Essentie (gemaakt door AI)
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Partijen hebben overeenstemming over toedeling van de voormalige echtelijke woning aan man voor € 265.000, ook zonder ondertekend convenant; grief van vrouw over hertaxatie faalt en bekrachtiging volgt. Vraag of toekomstige letselschade-uitkering van man moet worden betrokken in de verrekening kan thans niet worden beoordeeld wegens onduidelijkheid over aard en omvang; afwijzing met verbetering van gronden. Partneralimentatie niet meer aan de orde na intrekking verzoek vrouw.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 24-07-2026 |
| Zaaknummer | 200.356.206/01 en 200.356.207/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Verdeling; Titel 8 Huwelijksvoorwaarden; Verknochtheid |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Er is overeenstemming over de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de voormalige echtelijke woning ook al is er geen alomvattend convenant getekend. Vraag of toekomstige letselschade-uitkering al dan niet is verknocht aan de man en dientengevolge al dan niet moet worden betrokken in de verrekening van de pseudo-gemeenschap kan op dit moment niet worden beoordeeld.Volledige uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.356.206/01 en 200.356.207/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 147205 en 148876)
beschikking van 16 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de vrouw),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. J. Scholtens te Stadskanaal,
en
[verweerder] (de man),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. K.J. Kanning te Assen.
1De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 maart 2025 (de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 20 juni 2025;
- een brief namens de vrouw van 21 juli 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vrouw van 28 augustus 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vrouw van 9 oktober 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vrouw van 28 april 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 30 april 2026 met bijlage(n);
- twee journaalberichten namens de vrouw van 1 mei 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 7 mei 2026 met bijlage(n);
- een e-mail namens de vrouw van 7 mei 2026 met bijlage(n).
Op 16 september 2025 heeft het hof een beschikking gegeven met betrekking tot het schorsingsverzoek. Daarin is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in dat verzoek.
De mondelinge behandeling heeft op 12 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren de partijen met hun advocaten aanwezig en heeft mr. Scholtens het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen.
3De feiten
Partijen zijn [in] 2014 gehuwd na huwelijkse voorwaarden te zijn overeengekomen. In deze huwelijkse voorwaarden, die op 28 maart 2014 zijn vastgelegd, is voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:
“
Tussen de echtgenoten zal bestaan een gemeenschap van inboedel. De echtgenoten sluiten elke andere gemeenschap van goederen uit.
[…]
1. Een echtgenoot heeft, met inachtneming van hetgeen hierna in lid 11 is bepaald, een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking voor zover hierna niet anders is bepaald.
[…]
De echtgenoten komen geen periodieke verrekening van inkomen overeen.
[…]
Ingeval het huwelijk eindigt door echtscheiding of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken heeft ieder van de echtgenoten het recht om te vorderen dat er een verrekening van hun vermogens plaatsvindt, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest, indien de wettelijke gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten had bestaan.
Van deze verrekening worden uitgezonderd:
a. de ingevolge artikel 10 van deze huwelijkse voorwaarden betaalde premies en koopsommen van levensverzekering en al hetgeen overigens in dit verband wordt verschuldigd;
b. goederen die door de echtgenoten krachtens erfrecht of schenking zijn verkregen, en de op die verkrijgingen drukkende schulden, waaronder begrepen de wegens die verkrijgingen geheven belastingen als erf- en schenkbelasting;
c. al hetgeen voor bovenbedoelde goederen in de plaats is getreden door belegging of herbelegging;
d. de opbrengsten van de sub a tot en met c bedoelde goederen alsmede de opbrengsten van de sub c bedoelde goederen.
[…]
Ingeval een verrekening dient plaats te vinden op grond van het hiervoor bepaalde, zijn op de afwikkeling van een verrekenbeding de volgende bepalingen van toepassing:
1. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van het einde van het huwelijk door overlijden of in geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, per de dag waarop het echtscheidingsverzoek daartoe is ingesteld.
2. De beschrijving van de vermogens zal plaats hebben binnen zes (6) maanden na het einde van het huwelijk of de scheiding van tafel en bed.
3. De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert, zo, dat ieder van hen de helft geniet van het vermogen als omschreven in het verrekenbeding. De echtgenoten kunnen in onderling overleg overeenkomen dat de vergoeding voortvloeiende uit het verrekenbeding wordt voldaan anders dan in contanten.
4. Voor wat betreft de waardering van de goederen, de vorm van de handeling, de personen die aan de verrekening moeten meewerken, en de oplossing van gerezen geschillen, geschiedt de verrekening op de wijze die de wet voorschrijft bij verdeling van gemeenschappen.
[…]
De echtgenoten zijn ten opzichte van elkaar verplicht een zodanige administratie bij te houden, dat de rechten en plichten voortvloeiende uit deze huwelijkse voorwaarden daaruit kunnen worden opgemaakt.
Zij zijn verplicht elkaar daarvan op eerste verzoek inzage te geven, alsmede om elkaar alle overige inlichtingen te geven, in verband met de naleving van deze huwelijkse voorwaarden.
[…]”
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] [woonplaats] (de woning). De woning is in 2023 getaxeerd door makelaar [makelaar] op een waarde van € 265.000,-.
De vrouw heeft op 14 maart 2024 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 21 maart 2025 de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk van partijen is op 17 april 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank verder, voor zover hier van belang, bepaald dat de woning aan de [adres] te [woonplaats] aan de man wordt toegedeeld, tegen de waarde van € 265.000,-, onder de verplichting om de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening ter zake deze woning en de vrouw de helft van de overwaarde te vergoeden en de verzoeken met betrekking tot de letselschadeuitkering van de man en de partneralimentatie afgewezen.
De vrouw heeft bij het beroepschrift tegen de bestreden beschikking het hof ook gevraagd om de werking van die beschikking te schorsen. Bij de mondelinge behandeling van dat schorsingsverzoek op 9 september 2025 hebben partijen afspraken gemaakt, waarna de vrouw het schorsingsverzoek heeft ingetrokken. Partijen hebben afgesproken dat:
-
de vrouw de voormalige echtelijke woning uiterlijk op 17 oktober 2025 zal verlaten en de man de voormalige echtelijke woning tot dat moment niet zal betreden, behoudens voor zover het gaat om de uitvoering van de zorgregeling met de kinderen;
-
de vrouw haar medewerking zal verlenen aan de (notariële) levering van de voormalige echtelijke woning aan de man tegen een waarde van € 265.000,-, zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking van 21 maart 2025 is bepaald, onder de verplichting dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening ter zake deze woning wordt ontslagen en de helft van de overwaarde op basis van de waarde van € 265.000,- aan haar wordt vergoed;
-
de vrouw handhaaft haar grief in de hoofdzaak die betrekking heeft op de waarde waartegen de voormalige echtelijke woning tussen partijen dient te worden verrekend;
-
bij gelegenheid van de levering van de woning zal rekening worden gehouden met de investering van € 15.907,57 die de vrouw in de woning heeft gedaan en ter zake waarvan haar een vergoedingsrecht toekomt, zoals in de bestreden beschikking is overwogen;
-
de man zal ervoor zorgdragen dat de voormalige echtelijke woning goed wordt onderhouden tot het moment dat deze eventueel op grond van de uitkomst in de
hoofdzaak opnieuw zal moeten worden getaxeerd.
Deze afspraken zijn vastgelegd in de beschikking van het hof van 16 september 2025.
Partijen hebben uitvoering gegeven aan de afspraken. Op 21 januari 2026 is een akte van verdeling gepasseerd. Daarbij is de woning aan de man geleverd onder de verplichting de hypotheekschuld voor zijn rekening te nemen. Voor de waarde van de woning is uitgegaan van € 265.000,-. Daarbij is in de akte aangetekend dat partijen van mening verschillen over deze waarde en dat daarover een beroepsprocedure loopt. Aan de vrouw is een overbedelingssom uitgekeerd van € 86.960,-. In de slotverklaring van de akte is opgenomen dat de beroepsprocedure over de waarde van de woning nog loopt, waardoor de deelgenoten bekend zijn dat er op grond van deze procedure eventueel nog een aanvullend recht op verrekening of een vordering kan ontstaan.
4De omvang van het geschil
De vrouw is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Haar grieven zien - na intrekking van haar grieven onder II (vergoedingsrecht) en IV (voorgezet gebruik woning en inboedel) bij akte van 28 april 2026 - alleen nog op de waarde waartegen de woning wordt toegedeeld aan de man en op de afwijzing van haar verzoeken tot verdeling van de letselschadevergoeding en om partneralimentatie.
De vrouw heeft haar in eerste aanleg gedane verzoek met betrekking tot de letselschadevergoeding in hoger beroep aangevuld met een meer subsidiair verzoek en verzoekt, voor zover op dit moment nog aan de orde, het hof de bestreden beschikking te vernietigen op de punten waarop het hoger beroep ziet en in zoverre opnieuw beschikkende:
A. de echtelijke woning aan de man toe te delen, onder de verplichting de vrouw te laten
doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening en te
bepalen dat aan de vrouw toekomt een vergoeding ten bedrage van de helft van de nog te
taxeren waarde van de woning minus de openstaande hypothecaire geldlening;
B. te bepalen dat uit de letselschadevergoeding van de man aan de vrouw toekomt een
bedrag van € 96.844,- als mantelzorgvergoeding, subsidiair dat aan de vrouw toekomt de
helft van de nog door de man te bepalen letselschadevergoeding, meer subsidiair voor
recht te verklaren dat aan de vrouw toekomt de helft van de nog te ontvangen toekomstige
letselschadevergoeding van de man;
C. te bepalen dat de man aan de vrouw in de kosten van haar levensonderhoud met een
bedrag van € 1.000,- per maand zal bijdragen, dan wel een zodanige bijdrage als het hof
juist acht;
D. althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.
De man voert verweer en hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep of de verzoeken van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
Partneralimentatie (zaaknummer 200.356.207/01)
De vrouw heeft ter zitting haar grief tegen de afwijzing van haar verzoek om partneralimentatie ingetrokken. Dat betekent dat het hof daar geen beslissing meer over hoeft te nemen.
Verdeling van de eenvoudige gemeenschap en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (zaaknummer 200.356.206/01)
Partijen zijn verdeeld over de waarde waartegen de voormalige echtelijke woning aan de man moet worden toegedeeld en over de vraag of de letselschadevergoeding van de man in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden moet worden betrokken. Het hof zal deze geschilpunten hierna per onderwerp bespreken.
De woning
Partijen zijn samen eigenaar van de woning. Tussen hen bestaat dus een eenvoudige gemeenschap met betrekking tot de woning. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning aan de man moet worden toegedeeld. Partijen verschillen echter wel van mening over de waarde waartegen de woning aan de man moet worden toegedeeld. Volgens de vrouw moet de woning opnieuw worden getaxeerd en moet vervolgens van die waarde worden uitgegaan. Volgens de man hadden partijen afgesproken dat de woning tegen een waarde van € 265.000,- aan hem zou worden toegedeeld. Het hof volgt het standpunt van de man. De grief van de vrouw wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank zal op dit onderdeel worden bekrachtigd. Het hof legt die beslissing hierna uit.
Het hof is van oordeel dat vast is komen te staan dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de toedeling van de woning aan de man voor € 265.000,-. Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat, nadat het besluit om te gaan scheiden was genomen, zij het erover eens waren dat de woning aan de man zou worden toegedeeld. De vrouw had geen werk en was daarom niet in staat de woning over te nemen. Partijen hebben toen gezamenlijk opdracht gegeven aan [makelaar] om de woning te taxeren. De waarde van de woning is door de makelaar getaxeerd op € 265.000,-. De vrouw heeft niet gesteld dat zij het niet eens was met deze taxatie. Integendeel, ter zitting van het hof heeft zij verklaard dat zij zich destijds in die waarde kon vinden. Later hebben partijen geprobeerd tot een alomvattend convenant te komen. Dat de vrouw het eens was met de toedeling van de woning aan de man voor de getaxeerde waarde van € 265.000,- blijkt daarbij uit het feit dat de toenmalige advocaat van de vrouw deze afspraak had opgenomen in een concept echtscheidingsconvenant. Weliswaar is het partijen niet gelukt tot een alomvattend convenant te komen en is dit concept convenant niet ondertekend door partijen, maar dit doet er niet aan af dat er voor die tijd al overeenstemming was tussen partijen over de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de woning. Ten overvloede wordt opgemerkt dat niet is gesteld of gebleken dat de partijen, of hun advocaten namens hen, een voorbehoud hebben gemaakt dat zij slechts gebonden zouden zijn aan de eerdere overeenstemming over de woning als zij over alle geschilpunten overeenstemming hadden bereikt en dat de afspraken partijen niet zouden binden totdat het convenant ondertekend zou zijn. Het had wel op de weg van de advocaten gelegen om dit voorbehoud te maken als partijen niet gebonden wilden zijn aan de eerder gemaakte afspraak. Vast staat bovendien dat de toedeling van de woning aan de man tegen € 265.000,- in de daaropvolgende correspondentie tussen de advocaten niet ter discussie stond. Er waren andere geschilpunten die in de weg stonden aan de ondertekening van het convenant.
De letselschadevergoeding
De man heeft in verband met PTSS aanspraak gemaakt op een letselschadevergoeding bij zijn (voormalige) werkgever. Tijdens het huwelijk van partijen heeft de man een voorschot ontvangen van € 30.000,- dat partijen samen volledig hebben gebruikt. De man is nog in afwachting van een definitieve beslissing op zijn aanvraag. Op dit moment is niet bekend hoeveel de man zal ontvangen en ook niet waarvoor de man een vergoeding zal krijgen: voor gederfd inkomen, voor hulp in de huishouding, voor vergoeding van kosten en/of voor immateriële schade. Evenmin is bekend hoe de vergoeding in periodes uitgesplitst kan worden, met andere woorden: welk deel van de vergoeding op de huwelijkse periode ziet en welk deel van de vergoeding voor de na-huwelijkse periode is bedoeld. Dat betekent dat het verzoek van de vrouw tot verrekening van de letselschadevergoeding of een deel daarvan op dit moment niet kan worden toegewezen. Ook kan geen verklaring voor recht worden gegeven over de aanspraak van de vrouw op verrekening van deze vergoeding van de man, omdat de aard van de vergoeding niet bekend is.
De man beroept zich op verknochtheid. Het is aan de man om zijn stellingen te onderbouwen. Of in beginsel sprake kan zijn van verknochtheid hangt mede af van de uitleg van de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn daarin een finaal verrekenbeding overeengekomen, waarbij zij hebben afgesproken bij echtscheiding af te rekenen alsof tussen hen een wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan. Of partijen met deze ‘pseudo-gemeenschap’ niet slechts een methode van verrekening naar analogie van de gemeenschap van goederen zijn overeengekomen, maar ook de bepalingen met betrekking tot verknochtheid moeten worden toegepast, is een kwestie van uitleg.
1 Het is vervolgens ook aan de man om te stellen op welke schade van hem de vergoeding betrekking heeft opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja, in hoeverre die vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord.
2 Omdat er nog geen enkele duidelijkheid bestaat over de schadevergoeding kan niet gesteld en kan niet beoordeeld worden ten aanzien van welke schade(s) eventueel sprake zou kunnen zijn van verknochtheid. Het hof is van oordeel dat deze uitleg moet plaatsvinden wanneer er duidelijkheid is over de samenstelling van de letselschadevergoeding. Aan de beoordeling hiervan komt het hof, anders dan de rechtbank, dus nu niet toe. Het voorgaande brengt mee dat het hof weliswaar tot dezelfde conclusie komt als de rechtbank, namelijk dat het verzoek om te bepalen dat de vrouw aanspraak maakt op een deel van de vergoeding moet worden afgewezen, maar neemt niet de overwegingen van de rechtbank dat de wettelijke regeling over verknochtheid van overeenkomstige toepassing is over. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank weliswaar bekrachtigen, maar met verbetering van de gronden.
De man heeft toegezegd de vrouw te zijner tijd te informeren over de hoogte en de aard van de letselschadevergoeding als die is vastgesteld. De man is daartoe op grond van de huwelijkse voorwaarden ook verplicht. De man heeft zich bereid verklaard op dat moment met de vrouw in overleg te gaan over de vraag of haar nog een bedrag toekomt over de huwelijkse periode.
Proceskosten
Het hof zal de proceskosten van het hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt, omdat partijen met elkaar gehuwd zijn geweest.
6De beslissing
Het hof, beslissende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 maart 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met verbetering van de gronden waarop deze beslissing berust;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Leentjes, mr. A.P. de Jong-de Goede en mr. C. Coster, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 16 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
