Rechtbank Amsterdam 02-07-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7451

Essentie (gemaakt door AI)

Beschikking waarin op grond van art. 1:250 BW bijzondere curatoren voor een minderjarige zijn benoemd. De Raad is niet-ontvankelijk in zijn verzoek, nu hij geen belanghebbende is art. 798 lid 1 Rv; ambtshalve benoeming kan dit niet repareren. De moeder is ontvankelijk in haar verzoek, dat wordt toegewezen. Twee bijzondere curatoren (niet-advocaat en advocaat) worden benoemd met onderzoeksopdracht en rapportagetermijn van zes maanden. Verdere beslissing wordt pro forma aangehouden.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Raad voor de Kinderbescherming kan niet om bijzondere curator verzoeken: geen belanghebbende
Uit art. 1:250 BW volgt dat een verzoek tot benoeming van een bijzondere curator kan worden gedaan door een belanghebbende. RvdK is geen belanghebbende ex art. 798 Rv. Verzoek moeder wel toewijsbaar: twee BC's benoemd.

Datum publicatie23-07-2026
ZaaknummerC/13/786441 / FA RK 26-3057
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Bijz. curator bij belangenstrijd (art. 1:250 BW);
Familieprocesrecht; Belanghebbende
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Benoemen bijzondere curator ogv artikel 1:250 BW. De Raad niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De moeder wel ontvankelijk in haar verzoek. Iedere verdere beslissing aangehouden pro forma.

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/786441 / FA RK 26-3057

Beschikking van 2 juli 2026 betreffende benoeming bijzondere curator (art. 1:250 BW)

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Amsterdam,

locatie Amsterdam,

hierna te noemen de Raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de moeder] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. A. El Aqde te Amsterdam,

en

2. [de vader] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. J.C. Daniëls te Amsterdam.

1De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, waaronder een raadsrapport van 11 maart 2026 met kenmerk [kenmerk] , ingekomen op 15 april 2026;

  • een brief van de moeder met een verzoek, ingekomen op 4 juni 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026.

Verschenen zijn: [naam 1] namens de Raad, de moeder, mr. A. El Aqde en mr. Daniëls.

1.3.

De minderjarige [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft op 3 juni 2026 met de rechter gesproken.

1.4.

Op 9 juni 2026 heeft de rechtbank de Raad, de moeder en de vader geïnformeerd over de bereidheid van een niet-advocaat bijzondere curator (mevrouw [naam 2] ) om op te treden als bijzondere curator en over de wenselijkheid om daarnaast een advocaat (mr. Whiterod) als tweede bijzondere curator te benoemen zodat – indien nodig – in rechte kan worden opgetreden. De rechtbank heeft de Raad, de moeder en de vader verzocht hierop uiterlijk 16 juni 2026 te reageren.

1.5.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de hierna ingekomen stukken, te weten:

  • het bericht van de Raad van 15 juni 2026;

  • het bericht van de vader van 16 juni 2026;

  • het bericht van de moeder van 17 juni 2026.

2De feiten

2.1.

De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] .

2.3.

De vader heeft [minderjarige] erkend.

2.4.

De ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.

2.5.

[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. De moeder en de vader hebben een zorgregeling voor [minderjarige] .

2.6.

[minderjarige] is van 25 mei 2021 voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna nog met negen maanden verlengd tot 25 februari 2023.

3De verzoeken en de verweren

3.1.

De Raad verzoekt op grond van artikel 1:250 BW, uitvoerbaar bij voorraad, om voor [minderjarige] een bijzondere curator te benoemen, eventueel ambtshalve. De Raad acht het wenselijk dat de rol van de bijzondere curator wordt vervuld door een orthopedagoog of een andere deskundige met specialistische kennis van de ontwikkeling van kinderen en van complexe scheidingssituaties. Daarnaast vindt de Raad het belangrijk dat de bijzondere curator zes maanden de tijd dient te krijgen en dat de bijzondere curator maandelijks aan de rechtbank rapporteert.

3.2.

De moeder ondersteunt het verzoek van de Raad, maar twijfelt of de Raad ontvankelijk is in zijn verzoek. Daarom verzoekt de moeder op grond van artikel 1:250 BW om voor [minderjarige] een bijzondere curator te benoemen.

3.3.

De vader ondersteunt het verzoek van de Raad, maar twijfelt eveneens of de Raad ontvankelijk is in zijn verzoek. De vader vindt dat de moeder wel ontvankelijk is in haar verzoek en concludeert tot toewijzing van haar verzoek.

3.4

De Raad concludeert ook tot toewijzing van het verzoek van de moeder.

4De standpunten

Het standpunt van de Raad

4.1.

Bij de Raad is op 1 september 2025 een verzoek tot onderzoek binnengekomen van Jeugdbescherming regio Amsterdam over [minderjarige] . Naar aanleiding daarvan heeft de Raad besloten om onderzoek te doen, omdat er ernstige zorgen werden gemeld over de ontwikkeling van [minderjarige] en omdat het (nog) niet is gelukt deze zorgen met vrijwillige hulpverlening weg te nemen.

4.2.

Het raadsonderzoek heeft slechts in beperkte mate kunnen plaatsvinden. Uit de beschikbare informatie blijkt dat sprake is van een langdurige en complexe situatie tussen de ouders, die al sinds de geboorte van [minderjarige] speelt en nog altijd voortduurt. [minderjarige] groeit op in een context waarin zij langdurig wordt blootgesteld aan spanningen tussen haar ouders en aan onduidelijkheid over afspraken en verwachtingen. [minderjarige] wisselt namelijk sinds haar geboorte meerdere keren per week tussen het huis van haar ouders. Dit betekent dat zij zich telkens moet aanpassen aan een andere omgeving, waarbij zij als het ware het ene ‘rugzakje’ afzet – tijdens de overdacht op school of op straat – en het andere weer opdoet. Daarbij lijkt zij voortdurend rekening te moeten houden met wat zij wel en niet meeneemt van het ene huis naar het andere. De huidige situatie kan op korte termijn leiden tot emotionele spanning, loyaliteitsconflicten en lichamelijke stressreacties. Ook kan het voor [minderjarige] moeilijk zijn om vrijuit over haar ervaringen met beide ouders te spreken. Op langere termijn bestaat het risico dat deze aanhoudende spanningen invloed hebben op haar gevoel van veiligheid, haar zelfbeeld en haar vermogen om relaties aan te gaan waarin vertrouwen en veiligheid centraal staan. Wanneer de huidige situatie voortduurt, bestaat het risico dat [minderjarige] structureel klem blijft zitten tussen haar ouders en dat zij de gevolgen draagt van een complexe situatie die door volwassenen (haar ouders, de meest belangrijke personen in haar leven) in stand wordt gehouden.

4.3.

Om de zorgen voor het veilig opgroeien van [minderjarige] weg te nemen is een belangrijke eerste stap dat beter zicht wordt verkregen op hoe het daadwerkelijk met [minderjarige] gaat. Juist in een situatie waarin een kind langdurig klem zit tussen ouders met een complexe en conflictueuze relatie, is het essentieel dat haar eigen stem gehoord wordt en dat haar belangen onafhankelijk worden vertegenwoordigd. Omdat dit in het kader van het raadsonderzoek niet is gelukt, verzoekt de Raad een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen. De Raad vindt dat hij ontvankelijk is in zijn verzoek. In het geval dat de rechtbank daar anders over denkt, vindt de Raad dat de rechtbank ambtshalve moet overgaan tot het benoemen van een bijzondere curator voor [minderjarige] .

Het standpunt van de moeder

4.4.

De moeder is blij met het advies van de Raad. Zij had verwacht dat de Raad een ondertoezichtstelling zou verzoeken en wist niet dat een bijzondere curator ook een optie was. Zij ondersteunt het verzoek van de Raad, zodat [minderjarige] iemand heeft die er volledig voor haar is en aan wie zij kan vertellen hoe het echt met haar gaat. De moeder twijfelt echter of de Raad ontvankelijk is in zijn verzoek en heeft om die reden eveneens een verzoek gedaan tot het benoemen van een bijzondere curator.

Het standpunt van de vader

4.5.

De vader ondersteunt de benoeming van een bijzondere curator, juist omdat de visies van de ouders en de ‘visies’ van instanties op de werkelijke ‘ernstige zorgen’ fundamenteel verschillen. Ook de vader twijfelt of de Raad ontvankelijk is in zijn verzoek. De moeder is wel ontvankelijk in haar verzoek en daarom kan worden overgegaan tot het benoemen van een bijzondere curator.

5De beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het voor de Raad mogelijk is om op grond van artikel 1:250 BW een verzoek te doen tot het benoemen van een bijzondere curator. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

5.2.

Artikel 1:250 BW bepaalt dat een verzoek tot benoeming van een bijzondere curator kan worden gedaan door een belanghebbende. Op grond van artikel 798 lid 1 Rv is een belanghebbende degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Van een dergelijk rechtstreeks belang is ten aanzien van de moeder en de vader van [minderjarige] sprake. Dat geldt niet voor de Raad. Uit de wetsgeschiedenis volgt bovendien dat de wetgever niet heeft beoogd de staat als belanghebbende in de zin van artikel 1:250 BW aan te merken (Kamerstukken II 1993/94, 23012, 5, p. 33). De Raad kan daarom niet worden ontvangen in een verzoek tot benoeming van een bijzondere curator op grond van deze bepaling. De rechtbank zal de Raad dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

5.3.

De rechtbank onderkent dat artikel 1:250 BW haar de bevoegdheid geeft om ambtshalve tot benoeming van een bijzondere curator over te gaan. Die bevoegdheid kan echter niet zo worden uitgelegd dat een verzoek van een daartoe niet bevoegde verzoeker alsnog kan leiden tot een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank onder het mom van een ambtshalve beslissing. Een dergelijke uitleg zou de door de wetgever gemaakte keuze om het verzoekrecht te beperken tot belanghebbenden immers doorkruisen. De enkele omstandigheid dat de Raad een verzoek heeft ingediend, kan daarom niet dienen als zelfstandige grondslag voor een ambtshalve benoeming van een bijzondere curator.

5.4.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het verzoek van de moeder. Zij kan in dat verzoek worden ontvangen, omdat zij – zoals hiervoor al is overwogen – in deze zaak als belanghebbende wordt aangemerkt.

Inhoudelijk

5.5.

Op grond van artikel 1:250 BW kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen.

5.6.

De rechtbank betrekt bij haar beoordeling de door de Raad overgelegde stukken en de daarin vervatte informatie. De niet-ontvankelijkverklaring van de Raad staat daaraan niet in de weg. De moeder heeft haar verzoek namelijk (mede) gebaseerd op de door de Raad overgelegde stukken. Bovendien heeft de overige belanghebbende, de vader, hierop naar behoren kunnen reageren en daarmee is voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Naar aanleiding van het raadsrapport, de reacties daarop van de moeder en de vader en hetgeen ter zitting is besproken, ziet de rechtbank aanleiding om een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen. De rechtbank acht het van belang dat [minderjarige] een eigen en onafhankelijke stem krijgt, zodat inzicht kan worden verkregen in haar werkelijke wensen, behoeften en belangen.

5.7.

De rechtbank heeft op 8 juni 2026 telefonisch contact opgenomen met mevrouw mr. drs. [naam 2] (hierna mevrouw [naam 2]). Zij heeft zich bereid verklaard de benoeming te aanvaarden. Mevrouw [naam 2] acht het wenselijk dat daarnaast een tweede bijzondere curator wordt benoemd, in de persoon van een advocaat, zodat deze zo nodig in rechte kan optreden. Mevrouw [naam 2] heeft daartoe mevrouw mr. Nynke Whiterod-Tee (hierna mevrouw Whiterod-Tee) voorgedragen. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank op 8 juni 2026 eveneens telefonisch contact opgenomen met mevrouw Whiterod-Tee. Ook zij heeft zich bereid verklaard de benoeming te aanvaarden. Mevrouw [naam 2] en mevrouw Whiterod-Tee hebben aangegeven medio juli 2026 de zaak in behandeling te kunnen nemen.

5.8.

Op respectievelijk 15, 16 en 17 juni 2026 hebben de Raad, de vader en de moeder de rechtbank bericht dat zij zich kunnen vinden in de benoeming van mevrouw [naam 2] en mevrouw Whiterod-Tee tot bijzondere curatoren.

5.9.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank mevrouw [naam 2] en mevrouw Whiterod-Tee (hierna de bijzondere curatoren) benoemen als bijzondere curatoren voor [minderjarige] . De rechtbank verzoekt de bijzondere curatoren, binnen een termijn van zes maanden, te onderzoeken:

  • hoe het werkelijk met [minderjarige] gaat;

  • of en welke spanningen of loyaliteitsconflicten zij ervaart;

  • wat zij nodig heeft om zich veilig en gezond te kunnen ontwikkelen; en

  • in hoeverre de ouders in staat zijn om haar voldoende ruimte te geven voor een ontwikkeling zonder voortdurende angst, spanningen en stress.

5.10.

De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders hun volledige medewerking zullen verlenen aan het onderzoek door de bijzondere curatoren. Daaronder valt bijvoorbeeld het mogelijk maken van één of meerdere gesprekken tussen [minderjarige] en de bijzondere curatoren, alsmede het geven van toestemming door de ouders aan derden om informatie aan de bijzondere curatoren te verstrekken.

5.11.

Om de bijzondere curatoren in staat te stellen hun taak naar behoren uit te oefenen, zal de rechtbank bepalen dat de griffier een kopie van de processtukken aan de bijzondere curatoren doet toekomen.

5.12.

De rechtbank bepaalt verder dat de moeder en de vader uiterlijk op 9 juli 2026, of zoveel eerder, hun telefoonnummers en e-mailadressen aan de bijzondere curatoren doen toekomen (via de in het dictum opgenomen e-mailadressen).

5.13.

De rechtbank bepaalt ook dat de bijzondere curatoren uiterlijk op 15 januari 2027, of zoveel eerder, schriftelijk verslag doen van hun bevindingen aan de rechtbank. De Raad, de moeder en de vader krijgen vervolgens de gelegenheid om op dit verslag te reageren, waarbij zij zich ook kunnen uitlaten over het door hun gewenste vervolg van de procedure.

6De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verklaart de Raad niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

6.2.

wijst het verzoek van de moeder toe en benoemt met ingang van heden tot bijzondere curatoren over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats]:

  • mevrouw mr. drs. [naam 2], kantoorhoudende in Sassenheim aan de [adres 1], met telefoonnummer [telefoonnummer 1] en e-mailadres [emailadres 1];

  • mevrouw mr. Nynke Whiterod-Tee, kantoorhoudende in Utrecht aan het [adres 2], met telefoonnummer [telefoonnummer 2] en e-mailadres [emailadres 2];

6.3.

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curatoren zal toesturen;

6.4.

bepaalt dat de moeder en de vader uiterlijk 9 juli 2026, of zoveel eerder, hun telefoonnummers en e-mailadressen aan de bijzondere curatoren doen toekomen;

6.5.

bepaalt dat de bijzondere curatoren uiterlijk 15 januari 2027, of zoveel eerder, aan de rechtbank, de Raad, de moeder en de vader schriftelijk verslag doen van hun bevindingen met betrekking tot de onderzoeksvragen die de rechtbank hen in r.o. 5.9. heeft voorgelegd;

6.6.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

houdt de procedure pro forma aan tot 15 januari 2027.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. D.G. Bertsch, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.M.H. Reintjes, griffier, op 2 juli 2026. 1

1

Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733