Rechtbank Amsterdam 16-07-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7580

Essentie (gemaakt door AI)

Artikel 7 Kinderbijslagwet. Vaststaat dat minderjarige sinds 1 januari 2022 tot het huishouden van moeder behoort, zodat moeder vanaf die datum recht heeft op kinderbijslag en het daaraan gekoppelde kgb. Vader ontvangt deze uitkeringen zonder rechtsgrond en is ongerechtvaardigd verrijkt; beroep op juridische hoofdverblijfplaats en gestelde afspraken faalt. Toewijzing van € 10.842,55 met wettelijke rente art. 6:119 BW. Proceskosten worden gecompenseerd. Uitvoerbaar bij voorraad wordt niet besproken.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Man gebruikt onterecht door hem ontvangen KB en KGB voor voldoening kinderalimentatie
Vaststaat dat kind al een aantal jaar tot het huishouden van moeder behoort, zodat zij recht heeft op kinderbijslag en het daaraan gekoppelde KGB. Vader ontving deze uitkeringen: ongerechtvaardigd verrijkt. € 10.843 aan moeder betalen.

Datum publicatie27-07-2026
Zaaknummer12050154
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenAlimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Artikel 7 Kinderbijslagwet. Vader heeft ten onrechte kinderbijslag en kindgebonden budget ontvangen. Moeder had dit moeten ontvangen. Vader is hierdoor ongerechtvaardigd verrijkt.

Volledige uitspraak


RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12050154 \ CV EXPL 26-484

Vonnis van 16 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. J.R. Núñez Casanova.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 1 april 2025, met producties,

- de beschikking van de kinderrechter van 18 september 2025, waarbij de zaak met betrekking tot een aantal verzoeken is verwezen naar de handelskamer van deze rechtbank,

- de conclusie van eis van [eiser] van 8 oktober 2025, met producties,

- de incidentele vordering tot onbevoegdheid en verwijzing naar de kantonrechter van [gedaagde] , met producties,

- de incidentele conclusie van antwoord van [eiser] ,

- het vonnis in incident van 7 januari 2026, waarbij de zaak is verwezen naar de kantonrechter,

- het tussenvonnis van 6 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte overlegging producties van de zijde van [eiser] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 16 juni 2025 plaatsgevonden. [eiser] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. [gedaagde] is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Beide gemachtigden hebben spreekaantekeningen overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op [geboortedag] 2009 is [minderjarige] (hierna: [minderjarige]) geboren. Zij is de dochter van [eiser] en [gedaagde] .

2.2.

Bij beschikking van 17 augustus 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 24 december 2018 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van

[minderjarige] bij [gedaagde] tot uiterlijk 24 juni 2019. De uithuisplaatsing en de ondertoezichtstelling zijn hierna telkens verlengd. De uithuisplaatsing is laatstelijk verlengd tot 17 augustus 2020 en de ondertoezichtstelling laatstelijk tot 17 februari 2021.

2.3.

[eiser] ontving tot de uithuisplaatsing kinderbijslag en het daaraan gekoppelde kindgebonden budget (hierna: kgb) ten behoeve van [minderjarige]. Vanaf 2019 heeft [gedaagde] de kinderbijslag en het kgb ontvangen.

2.4.

Bij beschikking van 18 september 2025 heeft de kinderrechter bepaald dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats zal hebben bij [eiser] en voor recht verklaard dat [minderjarige] sinds 1 januari 2022 bij [eiser] woont.

2.5.

Sinds juni 2025 ontvangt [eiser] de kinderbijslag en kgb.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na vermindering van eis, dat de kantonrechter – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 10.842,55, te vermeerderen met de wettelijke rente en met compensatie van de proceskosten.

3.2.

[eiser] stelt, kort weergegeven, dat [minderjarige] sinds 1 januari 2022 bij haar woont, waardoor zij op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de Kinderbijslagwet) sindsdien recht heeft op de kinderbijslag en het daaraan gekoppelde kgb. Nu [gedaagde] de kinderbijslag en het kgb heeft ontvangen, is hij ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [eiser] . De schade die [eiser] daardoor lijdt, dient [gedaagde] aan haar te betalen. Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) bewust een onjuiste voorstelling van zaken te geven door niet te melden wat de feitelijke situatie was, namelijk dat [minderjarige] bij [eiser] woonde, aldus steeds [eiser] .

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Volgens hem bestaat er geen grondslag voor de vorderingen van [eiser] . Uit de beschikking van 18 september 2025 volgt immers dat [minderjarige] tot 18 september 2025 haar hoofdverblijfplaats bij [gedaagde] had. Daarbij hadden partijen een andere afspraak gemaakt ten aanzien van de kinderbijslag en het kgb. Bovendien is [gedaagde] niet verrijkt, aangezien hij de kinderbijslag en het kgb heeft aangewend voor [minderjarige]. Evenmin heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Artikel 7, lid 1, van de Kinderbijslagwet bepaalt dat een verzekerde recht heeft op kinderbijslag voor een kind dat jonger dan 18 jaar is en a) tot zijn huishouden behoort, of b) door hem wordt onderhouden.

4.2.

Op grond van artikel 2, lid 1, van de Wet op het Kindgebonden budget maakt de ouder aan wie de kinderbijslag wordt betaald, aanspraak op het kgb.

4.3.

Anders dan [gedaagde] stelt, volgt uit artikel 7, lid 1, van de Kinderbijslagwet niet dat de voor de vraag welke ouder de kinderbijslag ontvangt, bepalend is waar de juridische hoofdverblijfplaats van het kind is. In het artikel staat immers dat het gaat om het huishouden waartoe het kind behoort. Uit de toelichting op dit artikel volgt dat de SVB het criterium hanteert dat het kind behoort tot het huishouden waar het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd doorbrengt (minimaal vier nachten per week).

4.4.

Bij beschikking van 18 september 2025 is voor recht verklaart dat [minderjarige] sinds 1 januari 2022 bij moeder woont. Nu geen beroep tegen deze beschikking is ingesteld, staat dit tussen partijen vast. Volgens het hiervoor onder 4.3. genoemde criterium dat de SVB hanteert, behoorde [minderjarige] dan ook vanaf dat moment ook tot het huishouden van [eiser] . [gedaagde] heeft ter zitting gesteld dat [minderjarige] ook nadien vaak bij hem heeft geslapen, maar dit heeft hij – in het licht van de betwisting van [eiser] – onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat [eiser] op grond van artikel 7, lid 1 van de Kinderbijslagwet vanaf 1 januari 2022 recht had op de kinderbijslag en het daaraan gekoppelde kgb.

4.5.

Het voorgaande betekent dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2022 zonder rechtsgrond de kinderbijslag en het kindgebonden budget heeft ontvangen en in beginsel is gehouden dit aan [eiser] te betalen. [gedaagde] stelt echter dat hij met het ontvangen van de kinderbijslag en het kgb niet is verrijkt. De kantonrechter volgt hem echter niet in die stelling en overweegt daartoe het volgende.

4.6.

Op grond van artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn beide ouders verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud van hun kind. Dit betekent dat [gedaagde] hoe dan ook gehouden is bij te dragen in het levensonderhoud van [minderjarige]. De kosten die [gedaagde] voor [minderjarige] met de kinderbijslag en het kgb heeft betaald, vallen onder deze kosten van levensonderhoud. Op grond van artikel 1:392 BW was [gedaagde] dus verplicht deze kosten ook te betalen als hij de kinderbijslag en het kgb niet zou hebben ontvangen. Hij heeft echter hiervoor de kinderbijslag en het kgb aangewend, terwijl hij niet gerechtigd was die te ontvangen. Dit betekent dat hij – anders dan hij stelt – is verrijkt. [eiser] is daarentegen verarmd, omdat zij de kinderbijslag en het kgb niet kon aanwenden voor de kosten waarvoor deze vergoedingen zijn bedoeld.

4.7.

[gedaagde] heeft nog gesteld dat partijen met betrekking tot de uitbetaling van de kinderbijslag en het kgb andersluidende afspraken hebben gemaakt. [eiser] heeft dit betwist. In het licht van deze betwisting had het op de weg van [gedaagde] gelegen om nader te onderbouwen waaruit volgt dat dergelijke afspraken zijn gemaakt. Nu hij dit niet heeft gedaan, gaat de kantonrechter aan deze stelling voorbij.

4.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] met betrekking tot de kinderbijslag en het kgb vanaf 1 januari 2022 tot en met juni 2025 ten koste van [eiser] ongerechtvaardigd is verrijkt. De schade die [eiser] daardoor heeft geleden, dient hij aan haar te betalen. [eiser] heeft deze schade begroot op € 10.842,55. Zij heeft dit met stukken onderbouwd en [gedaagde] heeft tegen de hoogte van deze schade geen verweer gevoerd. Dit betekent dat de vordering tot betaling van dit bedrag zal worden toegewezen.

4.9.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.842,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 8 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

598



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733