Rechtbank Noord-Holland 04-06-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:9047

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding met IPR, waarin een rechtskeuze voor Tunesisch recht wordt aangenomen door de aanduiding ‘joint ownership’ in de huwelijksakte. Op grond van het HHV en Tunesisch recht geldt het stelsel van ‘joint ownership’ gedurende het hele huwelijk. Het voorhuwelijks erfpachtrecht van de woning blijft buiten de gemeenschap. Gestelde Tunesische panden van vrouw vallen buiten de gemeenschap (schenking) en zijn niet bewezen; verzoeken daaromtrent worden afgewezen. Verdere gemeenschap (inboedel, auto’s, banksaldi) wordt verdeeld.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

‘Joint ownership’ in huwelijksakte: rechtsgeldige keuze voor buitenlands huwelijksvermogensrecht?
Man stelt dat in huwelijksakte is gekozen voor ‘joint ownership’, conform het Tunesische recht. Vrouw stelt dat rechtskeuze bij HV (want notariële akte) moet worden gedaan. Rb volgt man: volgens Tunesisch recht óók bij huwelijksakte.

Datum publicatie20-07-2026
ZaaknummerC/15/367909 / FA RK 25-3821 (echtscheiding) en C/15/371636 / FA RK 25-5762 (huwelijksvermogensrecht)
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht; IPR huwelijksvermogensrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding met internationaal privaatrecht. Rechtskeuze voor Tunesisch recht door aanduiding ‘joint ownership’ in huwelijksakte. Verdeling naar Tunesisch recht.

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familierecht

Zaakgegevens: C/15/367909 / FA RK 25-3821 (echtscheiding)

C/15/371636 / FA RK 25-5762 (huwelijksvermogensrecht)

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking van 4 juni 2026

in de zaak van:

[de man],

wonende in [plaatsnaam],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H. Beekelaar,

e n

[de vrouw], volgens de huwelijksakte geheten [de vrouw],

wonende in [plaatsnaam],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. I.M. Thieme.

1De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

    het verzoekschrift van de man met bijlagen 1 tot en met 6, ingediend op 24 juli 2025;

    het bericht van de man van 19 augustus 2025, met als bijlage het exploot;

    het verweerschrift van de vrouw met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ingediend op 2 september 2025;

    het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, ingediend op 4 november 2025;

    het aanvullende verzoekschrift van de man, ingediend op 25 april 2026, met bijlage 7, en;

    het bericht van de vrouw van 29 april 2026, met bijlage 1;

    het bericht van de man van 30 april 2026, met bijlage 8, en;

    et bericht van de vrouw van 4 mei 2026, met bijlage 2.

1.2.

De verzoeken en verweren zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van
6 mei 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:

    de man, bijgestaan door zijn advocaat, en

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2Waar gaat het over?

Wat staat vast?

2.1.

De man en de vrouw zijn op [huwelijksdatum] 2002 in [huwelijksplaats] (Tunesië) met elkaar getrouwd.

2.2.

Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden beide partijen de Tunesische nationaliteit. De man heeft (ook) de Nederlandse nationaliteit. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de vrouw sinds [datum 1] 2008 (ook) de Nederlandse nationaliteit heeft.

2.3.

De man heeft gedurende het hele huwelijk in Nederland gewoond. De vrouw heeft aanvankelijk in Tunesië gewoond. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de vrouw sinds [datum 2] 2003 in Nederland staat ingeschreven.

2.4.

De man heeft op 25 juli 2000, dus voorafgaand aan het huwelijk van partijen, het recht van erfpacht verkregen van de woning aan het adres [adres] in [plaatsnaam].

2.5.

In de huwelijksakte is het volgende opgenomen:

“The couple opted for the system of joint ownership of properties”

Wat ligt voor?

2.6.

De man verzoekt de rechtbank, na aanvulling van zijn verzoeken, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

    de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

    te bepalen dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door Tunesisch recht;

    voor recht te verklaren dat de door de man voorafgaand aan het huwelijk op 27 juli 2000 in eigendom verkregen woning, staande en gelegen te [postcode] [plaatsnaam] aan het adres [adres], op grond van artikel 10 van het door partijen gekozen "system of joint ownership" oftewel "het systeem van gemeenschappelijk eigendom van goederen" een voorhuwelijks onroerend goed betreft en dus buiten de verdeling blijft;dd

    de (wijze van) verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen met betrekking tot de goederen zoals hiervoor vermeld onder randnummers 13 van het verzoekschrift, voor zover partijen er niet in slagen in onderling overleg hiervoor een minnelijke regeling te treffen. In welk geval de man overigens verzoekt om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld uw rechtbank te informeren over de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap en de wijze waarop deze naar het oordeel van de man dient te worden verdeeld;

    voor recht te verklaren dat de aan de vrouw in eigendom toebehorende twee onroerende goederen zoals omschreven onder randnummer 2 van het aanvullend verzoek en/ of blijkend uit de aan het aanvullend verzoek gehechte productie 7 op grond van, in het geval Tunesisch recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing is, artikel 10 van het door partijen gekozen "system of joint ownership" (oftewel "het systeem van gemeenschappelijk eigendom van goederen") dan wel, in het geval Nederlandse recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing is, op grond van de bestaande gemeenschap van goederen huwelijkse onroerende goederen betreffen en tevens in de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap betrokken moeten worden;

    voor zover de vrouw met recht stelt dat Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime en/ of verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van toepassing is:

primair, te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de onder e) genoemde goederen op grond van het gestelde in artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek dan wel 1:135 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek aan de man verbeurt en dat aan de man zodoende de gehele waarde van beide onroerende goederen toekomt;

 subsidiair, zo de rechtbank meent dat Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime en/ of verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van toepassing is en de rechtbank daarnaast meent dat de vrouw haar aandeel aan de man niet verbeurt, te bepalen dat de vrouw gehouden is om aan de man de helft van de waarde van de onder e) genoemde onroerende goederen te voldoen;

te bepalen dat de onder e) genoemde onroerende goederen door een beëindigde lokale makelaar officieel getaxeerd dienen te worden teneinde de waarde daarvan te bepalen.

2.7.

De vrouw verzoekt de rechtbank de verzoeken van de man, met uitzondering van zijn verzoek tot echtscheiding, af te wijzen. Verder verzoekt zij de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

    De echtscheiding uit te spreken, tussen partijen gehuwd op [huwelijksdatum] 2002 te [huweljksplaats] te Tunesië;

    De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen conform hetgeen opgemerkt onder randnummer 6 t/m 26 [van haar verweerschrift met zelfstandig verzoek].

2.8.

De man voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de vrouw als vermeld onder II) en verzoekt dit af te wijzen, met uitzondering van hetgeen de vrouw verzoekt onder randnummers 23 tot en met 25 van haar verweerschrift met zelfstandig verzoek.

2.9.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek mondeling aangevuld met het verzoek dat, voor zover de man over eigendommen in Tunesië beschikt, de gehele waarde daarvan aan de vrouw toekomt, omdat de man deze eigendommen heeft verzwegen. Subsidiair verzoekt zij de verdeling van die eigendommen.

2.10.

De man heeft bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van het verzoek. Hij acht het verzoek ook onvoldoende bepaald.

2.11.

Voor zover dat voor de beoordeling van belang is, gaat de rechtbank hierna nader in op de standpunten van partijen.

3De beoordeling

Internationaal privaatrecht

3.1.

Omdat de zaak een internationaal karakter heeft, moet de rechtbank eerst vaststellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen op de verschillende verzoeken en welk recht zij bij de beoordeling van de verzoeken moet toepassen.

Echtscheiding (verzoeken onder a en I)

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.2.

De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. 1De rechtbank zal op het echtscheidingsverzoek Nederlands recht toepassen. 2

Duurzame ontwrichting

3.3.

De rechtbank zal op verzoek van beide partijen de echtscheiding uitspreken. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarvan is sprake als het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. De vrouw en de man hebben gezegd dat dit zo is.

Huwelijksvermogensregime

Rechtsmacht

3.4.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om over de echtscheiding te beslissen. Om die reden komt de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe om te beslissen op de nevenverzoeken ten aanzien van het huwelijksvermogensregime. 3

Toepasselijk recht (verzoek onder b)

3.5.

Aangezien partijen op [huwelijksdatum] 2002 zijn getrouwd, moet de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen worden beantwoord aan de hand van de regels van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: HHV).

3.6.

Volgens de man leidt toepassing van de verwijzingsregels van het HHV ertoe dat Tunesisch recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Hij wijst erop dat partijen in de huwelijksakte hebben gekozen voor het systeem van ‘joint ownership’, zoals het Tunesische recht dat kent. Voor zover de rechtbank hierin geen rechtskeuze naar Tunesisch recht ziet, stelt hij dat Tunesisch recht van toepassing is, aangezien beide partijen de Tunesische nationaliteit hadden en zij niet binnen zes maanden een eerste huwelijksdomicilie (in Nederland) hebben gevestigd. Hooguit zou er later een automatische wijziging hebben plaatsgevonden van het toepasselijk recht, maar hoe dan ook is volgens de man gedurende een deel van het huwelijk Tunesisch recht van toepassing geweest. Hij verzoekt de rechtbank daarom te verklaren voor recht dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Tunesisch recht.

3.7.

De vrouw stelt daarentegen dat gedurende de hele periode van het huwelijk Nederlands recht van toepassing is geweest. Volgens haar kan in het feit dat partijen in de huwelijksakte hebben gekozen voor een ‘joint ownership’ geen rechtskeuze worden gelezen. Een dergelijke rechtskeuze had volgens haar ook bij huwelijkse voorwaarden moeten gebeuren, dus bij notariële akte. Verder stelt zij dat partijen hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland hebben gevestigd. Weliswaar is de vrouw pas na de vaak gehanteerde termijn van zes maanden naar Nederland gekomen, maar dat kwam omdat zij niet eerder over een visum beschikte. Zij wijst erop dat het altijd de bedoeling van partijen is geweest om zich in Nederland te vestigen.

3.8.

De rechtbank stelt voorop dat zij allereerst moet beoordelen of er sprake is van een rechtskeuze voor een bepaald land. 4 Pas als een dergelijke rechtskeuze ontbreekt, dan is de relevant of en wanneer partijen hun eerste huwelijksdomicilie hadden of zich een automatische wijziging van het toepasselijke recht heeft voorgedaan.

3.9.

De rechtbank is van oordeel dat partijen hier een geldige rechtskeuze voor het Tunesische recht hebben gedaan en wel gezien het volgende. Volgens het HHV moet een dergelijke aanwijzing uitdrukkelijk zijn overeengekomen of ondubbelzinnig voortvloeien uit huwelijkse voorwaarden. 5 Wat de vorm van die huwelijkse voorwaarden (en dus de rechtskeuze) betreft, moet gekeken worden naar de regels die daarvoor gelden volgens het aangewezen interne recht. 6 Dit betekent dat gekeken moet worden naar de eisen die het Tunesische recht hieraan stelt en niet naar wat naar Nederlands recht geldt. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Hoge Raad van 29 maart 2013. 7

3.10.

Het huwelijksgoederenregime van het ‘joint ownership’ is geregeld in de Tunesische wet die (in de Franse tekst) wordt aangeduid als ‘Loi nº. 98-94 of 1998, du 9 novembre 1998, relative au régime de la communauté des biens entre époux’ (hierna: LRC). Volgens artikel 1 LRC kunnen partijen bij het sluiten van het huwelijkscontract kiezen voor toepassing van het stelsel van dit ‘joint ownership’. 8 In artikel 7 LRC is bepaald dat de ambtenaar die het huwelijkscontract opstelt, partijen moet wijzen op deze optie en hun reactie hierop moet vermelden in het huwelijkscontract. 9 Uit de hiervoor genoemde bepalingen volgt dat het naar Tunesisch recht voldoende is om ten overstaan van de ambtenaar bij de huwelijkssluiting te kiezen voor een bepaald huwelijksvermogensregime. Dat is hier ook gebeurd, want de ambtenaar heeft in de (Engelse vertaling van de) huwelijksakte vermeld dat partijen kiezen voor ‘joint ownership’. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit hieruit ook een ondubbelzinnige keuze voort voor het Tunesische recht. Anders dan de vrouw stelt, is voor een dergelijke keuze niet nodig dat met zoveel woorden voor toepassing van het Tunesische recht wordt gekozen. Een verwijzing naar het Tunesische stelsel, zoals hier is gedaan door te verwijzen naar de Tunesische rechtsfiguur van ‘joint ownership’, is daarvoor voldoende. Uit die aanwijzing vloeit ondubbelzinnig voort dat partijen hebben willen aansluiten bij het in de Tunesische wet geregelde regime. Daarbij verwijst de rechtbank ook naar de eerder aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad, waarin de verwijzing naar het huwelijksvermogensregime volgens het Italiaanse wetboek voldoende werd geacht 10 en naar de uitspraak van 30 januari 2026, waarin werd geoordeeld dat een voorwaarde in de huwelijksakte als huwelijkse voorwaarde en daarmee een keuze voor Iraans recht moest worden beschouwd. 11

3.11.

Gezien het voorgaande hebben partijen een geldige rechtskeuze gedaan voor toepassing van het Tunesische recht. Dit betekent dat gedurende het gehele huwelijk het Tunesische recht van toepassing is geweest. Voor een automatische wijziging in de zin van art. 7 HHV is dan geen ruimte. Dit betekent ook dat de rechtbank niet meer toekomt aan de vraag of van een eerste huwelijksdomicilie in de zin van het HHV sprake is. De rechtbank zal daarom conform het verzoek van de man voor recht verklaren dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Tunesische recht.

3.12.

Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij nog op dat, als geen sprake was geweest van een rechtskeuze en als de rechtbank de vrouw zou volgen in haar stelling dat het eerste huwelijksdomicilie in Nederland was geweest, nog steeds het Tunesisch recht van toepassing was geweest voor in ieder geval het eerste deel van het huwelijk en wel op basis van artikel 4 lid 2 onder 2 sub a HHV.

Echtelijke woning (verzoek onder c en II)

3.13.

De man heeft (kort gezegd) verzocht voor recht te verklaren dat de woning in [plaatsnaam] aan het adres [adres] (hierna: de echtelijke woning) als voorhuwelijkse onroerende zaak buiten de verdeling blijft. De vrouw heeft hiertegen verweer en gesteld dat de woning in de huwelijksgoederengemeenschap naar Nederlands recht valt.

3.14.

Zoals hiervoor is overwogen, is op het huwelijksvermogensregime van partijen (alleen) het Tunesische recht van toepassing. Op grond van art. 10 LCR worden (kort gezegd) de onroerende zaken gemeenschappelijk die partijen ná de huwelijkssluiting hebben verkregen of na het sluiten van een overeenkomst tot een gemeenschap. 12 Wel kunnen partijen dat afzonderlijk overeenkomen, aldus de laatste zin van art. 10 LCR. 13 Een dergelijke overeenkomst ontbreekt hier echter.

Een en ander impliceert dat een onroerende zaak die een van partijen al voor het huwelijk had, niet gemeenschappelijk is geworden. Tussen partijen is niet in geschil dat de man (het recht van erfpacht van) de echtelijke woning verkreeg in 2000, dus voor het sluiten van het huwelijk. Daarmee valt dit recht van erfpacht van de woning buiten het ontstane ‘joint ownership’. De rechtbank zal daarom de verzochte verklaring voor recht in die zin toewijzen. Dat betekent ook de dat de rechtbank het verzoek van de vrouw om (het erfpacht van) de woning te verdelen, zal afwijzen.

Panden in Tunesië (verzoeken onder e, f en g)

3.15.

De man heeft gesteld dat de vrouw over panden in Tunesië beschikt, onder verwijzing naar zijn als bijlage 7 overgelegde notariële akte van schenkingen (‘deeds of donation’). Voor zover Tunesisch recht van toepassing is, heeft hij verzocht deze panden te verdelen. Voor zover Nederlands recht van toepassing is heeft hij verzocht te verklaren dat de vrouw vanwege verzwijging haar aandeel in deze panden aan hem is verbeurd. In beide gevallen wil hij dat de panden worden getaxeerd door een beëdigde lokale makelaar.

3.16.

De vrouw heeft betwist dat zij beschikt over panden in Tunesië, waarbij zij een certificaat van niet-eigendom heeft overgelegd van het Tunesische Nationale Bureau voor Vastgoedbezit. Verder heeft zij haar verzoeken mondeling aangevuld met het verzoek ook eventuele panden van de man in Tunesië te verdelen (bij toepassing van Tunesisch recht), dan wel te bepalen dat de man zijn aandeel in die panden aan haar verbeurt (bij toepassing van Nederlands recht).

3.17.

De rechtbank laat het mondelinge verzoek van de vrouw buiten beschouwing wegens strijd met een goede procesorde. Zij heeft haar verzoek pas mondeling ter zitting gedaan, waardoor de man zich daartegen niet meer kan verweren tegen de vordering met bijvoorbeeld het indienen van stukken. Bovendien heeft de vrouw haar verzoek niet nader gespecificeerd. Zo noemt zij geen adres van de vermeende panden van de man.

3.18.

Het verzoek van de man ten aanzien van de genoemde onroerende zaken in Tunesië, wijst de rechtbank af. Allereerst heeft de vrouw met de overlegging van het certificaat van niet-eigendom gemotiveerd betwist dat de onroerende zaken daadwerkelijk (nu nog) op haar naam zijn gesteld. Bovendien volgt uit artikel 10 LCR dat onroerende zaken die vanuit schenking zijn verkregen, buiten het ‘joint ownership’ vallen. 14 Daarbij volgt de rechtbank de man niet in zijn lezing dat geschonken zaken alleen dan buiten de gemeenschap vallen als deze zaken zijn bedoeld ‘voor gebruik door de familie’. Die zinsnede ziet juist op de hoofdregel, namelijk dat alleen onroerende zaken in de gemeenschap vallen als die na de huwelijkssluiting zijn verkregen én bedoeld zijn voor gebruik door de familie. Daarbij verwijst de rechtbank ook naar punt 1.6 van de toelichting op het Tunesische familierecht vanuit de Britse ambassade in Tunesië. 15 Een en ander betekent dat niet is gebleken dat de vrouw over panden in Tunesië beschikt die tot het ‘joint ownership’ behoren, zodat een verdeling van die panden niet aan de orde is. Aangezien het Tunesische recht gedurende het hele huwelijk van partijen van toepassing is geweest, komt de rechtbank evenmin toe aan de beoordeling of van verzwijging sprake is. De rechtbank zal daarom beide verzoeken van de man afwijzen.

Gemeenschappelijke goederen (verzoeken onder d en II)

3.19.

Partijen zijn het erover eens dat de inboedel van de woning in [plaatsnaam], de twee auto’s en de saldi op ieders bankrekeningen gemeenschappelijk zijn.

3.20.

Ten aanzien van de inboedel zijn partijen het erover eens dat deze in onderling overleg bij helfte worden verdeeld. Wat de auto’s betreft, zijn zij het erover eens dat ieder de auto houdt die hij/zij in bezit heeft, zonder nadere verrekening van de waarde.

3.21.

Ten aanzien van de banksaldi zijn zij overeengekomen dat zij de saldi met elkaar zullen delen per 24 juli 2025 (de datum van indiening van het verzoekschrift). Wat de bankrekening van de man betreft die eindigt op …202, zijn zij overeengekomen dat voor die verdeling uit kan worden gegaan van het gemiddelde van de op het afschrift genoemde saldi, zijnde € 572,38. Wat de bankrekening van de vrouw, eindigend op ...529 betreft, ontbreekt nog een afschrift per 24 juli 2025. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw een afschrift van de rekening per die datum nog aan de man moet sturen, waarna partijen over dienen te gaan tot verdeling van het saldi per die datum.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.22.

De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.

Proceskosten

3.23.

De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij een relatie met elkaar hebben gehad.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] 2002 in [huwelijksplaats] (Tunesië);

4.2.

verklaart voor recht dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door Tunesisch recht;

4.3.

verklaart voor recht dat het door de man voorafgaand aan het huwelijk op 27 juli 2000 verkregen recht van erfpacht van de woning, staande en gelegen te [postcode] [plaatsnaam] aan het adres [adres], buiten het ‘joint ownership’ blijft;

4.4.

gelast de navolgende wijze van verdeling:

4.4.1

dat partijen de inboedel van de woning in [plaatsnaam 1] in onderling overleg bij helfte dienen te verdelen;

4.4.2

dat ieder van partijen de auto houdt, die hij/zij in bezit heeft, zonder nadere verrekening van de waarde;

4.4.3

dat partijen de saldi van hun bankrekening per 24 juli 2025 met elkaar zullen delen, en meer specifiek:

 dat partijen ten aanzien van de bankrekening van de man, eindigend op …202, een saldo van € 572,38 met elkaar zullen delen;

 dat de vrouw ten aanzien van haar bankrekening, eindigend op …529, een afschrift aan de man zal sturen per 24 juli 2025 en dat partijen het saldo op die datum met elkaar zullen delen;

4.5

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;

4.6

bepaalt dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;

4.7

wijst de verzoeken voor het overige af.

Dit is de beslissing van rechter mr. B. Krijnen, tot stand gekomen in samenwerking met mr. J.A.M.H. de Wit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

1

Artikel 3 sub a, onder i, van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (“Brussel II-ter”).

3

Artikel 5 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 (“Huwelijksvermogensverordening”).

4

Artikel 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.

5

Artikel 11 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.

6

Artikel 13 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.

7

Hoge Raad 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4352.

8

Artikel 1 LRC luidt: “Le régime de la communauté des biens est un régime facultatif pour lequel les épouxpeuvent opter au moment de la conclusion du contrat de mariage (…)”

9

Artikel 7 LRC luidt: “L’Officier public chargé de la rédaction du contrat de mariage doit rappeler aux deux parties les dispositions des article 1 en 2 de cette loi et mentionner leur réponse dans le contrat (…)”

10

Hoge Raad 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4352.

11

Hoge Raad 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126.

12

De aanhef van artikel 10 LCR luidt: “Sont considérés communs entre les époux, les immeubles acquis après le mariage ou après la conclusion de l’acte de communauté à moins que leur propriété n’ait été transférée à l’un d’eux par voie de succession, donation, ou de legs, et à condition qu’ils soient destinés à l’usage familial ou à l’intérêt propre de celle-ci, nonobstant le fait que ledit usage soit continu, saisonnier ou occasionnel”

13

De slotzin van artikel 10 LCR luidt: “L’accord peut porter sur tous leurs immeubles y compris ceux acquis avant le mariage et ceux provenant d’une donation, d’une succession ou d’un legs.”

14

Zie het hiervoor geciteerde artikel 10 LCR met name: “(…)à moins que leur propriété n’ait été transférée à l’un d’eux par voie de succession, donation, ou de legs (…)”

15

https://assets.publishing.service.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/797548/Tunisian_Family_Law_-_Print_Version_Final_Document.pdf



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733