Essentie (gemaakt door AI)
Erfrecht. Vraag of gedragingen leiden tot zuivere aanvaarding art. 4:192 lid 1 (oud) BW. Hof past terughoudende maatstaf toe: betalingen voor uitvaart en verzorgingshuis en het afvoeren/doneren van inboedel van geringe waarde zijn daden van beheer, geen ondubbelzinnige zuivere aanvaarding. Beneficiaire aanvaarding van zussen blijft in stand. Waarde inboedel vader vastgesteld op €10.000; vordering per kind €3.550,44 met 8% enkelvoudige rente tot overlijden moeder. Vorderingen van broer worden afgewezen; vonnis wordt bekrachtigd.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 22-07-2026 |
| Zaaknummer | 200.257.239 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Zuivere aanvaarding nalatenschap |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Erfrecht. Daad van zuivere aanvaarding 4:192 lid 1 BW (oud). Geen sprake van ondubbelzinnig en zonder voorbehoud zich gedragen als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam. Omstandigheden van het geval.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.257.239
zaaknummer rechtbank 525458
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
[Appellant]
die woont in [woonplaats1]
hierna: [erfgenaam1]
advocaat: mr. D.P.M. Buijsrogge
en
1de erfgenamen van [erfgenaam2] :
a. [naam1] ,
b. [naam2]
c. [naam3]
hierna: de erfgenamen van [erfgenaam2] , [naam1] , [naam2] en [naam3]
die wonen in [woonplaats2]
advocaat: mr. J.J.M. Melissen
2 [erfgenaam3]
die woont in [woonplaats2]
hierna: [erfgenaam3]
niet verschenen
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[erfgenaam1] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, (hierna: de kantonrechter) op 21 december 2016 en 17 oktober 2018 tussen hem en [erfgenaam2] en [erfgenaam3] heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep van 14 januari 2019
-
de memorie van grieven, tevens vermeerdering van eis
-
de memorie van antwoord tevens vermeerdering van eis, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
-
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
-
een akte tot schorsing
-
een antwoordakte
-
een brief van mr. Wegter aan het hof van 16 oktober 2020
-
De dagvaarding van 6 augustus 2024 tot het hervatten van de procedure
-
Het proces-verbaal van de op 22 september 2025 gehouden mondelinge behandeling
2De kern van de zaak
[erfgenaam1] , [erfgenaam2] en [erfgenaam3] zijn de kinderen van [naam vader] (hierna: de vader) en [naam moeder] (de moeder). De ouders waren gehuwd in gemeenschap van goederen. De vader is overleden [in] 2006, de moeder [in] 2015. Partijen zijn voor gelijke erfdelen in de nalatenschappen van hun ouders gerechtigd en verschillen van mening over de omvang daarvan en ieders positie daarin.
De nalatenschap van de vader is door alle erfgenamen (zuiver) aanvaard. De nalatenschap van de moeder is door [erfgenaam1] [in] september 2025 beneficiair aanvaard. [erfgenaam3] en [erfgenaam2] hebben [in] november 2015 ook een verklaring van beneficiaire aanvaarding afgelegd waarvan [erfgenaam1] vindt dat dit te laat is en dat zijn zussen al eerder zuiver hebben aanvaard.
[erfgenaam1] heeft bij de kantonrechter gevorderd om [erfgenaam3] en [erfgenaam2] hoofdelijk te veroordelen aan hem € 11.997 te betalen, plus de wettelijke rente hierover vanaf 18 juli 2016, en hen ook in de proceskosten te veroordelen. [erfgenaam3] en [erfgenaam2] hebben hiertegen verweer gevoerd. Volgens hen heeft ieder van de drie kinderen recht op € 2.166. Zij hebben gevraagd om de kosten van € 4.000 van rechtsbijstand die ze door de onwillige houding van [erfgenaam1] hebben moeten maken, te verrekenen met zijn erfdeel.
De kantonrechter heeft alle vorderingen afgewezen en het erfdeel van de kinderen in de nalatenschap van de vader vastgesteld op € 6.438,46 per kind. De bedoeling van het hoger beroep van [erfgenaam1] is dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen, tot een bedrag van
€ 20.618,43, met wettelijke rente. [erfgenaam3] en [erfgenaam2] hebben in hoger beroep gevraagd om het erfdeel per kind op € 3.550,44 te bepalen en de broer in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep te veroordelen.
[erfgenaam2] is overleden [in] 2020. De procedure is daarna tijdelijk stilgelegd (geschorst). [erfgenaam1] heeft [erfgenaam3] en de erfgenamen van [erfgenaam2] vervolgens door de deurwaarder laten oproepen om de procedure voort te zetten.
Het hof zal beslissen dat de vorderingen uit hoofde van de nalatenschap van vader
€ 3.550,44 per kind bedragen en dat hierover een enkelvoudige rente van 8 % verschuldigd is over de periode drie maanden na het overlijden van vader tot overlijdensdatum van moeder. Verder zal het hof beslissen dat [erfgenaam3] en [erfgenaam2] de nalatenschap van moeder beneficiair hebben aanvaard. Het hof licht deze beslissingen hierna toe.
3De toelichting op de beslissing van het hof
Omvang nalatenschap vader (grief 1 en incidenteel hoger beroep)
[erfgenaam1] vindt dat de kantonrechter de vorderingen (erfdelen) van de kinderen niet juist heeft vastgesteld in de nalatenschap van de vader. Zo is de inboedel volgens hem niet op de juiste waarde geschat en is er geen rekening gehouden met de rente (8% enkelvoudig) die volgens het testament van de vader over de vorderingen verschuldigd is.
De nalatenschap van de vader bedroeg volgens [erfgenaam1] € 56.652,00 (inboedel met een waarde van € 95.000 plus banksaldi van in totaal € 18.304, ofwel samen € 113.304, welke som vervolgens wordt gedeeld door 2). Hierop komen de uitvaartkosten nog in mindering van € 3.447,90. Dan resteert er € 53.204,10, wat resulteert in een erfdeel van € 13.301 per kind. Hierover is volgens hem op grond van het testament een enkelvoudige rente verschuldigd van 8%. Deze rente is volgens hem ingegaan 3 maanden na het overlijden van erflater ( [in] 2006) tot de sterfdatum van de moeder ( [in] 2015). Dat resulteert dan volgens [erfgenaam1] in een totale vordering van € 22.784,43 per kind op de nalatenschap van de moeder.
[erfgenaam3] en de erfgenamen van [erfgenaam2] vinden ook dat de kantonrechter de erfdelen in de nalatenschap van de vader niet juist heeft vastgesteld. Zij zijn van mening dat de inboedel niet meer waard was dan € 10.000. Daardoor komt de waarde van de nalatenschap van de vader volgens hen op een bedrag van € 14.201,74. Het erfdeel per kind is dan € 3.550,44.
Banksaldi en uitvaartkosten
Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is de hoogte van de banksaldi op het moment van overlijden van de vader, zodat het hof daar ook vanuit zal gaan. Dit was in totaal een bedrag van € 18.304. Ook de uitvaartkosten van € 3.447,90 worden niet betwist en staan daarmee vast.
Inboedel
Ten aanzien van de waarde van de inboedel verschillen partijen wel van mening. [erfgenaam1] stelt de waarde op € 95.000. Volgens hem was de vader fervent verzamelaar en had hij daarom uitvoerige collecties van onder andere boeken, platen, Cd’s en cassettebandjes en toebehoren. Omdat zijn zussen kort na het overlijden van de vader deze spullen zonder overleg hebben verdeeld heeft hij nooit een goed overzicht kunnen maken daarvan. Achteraf heeft [erfgenaam1] daarom zo goed mogelijk geprobeerd om alsnog dit overzicht te maken door een lijst op stellen met spullen met bijbehorende waarde. [erfgenaam3] en de erfgenamen van [erfgenaam2] stellen dat de waarde van de inboedel maximaal €10.000 was. Zij ontkennen dat [erfgenaam3] en [erfgenaam2] de inboedel destijds hebben verdeeld zonder [erfgenaam1] daarin te betrekken. Het betrof volgens hen een gewone, normale inboedel. De collecties waar [erfgenaam1] over spreekt vertegenwoordigden geen economische waarde. Van andere waardevolle spullen is ook niet gebleken volgens hen. Dat de inboedel zoals [erfgenaam1] stelt verzekerd was voor € 50.000 maakt dit niet anders, omdat bij verzekeringen altijd uitgegaan wordt van aanschafwaarde. Het lijkt er volgens hen dan ook op dat [erfgenaam1] ook uitgaat van aanschafwaarde en niet van de waarde op het moment van overlijden van de vader en dat is een onjuist uitgangspunt.
Het hof volgt [erfgenaam3] en de erfgenamen van [erfgenaam2] in hun stelling dat de inboedel op het moment van overlijden van de vader niet meer waard was dan € 10.000 en stelt de waarde van de inboedel op dat bedrag vast. [erfgenaam1] heeft op de zitting verklaard dat de door hem opgestelde inboedellijst door hem is gemaakt om het gesprek met zijn zussen aan te gaan om zo tot een vergelijk met hen te komen. De door hem aan de spullen toegekende waardes zijn door hem geschat. Met zijn schatting heeft [erfgenaam1] naar het oordeel van het hof zijn stelling onvoldoende onderbouwd terwijl [erfgenaam3] en de erfgenamen van [erfgenaam2] deze wel gemotiveerd hebben betwist. Het is een feit van algemene bekendheid dat gebruikte inboedelzaken weinig waard zijn. Hier is niet voldoende onderbouwd dat sprake is of was van inboedelzaken met een bijzondere waarde. Bovendien staat de door [erfgenaam1] gestelde waarde van de inboedel van € 95.000 niet in een aannemelijke verhouding tot de rest van de nalatenschap (een kleine € 20.000). [erfgenaam1] heeft ook op zitting het hof niet kunnen overtuigen dat de collecties van vader een bijzondere financiële waarde vertegenwoordigden. Hij heeft slechts verklaard dat het opnames van de vader zelf betroffen, zoals bijvoorbeeld filmopnames van de kinderen.
Doordat [erfgenaam1] zijn stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting van [erfgenaam3] en de erfgenamen van [erfgenaam2] , onvoldoende heeft onderbouwd komt het hof ook niet toe aan het door [erfgenaam1] gedane bewijsaanbod. Het hof stelt de waarde van de inboedel vast op € 10.000 zoals door [erfgenaam3] en de erfgenamen van [erfgenaam2] gevraagd in hun memorie van antwoord. Ter zitting hebben zij nog gesteld dat de waarde nihil was, maar dat komt neer op een vermeerdering van hun eis, en dat had bij hun eerste conclusie in hoger beroep gemoeten; ter zitting is het te laat daarvoor. Het hof komt niet meer toe aan het door hen gedane bewijsaanbod.
Erfdeel
Dit leidt dan tot de volgende rekensom. De banksaldi bedroegen op het moment van overlijden van de vader € 18.304 en de waarde van de inboedel was toen € 10.000. De ontbonden gemeenschap van goederen bedroeg dan € 28.304. De nalatenschap bedraagt de helft daarvan ofwel € 14.152. Hierop komen in mindering de (niet betwiste) uitvaartkosten van € 3.447,90 zodat het saldo van de nalatenschap van vader € 10.704,10 bedraagt. Dit resulteert voor ieder kind in een vordering op moeder op van een vierde deel hiervan, of wel (afgerond) € 2.676. Omdat het hof niet buiten de rechtsstrijd van partijen mag treden en [erfgenaam3] en de erfgenamen van [erfgenaam2] in hun (incidentele) hoger beroep het hof hebben gevraagd om de vorderingen vast te stellen op een bedrag van € 3.550,44 per kind zal het hof dit dan ook doen.
Rente op grond van testament
Op grond van het testament van de vader is er over deze vorderingen een enkelvoudige rente verschuldigd van 8% over de periode vanaf het overlijden van de vader tot het moment dat de vordering opeisbaar is geworden (in dit geval drie maanden na het moment van overlijden van de moeder). [erfgenaam1] vraagt om de rente vast te stellen over een periode drie maanden na het overlijden van vader tot overlijdensdatum moeder. Dit is een kortere periode dan in het testament is bepaald. Omdat het hof ook hier niet buiten de rechtsstrijd van partijen mag treden zal het hof de rente toekennen over de periode zoals door [erfgenaam1] is gevraagd.
Deze grieven van partijen slagen deels.
Is er zuiver aanvaard? (grief 2)
. [erfgenaam1] stelt dat [erfgenaam2] en [erfgenaam3] door gedragingen de nalatenschap van de moeder zuiver hebben aanvaard. Zij hebben namelijk, aldus [erfgenaam1] , goederen weggeschonken en er zijn bepaalde overboekingen gedaan van de ervenrekening. Hiermee hebben zij goederen aan het verhaal van eventuele schuldeisers onttrokken en dus zuiver aanvaard. De latere beneficiaire aanvaarding (van 6 november 2015) blijft daarom zonder gelding. [erfgenaam2] en [erfgenaam3] hebben dit betwist.
[erfgenaam1] baseert zijn stelling op de volgende berichten en bankafschriften:
Email van [naam1] [van] 2015:
“ Van: < [emailadres1] >
Datum: maandag 24 augustus 2015 15:46
Aan: < [emailadres2] >
Onderwerp: antwoord op de brief [van] 2015
als antwoord op de brief [van] 2015 en het vervolg op mijn e-mail [van] 2015
(waar wij geen reactie op gekregen hebben) het volgende ;de kleding en de schoenen en het linnengoed van je moeder is aan [naam instelling] geschonken tevens het restantje boeken voor de bibliotheek, de kralen los en geregen die je moeder had (waarde + minus 2000 euro zijn ook aan de hobbyclub van [naam instelling] geschonken, de overbleven meubels die de kringloop nog wilde hebben zijn daar na toe gegaan , wat overbleef moesten wij zelf afvoeren naar grofvuil, de inhoud van de kasten staan zoals ik reeds gemeld heb in kartonnen dozen bij ons onder de carport, deze spullen gaan naar de kringloop van de hervormde kerk in [woonplaats3] , ik hoop dat wij deze vraag uit de brief voldoende hebben beantwoord. [naam1] ”
Email van [naam1] [van] 2015:
“Van: < [emailadres1] >
Datum: woensdag 2 september 2015 17 19
Aan: < [emailadres2] >
Onderwerp: iets vergeten
[Appellant] wij hebben vergeten in de vorige mail jou te verzoeken om akkoord te gaan met het afvoeren van de bezittingen van je moeder, sorry dat wij je niet hebben gevraagd om mee te helpen moeders spullen op te ruimen, het bekijken van de spullen had ook gekund op de dag na het overlijden) je was toch bij ons in [woonplaats2] ) en het had ook nog gekund op de begrafenisdag. H.G. [erfgenaam3] en [naam1] .”
Overboekingen van de ervenrekening:
“04-08 bg [rekeningnummer1] [naam1] 118,74
2 nota’s [naam instelling] 81.74 en 37
Verwerkingsdatum: 03-08-2015”
“07-08 bg [rekeningnummer1] [naam1] 37,00
nota [naam instelling] 151302 172093 04- 0
8-2015
Verwerkingsdatum: 07-08-2015”
“17-08 bg [rekeningnummer1] [naam1] 735,00
overboeking
Verwerkingsdatum: 14-08-2015”
Tot zover de stellingen van [erfgenaam1] .
Geen zuivere aanvaarding
Het hof zal beslissen dat [erfgenaam3] en [erfgenaam2] de nalatenschap van de moeder niet zuiver hebben aanvaard en legt hierna uit waarom.
Omdat moeder overleden is in 2015, dus voordat de wet over zuivere aanvaarding is aangepast (2016), is artikel 4:192 lid 1 BW (oud) hier bepalend voor het antwoord op de vraag wanneer er sprake is van zuivere aanvaarding door gedragingen van een erfgenaam. In dit artikel staat dat een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam gedraagt, de nalatenschap daardoor zuiver aanvaardt, tenzij hij eerder een keuze heeft gemaakt voor beneficiaire aanvaarding of verwerping. Op grond van de parlementaire geschiedenis bij deze bepaling
1 overweegt het hof dat een erfgenaam de mogelijkheid een keuze te maken niet verliest, indien hij slechts daden van beheer verricht, maar wel wanneer hij, zoals vrijstaat aan erfgenamen die zuiver hebben aanvaard, over de goederen van de nalatenschap als heer en meester beschikt.
Of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid om een erfenis stilzwijgend te aanvaarden, hangt af van de omstandigheden van het geval.
2 Zuivere aanvaarding – ook door gedragingen – is een rechtshandeling en vereist dus een op dat rechtsgevolg gerichte wil. Uit gedragingen van een erfgenaam mag niet te snel worden afgeleid dat deze de bedoeling heeft de nalatenschap zuiver te aanvaarden. Dat volgt niet alleen uit de tekst van artikel 4:192 lid 1 (oud) BW (‘ondubbelzinnig en zonder voorbehoud’) en de parlementaire geschiedenis ter gelegenheid van de wijziging van het artikel per 1 september 2016, maar houdt ook verband met de potentieel verstrekkende gevolgen van zuivere aanvaarding voor de desbetreffende erfgenaam en de omstandigheid dat erfgenamen die belast zijn met het regelen van de praktische gevolgen van het overlijden van een naaste op die verstrekkende gevolgen niet steeds bedacht zullen zijn. Terughoudende toepassing van artikel 4:192 lid 1 (oud) BW strookt voorts met het motief dat ten grondslag ligt aan de wijziging van deze bepaling per 1 september 2016.
3
In het licht van het belang dat de wetgever heeft gehecht aan het maken van een bewuste keuze, past het dus om niet te snel aan te nemen dat [erfgenaam3] en [erfgenaam2] de nalatenschap bewust zuiver hebben aanvaard en met hun privévermogen aansprakelijk zijn voor de schulden van de nalatenschap.
Uitvaartkosten
Op de zitting is door [naam1] verklaard dat de opname van € 735,00 van de rekening van erflaatster nodig was voor het voldoen van de uitvaartkosten. Dit is door [erfgenaam1] niet betwist. Het betalen van de uitvaartkosten is volgens vaste jurisprudentie geen daad van zuivere aanvaarding.
Kosten vanwege verblijf en afwikkeling verzorgingshuis
De andere twee betalingen van (€ 118,00 en € 37,00) betreffen (door [naam1] gedaan in samenspraak met [erfgenaam2] en [erfgenaam3] ) een vergoeding van voorgeschoten kosten van het verzorgingshuis (in totaal 3 nota’s) die later zijn verrekend met de ervenrekening. Nu vaststaat dat de verrekening kort na het overlijden van de moeder plaatsvond en het geringe bedragen betreft die te maken hebben met het verblijf van moeder in het verzorgingstehuis en de afwikkeling daarvan, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van “ondubbelzinnig en zonder voorbehoud zich gedragen als zuiver aanvaard hebbende erfgenaam”, maar eerder van het als naasten regelen van praktische zaken na het overlijden van de moeder (zonder bedacht te zijn op de verstrekkende gevolgen van zuivere aanvaarding).
Afvoeren inboedel van weinig waarde naar kringloop of milieudepot
Gelet hierop kan ook het (doen) afvoeren van (delen van) een inboedel van de moeder zonder reële economische waarde naar een kringloopwinkel of milieudepot niet worden aangemerkt als een daad van zuivere aanvaarding. [erfgenaam3] en [erfgenaam2] hebben gesteld dat zij ten tijde van het opruimen van de kamer en spullen van moeder in het verzorgingstehuis [erfgenaam1] hebben benaderd, maar dat hij niet reageerde op verzoeken om te komen kijken naar de nalatenschap/inboedel. De kamer moest snel leeg gemaakt worden, mede om schade (extra kosten) voor de nalatenschap te voorkomen. Dit is door [erfgenaam1] niet (voldoende) betwist. Onder deze omstandigheden oordeelt het hof dat zij deze daad van beheer mochten verrichten zoals zij hebben gedaan, en dat dit niet als een daad van zuivere aanvaarding heeft te gelden. De genoemde waarde van € 2.000 voor de kralen komt het hof niet reëel voor. Ook [naam1] heeft op de zitting verklaard dat hij dit niet weloverwogen heeft opgeschreven maar juist om “ervan af te zijn”. [erfgenaam1] betwist dit laatste ook onvoldoende zodat het hof ervan uitgaat dat de waarde van de kralen beperkt was. Daarom is ook hier geen sprake van “ondubbelzinnig en zonder voorbehoud zich gedragen als zuiver aanvaard hebbende erfgenaam”, maar eerder van het als naasten regelen van praktische zaken na het overlijden van de moeder (zonder bedacht te zijn op de verstrekkende gevolgen van zuivere aanvaarding). Verder acht het hof nog van belang dat [erfgenaam3] en [erfgenaam2] hier niet uit eigen belang (of in het belang van hun eigen familieleden), maar in het algemeen belang, waartoe de hobbyclub van het verzorgingstehuis in dit geval naar het oordeel van het hof mag worden gerekend, hebben gehandeld.
Bewijsaanbod
Het door [erfgenaam1] gedane bewijsaanbod is onvoldoende gespecificeerd zodat het hof daaraan voorbij zal gaan. Aan het bewijsaanbod van [erfgenaam3] en de erfgenamen van [erfgenaam2] komt het hof niet toe nu vast is komen te staan dat zij de nalatenschap van hun moeder beneficiair hebben aanvaard.
De conclusie
Het hoger beroep van beide partijen tegen het eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 17 oktober 2018 slaagt deels, maar leidt niet tot een ander eindresultaat. Partijen hebben namelijk geen grief gericht tegen de overweging 2.10:
“2.10 De wet geeft in artikel 4:202 BW e.v. voorschriften voor de afwikkeling (vereffening) van een nalatenschap waarbij sprake is van beneficiaire aanvaarding. Daarbij is het mogelijk om, indien de baten van de nalatenschap een geringe waarde hebben, de opheffing van de vereffening te verzoeken. De zussen zijn tot vereffening overgegaan en hebben, naar wordt aangenomen, de schulden van de nalatenschap, waaronder de kosten van de uitvaart van moeder, voldaan, met uitzondering van de schulden aan de broer en de zussen zelf. Het batig saldo dat overbleef na afwikkeling van de overige schulden is onvoldoende om die drie resterende schulden volledig te voldoen. De schulden van de broer en zussen zijn onderling gelijk in rang, zodat het resterende batig saldo naar rato aan de drie schuldeisers toekomt. De zussen hebben onweersproken gesteld dat een bedrag van € 6.506,96 te verdelen bleef, zodat ieder van hen € 2.168,99 toekomt. Voor zover dit bedrag niet aan de broer zou zijn uitgekeerd (wat uit de stellingen van partijen niet geheel duidelijk is) leidt dat niet tot toewijzing van de vorderingen. Een dergelijke vordering zou niet tegen de zussen in privé maar tegen de nalatenschap ingesteld moeten worden.”
Dat leidt ertoe dat de vordering van [erfgenaam1] zal worden afgewezen en het (eind)vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 17 oktober 2018 zal worden bekrachtigd.
Omdat in het hoger beroep tegen het (tussen)vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 21 december 2016 door geen van partijen een grief is ingediend zijn partijen daarin niet ontvankelijk.
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
verklaart partijen niet ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het tussenvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 21 december 2016.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 17 oktober 2018.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de kantonrechter en het hof;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Hamer, M.L. van der Bel en R.E. Brinkman en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
MvA, II, Parl. Gesch. Boek 4 BW, pp. 933-934
HR 26 april 1968, NJ 1969/322
HR 29 oktober 2021, NJ 2022/130
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
