Rechtbank Den Haag 09-06-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18971

Essentie (gemaakt door AI)

Nevenvoorzieningen bij echtscheiding. Partneralimentatie naar Monegaskisch recht: toekennen ‘compensatory allowance’ van € 1.500.000 in vijf jaarlijkse termijnen. Uitzondering art. 205-2 MBW toegepast wegens duur huwelijk, traditioneel rollenpatroon, inkomensongelijkheid en ziekte vrouw; schuldvraag blijft in het midden. Verzoek man om schadevergoeding afgewezen. Verdeling: ondernemingen hoofdzakelijk aan man (meest nihilwaarde; [bedrijfsnaam 2] € 15.000 met € 7.500 verrekening), bankrekeningen naar rato, Porsche 911-vergoeding € 62.668,50, Bitcoin helft USD  

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

€ 1.500.000 "redelijk bedrag dat recht doet aan de inkomensongelijkheid na echtscheiding"
Vrouw stelt dat een ‘compensatory allowance’ van € 2.295.000 recht doet aan haar behoefte. Zij is hierbij uitgegaan van € 15.000 x 153 maanden. Man heeft hier geen andere berekening of benadering tegenover gesteld. Voldoen in 5 termijnen.

Datum publicatie24-07-2026
ZaaknummerC/09/650183 / FA RK 23-4790
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Nevenvoorzieningen bij echtscheiding. Partneralimentatie naar Monegaskisch recht: toekennen compensatory allowance; verdeling naar Nederlands recht en naar Monegaskisch recht (wagonstelsel).

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 23-4790 (scheiding) / FA RK 24-1129 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/650183 (scheiding) / C/09/661451 (verdeling)

Datum beschikking: 9 juni 2026

Scheiding

Beschikking op het op 22 juni 2023 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [land 1] ,

advocaat: mr. M.M.E. Bowmer te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende te [land 2] ,

advocaat: mr. C.L.M. Smeets te Amsterdam.

Procedure

Bij beschikking van 12 september 2024 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing ten aanzien van de partneralimentatie, de afwikkeling van het huwelijkse vermogen en de proceskosten aangehouden tot 15 november 2024 pro forma. In de beschikking is onder meer bepaald dat op het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie [jurisdictie 1] van toepassing is en dat in het kader van de afwikkeling van het huwelijkse vermogen op de periode vanaf 18 augustus 1997 tot en met 15 oktober 2020 het Nederlandse recht van toepassing is en vanaf 15 oktober 2020 het recht van [land 2] . Partijen zijn – kort samengevat – in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de partneralimentatie naar [jurisdictie 1] , over te benoemen taxateurs in het kader van de verdeling, over de verdeling naar [jurisdictie 2] en nadere stukken over te leggen. In de beschikking is bepaald dat hiertegen tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld.

De man heeft tussentijds hoger beroep ingesteld.

Bij beschikking van 18 juni 2025 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van de rechtbank van 12 september 2024 vernietigd voor zover die ziet op de bepaling dat op het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van partneralimentatie [jurisdictie 1] van toepassing is en bepaald dat op het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie [jurisdictie 2] van toepassing is. Het gerechtshof Den Haag heeft de beschikking van de rechtbank van 12 september 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige bekrachtigd.

De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:

  • de brief van 28 november 2024 van de zijde van de man;

  • de brief van 20 mei 2025 van de zijde van de man;

  • de brief van 19 augustus 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • het F9-formlier van 21 augustus 2025 van de zijde van de vrouw;

  • de brief van 14 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • de ‘akte uitlating en overlegging producties, tevens houdende wijziging verzoeken’ van 15 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • de brief van 15 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • de ‘akte uitlating en overlegging producties’ van 15 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • de brief van 17 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

  • de brief van 17 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.

Op 14 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw (via videoverbinding), bijgestaan door mr. M.M.E. Bowmer en mr. H.E.M. Davidson, en de man, bijgestaan door mr. C.L.M. Smeets. Door de advocaat van de vrouw (mr. Bowmer) en door de advocaat van de man (mr. Smeets) zijn pleitnotities overgelegd.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat de echtscheidingsbeschikking op 10 maart 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Capelle aan den IJssel.

Partneralimentatie/verzoek vrouw tot toekenning ‘compensatory allowance’

Toepasselijke recht

Zoals het gerechtshof Den Haag heeft beslist is op het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie [jurisdictie 2] van toepassing.

De vrouw heeft haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij nu verzoekt:

primair: de man te veroordelen om uiterlijk binnen acht weken na de door de rechtbank te wijzen beschikking een bedrag van € 2.295.000,-- aan de vrouw te voldoen als ‘compensatory allowance’, althans een zodanige compensatie en bedrag toe te wijzen als de rechtbank in goede justitie juist acht;

subsidiair: te bepalen dat door de man de door de rechtbank opgelegde vergoeding dient te worden voldaan doordat de man binnen acht weken na het wijzen van de uitspraak € 800.000,-- aan de vrouw voldoet en het restant in twee termijnen binnen twee jaar na de datum van de uitspraak, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vervallen van de eerste termijn, althans een zodanige betalingsregeling vast te stellen binnen de kaders die [jurisdictie 2] biedt als de rechtbank in goede justitie juist acht;

te bepalen dat de ‘superannuation’ portfolio beheerd door [bedrijfsnaam 1] Ltd. in [land 1] , aan de vrouw wordt toebedeeld en de man te bevelen om binnen acht weken na het wijzen van de beschikking te zorgen voor overschrijving van de ‘superannuation’ op naam van de vrouw, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag dat de man met overschrijving hiermee nalatig is, met een maximum van € 100.000,--.

De man voert verweer. De man handhaaft zijn verzoek om hem naar [jurisdictie 2] een passende schadevergoeding toe te kennen indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat er sprake is van door de vrouw gepleegd overspel. Vanwege proceseconomische redenen heeft de man dit verzoek nog niet geconcretiseerd. De man heeft verzocht hem een termijn van vier weken na de beschikking te geven om dit verzoek, mede in overleg met zijn [nationaliteit] advocaat, aan te vullen en te concretiseren, uitsluitend indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat de vrouw het overspel heeft gepleegd.

Inhoudelijke beoordeling

Wettelijk kader

De rechtbank betrekt in haar beoordeling van het verzoek van de vrouw en het verweer van de man de volgende artikelen uit het Monegaskisch Burgerlijk Wetboek (MBW).

Artikel 204-5 MBW, voor zover relevant, luidt als volgt (vrije vertaling vanuit Bergmann en Ferid):

“Behalve in het geval dat de scheiding wordt uitgesproken op grond van ziekte, beëindigt echtscheiding de verplichting om bijstand te verlenen onder Artikel 181.

Een echtgenoot kan verplicht zijn de ander een voordeel te bieden dat, voor zover mogelijk, de ongelijkheid veroorzaakt door het beëindigen van het huwelijk in termen van leefomstandigheden moet compenseren. Deze dienst heeft een algemeen en doorslaggevend karakter. Het neemt de vorm aan van een eenmalig bedrag, waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van de behoeften van de echtgenoot aan wie het betaald moet worden en de middelen van de ander, rekening houdend met de situatie op het moment van de echtscheiding en de voorziene ontwikkeling daarvan.

In dit verband worden met name de volgende in het bijzonder meegenomen:

  • de duur van het huwelijk;

  • de leeftijd en gezondheidstoestand van de echtgenoten;

  • hun kwalificaties en professionele situatie;

  • de gevolgen van carrièrekeuzes genomen door een van de echtgenoten tijdens hun gezamenlijke leven om de kinderen op te voeden, rekening houdend met de nog te besteden tijd, of beslissingen genomen om de carrière van de echtgenoot te bevorderen terwijl de eigen carrière wordt verwaarloosd;

  • de geschatte of voorzienbare bezittingen van de echtgenoten na de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime, zowel in kapitaal als inkomen;

  • hun bestaande en voorzienbare rechten, met name met betrekking tot sociale zekerheid en ouderdomspensioenen.

De rechtbank van eerste aanleg beslist over de modaliteiten van de betaling van de vergoeding, die geheel of gedeeltelijk wordt gedaan door de betaling van een geldbedrag in maximaal vijf jaarlijkse termijnen of door de toewijzing van eigendom of tijdelijk gebruiksrecht, verblijf of gebruiksrecht. In deze laatste gevallen heeft de beslissing met de uitspraak van echtscheiding het effect van een gedwongen overdracht ten gunste van de echtgenoot die het voordeel ontvangt. Voor de overdracht van eigendom van goederen die hij of zij via erfenis of schenking heeft ontvangen, is echter de toestemming van de echtgenoot die betaalbaar is, vereist.

Indien de schuldenaar het eenmalige bedrag niet kan betalen volgens de voorwaarden van de voorgaande alinea, zal de rechtbank van eerste aanleg de regeling bepalen voor de betaling van het eenmalige bedrag over een aantal jaren, bepaald op basis van de middelen van de schuldenaar, waarbij maandelijkse of jaarlijkse betalingen worden geïndexeerd volgens de regels van toepassing op onderhoud. …”

Artikel 205-1 MBW luidt als volgt (vrije vertaling vanuit Bergmann en Ferid):

“De echtscheiding wordt tegen een van de echtgenoten uitgesproken als deze uitsluitend op zijn of haar schuld is gebaseerd.

De echtgenoot tegen wie de scheiding wordt uitgesproken, verliest alle voordelen die hem door zijn echtgenoot zijn verleend door huwelijkscontract of op welke manier dan ook.

De andere echtgenoot behoudt de voordelen die hem of haar door zijn of haar echtgenoot zijn verleend, zelfs als deze op wederzijdse basis is toegekend.”

Artikel 205-2 MBW luidt als volgt (vrije vertaling vanuit Bergmann en Ferid):

“De echtgenoot ten laste van wie de scheiding is uitgesproken, heeft geen recht op schadevergoeding.

Hij kan echter, in uitzonderlijke geval, een vergoeding ontvangen als, rekening houdend met de lengte van hun gezamenlijke leven en de professionele keuze die hij of zij in dezelfde periode heeft gemaakt, ten gunste van de opvoeding van de kinderen of om de carrière van zijn echtgenoot te bevorderen ten koste van zijn eigen partner, het duidelijk oneerlijk lijkt om hem als gevolg van de scheiding een financiële compensatie te weigeren.”

Kan de vrouw aanspraak maken op ‘compensatory allowance’?

De man heeft zich, onder verwijzing naar artikel 205-1 MBW, primair op het standpunt gesteld dat de vrouw geen aanspraak kan maken op een ‘compensatory allowance’ omdat de vrouw tijdens het huwelijk overspel heeft gepleegd. Daarmee heeft de vrouw naar [jurisdictie 2] uitsluitend schuld aan de echtscheiding en kan er van een ‘compensatory allowance’ geen sprake meer zijn.

De vrouw heeft zich op verschillende gronden tegen dit standpunt van de man verweerd. Allereerst heeft de vrouw naar voren gebracht dat een ‘compensatory allowance’ niet toegekend wordt wanneer de echtscheiding is uitgesproken op basis van schuld van uitsluitend de echtgenoot die aanspraak maakt op deze allowance. Volgens de vrouw valt in het onderhavige geval het einde van het huwelijk niet meer aan de ene echtgenoot dan aan de andere echtgenoot te wijten. Zij stelt onder meer dat ook de man tijdens het huwelijk overspel heeft gepleegd. Daarnaast doet de vrouw een beroep op rechtsverwerking. Volgens de vrouw heeft de man zijn recht om op deze uitzondering een beroep te doen verwerkt nu de echtscheiding – mede op verzoek van de man – naar Nederlands recht is uitgesproken op neutrale gronden, te weten duurzame ontwrichting. Het had daarom volgens de vrouw op de weg van de man gelegen om de rechtbank te verzoeken om de beslissing ten aanzien van de echtscheiding aan te houden ten einde de schuldvraag te behandelen. Verder heeft de vrouw betoogd dat het beoordelen van de schuldvraag in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Het Nederlandse rechtsstelsel is totaal vreemd met het idee dat het recht op alimentatie teniet kan worden gedaan doordat een partij aan de echtscheiding schuldig wordt verklaard.

Tot slot heeft de vrouw er op gewezen dat, zoals volgt uit artikel 205-2 MBW, bij wijze van uitzondering het recht van degene door wiens schuld het huwelijk is geëindigd op een ‘compensatory allowance’ blijft bestaan, indien het vanwege de duur van het huwelijk, beroepskeuzes in verband met de opvoeding van de kinderen, bevordering van de carrière van de echtgenoot ten koste van de eigen carrière, het onbillijk zou zijn een financiële compensatie te ontzeggen.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de vrouw op de uitzonderingsbepaling van artikel 205-2 MBW slaagt. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Partijen zijn bijna 28 jaar gehuwd geweest. Binnen het huwelijk was er sprake van een traditioneel rollenpatroon waarbij uitsluitend de man degene was die werkte en het gezinsinkomen genereerde, terwijl de vrouw thuis bleef. De man heeft hierdoor een carrière en een aanzienlijk inkomen kunnen opbouwen en de vrouw niet. Als de vrouw geen recht meer zou hebben op een allowance dan zou dat betekenen dat de man na het einde van het huwelijk tot aan zijn pensioen zijn zakelijke activiteiten met bijbehorend inkomen kan voortzetten, terwijl de vrouw vanwege haar leeftijd, in combinatie met haar chronische ziekte (MS) en het feit dat zij geen werkervaring heeft, naar verwachting geen (substantieel) inkomen meer zal kunnen genereren. De rechtbank is daarom van oordeel dat het – ook indien het huwelijk uitsluitend door schuld van de vrouw zou zijn geëindigd – duidelijk oneerlijk is om de vrouw onder deze omstandigheden geen ‘compensatory allowance’ toe te kennen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw in beginsel in aanmerking komt voor een ‘compensatory allowance’.

Het voorgaande betekent dat het antwoord op de vraag wie van partijen al dan niet (uitsluitend) schuld heeft aan de echtscheiding in het midden kan blijven. Hetzelfde geldt voor het beroep van de vrouw op rechtsverwerking en op strijd met de Nederlandse openbare orde.

Begroting compensatory allowance

De man heeft naar voren gebracht dat het in deze stand van de procedure nog niet mogelijk is een concreet bedrag te berekenen, omdat het huwelijkse vermogen nog niet is afgewikkeld en het dus nog niet duidelijk is over welk vermogen de man en de vrouw na de echtscheiding zullen beschikken. De rechtbank zal hieraan voorbij gaan, nu hierna in deze beschikking het huwelijkse vermogen afgewikkeld zal worden. De rechtbank acht, zoals hierna zal worden toegelicht, een deskundigenonderzoek niet langer nodig.

Met inachtneming van het bepaalde in artikel 204-5 MBW zal de rechtbank overgaan tot de beoordeling van de hoogte van de aan de vrouw toe te kennen ‘compensatory allowance’. De rechtbank betrekt hierin de duur van het huwelijk, de taakverdeling binnen het huwelijk en de carrièrekeuzes die de rechtbank hierboven al heeft benoemd. De rechtbank zal hierin voorts de leeftijd van de man, 58 jaar, en de leeftijd van de vrouw, 54 jaar, betrekken en het feit dat de vrouw de chronische ziekte MS heeft en ten slotte hetgeen partijen toekomt na de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime.

De rechtbank stelt voorop dat zij een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ‘compensatory allowance’. Een formule of vuistregel is naar [jurisdictie 2] niet gegeven, anders dan de hiervoor weergegeven bewoordingen in artikel 204-5 MBW:

‘(…) Het neemt de vorm aan van een eenmalig bedrag, waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van de behoeften van de echtgenoot aan wie het betaald moet worden en de middelen van de ander, rekening houdend met de situatie op het moment van de echtscheiding en de voorziene ontwikkeling daarvan. (…)’

Bij de bepaling van de ‘compensatory allowance’ zal de rechtbank meewegen dat iedere partij de helft van het huwelijkse vermogen, waaronder ook de ‘superannuation’, zal toekomen, zodat dit geen ongelijkheid tussen de vermogens van partijen zal veroorzaken. Dat betekent dat de hoogte van een eventuele compensatory allowance vooral zal afhangen van de inkomenssituatie van partijen tijdens het huwelijk en het verschil in de inkomens die partijen in de toekomst naar verwachting zullen (kunnen) verwerven.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de ondernemingen Romas Marine feitelijk fungeren als vehikel voor de man om (op fiscaal gunstige wijze) inkomsten te genereren en dat die inkomsten door partijen vervolgens ook steeds werden geconsumeerd. In die ondernemingen zijn (nagenoeg) geen reserves opgebouwd, er zijn ook geen vaste activa of dergelijke aangeschaft. Zoals hierna onder de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime zal blijken, zal de rechtbank de aandelen van de diverse ondernemingen aan de man toedelen en daarbij uitgaan van een intrinsieke waarde variërend van nihil tot € 15.000,--. Dit betekent dat de man in de toekomst onverminderd op dezelfde wijze als voorheen vanuit deze ondernemingen kan blijven werken en inkomen kan genereren. Voor de vrouw geldt dit, mede gelet op haar chronische ziekte MS, niet.

Uit de jaarrekening van [bedrijfsnaam 2] 2023 blijkt dat de man in dat jaar als directeur een beloning (en kostenvergoedingen) een bedrag van bijna € 1.000.000,-- (onbelast) heeft ontvangen. Het boekjaar 2023 werd vervolgens afgesloten met een verlies van € 1906,--. Ook uit de eerdere jaarrekeningen van [bedrijfsnaam 2] blijkt dat er forse beloningen werden toegekend aan de directie, terwijl er geen winsten in de onderneming werden gemaakt. Het ging om beloningen van (afgerond) € 1.500.000,-- (2020), € 1.000.000,-- (2021) en € 750.000 (2022) per jaar. Deze beloningen werden tot 2023 nog boekhoudkundig verdeeld over de man en de vrouw (die formeel mede directeur was), maar onweersproken is door de vrouw gesteld dat de beloningen feitelijk onder beheer van de man bleven. De vrouw heeft ook geen werkzaamheden verricht. Weliswaar is de beloning van de man volgens de jaarrekening van 2024 in dat jaar teruggebracht naar € 555.000,-- en is (anders dan in de daaraan voorafgaande jaren) € 176.000,-- winst in de onderneming achtergebleven, maar in 2024 heeft de man zijn werkzaamheden ook verricht vanuit de in 2023 nieuw opgerichte [bedrijfsnaam 3] . Van deze onderneming in [land 3] heeft de man echter geen financiële gegevens overgelegd. Wel bevindt zich in het dossier de door de vrouw als productie 4 overgelegde e-mail van de man van 14 juni 2023 waarin de man aan de vrouw heeft laten weten dat als de vrouw niet onmiddellijk zou aftreden als directeur van [bedrijfsnaam 2] , hij die onderneming zou liquideren en verder zou gaan onder een andere bedrijfsnaam. Kort hierna heeft de man [bedrijfsnaam 3] opgericht. Het had op de weg van de man gelegen om openheid van zaken te geven over de geldstromen in deze laatste onderneming, hetgeen hij niet heeft gedaan. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat er per saldo nagenoeg niets is veranderd aan het inkomen van de man en dat het erop gehouden kan worden dat de man nog steeds jaarlijks om en nabij € 1.000.000,-- als inkomen uit zijn ondernemingen genereert. Daar tegenover staat dat de vrouw nimmer inkomen heeft gegenereerd.

De vrouw heeft gesteld dat een ‘compensatory allowance’ van € 2.295.000,-- recht doet aan haar behoefte. Zij is hierbij uitgegaan een ‘compensatory allowance’ van € 15.000,-- x 153 maanden. De man heeft – naast betwisting van de hoogte van het maandelijkse bedrag van
€ 15.000,-- – hier geen andere berekening of benadering van de ‘compensatory allowance’ tegenover gesteld. Gelet op voormelde inkomensstromen en ervan uitgaande dat de man dit inkomen na de echtscheiding nog steeds kan genereren, acht de rechtbank het bij het bepalen van de hoogte van de ‘compensatory allowance’ niet onredelijk om uit te gaan van een bedrag van € 15.000,-- per maand om deze inkomensongelijkheid te compenseren. De rechtbank neemt voorts als aanknopingspunt een periode van 100 maanden. De man heeft dan de leeftijd bereikt van 67 jaar. De rechtbank is van oordeel dat het niet onrealistisch is te verwachten dat de man tot die leeftijd eerder genoemd inkomen genereert. Indien uitgegaan wordt van € 15.000,-- x 100 maanden komt dit neer op een bedrag van € 1.500.000,--. De rechtbank vindt dit gelet op alle omstandigheden een redelijk bedrag dat recht doet aan de inkomensongelijkheid van partijen na de echtscheiding.


De man heeft verzocht om in het geval de rechtbank aan de vrouw een ‘compensatory allowance’ toekent, te bepalen dat hij dit in 5 termijnen kan betalen. De vrouw heeft zich niet verzet tegen een betaling in termijnen. Het recht van [land 2] laat toe dat de ‘compensatory allowance’ in (maximaal) 5 termijnen betaald wordt. De rechtbank acht, gelet op de hoogte van het totaalbedrag en het verwachte jaarlijkse inkomen van de man, 5 jaarlijkse termijnen aangewezen.

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de vrouw een ‘compensatory allowance’ moet worden toegekend van € 1.500.000,--, door de man te betalen in 5 jaarlijkse termijnen van € 300.000,--. De rechtbank zal aldus beslissen en daarbij bepalen dat de 1e termijn voldaan moet worden uiterlijk op 1 augustus 2026 en de opvolgende 4 termijnen jaarlijks steeds uiterlijk op 1 augustus, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na de dag waarop de man een termijnbetaling aan de vrouw moet hebben voldaan.

Op de zitting is gebleken dat de man een maandelijks bedrag van AUS$ 15.000,-- aan de vrouw betaalt. De rechtbank merkt hierbij op dat dit niets afdoet aan het voormelde bedrag van de ‘compensatory allowance’ die de rechtbank aan de vrouw zal toekennen.

Verzoek man tot schadevergoeding

Artikel 205-3 MBW luidt als volgt (vrije vertaling vanuit Bergmann en Ferid):

“Ongeacht enige andere vergoeding die hij verschuldigd is als gevolg van de toepassing van de voorgaande artikelen, kan de echtgenoot tegen wie de echtscheiding is uitgesproken, worden opgedragen schadevergoeding te betalen voor de schade die zijn of haar echtgenoot heeft geleden als gevolg van de ontbinding van het huwelijk.”

De rechtbank zal het verzoek van de man om hem naar [jurisdictie 2] een schadevergoeding toe te kennen indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat er sprake is van door de vrouw gepleegd overspel, afwijzen. De rechtbank heeft reeds eerder overwogen dat het antwoord op de vraag wie van partijen al dan niet schuld heeft aan de echtscheiding in het midden gelaten kan worden. Echter, ook indien uitsluitend de vrouw schuld hebben aan de echtscheiding dan komt het verzoek van de man tot schadevergoeding naar het oordeel van de rechtbank niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank kan zich voorstellen dat de man emotionele pijn heeft (gehad) als gevolg van het einde van het huwelijk. De man heeft echter niet onderbouwd dat, en/of concreet gemaakt in welke vorm en tot welk bedrag, hij dientengevolge schade heeft geleden. Het is strijd met een goede procesorde om de man daarvoor alsnog een termijn te geven.

Afwikkeling huwelijkse vermogen, pensioen en verzoeken vrouw om informatie

Afwikkeling huwelijkse vermogen

Afwikkeling bestanddelen naar Nederlands recht

De rechtbank zal ten aanzien van de te bespreken bestanddelen de nummering aanhouden die zij in de beschikking van 12 september 2024 heeft gebruikt.

Ad 1 en 2. [bedrijfsnaam 2] SARL, [bedrijfsnaam 4] , [bedrijfsnaam 5] , [bedrijfsnaam 6] en verzoek om informatie

Deskundige
Hoewel partijen in het kader van de verdeling over de waarde van de aandelen van de verschillende ondernemingen op de peildatum verschillen, heeft de rechtbank met de inmiddels verkregen aanvullende informatie de hierna volgende beslissingen in het kader van de verdeling van de ondernemingen kunnen nemen. Anders dan overwogen in de tussenbeschikking van 12 september 2024, is een (nadere) benoeming van een deskundige voor een waardebepaling daarom niet meer aan de orde.

[bedrijfsnaam 4]

Uit de door de man overgelegde stukken volgt dat op 9 mei 2023 een aandeelhoudersbesluit is genomen, mede ondertekend door de vrouw, om de onderneming op te heffen. Verder blijkt uit de door de man overgelegde stukken dat de onderneming is uitgeschreven uit het handelsregister. Tussen partijen is in geschil of de onderneming nog bestond op de peildatum (22 juni 2023). De rechtbank zal dit in het midden laten. Nu de man onweersproken heeft gesteld dat de onderneming nooit een bankrekening heeft gehad en ook nooit rekeningen heeft verstuurd of betaald, gaat de rechtbank ervan uit dat de waarde van de onderneming op de datum van opheffing nihil was en dat er geen verrekening hoeft plaats te vinden. Nu vaststaat dat de onderneming in ieder geval is opgeheven, kan deze niet meer aan een van partijen worden toegedeeld.

[bedrijfsnaam 5]

Uit de door de man overgelegde stukken, waaronder een brief van de Kamer van Koophandel van 21 oktober 2025 leidt de rechtbank af dat [bedrijfsnaam 5] een slapende onderneming is en dat de waarde van de onderneming nihil is. Voor zover deze onderneming nog bestaat, zal de rechtbank de aandelen van deze onderneming toedelen aan de man tegen een waarde van nihil zodat er ten aanzien hiervan niets te verrekenen valt.

[bedrijfsnaam 6]

De man heeft gesteld er vanuit deze onderneming al jaren geen zakelijke activiteiten meer zijn verricht, dat deze onderneming geen bankrekening heeft gehad en dat deze onderneming alleen nog bestaat omdat de vrouw weigert de opheffingsdocumenten te tekenen. Nu de vrouw deze stellingen van de man onvoldoende heeft betwist en verder niet is gebleken dat [bedrijfsnaam 6] enige waarde heeft, zal de rechtbank de aandelen van deze onderneming toedelen aan de man tegen een waarde van nihil zodat er ten aanzien hiervan niets te verrekenen valt.

[bedrijfsnaam 2] SARL
Bij de berekening van de ‘compensatory allowance’ heeft de rechtbank hiervoor reeds overwogen dat zij ervan uit gaat dat de ondernemingen [bedrijfsnaam 2] feitelijk fungeren als vehikel voor de man om op fiscaal vriendelijke wijze inkomsten te genereren en dat de inkomsten daaruit door partijen vervolgens feitelijk ook steeds werden geconsumeerd. Dit geldt ook voor [bedrijfsnaam 2] SARL. Uit de door de man overgelegde jaarstukken 2023 en 2024 van deze onderneming blijkt niet dat er sprake is van opgebouwde reserves. Evenmin is er sprake van onroerend goed of andere substantiële vaste activa. Op grond hiervan en met inachtneming van het feit dat met de toekomstige cashflow al rekening is gehouden bij de bepaling van de ‘compensatory allowance’ gaat de rechtbank ervan uit dat de aandelen in deze onderneming geen reële of substantiële te verdelen waarde vertegenwoordigen, anders dan de intrinsieke waarde van € 15.000,-- zoals blijkt uit de jaarrekening 2024. De rechtbank zal, gelet op het verzoek van de man, de aandelen in de onderneming toedelen aan de man. De rechtbank zal aan de (aandelen in deze) onderneming een waarde toekennen van € 15.000,--, zodat de man in het kader van de verrekening een bedrag van € 7.500,-- aan de vrouw dient te voldoen.

Ad 3. Bankrekeningen

Partijen hebben overeenstemming bereikt over het feit dat zij de saldi van alle bankrekeningen willen verdelen per datum indiening verzoekschrift, dat wil zeggen 22 juni 2023 (peildatum).

Aan de zijde van de vrouw bestaan de volgende bankrekeningen met de volgende saldi per peildatum:

- ANZ Access Advantage [bankrekening 1] met saldo AUD 3.115,60. Aan deze hoofdrekening zijn drie interne online spaarrekeningen verbonden:

 [spaarrekening 1] met saldo AUD 1.010,--;

 [spaarrekening 2] met saldo AUD 2.465,52;

 [spaarrekening 3] met saldo AUD 1.845,71;

  • ANZ Spaarrekening [spaarrekening 4] met saldo AUD 0,--;

  • ANZ Plusrekening [plusrekening] met saldo AUD 0,--.

Het totale saldo van deze rekeningen bedraagt: AUD 8.346,92. De man kan zich vinden in deze saldi. De rechtbank zal de saldi van deze bankrekeningen toedelen aan de vrouw, onder verrekening met de man van de helft van het totale saldo op de peildatum.

Aan de zijde van de man bestaan de volgende bankrekeningen:

  • Revolut; partijen zijn het er op de zitting over eens geworden dat uitgegaan kan worden van het saldo € 16.917,-- per peildatum;

  • LCL bankrekening [bankrekening 2] ; partijen verschillen van mening over het saldo op deze rekening per peildatum. De vrouw gaat uit van een saldo van € 151.251,--. De man gaat uit van een saldo van € 110.000,--. Nu van deze bankrekening geen exacte opgave is gedaan per peildatum, zal de rechtbank de bedragen middelen en uitgaan van een saldo van afgerond € 130.000,-- per peildatum.

Het totale saldo van deze rekeningen bedraagt: € 146.917,--. De rechtbank zal de saldi van deze bankrekeningen toedelen aan de man, onder verrekening met de vrouw van de helft van het totale saldo op de peildatum.

Verder hebben partijen nog de volgende gezamenlijke bankrekeningen:

  • ANZ Access Advantage [bankrekening 3] ; partijen zijn het er op de zitting over eens geworden dat uitgegaan kan worden van het saldo AUD 1.075,-- per peildatum;

  • LCL bankrekening [bankrekening 4] ; partijen zijn het er op de zitting over eens geworden dat uitgegaan kan worden van het saldo € 6.437,-- per peildatum.

De saldi van deze bankrekeningen dienen tussen partijen bij helfte te worden gedeeld.

De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw de ANZ bankrekening op haar naam zal voortzetten en dat de man de LCL bankrekening op zijn naam zal voortzetten, dan wel dat partijen deze gezamenlijke bankrekeningen zullen opheffen.


Ad 4. en 5. De inboedel, lijfgoederen en tassen

Partijen hebben tijdens de zitting bij het gerechtshof Den Haag overeenstemming bereikt over de inboedel in [land 1] en [land 2] en de handtassen van de vrouw. Deze overeenstemming houdt in dat de inboedel van beide partijen en de handtassen van de vrouw worden verdeeld met gesloten beurzen. Concreet betekent dit dat de man zijn inboedel in [land 2] behoudt en de vrouw haar inboedel in [land 1] en haar handtassen behoudt, waarbij partijen over en weer geen vergoeding aan elkaar verschuldigd zijn.

De rechtbank heeft reeds eerder geoordeeld dat ieder zijn eigen kleding en sieraden zal houden, zonder nadere verrekening.

Ad 6. Auto’s

De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat de enige auto die onder het Nederlandse recht valt, de Porsche 911 is, die inmiddels niet meer in eigendom van partijen is. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat zij zal uitgaan van een waarde van € 161.000,-- en dat de man onbetwist heeft gesteld dat er op de peildatum nog een schuld bestaat van € 35.663,-- ten aanzien van de financiering van de Porsche 911. De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat het in het kader van de verdeling voor de hand ligt dat de man de helft van de getaxeerde waarde van de auto minus de helft van de lening per peildatum aan de vrouw vergoedt, en vervolgens de resterende schuld voor zijn rekening neemt. De vrouw komt derhalve een bedrag toe van € 62.668,50.

Ad 7. [holding] en andere ‘stocks’

De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat [holding] daadwerkelijk bestaat, zeker gelet op de gemotiveerde betwisting van de man en dat de rechtbank deze daarom in het kader van de verdeling buiten beschouwing zal laten. De rechtbank heeft ook reeds geoordeeld dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat er nog andere ‘stocks’ zouden bestaan, zodat zij in het kader van de verdeling geen andere stocks zal meenemen.

Ad 8.’Superannuation’ en verzoek om informatie

Partijen zijn het er op de zitting over eens geworden dat zij ieder recht hebben op de helft van de waarde van de ‘superannuation’ en dat het niet in het belang van partijen is om de ‘superannuation’ nu af te kopen, omdat dat financieel nadelig is. Op de zitting heeft de man toegezegd dat hij bij de beheerder van de ‘superannuation’ zal nagaan of de vrouw als medebegunstigde op de polis gezet kan worden. Partijen zijn het er voorts over eens geworden dat als de vrouw niet als medebegunstigde op de polis gezet kan worden, zij de ‘superannuation’ zullen laten doorlopen tot 1 januari 2028 en dat beide partijen alsdan voor de helft gerechtigd zijn tot de uitkering. De rechtbank zal voor het geval de vrouw niet als medebegunstigde op de polis gezet kan worden bepalen dat de man binnen 2 weken na 1 januari 2028 inzage zal geven aan de vrouw over de hoogte van de ‘superannuation’ en bepalen dat de man er voor dient te zorgen dat de uitkering waar de vrouw recht op heeft uiterlijk op 1 februari 2028 zal zijn uitgekeerd aan de vrouw. De rechtbank ziet aanleiding om hieraan, zoals door de vrouw verzocht, een dwangsom te verbinden doch deze te matigen tot een bedrag van € 250,-- per dag met een maximum van € 25.000,--. .


Afwikkeling bestanddelen na 15 oktober 2020

De rechtbank zal ten aanzien van de te bespreken bestanddelen de nummering aanhouden die zij in de beschikking van 12 september 2024 heeft gebruikt.

De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat, in ieder geval, de volgende bestanddelen afgewikkeld moeten worden naar [jurisdictie 2] , nu deze zijn aangeschaft ná 15 oktober 2020:

  1. De Bitcoin;

  2. De aandelen in [bedrijfsnaam 3] ;

  3. De BMW;

  4. De Porsche Cayenne.

De Bitcoin

Op de zitting is besproken dat het aandeel in de Bitcoin reeds wordt genoemd in het door de man als productie 5 overgelegde overzicht van vermogensbestanddelen per 1 oktober 2020. Dit betekent dat de afwikkeling van het aandeel in de Bitcoin, anders dan de rechtbank in haar tussenbeschikking van 12 september 2024 heeft overwogen, naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld en deel uit maakt van de gemeenschap van goederen. Aan ieder komt alsdan de helft van de waarde van het aandeel in de Bitcoin toe. Dat de man eenzijdig heeft besloten om het aandeel in de Bitcoin aan zijn zoon te schenken, maakt dit niet anders. Zoals eerder overwogen geldt voor de waardering de datum van de feitelijke verdeling. Uit praktische overwegingen zal de rechtbank een datum bepalen die daar dicht bijzit, en daarom de datum van de zitting, 14 april 2026, aanhouden. Uit het door de man als productie 13 overgelegde waarde-overzicht per 27 augustus 2023 blijkt dat de man 0,512 Bitcoin aanhield. In zijn verzoekschrift geeft de man aan dat dit aandeel in de Bitcoin aan een van beiden toegedeeld ofwel gesplitst dient te worden. De rechtbank zal er daarom vanuit gaan dat op de peildatum 22 juni 2023 0,512 Bitcoin deel uit maakte van de gemeenschap van goederen. Uit openbare bronnen beschikbare informatie volgt dat de waarde van de Bitcoin op 14 april 2026 USD 74.165,--. 0,512 x USD 74.165 = USD 37.972,48 bedroeg. De man dient derhalve de helft van laatstgenoemd bedrag aan de vrouw te vergoeden. Nu de man de Bitcoin, zoals hij gesteld heeft, aan zijn zoon heeft geschonken, komt deze niet meer voor verdeling in aanmerking.

De overige bestanddelen

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wijze waarop de verdeling naar [jurisdictie 2] zal moeten worden vastgesteld, waaronder de peildatum voor de omvang en voor de waardering, waarbij zij eveneens moesten stellen en onderbouwen waar dit concreet toe leidt.

De vrouw heeft zich voor wat betreft de peildatum op het standpunt gesteld dat de naar het recht van [land 2] de beschikking waarin de Monegaskische rechter de echtscheidings-procedure bevestigt, de peildatum is voor de omvang van en samenstelling van de bestanddelen. Nu volgens de vrouw een dergelijke beschikking in [land 2] dicht op het begin van het proces wordt afgegeven, sluit volgens de vrouw de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 22 juni 2023, als beste bij deze peildatum aan. De man sluit zich aan bij wat de vrouw naar voren heeft gebracht, met dien verstande dat het volgens hem niet relevant is wanneer de peildatum is, nu er uitsluitend sprake is van privévermogen. De rechtbank zal partijen voor wat betreft de peildatum volgen en de peildatum 22 juni 2023 hanteren.

De vrouw heeft verder gesteld dat naar het recht van [land 2] geen wijziging van het regime plaatsvindt enkel door het van toepassing worden van het [jurisdictie 2] . Om het regime daadwerkelijk te wijzigen, is het volgens de vrouw noodzakelijk dat partijen een gerechtelijke procedure aanhangig maken, terwijl zij hieraan voorafgaand bij de notaris een contract tot wijziging van het regime – oftewel huwelijkse voorwaarden – moeten aangaan. De rechtbank gaat aan deze stelling van de vrouw voorbij omdat dit geen steun vindt in de wet. De rechtbank verwijst hiervoor naar artikel 1243 van het [wetboek] en dan met name naar de laatste alinea. Dit artikel luidt als volgt (vrije vertaling vanuit Bergmann en Ferid):

“Indien het de belangen van de familie rechtvaardigt, kunnen de echtgenoten bij notariële akte hun huwelijksvermogensregeling of overeenkomsten die op hun gemeenschap van toepassing zijn, wijzigen. De wijziging is onderhevig aan bevestiging door de Court of First Instance.

De aanvraag en de beslissing over rechterlijke bevestiging worden gepubliceerd overeenkomstig de artikelen 819–823.

De door de rechtbank bevestigde wijziging treedt in werking tussen de partijen als de bevestiging onbetwistbaar is geworden.

Het mag niet worden afgedwongen tegen derden wier recht is ontstaan vóór de publicatie die in artikel 821 is voorzien.

De wijziging van het huwelijksvermogensregime of de huwelijksovereenkomst die de gemeenschap van buitenlandse echtgenoten regelt, valt onder bovenstaande bepalingen als het huwelijksvermogensregime of de overeenkomst onder Monegaskische wetgeving is gesloten.”

De rechtbank gaat ook voorbij aan de stelling van de man dat er vanaf het moment dat het recht van [land 2] van toepassing is, uitsluitend sprake is van privévermogen. De rechtbank verwijst hiertoe naar artikel 1246 van het [wetboek] . Dit artikel luidt als volgt (vrije vertaling vanuit Bergmann en Ferid):

“Er wordt aangenomen dat elke echtgenoot eigenaar is van kleding, effecten, linnen en sieraden voor persoonlijk gebruik.

Behalve in het geval van bewijs van het tegendeel, dat op welke manier dan ook kan worden aangevoerd, behoort het overige roerende goed, inclusief geld en deciderende effecten, dat zich bevindt in de hoofdresidentie of in de verschillende woningen van de echtgenoten, volledig toe aan hen, zonder dat rekening hoeven te houden met het feit dat een van de echtgenoten de enige eigenaar is van het pand waarin de echtgenoten hun hoofdverblijf of woning hebben gevestigd.”

Op basis van deze wettelijke bepaling concludeert de rechtbank dat de op de peildatum aanwezige aandelen in [bedrijfsnaam 3] , de BMW en de Porsche Cayenne gemeenschappelijk zijn, tenzij bewijs van het tegendeel wordt geleverd. De rechtbank is van oordeel dat de man dit bewijs van het tegendeel niet heeft geleverd. De man heeft zijn stelling dat er op de peildatum uitsluitend sprake is van privévermogen niet onderbouwd. De rechtbank zal de man geen gelegenheid geven om deze stelling alsnog te onderbouwen. In deze langslopende echtscheidingsprocedure zijn partijen immers reeds twee maal in de gelegenheid geweest hun standpunten op de zitting mondeling te onderbouwen, en daarnaast zijn er vele schriftelijke rondes geweest. Het zou in strijd zijn met de goede procesorde om in deze eindfase nog een debat op dit punt toe te laten.

[bedrijfsnaam 3]

De vrouw heeft aanvullend verzocht bij tussenbeschikking te bepalen dat man de jaarstukken van Romas Marine FZCO ( [land 3] ) vanaf oprichting alsmede, aanvullend op het eerdere bevel van de rechtbank, de jaarstukken van 2024 van de overige ondernemingen, met de voornaamste documenten en gegevens waarop deze jaarstukken zijn gebaseerd, in het geding dient te brengen. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. De rechtbank vindt het aannemelijk, zoals de man op de zitting heeft gesteld, dat de waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] nagenoeg nihil is. De rechtbank gaat ervan uit dat [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] feitelijk identiek zijn en op dezelfde manier gedreven worden, zoals de vrouw ook op zitting gesteld heeft. De rechtbank heeft bij de bespreking van de ‘compensatory allowance’ reeds overwogen dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de ondernemingen Romas Marine feitelijk fungeren als vehikel voor de man om op fiscaal gunstige wijze inkomsten te genereren en dat de inkomsten daaruit door partijen vervolgens feitelijk ook steeds werden geconsumeerd. De rechtbank is er bij de berekening van de ‘compensatory allowance’ vanuit gegaan dat de man jaarlijks om en nabij € 1.000.000,-- uit de ondernemingen haalde, terwijl er geen winsten in de ondernemingen achterbleven en/of reserves of kapitaal werd opgebouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten voor het toekennen van enige intrinsieke waarde aan de aandelen in [bedrijfsnaam 3] . De rechtbank zal de aandelen van [bedrijfsnaam 3] toedelen tegen een waarde van nihil, zodat er ten aanzien hiervan niets te verrekenen valt.

De BMW en de Porsche Cayenne

De man heeft gesteld dat de Porsche Cayenne door de man is verkocht (ingeruild) voor € 90.000,--, terwijl de uitstaande geldlening op dat moment € 103.821,-- was. De vrouw heeft de stelling van de man betwist en wenst een nieuwe onafhankelijke taxatie.

De vrouw heeft op haar beurt gesteld dat zij de BMW heeft laten taxeren op 3 oktober 2024 en dat deze toen getaxeerd is op AUD 40.000,--. Over de huidige waarde van de BMW hebben partijen geen uitlatingen gedaan.

De rechtbank zal de BMW toedelen aan de vrouw. Nu de Porsche Cayenne is ingeruild kan deze niet meer worden toegedeeld aan de man. De rechtbank zal echter wel bepalen dat de man de lening die hij is aangegaan voor de Porsche Cayenne voor zijn rekening dient te nemen. Over en weer zijn partijen geen verrekening van de waarden verschuldigd. De rechtbank kan op dit punt niet anders kan beslissen, nu beide partijen onvoldoende stukken hebben overgelegd met betrekking tot beide auto’s en de geldlening.

Pensioen

Zoals reeds overwogen in de beschikking van deze rechtbank van 12 september 2024 zijn partijen overeengekomen dat zij beiden hun eigen pensioen zullen behouden.

Verrekening voorschotten

Partijen zijn het erover eens dat de door de man aan de vrouw betaalde voorschotten – niet zijnde het maandelijkse bedrag van AUD 15.000,-- dat de man uit hoofde van levensonderhoud aan de vrouw heeft voldaan – in de finale verrekening zullen worden meegenomen. Nu hierover geen verzoek is ingediend zal de rechtbank hierover niet beslissen.


Proceskosten

De vrouw verzoekt aanvullend om veroordeling van de man in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg. De man heeft verzocht de proceskosten zoals te doen gebruikelijk te compenseren.

De rechtbank zal de rechtbank de proceskosten, zoals te doen gebruikelijk in procedures van familierechtelijke aard, compenseren als hierna vermeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze algemene regel af te wijken.

Verzoeken benoeming deskundige en het overleggen van informatie

Uit het voorgaande vloeit voort dat de verzoeken tot het benoemen van een deskundige en het overleggen van (financiële) informatie bij gebrek aan belang dienen te worden afgewezen. De rechtbank zal aldus beslissen.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de man aan de vrouw een ‘compensatory allowance’ dient te voldoen van € 1.500.000,--, te betalen in 5 jaarlijkse termijnen van € 300.000,--, waarbij de 1e termijn voldaan moet worden uiterlijk op 1 augustus 2026 en de opvolgende 4 termijnen jaarlijks steeds uiterlijk op 1 augustus, iedere termijn te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na de dag waarop de man de betreffende termijnbetaling aan de vrouw moet hebben voldaan, tot aan de dag van voldoening;

*

stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen naar Nederlands recht als volgt vast:

1. aan de man worden toegedeeld:

1.1

de aandelen van [bedrijfsnaam 5] ,tegen een waarde van nihil;

1.2

de aandelen van [bedrijfsnaam 6] , tegen een waarde van nihil;

1.3

de aandelen van [bedrijfsnaam 2] SARL, onder verrekening van de helft van de waarde van € 15.000,--, derhalve € 7.500,--, met de vrouw;

1.4

de saldi van de volgende bankrekeningen op de peildatum 22 juni 2023:

 Revolut (saldo € 16.917,--);

 LCL bankrekening [bankrekening 2] (saldo € 130.000,--);

onder verrekening van de helft van het totale saldo van € 146.917,--, derhalve € 73.458,50, met de vrouw;

1.5

de helft van het saldo op de bankrekening ANZ Access Advantage [bankrekening 3] (saldo AUD 1.075), derhalve AUD 537,50, waarbij het aan partijen is om deze bankrekening al dan niet op te heffen;

1.6

de helft van het saldo op de LCL bankrekening [bankrekening 4] (saldo € 6.437,--), derhalve 3.218,50, waarbij het aan partijen is om deze bankrekening al dan niet op te heffen;

1.7

de inboedel in [land 2] , zonder verrekening van de waarde met de vrouw;

1.8

de eigen kleding en sieraden, zonder verrekening van de waarde met de vrouw;

2. aan de vrouw worden toegedeeld:

2.1

de saldi van de volgende bankrekeningen op de peildatum 22 juni 2023:

 ANZ Access Advantage [bankrekening 1] (saldo AUD 3.115,60), met aan deze hoofdrekening drie interne online verbonden spaarrekeningen:

 [spaarrekening 1] (saldo AUD 1.010,--);

 [spaarrekening 2] (saldo AUD 2.465,52);

 [spaarrekening 3] (saldo AUD 1.845,71);

 ANZ Spaarrekening [spaarrekening 4] (saldo AUD 0,--);

 ANZ Plusrekening [plusrekening] (saldo AUD 0,--);

onder verrekening van de helft van het totale saldo van AUD 8.346,92, derhalve AUD 4.173,46,--, met de man;

2.2

de helft van het saldo op de bankrekening ANZ Access Advantage [bankrekening 3] (saldo AUD 1.075), derhalve AUD 537,50, waarbij het aan partijen is om deze bankrekening al dan niet op te heffen;

2.3

de helft van het saldo op de LCL bankrekening [bankrekening 4] (saldo € 6.437,--), derhalve 3.218,50, waarbij het aan partijen is om deze bankrekening al dan niet op te heffen;

2.4

de inboedel in [land 1] , zonder verrekening van de waarde met de man;

2.5

de handtassen, zonder verrekening van de waarde met de man;

2.6

de eigen kleding en sieraden, zonder verrekening van de waarde met de man;

3. bepaalt dat de man de helft van de getaxeerde waarde van de Porsche 911 van € 161.000,-- minus de helft van de lening van € 35.663,-- per peildatum 22 juni 2023, derhalve een bedrag van € 62.668,50 aan de vrouw vergoedt en dat de man de resterende schuld voor zijn rekening neemt;

4. - bepaalt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de ‘superannuation’, waarbij de man zal nagaan of de vrouw als medebegunstigde op de polis gezet kan worden en als de vrouw niet als medebegunstigde op de polis gezet kan worden, partijen de ‘superannuation’ zullen laten doorlopen tot 1 januari 2028 en beide partijen voor de helft gerechtigd zijn tot de uitkering die dan op verzoek van de man zal worden gedaan;

- bepaalt dat de man binnen 2 weken nadat duidelijk is dat de vrouw niet als medebegunstigde op de polis gezet kan worden, dit meedeelt aan de vrouw;

- bepaalt dat de man binnen 2 weken na 1 januari 2028 inzage zal geven aan de vrouw in de hoogte van de ‘superannuation’ per die datum, en dat de man er voor zorgt dat de uitkering waar de vrouw recht op heeft uiterlijk op 1 februari 2028 aan de vrouw zal zijn uitgekeerd, op straffe van een door de man aan de vrouw te betalen dwangsom van
€ 250,-- per dag dat de man hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,--;

5. bepaalt dat de man USD 18.986,24 aan de vrouw dient te voldoen, zijnde de helft van de waarde van het aandeel Bitcoin van USD 37.972,48,-- dat partijen op de peildatum 22 juni 2023 hadden;

stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen naar [jurisdictie 2] als volgt vast:

1. aan de man worden toegedeeld:

1.1.

de aandelen van [bedrijfsnaam 3] , tegen een waarde van nihil;

2. aan de vrouw worden toegedeeld:

2.1.

de BMW, zonder verrekening van de waarde met de man;

3. bepaalt dat de man de lening die hij is aangegaan voor de Porsche Cayenne voor zijn rekening neemt, zonder verrekening met de vrouw;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, A.M. van der Vliet en M.E. Visser, rechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juni 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733