals volgt uit de IB-aangifte 2022) verrekend dient te worden
aldus dat ieder van partijen de helft van het totaal aanwezige saldo zal ontvangen,
hetgeen per saldo leidt tot een verrekenvordering van de vrouw op de man van
€ 142.240,50 of subsidiair € 89.908,50 en aldus te bepalen dat de man aan de
vrouw uit dien hoofde een bedrag van € 142.240,50 of subsidiair € 89.908,50 dient
te voldoen.
De man stelt dat de saldi van de door hem genoemde bankrekeningen (deels) zijn verrekend begin 2024. De vrouw heeft dit niet betwist doch heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe dit zich verhoudt tot de door haar geformuleerde verrekenvorderingen.
Afgezien van de twee door de man genoemde bankrekeningen, en verwijzing door de vrouw naar de aangiftes IB 2022 en 2023, heeft noch de man noch de vrouw gespecificeerd welke bankrekeningen tegen welke saldi in de verrekening betrokken moeten worden. Ook hebben zij niet inzichtelijk gemaakt welke bedragen al verrekend zijn. Dit leidt ertoe dat de rechtbank op grond van de stukken in het dossier niet kan vaststellen of er nog bedragen moeten worden verrekend en zo ja, tot welk bedrag. Het had op de weg van beide partijen gelegen om dit vóór de zitting aan de rechtbank inzichtelijk te maken, en met stukken te onderbouwen. De rechtbank kan daarom niets meer of anders dan het verzoek van de vrouw tot verrekening van de saldi op de bankrekeningen in algemene zin toewijzen, waarbij het aan partijen is om de nodige stukken uit te wisselen en desnoods berekeningen op te stellen.
Stamrecht/vermogen in [vennootschap 1] BV
Blijkens de stamrechtovereenkomst d.d. 2 mei 2012 (gesloten tussen [vennootschap 1] BV en de man) heeft ING in 2012 aan de man een schadeloosstelling betaald in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen beiden ten bedrage van € 178.229,-. In artikel 3 van die overeenkomst is bepaald dat de man is gerechtigd tot de uitkeringen uit het stamrecht, dat de man het ingangstijdstip van de uitkeringen en de looptijd daarvan zal vaststellen en dat de periodieke uitkeringen in geen geval later zullen ingaan dan in het kalenderjaar waarin de man de leeftijd van 65 jaar bereikt.
De vrouw heeft in dit kader twee verzoeken geformuleerd:
-
te bepalen dat de man aan de vrouw de helft van het in zijn BV aanwezige vermogen uit hoofde van de aandelenverkoop dient te voldoen, zodat de vrouw een vordering uit dien hoofde op de man heeft van € 316.434,-, en
-
te bepalen dat aan de vrouw de helft van het stamrechtvermogen in de stamrecht BV van de man toekomt, waarbij de man de helft van dit vermogen fiscaal neutraal zal dienen te storten in een op naam van de vrouw aan te kopen lijfrentepolis, dan wel (indien dit niet mogelijk blijkt) dat de man aan de vrouw de helft van het stamrechtvermogen in de stamrecht BV van de man dient te voldoen, rekening houdend met een belastinglatentie van ten hoogste 25%;
Ten aanzien van verzoek 1) overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de overgelegde stukken en op de zitting is gebleken dat [vennootschap 1] BV bij overeenkomst van 22 september 2023 haar aandelen in [vennootschap 2] heeft verkocht voor een bedrag van € 638.868,29. De vrouw heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij het sterke vermoeden heeft dat de man vanuit huishoudgeld/gezamenlijke inkomsten/ overgespaarde inkomsten heeft geïnvesteerd in [vennootschap 2] BV. De man heeft dit gemotiveerd betwist en gesteld dat de investeringen in [vennootschap 2] BV deels zijn gedaan vanuit [vennootschap 1] en gelden van zijn moeder (die hij later geërfd heeft) en deels vanuit externe financiering (crowdfunding via het Symbid platform en participaties) en dat daarnaast (de holding en familie van) zijn compagnon ook hebben geïnvesteerd in [vennootschap 2] BV. Nu de vrouw haar andersluidende stellingen hierna niet nader heeft onderbouwd gaat de rechtbank daaraan voorbij. Reeds daarom wordt dit verzoek afgewezen. Of en zo ja tot welk bedrag de vrouw aanspraak kan maken op verrekening van het stamrecht in [vennootschap 1] BV wordt hierna beoordeeld.
Aan het verzoek onder 2) heeft de vrouw allereerst ten grondslag gelegd dat het er op basis van de stamrechtovereenkomst van de man op lijkt dat de man de ontslagvergoeding die hij in 2012 van ING heeft ontvangen, geheel als pensioenvoorziening heeft aangewend. De man heeft dit betwist. De rechtbank is van oordeel dat uit de stamrechtovereenkomst noch uit de jaarstukken van de stamrecht BV blijkt dat het stamrecht als pensioenvoorziening is aan te merken en/of dat het als pensioenvoorziening in de BV is gestort. Voor zover het verzoek van de vrouw op deze stelling is gegrond, gaat de rechtbank hieraan voorbij.
De rechtbank begrijpt de stellingen van de vrouw aldus dat, in het geval het stamrecht niet kan worden aangemerkt als pensioenvoorziening, dit stamrecht heeft te gelden als te verrekenen inkomen in de zin van artikel 6 lid 1 jo artikel 5 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden. Volgens de vrouw ziet het stamrecht in dat geval op een schadeloosstelling van gederfd of te derven loon, terwijl de uitkering in 2012, dus tijdens het huwelijk, is gedaan. Als de man de ontslagvergoeding had aangewend als suppletie van zijn inkomen, dan was het aan te merken geweest als loon in de zin van artikel 5 Wet IB 1964. Daarmee valt volgens de vrouw dit stamrecht, ook als dit niet tot uitkering is gekomen, onder het inkomensbegrip van artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden zodat deze vergoeding verrekend moet worden.
De man voert verweer. Volgens de man valt het stamrecht niet aan te merken als te verrekenen vermogen omdat het stamrecht tot op heden niet tot uitkering is gekomen. Hij verwijst daartoe naar een uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:417) onder r.o. 4.2. In die rechtsoverweging heeft de HR het volgende overwogen:
“(…) 4.2.2 De uitleg van een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden moet plaatsvinden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Dit betekent dat het antwoord op de vraag of een stamrecht valt aan te merken als overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking komt, afhangt van de uitleg die in het concrete geval moet worden gegeven aan het in het desbetreffende verrekenbeding opgenomen inkomensbegrip. Daarbij is (…) niet uitgesloten dat het inkomensbegrip in een concreet geval zo moet worden uitgelegd dat een stamrecht daar niet onder valt, ongeacht hoe het stamrecht is gevormd. (…)
4.2.3. Het oordeel van het hof dat het stamrecht in het onderhavige geval niet valt aan te merken als overgespaard inkomen in de zin van (…) artikel 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden zolang het stamrecht nog niet tot uitkering is gekomen, moet kennelijk aldus worden verstaan dat niet van belang is dat het stamrecht is gevormd door een ontslagvergoeding, omdat deze vergoeding in de omstandigheden van dit geval niet als te verrekenen netto-inkomen in de zin van (…) artikel 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden moet worden beschouwd. (…) geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. (…)”
De rechtbank stelt voorop dat, anders dan de man stelt, de Hoge Raad niet als algemene regel heeft bepaald dat een stamrecht dat nog niet tot uitkering is gekomen niet voor verrekening in aanmerking komt. De Hoge Raad heeft overwogen dat het antwoord op deze vraag telkens afhangt van de uitleg van het inkomensbegrip in het concrete voorliggende geval. Met voormelde overwegingen komt de Hoge Raad tot de conclusie dat het oordeel van het hof dat er in het desbetreffende geval en onder de specifieke omstandigheden van dat geval geen sprake was van te verrekenen vermogen, geen oordeel geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Blijkens r.o. 2.1.1 luidde het inkomensbegrip in het desbetreffende geval als volgt:
Artikel 8
(…)
2. Onder netto-inkomen wordt verstaan het inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen (…)” [sic]
In het onderhavige geval luidt het inkomensbegrip zoals opgenomen in artikel 5 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden van partijen als volgt:
“Onder inkomsten uit arbeid worden verstaan de inkomsten uit arbeid als bedoel in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (…) Onder inkomsten uit arbeid worden mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede winst uit onderneming (…)”
Anders dan (kennelijk) in het geval waarover de Hoge Raad oordeelde, hebben partijen in het onderhavige geval aldus expliciet opgenomen dat ook uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid onder te verrekenen inkomen vallen.
In het onderhavige geval staat daarnaast vast dat het stamrecht is gevormd door de ontslagvergoeding uit 2012, waarbij in de beschikking van de kantonrechter van januari 2012 is overwogen dat het gaat om een bruto uitkering als gekapitaliseerde suppletie op aan de werknemer toekomende uitkering krachtens sociale verzekeringsweten en/of lager loon elders. Gebleken dat de man sinds 2012 geen uitkeringen aan zichzelf heeft gedaan ter aanvulling van zijn inkomen. Dit terwijl de man, ook in zijn eigen stellingen, vanaf 2018 niet meer in loondienst was, en sindsdien naar eigen zeggen zijn werkzaamheden onvoldoende omzet genereren om uit de kosten te komen. Desondanks heeft de man er niet voor gekozen om het stamrecht aan te wenden waar het voor bedoeld was: compensatie van het wegvallen van zijn inkomen uit arbeid. Daardoor was er kennelijk, zoals hiervoor in het kader van de partneralimentatie overwogen, alleen arbeidsinkomen van de vrouw. Niet alleen de man maar ook de vrouw heeft daardoor moeten leven van aanzienlijk minder inkomen en dit heeft, zoals hiervoor overwogen, ook invloed op haar huwelijksgerelateerde behoefte na het einde van het huwelijk. In plaats daarvan heeft de man ervoor gekozen om het stamrecht (deels) aan te wenden voor de investering in [vennootschap 2] BV, waarvan de aandelen een aantal jaar later met winst verkocht zijn. Indien de man er wel voor had gekozen om op enig moment zijn inkomen aan te vullen vanuit het stamrecht, dan had de vrouw daar ook van mee geprofiteerd. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op deze feiten en omstandigheden, in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid als het stamrecht ten gevolge van de door de man gemaakte keuzes niet voor verrekening in aanmerking zou komen.
Al het voorgaande in aanmerking nemend – zowel de bepaling van het inkomensbegrip in de huwelijkse voorwaarden van partijen als de hiervoor genoemde keuzes van de man en de gevolgen daarvan voor de vrouw – is de rechtbank van oordeel dat het stamrecht in het onderhavige geval valt aan te merken als overgespaard inkomen in de zin van artikel 6 lid 1 jo artikel 5 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden en dus voor verrekening in aanmerking komt.
Voor de bepaling van de hoogte van het te verrekenen stamrecht sluit de rechtbank aan bij de benadering die is gekozen door het Hof ’s-Hertogenbosch in zijn beschikking van 6 juli 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2018:3371). Dat leidt tot het volgende. Gelet op artikel 3 van de stamrechtovereenkomst gaat de rechtbank ervan uit dat de uitkering van de voormalige werkgever van de man diende ter compensatie van inkomensderving tot het kalenderjaar waarin de man de leeftijd van 65 jaar bereikt ( [datum 2] 2027). Dit betekent dat de suppletie was bedoeld voor een periode van (afgerond) 15 jaar. Een deel groot (afgerond) 12 jaar valt in de verrekenperiode die immers loopt tot 29 november 2024. Dit betekent dat een deel groot 12/15 x € 178.229,-- = € 142.583,-- tot het te verrekenen vermogen van de man behoort. De vrouw heeft recht op de helft, dit is € 71.219,50.
De vrouw heeft tot slot verzocht te bepalen dat de man de helft van het te verrekenen vermogen fiscaal neutraal zal dienen te storten in een op naam van de vrouw aan te kopen lijfrentepolis, dan wel (indien dit niet mogelijk blijkt) dat de man aan de vrouw de helft van het stamrechtvermogen in de stamrecht BV van de man dient te voldoen, rekening houdend met een belastinglatentie van ten hoogste 25%. Tegen dit onderdeel van het verzoek heeft de man geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit zal toewijzen.
De eenmansza(a)k(en) van de man
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de helft van het eigen vermogen per de peildatum in zijn eenmanszaken dient te voldoen, onder de verplichting dit vermogen inzichtelijk te maken. Tegen dit verzoek heeft de man geen verweer gevoerd. Uit de stukken blijkt de rechtbank dat er aan de zijde van de man sprake is van een eensmanszaak genaamd [vennootschap 1] . De rechtbank zal dit verzoek in zoverre toewijzen en bepalen dat de man de helft van het aanwezige vermogen per 29 november 2024 aan de vrouw dient te voldoen.
Gebruiksvergoeding
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding dient te betalen voor de periode tussen het inschrijven van de echtscheiding tot aan de verkoop van de echtelijke woning. De rechtbank overweegt dat, nu partijen overeenstemming hebben over de verkoop van de woning en de woning op korte termijn in de verkoop gezet wordt, het gaat om een zeer korte periode waarover de man een gebruiksvergoeding vordert. Daarnaast is gebleken dat de vrouw al langere tijd de volledige hypotheekrente alsmede de overige lasten van de echtelijke woning draagt. Rekening houdend hiermee en het feit dat de vrouw over een gering inkomen beschikt, acht de rechtbank het niet redelijk om haar te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum 1] 1997 te [plaats 1] ;
*
stelt de verdeling van de eenvoudige gemeenschap(pen) als volgt vast:
1. met betrekking tot de woning, gelegen aan [adres] ,
[plaats 2] en bijbehorende hypothecaire geldleningen:
de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen vier weken een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar-taxateur mevrouw [naam] van Estata makelaars te Den Haag tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning, evenals de overige voorwaarden bij/afspraken over de verkoop;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de ten tijde van de overdracht aan de woning gekoppelde (hypothecaire) geldleningen bij Nationale-Nederlanden en de geldlening bij [vennootschap 1] BV en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. met betrekking tot de inboedel:
de inboedel uit de echtelijke woning komt toe aan de vrouw, met uitzondering van de spullen uit [land] , de spiegel in de kamer en de golf- en skispullen van de man, deze goederen komen toe aan de man en de inboedel in de woning van de man komt toe aan de man;
*
bepaalt dat aan beide partijen de helft toekomt van de saldi op de bankrekeningen van partijen, onder de verplichting met bankafschriften de betreffende saldi aan te tonen, waarbij het aan partijen is om dit te verrekenen met de bedragen die reeds zijn verrekend;
*
bepaalt dat aan de vrouw ter zake van het stamrechtvermogen in [vennootschap 1] BV een bedrag van € 71.219,50 toekomt, waarbij de man dit bedrag fiscaal neutraal zal dienen te storten in een op naam van de vrouw aan te kopen lijfrentepolis, dan wel (indien dit niet mogelijk blijkt) dat de man aan de vrouw dit bedrag dient te voldoen, rekening houdend met een belastinglatentie van ten hoogste 25%;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw de helft van het eigen vermogen in [bedrijfsnaam] (de eenmanszaak van de man) per de peildatum, te weten 29 november 2024, dient te voldoen, waarbij de man dit vermogen inzichtelijk dient te maken door het tonen van bankafschriften en jaarcijfers;
*
verklaart deze beschikking, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
*
|
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, bijgestaan door |
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
