Rechtbank Rotterdam 02-04-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:8065

Essentie (gemaakt door AI)

Erfgenamen twisten over tekst en wijziging van gedenksteen/dekplaat op graf van ouders. Rechthebbende op het uitsluitend grafrecht is [persoon D]. Onder art. 32a Wlb blijft het grafmonument gedurende de grafrust een zelfstandige zaak; natrekking van art. 5:20 BW is uitgesloten, zodat de rechthebbende eigenaar is. [persoon D] is bevoegd de tekst te bepalen. Ook indien gemeenschappelijk goed, dan nog geen ander oordeel wegens verstoorde verhoudingen en disproportionele herstelkosten. Vorderingen van [persoon A] worden afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Wie gaat er over de tekst op de grafsteen?
Erfgenamen twisten over tekst en wijziging van gedenksteen/dekplaat op graf ouders. Rb overweegt dat wetgever na uitspraak HR de wet heeft gewijzigd ter voorkoming van natrekking. Betrokkene is eigenaar. Diegene gaat over de tekst.

Datum publicatie21-07-2026
Zaaknummer11706063 CV EXPL 25-2104
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht; Uitvaart / asbestemming
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Geschil tussen erfgenamen over juridische status gedenksteen/dekplaat graf erflaatster. Ondanks de natrekkingsregeling blijft het grafmonument een zelfstandige zaak en blijft de rechthebbende op het grafrecht, een van partijen, daarvan de eigenaar. Art. 5:20 BW en art. 32a Wlb (Wet op de lijkbezorging). Als rechthebbende op het grafrecht was een van gedaagden daarom bevoegd om te bepalen welke tekst op de gedenksteen/gedenkplaat kwam. Ook wanneer wel sprake zou zijn van een gemeenschappelijk goed, dan leidt dit niet tot een ander oordeel. Voldoende is komen vast te staan dat - gelet op de familieverhoudingen - overleg over de tekst niet mogelijk was.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ROTTERDAM

Team kanton

Zaaknummer: 11706063 CV EXPL 25-2104

Vonnis van 2 april 2026

in de zaak van

[persoon A] ,

woonplaats: [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. H.J.C. de Waard, Zwijndrecht,

tegen

1. [persoon B] ,

woonplaats: [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. F.C. Frederiks, Zwijndrecht;

2. [persoon C],

woonplaats: [woonplaats 3] ,

gedaagde in conventie en in reconventie,

die niet formeel in de procedure is verschenen;

3. [persoon D],

woonplaats: [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie, verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. L.A. Jansen, Oud-Beijerland;

4. [persoon E],

woonplaats: [woonplaats 4] ,

gedaagde in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. L.A. Jansen, Oud-Beijerland.

De partijen worden ‘ [persoon A] ’, ‘ [persoon B] ’, ‘ [persoon D] ’ en ‘ [persoon E] ’ genoemd.

1De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 28 januari 2025;

  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie van [persoon B] ;

  • de exceptie van onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord van [persoon D] en [persoon E] ;

  • de incidentele conclusie van antwoord van [persoon A] ;

  • het vonnis in incident van 14 mei 2025 (zaaknummer: C/10/693910/HA ZA 25-133);

  • de akte aanvulling van eis van [persoon A] van 16 februari 2026;

  • het proces-verbaal van de op 26 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarin een gedeeltelijke schikking tussen partijen is opgenomen;

  • door partijen overgelegde bijlagen.

1.2.

Op 26 februari 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Aanwezig waren [persoon A] met mr. De Waard, [persoon B] met mr. Frederiks, [persoon D] en [persoon E] met mr. Jansen, en [persoon C] . Ook aanwezig waren de echtgenote van [persoon B] en de echtgenoot van [persoon C] .

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een gedeeltelijke schikking bereikt. Met die schikking zijn de vorderingen tegen [persoon B] (die op zijn beurt zijn reconventionele vordering heeft ingetrokken) en [persoon C] geëindigd, zodat nu vonnis wordt gewezen in de procedure tussen [persoon A] , [persoon D] en [persoon E] wat betreft de resterende vorderingen.

2Het geschil

Waar gaat de zaak (nog) over?

2.1.

De zaak gaat over de nalatenschap van de op [overlijdensdatum 1] overleden moeder van partijen. Na een bereikte schikking over de verdeling van de nalatenschap van moeder en een vermindering van eis, resteert alleen nog de vraag te beantwoorden of [persoon D] en [persoon E] veroordeeld moeten worden om de gedenksteen/dekplaat bij het graf van hun ouders op eigen kosten terug te brengen in de oude staat. Die vraag beantwoordt de kantonrechter ontkennend. Dit betekent dat de vorderingen van [persoon A] worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen.

Feiten die voor de beslissing van belang zijn.

2.2.

Op [overlijdensdatum 1] is [overledene 1] overleden. Zij was de moeder van partijen en de weduwe van de op [overlijdensdatum 2] overleden vader van partijen, [overledene 2] . In het graf van vader heeft op 8 januari 2022 de bijzetting van moeder plaatsgevonden.

2.3.

Op de staande steen staat de volgende tekst:

Voor altijd in ons hart

mijn lieve man,

onze vader en opa

[overledene 2]

* [geboortedatum 2] † [overlijdensdatum 2]

onze lieve moeder,

oma en overgrootoma

[overledene 1]

* [geboortedatum 1] † [overlijdensdatum 1]

2.4.

En op de dekplaat staat de volgende tekst:

Bedankt voor alle liefde,

Bedankt voor wie je was.

We missen je mam.

2.5.

De grafakte van 13 januari 2022 en de brief van de beheerder van de Algemene Begraafplaats Papendrecht van dezelfde datum, melden dat het ‘uitsluitend grafrecht’ (dat na het overlijden van vader was toegekend aan moeder) is overgeschreven ten name van [persoon D] .

De vordering van [persoon A]

2.6.

[persoon A] vordert na vermindering van eis – samengevat – dat [persoon D] en [persoon E] worden veroordeeld om de gedenksteen bij het graf van hun ouders op eigen kosten terug te brengen in de oude staat. Verder vordert ze veroordeling van [persoon D] en [persoon E] in de proceskosten.

2.7.

Daartoe voert zij aan dat [persoon D] zonder overleg met haar broers en zussen, de gedenksteen heeft laten weghalen en een tekst in de gedenksteen/dekplaat heeft laten graveren. [persoon A] stelt dat na het overlijden van moeder, de erfgenamen gezamenlijk eigenaar zijn geworden van de gedenksteen. Zonder toestemming van de andere erfgenamen mocht [persoon D] dan ook geen handelingen betreffende het gemeenschappelijk goed verrichten.

Het verweer van [persoon D] en [persoon E]

2.8.

[persoon D] en [persoon E] voeren het verweer dat het de uitdrukkelijke wens van moeder was dat [persoon D] de uitvaart zou regelen. Na het overlijden van moeder zijn [persoon D] , [persoon E] , [persoon A] en [persoon C] samengekomen om met elkaar de uitvaart te regelen. Er bestond verschil van mening over een bloemstuk en over de vraag of de rouwkaart ook naar [persoon B] , die met de familie gebrouilleerd was, moest worden gestuurd. Uiteindelijk is ervoor gekozen om geen rouwkaart naar [persoon B] te sturen. Over de gedenksteen zijn geen afspraken gemaakt. De andere erfgenamen hebben daar volgens [persoon D] en [persoon E] ook niet naar gevraagd. [persoon D] heeft in samenspraak met [persoon E] gekozen voor de tekst op de dekplaat, omdat er geen ruimte meer was op de staande steen. Er was op de staande steen zelfs geen ruimte voor de volledige naam van moeder. Op deze wijze hebben beide ouders hun eigen, mooie tekst.

3De beoordeling

3.1.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een gedeeltelijke schikking bereikt en elkaar voor wat betreft de verdeling van de nalatenschap finale kwijting verleend. [persoon A] heeft haar vorderingen onder 1 en 2 van de dagvaarding gehandhaafd.

3.2.

[persoon A] wil dat de gedenksteen wordt teruggebracht in de oude staat.

Zij betwist niet dat [persoon D] de rechthebbende van het graf van hun ouders is, maar volgens haar is [persoon D] geen eigenaar van de gedenksteen.

3.3.

[persoon A] wordt daarin niet gevolgd. Uit de grafakte van 13 januari 2022 en de brief van de beheerder van de begraafplaats blijkt dat [persoon D] het uitsluitend recht op het graf heeft. Zij betaalt ook de grafrechten.

De vraag is wat de juridische status is van de gedenksteen/dekplaat en wie de eigenaar is. De Hoge Raad heeft in 2002 geoordeeld dat de eigendom van grafmonumenten na plaatsing niet toebehoort aan de rechthebbenden op het grafrecht, maar door natrekking automatisch toevalt aan de eigenaar van de grond van de begraafplaats. 1 Omdat van de in artikel 5:20 BW geregelde natrekking slechts kan worden afgeweken bij wet in formele zin, is naar aanleiding van voornoemde uitspraak van de Hoge Raad met ingang van 1 januari 2010 artikel 32a Wlb (Wet op de lijkbezorging) ingevoerd. Op grond van deze bepaling is gedurende de periode dat een graf niet mag worden geruimd artikel 5:20 lid 1 onder e en f BW niet van toepassing op hetgeen op dat graf is geplaatst. Ondanks de natrekkingsregeling blijft het grafmonument een zelfstandige zaak en blijft de rechthebbende op het grafrecht daarvan de eigenaar, in dit geval [persoon D] . Pas na beëindiging van het grafrecht (op 31 december 2046) herneemt artikel 5:20 BW zijn normale werking en wordt de houder van de begraafplaats eigenaar van het grafmonument. Als rechthebbende op het grafrecht was [persoon D] daarom bevoegd om te bepalen welke tekst op de gedenksteen/dekplaat kwam.

Ook wanneer wel sprake zou zijn van een gemeenschappelijk goed, leidt dit niet tot een ander oordeel. Voldoende is komen vast te staan dat - gelet op de familieverhoudingen - overleg over de tekst niet mogelijk was. Verder blijkt uit alles dat [persoon D] bij leven van moeder de dochter was die het meeste contact met haar had en veel voor haar heeft gedaan, zodat het om die reden begrijpelijk is dat [persoon D] (in samenspraak met [persoon E] ) de beslissing over de tekst heeft genomen. Bovendien zijn drie van de vijf erfgenamen het met de tekst eens. De ‘tegenstem’ van [persoon C] telt strikt genomen niet eens mee, omdat zij in deze procedure formeel verstek heeft laten gaan en zich formeel niet heeft gevoegd aan de zijde van [persoon A] .

Daarnaast zou het terugbrengen van de gedenksteen/dekplaat in de oude staat in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. De kosten daarvan zijn in verhouding tot het belang van [persoon A] (buitensporig) hoog.

Proceskosten

3.4.

Partijen zijn zussen en broers van elkaar. Het uitgangspunt is dat kosten van procedures tussen bloedverwanten in beginsel voor eigen rekening blijven. De kantonrechter ziet in deze zaak geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.5.

Omdat niets van wat [persoon A] vordert toegewezen wordt, heeft uitvoerbaar bij voorraad verklaren van dit vonnis geen zin.

Tot slot

3.6.

De kantonrechter wil partijen meegeven de herinneringen aan hun ouders in hun hart te bewaren. Het is spijtig dat partijen geen (goed) contact met elkaar hebben, maar dat is zoals het kan gaan.

4De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst de vorderingen van [persoon A] af;

4.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

452

1

Hoge Raad 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6999



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733