Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-07-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4652

Essentie (gemaakt door AI)

Beschikking waarin kinder- en partneralimentatie opnieuw is vastgesteld. Het inkomen van vrouw wordt in periode 1 (27-6-2025 t/m 31-7-2025) aangevuld met beëindigingsvergoeding tot haar historische salaris inclusief bonus (€ 147.500); daarna (v.a. 1-8-2025) is de vergoeding opgesoupeerd en telt slechts loon + UWV. Hof kan vanaf 1-5-2026 geen draagkracht vrouw bepalen wegens onvoldoende gegevens. Vergoedingsrechten vrouw wegens kosten huishouding en vermogensverschuivingen onvoldoende onderbouwd. Afstorting bijzonder nabestaandenpensioen afgewezen volgens HR-lijn.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Nabestaandenpensioen niet afstorten: kans reëel aanwezig dat vrouw eerder overlijdt dan man
Uit partijdeskundigenbericht man volgt dat afstorting de belangen van de man op onaanvaardbare wijze raakt: achteruitgang en verslechtering van financiële positie holding. Ook risico dat vrouw door haar ziekte eerder overlijdt. Afwijzing.

Datum publicatie23-07-2026
Zaaknummer200.359.576 + 200.367.050
ProcedureHoger beroep
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie;
Pensioen; Pensioen van de DGA;
Familievermogensrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

De vrouw moet in periode 1 haar inkomen aanvullen met beëindigingsvergoeding. Tot en met juli 2025 kan zij haar salaris aanvullen tot het oude niveau. Periode 2 is de beëindigingsvergoeding opgesoupeerd en heeft zij inkomsten uit loondienst en een uitkering van het UWV. Hof beschikt over onvoldoende gegevens om een berekening te maken van de draagkracht vanaf moment dat vrouw een baan heeft en daarnaast nog inkomen van uitkering. De vrouw heeft vergoedingsrechten in verband met vermogensverschuivingen en kosten huishouding onvoldoende onderbouwd. Voor wat betreft de afstorting van het bijzondernabestaandenpensioen is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de liquide middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen zonder de liquiditeit van de onderneming in gevaar te brengen. Van afstorting kan dan ook geen sprake zijn (HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2658 en HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9458).

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.359.576 en 200.367.050

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland: 561152 en 567869)

beschikking van 16 juli 2026

in de zaak van

[de vrouw]

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. A.M. Backus

en

[de man]

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. A.H.J.M. van Hoof

1Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), op 27 juni 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 september 2025

  • het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties

  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep

  • een journaalbericht namens de vrouw van 13 april 2026 met producties 111 t/m 114 en 116 t/m 121

  • een journaalbericht namens de man van 14 april 2026 met productie 6 tot en met 9

  • een journaalbericht namens de man van 15 april 2026.

1.2

De mondelinge behandeling heeft op 24 april 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De vrouw is ook bijgestaan door mr. J.T. Gommer en de man door drs. J.M.J. Holtermans, partijdeskundigen.

2De kern van de zaak

2.1

Partijen zijn op 22 mei 2004 in Zeist met elkaar getrouwd op huwelijkse voorwaarden (akte van 12 mei 2004). Daarin hebben zij elke gemeenschap van goederen uitgesloten (artikel 1). Verder hebben zij een regeling ter zake van aansprakelijkheid voor schulden (artikel 2), vergoedingen (artikel 4) en de kosten van de huishouding met verval van rechten (artikelen 7 t/m 10) afgesproken. Ook hebben partijen afspraken gemaakt over pensioen en overige oudedagsvoorzieningen en de aanspraak op nabestaandenpensioen (artikelen 13 t/m 15). In deze huwelijkse voorwaarden is geen verrekenbeding opgenomen.

2.2

Op 8 maart 2012 hebben partijen hun huwelijkse voorwaarden gewijzigd. Hierin is opgenomen dat de huwelijkse voorwaarden de functie hebben om de vrouw te beschermen tegen ondernemingsrisico’s voortvloeiende uit de activiteiten van de man. Daarnaast is in de gewijzigde voorwaarden opgenomen dat partijen de gevolgen van de wettelijke gemeenschap van goederen niet meer te verstrekkend vinden indien hun huwelijk eindigt door overlijden, waarna een verrekenbeding is opgenomen voor het geval dat het huwelijk door overlijden eindigt.

2.3

Op diezelfde datum (8 maart 2012) zijn partijen bij notariële akte een vaststellingsovereenkomst aangegaan. Op grond van de vaststellingsovereenkomst heeft de vrouw een vordering op de man van € 150.000, in beginsel niet opeisbaar tijdens het huwelijk. Die vordering is inmiddels voldaan.

2.4

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] in Utrecht.

2.5

De man heeft op 8 augustus 2023 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Ook de vrouw heeft de rechtbank verzocht om de echtscheiding uit te spreken en beiden hebben nevenvoorzieningen verzocht.

2.6

De rechtbank heeft op 27 juni 2025, bij de bestreden beschikking, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en ook nevenvoorzieningen getroffen. De echtscheidingsbeschikking is op 24 oktober 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.7

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – voor zover in hoger beroep nog van belang – bepaald dat de man vanaf datum beschikking (27 juni 2025), bij vooruitbetaling, € 304 per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] en met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (24 oktober 2025), bij vooruitbetaling, € 460 bruto per maand aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Verder heeft de rechtbank alle verzoeken van de vrouw ter zake van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk afgewezen.

2.8

De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat de bestreden beschikking voor een deel wordt vernietigd en dat het hof de bijdrage voor [de minderjarige] vaststelt op € 504 per maand (kinderalimentatie) en voor haar op € 4.677 bruto per maand (partneralimentatie). Verder wil de vrouw dat het hof bepaalt dat de man aan haar ter zake van vergoedingsrechten € 380.403,39 + P.M. moet betalen, dan wel een bedrag dat het hof juist vindt, te betalen binnen veertien dagen na de te geven beschikking, met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag. Tot slot verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de man gehouden is om zorg te dragen voor afstorting van een bedrag ter grootte van de commerciële waarde van de aan de vrouw toekomende, in eigen beheer door de man opgebouwde, aanspraken op nabestaandenpensioen per peildatum, hetzij bij een professioneel verzekeraar, hetzij in een eigen door de vrouw op te richten pensioenlichaam, vast te stellen door een door beiden aan te wijzen pensioendeskundige. Daarbij dient te worden bepaald dat de man aan zijn afstortingsverplichting moet voldoen binnen één week na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op straffe van verbeurte van een dwangsom ten behoeve van de vrouw van € 5.000 voor iedere dag dat de man na die datum verzuimt aan zijn verplichting te voldoen.

2.9

De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid, althans tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw in hoger beroep. De bedoeling van zijn hoger beroep is dat het hof de vrouw veroordeelt tot het doen opheffen van het conservatoir beslag dat zij heeft doen leggen op (i) de onroerende zaak aan de [adres bedrijf] en (ii) alle aandelen van de man in [bedrijf] , binnen twee dagen na betekening van de te geven beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke is. Tot slot verzoekt de man het hof de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten.

2.10

De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn eiswijziging/ eisvermeerdering, dan wel in zijn incidenteel hoger beroep, althans tot afwijzing van zijn verzoeken, met veroordeling van de man in de kosten van dit geding.

2.11

Het hof beslist dat de beschikking voor wat betreft de vastgestelde kinder- en partneralimentatie moet worden vernietigd en voor wat betreft de vergoedingsrechten ter zake van de kosten van de huishouding en de (eigenaars)lasten van de privéwoning van de man moet worden bekrachtigd. Tot slot beslist het hof ter zake van de aanspraken op nabestaandenpensioen dat van afstorting nu geen sprake kan zijn en dat het conservatoir beslag moet worden opgeheven. Het hof licht dat hierna toe.

3De toelichting van de beslissingen van het hof

procesrechtelijk

3.1

De man maakt bezwaar tegen de door de vrouw bij journaalbericht van 13 april 2026 overgelegde productie 115. Hij voert daartoe aan dat niet duidelijk is op welke grief productie 115 betrekking heeft. De vrouw had deze productie tijdig, dus uiterlijk bij haar beroepschrift in het geding kunnen en behoren te brengen. Dit alles is in strijd met de in beginsel strakke twee-conclusieregel en met de eisen van een goede procesorde. Ook leidt dit tot een vertraging van het geding, aldus de man.

3.2.

Het bedoelde stuk is in overeenstemming met artikel 87 lid 6 Rv en artikel 1.4.5 van het procesreglement verzoekschriftenprocedures familiezaken gerechtshoven tijdig, dus meer dan tien dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling, overgelegd. Het hof heeft echter ter gelegenheid van de mondelinge behandeling beslist dat op productie 115 geen acht wordt geslagen, omdat de indiening van dit stuk, ook al is het stuk (net) op tijd ingediend, toch in strijd is met de goede procesorde. Het stuk is te omvangrijk om op deze termijn te doorgronden en bovendien gebaseerd op stukken waarover de vrouw al zeer geruime tijd beschikt.

3.3

Over en weer is bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van mr. J.T. Gommer aan de zijde van de vrouw en drs. J.M.J. Holtermans als partijdeskundige aanwezig aan de zijde van de man in het kader van het geschil over het nabestaandenpensioen. Het hof heeft beslist dat in het kader van gelijke proceskansen aan Holtermans als de partijdeskundige bijzondere toegang wordt verleend, nu mr. Gommer als advocaat voor de vrouw aanwezig is, eveneens specifiek ter zake van het geschil over het nabestaandenpensioen.

in principaal hoger beroep

alimentatieverzoeken

uitgangspunten en kernbedragen (dat wat niet in geschil is)

3.4

De ingangsdata voor de onderhoudsverplichtingen van de man in het kader van kinder- en partneralimentatie zijn niet in geschil. De rechtbank heeft de alimentatie voor [de minderjarige] vastgesteld per 27 juni 2025 en voor de vrouw per datum inschrijving echtscheidings-beschikking, dus per 24 oktober 2025.

3.5

De rechtbank heeft de behoefte van [de minderjarige] vastgesteld op € 815 per maand in 2022, geïndexeerd per 2025 afgerond € 953 per maand. Partijen zijn ook in hoger beroep het over dit bedrag eens, zodat dit voor het hof het uitgangspunt vormt bij de berekening van het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van [de minderjarige] .

3.6

De rechtbank heeft de aanvullende behoefte van de vrouw berekend op € 3.910 netto per maand, € 7.725 bruto per maand. Dat bedrag heeft de vrouw volgens de rechtbank nodig om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. Ook deze cijfers staan in hoger beroep niet meer ter discussie: geen van partijen heeft een grief tegen rechtsoverwegingen 3.26 tot en met 3.29 van de bestreden beschikking geformuleerd. Deze cijfers vormen voor het hof dan ook het uitgangspunt bij de berekening van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.

3.7

Het hof rekent bij beide partijen met de redelijke kosten van levensonderhoud op basis van de forfaitaire methode: een vast bedrag voor kosten van levensonderhoud van € 1.310 in 2025 voor de vrouw en € 1.465 in 2025 voor de (AOW-gerechtigde) man en met een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen (nbi). Van de beschikbare draagkrachtruime is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie.

3.8

Tot slot heeft de rechtbank aan de zijde van de vrouw rekening gehouden met een jaarlijkse lijfrentepremie van € 15.318, zodat ook het hof daar rekening mee houdt, nu in hoger beroep deze jaarlijkse premie niet ter discussie staat. In het kader van de vaststelling van partneralimentatie heeft de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden met de aflossing van € 250 per maand op een schuld en in het kader van de vaststelling van kinderalimentatie met een percentage zorgkorting van 25. Ook hier geldt dat partijen het erover eens zijn dat het hof met deze maandlast rekening houdt en ook met het door de rechtbank gehanteerde percentage zorgkorting.

de grieven van de vrouw zien op ieders inkomen voor draagkracht

3.9

De vrouw heeft in het kader van de vaststelling van kinder- en partneralimentatie twee grieven geformuleerd. In haar eerste grief klaagt zij over het door de rechtbank als uitgangspunt genomen inkomen van de man voor de vaststelling van zijn draagkracht en in haar tweede grief over de door de rechtbank vastgestelde draagkracht aan haar zijde.

inkomen man voor draagkracht in het kader van kinder- en partneralimentatie (grief 1)

3.10

Het inkomen van de man is niet langer in geschil. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat duidelijk is dat de man zich op dit moment geen bonus kan doen uitkeren. De stelling van de vrouw in haar eerste grief, dat het hof de draagkracht van de man opnieuw moet berekenen en daarbij rekening moet houden met een bonus van € 100.000, kan dan ook niet slagen. Wat de vrouw nog stelt over de (te hoge) personeelskosten (zie randnummer 35 van haar beroepschrift) kan niet tot een ander oordeel leiden, nu zij aan deze stelling geen consequentie heeft verbonden. Dit betekent dat het hof uitgaat van het feitelijke inkomen van de man zonder rekening te houden met een inkomen uit bonus.

3.11

De rechtbank heeft het besteedbare inkomen van de man berekend op € 5.491 per maand en een draagkracht in het kader van kinderalimentatie van € 1.665 per maand. Het inkomen van de man is door de rechtbank berekend en aan de hand van de inkomens in 2025: een brutoarbeidsinkomen van € 14.340, een bruto AOW-uitkering van € 20.201, een bruto uitkering pensioen van € 42.144, een bruto pensioen van Aegon en een bruto pensioen van Nationale Nederlanden van € 20.208, alles steeds per jaar. Dit inkomen en de daarbij behorende draagkracht in het kader van kinderalimentatie is, nu tegen de berekening daarvan verder geen grieven zijn gericht, tussen partijen niet in geschil.

inkomen vrouw voor draagkracht in het kader van kinder- en partneralimentatie (grief 2)

3.12

De vrouw klaagt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat zij de door haar ontvangen beëindigingsvergoeding nog niet heeft verbruikt (grief 2). De rechtbank volgt daarbij ten onrechte het standpunt van de man dat voor haar inkomen moet worden uitgegaan van € 90.000 exclusief bonussen. Zij voert daartoe aan dat de beëindigingsvergoeding al is verbruikt. Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van haar huidige inkomen. De man voert verweer.

3.13

De grief van de vrouw slaagt voor een deel. Gebleken is dat structureel sprake is geweest van bonusuitkeringen aan de vrouw, te weten in ieder geval in de jaren 2013 tot en met 2015 en 2017 tot en met 2022. Alleen in 2016 is geen bonus uitgekeerd. Met ingang van 2023 wordt aan de vrouw geen bonus meer uitgekeerd. Anders dan de vrouw rekent het hof met een inkomen inclusief bonus van € 147.500. Dat is het salarisinkomen van € 90.000 vermeerderd met het gemiddelde aan uitgekeerde bonussen in 2021, 2022 en 2023 (van respectievelijk € 72.500, € 100.000 en € 0, dus € 57.500). Tot dat bedrag moet de vrouw haar inkomen na beëindiging aanvullen met de beëindigingsvergoeding van € 156.000 die de vrouw eind 2024 heeft ontvangen bij het einde van haar dienstverband bij de onderneming van de man. In het jaar 2024 heeft zij een WIA-uitkering van € 51.100 en is dus een aanvulling nodig van € 96.400 (€ 147.500 minus € 51.100). Er resteert in januari 2025 € 59.600 van de beëindigingsvergoeding. Vanaf januari 2025 heeft de vrouw een maandinkomen van € 4.097,70 en heeft zij maandelijks een aanvulling nodig van € 8.193,30. Het salaris inclusief bonus op jaarbasis is namelijk € 147.500/€ 12.291,66 op maandbasis (€ 12.291,66 minus haar salaris van € 4.097,70 = € 8.193,30). Dat betekent dat zij met dit bedrag tot en met juli 2025 haar salaris kan aanvullen tot het oude niveau.

3.14

Het hof berekent de draagkracht van de vrouw in twee periodes:

- periode 1: 27 juni 2025 tot en met 31 juli 2025, de periode dat de vrouw nog haar beëindigingsvergoeding kan aanwenden tot een inkomen van € 147.500, en

- periode 2: met ingang van 1 augustus 2025, de periode dat de beëindigingsvergoeding is opgesoupeerd en de vrouw inkomsten heeft uit loondienst bij het Rode Kruis en een uitkering van het UWV.

3.15

Vanaf 1 mei 2026 heeft de vrouw een baan bij de [werkgever vrouw] voor 18 uren per week. De vrouw heeft als productie 113 een pro forma salarisstrook overgelegd en in haar toelichting bij de brief van 13 april 2026 (zie journaalbericht van diezelfde datum) gesteld dat de [werkgever vrouw] bij de berekening ten onrechte de loonheffingskorting niet correct heeft toegepast. Daarnaast heeft de vrouw een brief van het UWV overgelegd (productie 114) met de verwachte inkomsten per maand per 1 mei 2026. In deze brief deelt het UWV aan de vrouw (ook) mee dat zij uiterlijk in augustus 2026 een brief met definitieve berekening van de uitkering vanaf 1 januari 2026 krijgt. Vorenstaande leidt ertoe dat het hof op dit moment over onvoldoende concrete gegevens beschikt om een berekening van de draagkracht van de vrouw te maken voor de periode met ingang van 1 mei 2026.

2025 (periode 1)

3.16

Tot en met juli 2025 rekent het hof voor de kinderalimentatie met een inkomen aan de zijde van de vrouw zoals hiervoor is overwogen, dus met een inkomen van € 147.500. Aan de hand van dit inkomen is haar netto besteedbaar inkomen ten behoeve van kinderalimentatie € 6.385 per maand (zie aangehechte berekening).

(periode 2)

3.17

Het hof gaat met ingang van 1 augustus 2025 uit van het feitelijke inkomen van de vrouw, haar jaarsalaris bij het Rode Kruis 2025 van € 14.680 en het jaarinkomen UWV 2025 van € 47.766. Uit de aangehechte berekening blijkt dat de vrouw een netto besteedbaar inkomen ten behoeve van kinderalimentatie heeft van € 3.250 per maand (zie aangehechte berekening).

verdeling van de kosten van [de minderjarige]

periode 1

3.18

De man en de vrouw hebben samen een draagkracht van (€ 1.665 + € 2.211 =) € 3.876 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [de minderjarige] te betalen. Het aandeel van de man minus de zorgkorting is € 171 (en het aandeel van de vrouw € 544) (zie aangehechte berekening).

periode 2

3.19

De man en de vrouw hebben per 1 augustus 2025 samen een draagkracht van (€ 1.665 + € 676 =) € 2.341 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [de minderjarige] te betalen. Het aandeel van de man minus de zorgkorting is € 440 (en het aandeel van de vrouw € 275) (zie aangehechte berekening).

3.20

Nu er in totaal over de twee periodes niet minder kinderalimentatie aan de vrouw toekomt dan de rechtbank heeft beslist, wordt de vrouw niet slechter van haar eigen hoger beroep ondanks dat er in de eerste periode door het hof een lager bedrag aan kinderalimentatie aan haar wordt toegekend dan de rechtbank heeft gedaan.

bijdrage man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw en vergelijking (aan de hand van de inkomens en cijfers van periode 2)

3.21

Uit de berekening volgt dat de draagkracht van de man € 958 bruto per maand bedraagt (zie aangehechte berekening). Dit betekent dat de man niet geheel in de (aanvullende) gebruteerde behoefte van de vrouw (r.o. 3.6) kan voorzien. De man zal in beginsel zijn volledige draagkracht (na voldoening van de kinderalimentatie) moeten aanwenden.

3.22

In het algemeen geldt dat de partner die alimentatie ontvangt niet in een betere financiële positie mag komen door de partneralimentatie dan de onderhoudsplichtige. Het hof vergelijkt de netto besteedbare inkomens van partijen na betaling van de berekende partneralimentatie met elkaar en berekent daarmee bij welk bedrag aan partneralimentatie het netto besteedbare inkomen van partijen gelijk is.

3.23

Het hof stelt vast dat de vrouw na betaling van de berekende partneralimentatie geen hoger netto besteedbare inkomen heeft dan de man, zodat er geen aanleiding is om het onder 3.21 berekende bedrag naar beneden bij te stellen.

kinder- en partneralimentatie

3.24

Het hof zal de berekende kinder- en partneralimentatie dan ook vaststellen op de hiervoor berekende bedragen en de bestreden beschikking onder 4.3 en 4.4 vernietigen.

vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk

vergoedingsrechten in verband met vermogensverschuivingen en kosten huishouding (grief 3)

3.25

In haar derde grief klaagt de vrouw dat de rechtbank van oordeel is dat het door de vrouw zelf opgestelde overzicht (productie 14 bij verweerschrift in eerste aanleg) op zichzelf onvoldoende is om als bewijs te dienen dat de door haar genoemde kosten zijn voldaan. De rechtbank gaat uit van een overzicht dat later is aangepast en vervangen door productie 29 concretisering verzoek afwikkeling huwelijkse voorwaarden eerste aanleg. Vervolgens miskent de rechtbank dat de vrouw dit overzicht heeft onderbouwd met nadere bewijsstukken. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw om te bepalen dat aan haar een vergoedingsrecht toekomt van € 380.403,39 ten onrechte afgewezen. De man voert verweer.

3.26

De betreffende artikelen van de huwelijkse voorwaarden luiden als volgt:

Vergoedingen

Artikel 4

De echtgenoten zijn, voor zover zij niet anders overeenkomen, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de

andere echtgenoot, naar de waarde op de dag van de onttrekking.

Deze vergoeding is terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.

(…)

Kosten huishouding

Artikel 7

De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen, van de door de echtgenoten geadopteerde kinderen, en van de kinderen die met beider toestemming in het

gezin zijn op genomen, wat de laatste kinderen betreft voor zover deze kosten niet ten laste van derden komen, alsmede de kosten van ontwikkeling en ontspanning van de gezinsleden, worden voldaan uit het inkomen van de partij [de man] ; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan naar rato van het inkomen van partijen. Voorzover deze inkomens ontoereikend zijn, dan worden deze kosten voldaan naar rato van het vermogen van partijen.

Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, de

huurprijs voor de echtelijke woning en renten van geldleningen aangegaan ten behoeve van de financiering van voor het gemeenschappelijke huishouden bestemde zaken zoals de echtelijke woning, de vakantiewoningen en de inboedel.

Ieder van de partijen voldoet en draagt de kosten en lasten welke zijn verbonden aan de auto(’s), waarvan het kenteken op zijn naam is gesteld.’

(…)

Verval van rechten

Artikel 10

Het recht tot het vorderen van het te veel bijgedragene in de kosten van de huishouding als bedoeld in artikel 7 vervalt drie jaar na het einde van het desbetreffende kalenderjaar.

(…)’

3.27

Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stellingen ter zake van de kosten van de huishouding onvoldoende heeft onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft de vrouw niet aangetoond wat de totale kosten van de huishouding in de periode tussen 2012 en 2023 zijn geweest. Nog daargelaten dat, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, in de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding is opgenomen voor het recht tot het vorderen van te veel bijgedragen kosten in de huishouding. Het recht vervalt drie jaar na het einde van het desbetreffende kalenderjaar, zodat een claim in de periode vanaf 2012 tot en met drie jaar voor indiening van de vordering (bij verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken in eerste aanleg op 25 oktober 2023) niet aan de orde is. Naar het oordeel van het hof is het beding, anders dan de vrouw stelt, niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het is aan de vrouw om daartoe voldoende feiten en omstandigheden aan te voeren. Door de vrouw zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de vrouw op dit punt te houden aan de overeengekomen huwelijkse voorwaarden. Voor de gestelde vermogensverschuivingen geldt het volgende. Wat van het vermogen van de vrouw naar het vermogen van de man is gegaan, heeft de vrouw niet aangetoond. De vrouw heeft de geldstromen niet inzichtelijk gemaakt. Het hof neemt na eigen onderzoek de overwegingen van de rechtbank onder 3.43 van de bestreden beschikking over en maakt deze tot de zijne. Ook in hoger beroep is niet komen vast te staan dat de vrouw de eigenaarslasten en verbouwingen van de privéwoning van de man heeft voldaan. Sluitend bewijs, bijvoorbeeld door middel van opvolgende bankafschriften, ontbreekt. Uit het betoog van de vrouw en de opsommingen van vermogensverschuivingen, is weliswaar duidelijk geworden dat er met gelden is geschoven, maar inzicht in de herkomst van de gelden heeft de vrouw het hof niet kunnen verschaffen. Grief 3 faalt.

nabestaandenpensioen (grief 4)

3.28

In grief 4 klaagt de vrouw dat de rechtbank heeft geoordeeld dat zij geen recht heeft op afstorting van het bijzonder nabestaandenpensioen, met als onderbouwing dat uit artikel 15 van de huwelijkse voorwaarden zou blijken dat geen van partijen bij echtscheiding kan verlangen dat de aan hem/haar toekomende pensioen-/oudedagsaanspraken worden overgedragen naar een onafhankelijke verzekeraar. De vrouw verzoekt het hof haar oorspronkelijke verzoek inzake afstorting toe te wijzen. De man voert verweer.

3.29

Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. De eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, zullen in het algemeen meebrengen dat de echtgenoot die als directeur en enig aandeelhouder de rechtspersoon vertegenwoordigt waarin de pensioenaanspraak is ondergebracht, dient zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak. Van de gerechtigde echtgenoot kan in beginsel immers niet worden gevergd dat deze bij voortduring afhankelijk blijft van het beleid dat de andere echtgenoot ten aanzien van de betrokken rechtspersoon (en de onderneming waaraan deze verbonden is) voert en het risico moet blijven dragen dat het in eigen beheer opgebouwde pensioen te zijner tijd niet kan worden betaald. De beantwoording van de vraag of daarop in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt, moet geschieden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daarbij zal de omstandigheid dat onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te effectueren slechts dan tot ontkennende beantwoording van die vraag kunnen leiden indien de plichtige echtgenoot stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat de benodigde liquide middelen ook niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden in gevaar te brengen. 1

3.30

Ook geldt dat een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2). Wat door de man is aangevoerd is voldoende om aan deze derogerende werking van redelijkheid en billijkheid toe te komen. Het hof betrekt daarbij in zijn oordeel het memorandum van drs. J.M.J. Holtermans van 15 december 2025 (productie 5 bij verweerschrift in hoger beroep).

3.31

Daaruit blijkt immers dat door afstorting de belangen van de man op onaanvaardbare wijze in het gedrang zouden komen, omdat afstorting leidt tot een overduidelijke achteruitgang en verslechtering van de financiële positie en armslag van de holding. De uitkeringsverplichting tegenover de man komt daarmee op korte termijn in gevaar en het risico dat niet meer kan worden uitgekeerd is groot, evenals het risico dat de man ook zijn loonheffing in dat geval niet meer zal kunnen voldoen. Het ouderdomspensioen van de man is immers al ingegaan, terwijl voor de vrouw nog geen uitkeringsverplichting bestaat. Ook is door de man aannemelijk gemaakt dat het risico aanwezig is dat de vrouw, ondanks het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen partijen, ten gevolge van haar ziekte eerder dan de man overlijdt. Dat is, gelet op wat de vrouw over het verloop van haar ziekte heeft vermeld, niet ondenkbaar. In dat geval leidt dat tot de kans dat een aanzienlijk kapitaal aan de verzekeraar of (pensioen) BV vervalt, zonder dat dit kapitaal terugkeert bij de holding ten behoeve van de toekomstige uitkeringsverplichtingen van de holding jegens de man. Het grote leeftijdsverschil tussen partijen speelt ook een rol in de hoogte van het af te storten bedrag. Niet betwist is dat het gaat om een afstorting van € 785.927.

3.32

Alle feiten en omstandigheden in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de liquide middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen zonder de liquiditeit van de onderneming in gevaar te brengen. Van afstorting kan dan ook geen sprake zijn en de vrouw kan dat, gelet op het hiervoor overwogene onder 3.31, in redelijkheid ook niet van de man vergen. Voor zover al sprake is van een contractuele bepaling tot afstorting moet deze buiten toepassing blijven. Om die reden zal het hof in het midden laten hoe de huwelijkse voorwaarden over het recht op afstorting van het nabestaandenpensioen moeten worden uitgelegd. Grief 4 faalt.

in incidenteel hoger beroep

conservatoir beslag (eiswijziging/eisvermeerdering)

3.33

Met inachtneming van het hiervoor overwogene wijst het hof de door de man verzochte veroordeling van de vrouw om het conservatoire beslag op te heffen toe. Het hof ziet geen aanleiding om de verzochte dwangsom op te leggen, aangezien de vrouw in haar verweerschrift op het incidenteel hoger beroep (randnummer 8) al heeft betoogd dat het opheffingsverzoek van de man toewijsbaar is als het hof de aan het beslag ten grondslag liggende verzoeken van de vrouw afwijst. Nu dat laatste het geval is gaat het hof ervan uit dat de vrouw ook zonder dreiging van verbeurte van een dwangsom tot opheffing zal overgaan.

conclusie

3.34

In het principaal hoger beroep: Grief 1 van de vrouw hoeft geen bespreking, grief 2 slaagt voor een deel en grief 3 faalt. Grief 4 faalt eveneens.

In het incidenteel hoger beroep: de grief van de man slaagt voor een deel.

3.35

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke afwikkeling van het ontbonden huwelijk en de kinder- en partneralimentatie betreft.

4De beslissing

Het hof:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

4.1

vernietigt de beslissing onder 4.3 en 4.4 van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juni 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende:

4.2

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige]

- met ingang van 27 juni 2025 € 171 per maand,

- met ingang van 1 augustus 2025 € 440 per maand, en

zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

4.3

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 958 (bruto) per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

4.4

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juni 2025 voor het overige,

4.5

gelast de vrouw over te gaan tot opheffing van het conservatoire beslag op de onroerende zaak aan de Van Lyndenlaan 1 in Soest en op alle aandelen van de man in Water Control Holding BV,

4.6

verklaart de beschikking onder 4.2, 4.3 en 4.5 uitvoerbaar bij voorraad,

4.7

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, dat elke partij de eigen kosten draagt, en

4.8

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, H. Phaff en L. Hamer, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 16 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1

HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2658 en HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9458.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733