Rechtbank Midden-Nederland 19-06-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4485

Essentie (gemaakt door AI)

Machtiging gesloten jeugdhulp waarin het resterende verzoek van de GI wordt afgewezen. Ernstige zorgen over [minderjarige], maar niet voldaan aan art. 6.1.2 lid 5 Jeugdwet: geen instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper na kort tevoren verricht onderzoek. Dossierverklaring volstaat niet nu verblijf bij moeder bekend is en feitelijk onderzoek mogelijk is. Capaciteitstekort en risico op tevergeefs huisbezoek rechtvaardigen geen uitzondering. Ingrijpende maatregel vereist strikte wetsnaleving.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

"Elk uur en elke euro" telt in de jeugdzorg - toch moet aan wettelijke vereisten MUHP worden voldaan
Hoewel er ernstige zorgen zijn over het kind, wordt verzoek MUHP afgewezen: niet voldaan aan art. 6.1.2 lid 5 Jeugdwet: geen instemmingsverklaring gedragswetenschapper na kort tevoren verricht onderzoek. Dossierverklaring volstaat niet.

Datum publicatie20-07-2026
ZaaknummerC/16/607696 / JL RK 26-135
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsLelystad
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Afwijzing verzoek uithuisplaatsing; Wachttijden
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

artikel 6.1.2 Jeugdrecht; machtiging gesloten jeugdhulp; instemmingsverklaring gedragswetenschapper ontbreekt na onderzoek; capaciteitstekort en ontbreken huisbezoek geen rechtvaardiging; belang van het kind; verzoek afgewezen

Volledige uitspraak


RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Lelystad

Zaaknummer: C/16/607696 / JL RK 26-135

Datum uitspraak: 19 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,

advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt.

De kinderrechter merkt als informanten aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats 1] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats 1] .

1Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter heeft bij de beschikking van 23 april 2026 een machtiging

verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 23 april 2026 tot 23 mei 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden.

1.2.

Vervolgens heeft de kinderrechter bij beschikking van 21 mei 2026 opnieuw een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 23 mei 2026 tot 23 juni 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden.

1.3.

De kinderrechter heeft nadien kennisgenomen van het schrijven van de GI van 16 juni 2026.

1.4.

Op 18 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- mr. E. Uijt de boogaardt namens [minderjarige] ;

  • [A.] namens de GI.

  • de moeder.

[minderjarige] en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] en de vader wel juist zijn opgeroepen.

1.5.

De kinderrechter heeft niet direct na de zitting uitspraak gedaan. De partijen konden op 19 juni 2026 vanaf 13.00 uur bellen naar de griffie van de rechtbank voor de beslissing. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.

2De feiten

Voor de vaststaande feiten en het eerdere procesverloop wordt verwezen naar de beschikkingen van 23 april 2026 en 21 mei 2026.

3Het verzoek

De GI heeft verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden. Er zijn twee tussenbeslissingen genomen, 23 april 2026 en 21 mei 2026. De kinderrechter moet nog beslissen over de resterende vier maanden, dus tot 23 oktober 2026

4De beoordeling

4.1.

De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek van de GI afwijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

4.2.

De kinderrechter stelt voorop dat de situatie van [minderjarige] ontzettend zorgelijk is. De voogd heeft duidelijk toegelicht hoe zij hem de afgelopen bezoeken heeft aangetroffen. Hij is zichtbaar onder invloed van drugs, lijkt geen enkele dagbesteding te hebben en komt steeds in aanraking met de politie. De dag vóór de zitting is hij zelfs nog aangehouden; [minderjarige] reed zonder helm op een scooter, reed weg toen de politie hem aan wilde houden, en is toen klemgereden waarbij een handgemeen ontstond. Daarbij is een politieagent licht gewond geraakt, zo heeft de GI verteld. Bovendien bleek de scooter niet verzekerd te zijn, was het serienummer onleesbaar gemaakt en leek [minderjarige] onder invloed. De moeder heeft erkend dat dit incident met de scooter gebeurd is, maar ook verteld dat [minderjarige] graag wil gaan werken en dat hij daarvoor alleen zijn ID en bankpas (die nog op de gesloten afdeling van [zorginstelling] in [plaats 2] liggen) nodig heeft. Zij heeft verteld dat [minderjarige] het vreselijk vond op de gesloten groep en niks te doen had, behalve op de Playstation gamen. Als hij maar aan het werk zou kunnen, zou eigenlijk alles opgelost zijn, zegt de moeder. De kinderrechter begrijpt dat de moeder [minderjarige] dit zou gunnen, maar denkt dat dit nu geen realistische optie is. [minderjarige] heeft namelijk ondersteuning nodig met het regelen van zijn leven, omdat zijn emotionele ontwikkeling en zijn cognitieve ontwikkeling beperkt zijn. Dat betekent dat veel dingen voor hem ingewikkelder zijn dan voor andere mensen. Uiteindelijk zou het heel mooi zijn als hij inderdaad kan gaan werken of een andere dagbesteding vindt. Op dit moment moet er echter nog veel gebeuren voordat dat mogelijk is en heeft [minderjarige] daarvoor structuur en steun nodig – zaken die een gesloten afdeling kan bieden. De vrees is dat bij het ontbreken daarvan [minderjarige] , die heel beïnvloedbaar is, (meer) strafbare feiten pleegt en uiteindelijk daarvoor misschien zelfs en gevangenisstraf krijgt. Dat wensen de kinderrechter, de voogd, de advocaat van [minderjarige] en natuurlijk vooral ook de moeder hem niet toe, zo is tijdens de zitting besproken. In die zin lijkt een machtiging tot opname is een gesloten accommodatie dus een noodzakelijke stap om [minderjarige] te beschermen.

4.3.

Toch wijst de kinderrechter het resterende deel van het verzoek af. Dat komt omdat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten.

4.4.

In artikel 6.1.2. lid 5 van de Jeugdwet staat dat bij een verzoek om een machtiging tot gesloten jeugdhulp een instemmende verklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, moet zitten. Bij het oorspronkelijke verzoek van 27 februari ontbrak deze instemmingsverklaring. Dat kwam omdat [minderjarige] op dat moment vermist was. Het was daarom niet mogelijk om hem te onderzoeken. Er is daarom een instemmingsverklaring op basis van dossieronderzoek (opgemaakt op 21 april 2026) bij het verzoek gevoegd. In uitzonderingsgevallen – als persoonlijk onderzoek feitelijk onmogelijk is – kan met zo'n verklaring op basis van dossieronderzoek worden volstaan.

4.5.

De situatie is nu anders. Al sinds half mei is duidelijk waar [minderjarige] nu verblijft, namelijk bij zijn moeder. De voogd heeft hem daar ook een paar keer bezocht. Zij heeft verteld dat zij ook wel heeft geprobeerd een gedragswetenschapper mee te nemen om [minderjarige] te laten onderzoeken, maar dat dit niet is gelukt. Dat komt omdat er een risico is dat [minderjarige] ervandoor gaat als er een vreemde – de gedragswetenschapper – mee zou komen, omdat hij wil voorkomen dat hij wordt meegenomen naar de gesloten accommodatie. De gedragswetenschapper heeft daarom aangegeven niet te willen komen, omdat de kans groot lijkt dat dit tevergeefs is en dat hoge kosten met zich brengt.

De kinderrechter heeft op zichzelf wel enige begrip voor deze opstelling van de gedragswetenschapper. De druk op de jeugdzorg – ook op gedragswetenschappers – is hoog en dat betekent: prioriteiten stellen. Elk uur en elke euro die aan een tevergeefs bezoek worden besteed, kunnen niet aan een ander kind besteed worden. Ook de kinderrechter erkent dat de kans aanwezig is dat [minderjarige] de benen zou nemen en de komst van de gedragswetenschapper dus voor niets zou zijn. De situatie is nu echter wel anders dan bij de vorige twee tussenbeschikkingen: ten tijde van de beschikking van 23 april 2026 was onbekend waar [minderjarige] was en was dus geen feitelijk onderzoek mogelijk. Ten tijde van de tussenbeschikking van 21 mei 2026 was [minderjarige] net weer gevonden en was nog de verwachting dat hij snel terug zou kunnen naar zijn oude plek, waar de gedragswetenschapper hem direct zou kunnen bezoeken. Inmiddels is er weer een maand verstreken en is duidelijk dat [zorginstelling] niet wil dat [minderjarige] op zijn oude plek terugkeert, omdat zijn zusje ook op die locatie verblijft en dit grote veiligheidsrisico's met zich zou brengen. De voogd heeft verteld dat zij heeft benadrukt dat [zorginstelling] een verplichting heeft om [minderjarige] op te nemen en dat er druk wordt gezocht naar een plek op een andere locatie. Die plek is er nu nog niet. Dat betekent dat er, als er geen huisbezoek plaatsvindt, ook geen concreet zicht is op een snel onderzoek door een gedragswetenschapper. Ook de advocaat van [minderjarige] heeft namens hem betoogd dat er niet alleen op basis van 'voor zijn bestwil' een machtiging af kan worden gegeven, en dat niet aan de wettelijke vereisten is voldaan.

4.6.

De kinderrechter vindt dat er een grens is aan hoe praktisch zij kan zijn bij het beoordelen van het verzoek. Van de kinderrechter mag verwacht worden dat zij in het belang van het kind beslist, maar ook dat zij daarbij de wet als uitgangspunt én grens hanteert. Als er te gemakkelijk voorbij wordt gegaan aan het vereiste van een instemmingsverklaring op basis van onderzoek, zou dat betekenen dat de rechten van [minderjarige] niet voldoende worden beschermd. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat een gesloten plaatsing een zeer ingrijpende maatregel is, die diepe inbreuk maakt op grondrechten van [minderjarige] . Dat mag alleen binnen de grenzen van de wet.

4.7.

De kinderrechter realiseert zich dat zij met deze beslissing weliswaar het juridische belang van [minderjarige] respecteert, maar dat dit het probleem bepaalt niet oplost. Zij beseft dat de voogd nu zonder machtiging met [zorginstelling] in overleg moet en dat er een kans bestaat dat er een op termijn een spoedmachtiging aangevraagd zal moeten worden. Het zou echter te ver voeren – en op willekeur neerkomen – als de kinderrechter om die praktische redenen nu het verzoek zou toewijzen terwijl niet aan de wettelijke vereisten is voldaan.

5De beslissing

De kinderrechter wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Atema, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026, in aanwezigheid van M.R. Meijn als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733