Rechtbank Rotterdam 26-06-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:7741

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding waarin de vrouw na 14 jaar na echtscheiding meewerken aan verkoop van de onverdeelde woning vordert. Afwijzing. Voorzieningenrechter acht niet voldoende aannemelijk dat de bodemrechter toewijst, nu de man de lasten en een consumptief krediet alleen heeft gedragen en de woning ten tijde van echtscheiding onder water stond, waardoor de helft van de overwaarde mogelijk niet aan de vrouw toekomt en overname door de man denkbaar is. Belang van de man bij behoud van de woning weegt zwaarder. Reconventie eveneens afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Vrouw eist 14 jaar na echtscheiding verkoop woning die destijds 'onder water' stond: afwijzing
Vrouw eist woningverkoop in kort geding. Woning stond destijds onder water, wat maakt dat als partijen toen hadden verdeeld, zij niet helft overwaarde zou hebben gehad. Man kan daarom misschien overnemen. Afwijzing; bodemprocedure.

Datum publicatie20-07-2026
ZaaknummerC/10/719130 / KG ZA 26-429
ProcedureKort geding
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Medewerking aan verkoop/toedeling
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kort geding. Meewerken verkoop. Afwijzing. Het is naar voorlopig oordeel niet voldoende aannemelijk dat een bodemrechter de vorderingen van de vrouw toewijst. Bij deze stand van zaken weegt het belang van de man bij behoud van de woning zwaarder dan het belang van de vrouw.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/719130 / KG ZA 26-429

Vonnis in kort geding van 26 juni 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

hierna te noemen: [eiseres],

advocaat: mr. N. Wouters,

tegen

[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie

hierna te noemen: [gedaagde 1],

advocaat: mr. Chr.E. Pfeiffer.

1De zaak in het kort

In deze procedure vordert [eiseres], nadat partijen 14 jaar geleden zijn gescheiden, verkoop van de gezamenlijke woning. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af, omdat een bodemrechter mogelijk tot het oordeel komt dat de helft van de overwaarde gezien de omstandigheden niet aan [eiseres] toekomt en [gedaagde 1] in dat geval de mogelijkheid kan worden geboden om het aandeel van [eiseres] in de woning over te nemen.

2De procedure

2.1.

Het dossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 19 mei 2026, met producties 1 tot en met 7;
- de producties 1 tot en met 7 van [gedaagde 1];

- de ter zitting overgelegde productie 8 van [gedaagde 1];

- de spreekaantekeningen van mr. Pfeiffer.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 1 juni 2026 plaatsgevonden. Aan het eind van die behandeling hebben partijen te kennen gegeven dat zij willen proberen in onderling overleg een regeling te treffen. Om partijen daartoe in de gelegenheid te stellen, is de zaak aangehouden. Partijen hebben de voorzieningenrechter vervolgens bericht dat het hen niet is gelukt om een regeling te treffen. Mr. Pfeiffer heeft verzocht om een voortzetting van de mondelinge behandeling; mr. Wouters heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een nieuwe mondelinge behandeling afgewezen en vervolgens het vonnis bepaald op heden.

3De feiten

3.1.

Partijen zijn op [datum] in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. Bij beschikking van 20 augustus 2012 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 20 augustus 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

[gedaagde 1] is (al) in 2004 eigenaar geworden van de woning aan de [adres] (hierna: ‘de woning’). Omdat partijen in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, is [eiseres] van rechtswege mede-eigenaar geworden van de woning. De woning is na de echtscheiding van partijen niet verdeeld.

3.3.

[eiseres] heeft over de jaren 2023 en 2024 onterecht huurtoeslag ontvangen en moet deze bedragen terugbetalen aan de Belastingdienst.

4Het geschil

in conventie

4.1.

[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

    [gedaagde 1] te veroordelen om binnen één week na de datum van dit vonnis samen met [eiseres] de verkoopopdracht voor de woning te ondertekenen en af te geven aan een nader te bepalen makelaar dan wel een andere makelaar die partijen samen overeenkomen, waarbij die betreffende makelaar zal bepalen voor welke vraagprijs de woning in de verkoop wordt gezet;

    [gedaagde 1] te veroordelen op eerste verzoek van de makelaar al datgene te doen of na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht van de woning te komen, onder meer door zijn medewerking te verlenen aan en toegang tot de woning te verschaffen voor bezichtigingen door de makelaar en potentiële kopers, het dulden van een verkoopbord in de tuin en/of op de gevel van de woning alsmede het opvolgen van elke aanwijzing van de makelaar om tot een spoedige verkoop van de woning te komen;

    te bepalen dat partijen de kosten voor de makelaar ieder voor de helft zullen dragen;

    te bepalen dat partijen binnen vijf dagen na ontvangst van een bod op de woning, dat door de makelaar als marktconform redelijk bod wordt aangemerkt, moeten laten weten of zij dit bod accepteren;

    te bepalen voor het geval dat partijen niet binnen de hiervoor genoemde termijn overeenstemming bereiken over de acceptatie van het daar bedoelde bod, de makelaar bindend de verkoopprijs betaalt;

    [gedaagde 1] te veroordelen om op eerste verzoek van de makelaar mee te werken aan de totstandkoming en ondertekening van de verkoopovereenkomst van de woning;

    [gedaagde 1] te veroordelen om op eerste verzoek te verschijnen op een door de kopers/makelaar aangewezen notaris te bepalen datum en tijdstip voor de levering van de woning en de door de notaris opgestelde leveringsakte te tekenen;

    [gedaagde 1] te bevelen de woning te verlaten uiterlijk zeven dagen voordat de levering aan de kopende partij zal plaatsvinden;

    [gedaagde 1] te verbieden genoemde woning, na ommekomst van de periode hiervoor genoemd van uiterlijk zeven dagen voor de levering, te betreden;

    [gedaagde 1] te bevelen de sleutels van de woning na ommekomst van de periode hiervoor genoemd van zeven dagen voor de levering, aan de betrokken makelaar te overhandigen;

    [gedaagde 1] te veroordelen om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag dat hij niet voldoet aan een of meerdere van de verplichtingen tot feitelijke medewerking vallend onder de verplichtingen onder sub 2, 8, 9 en/of 10, tot een maximum van € 30.000,- is bereikt;

    te bepalen dat als [gedaagde 1] op eerste verzoek weigert mee te werken aan een of meer van de verplichtingen onder sub l, 6, en/of 7, dit vonnis op grond van art. 3:300 lid l BW in de plaats te laten stellen van de door de van [gedaagde 1] verlangde medewerking en/of handtekeningen;

    [gedaagde 1] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.2.

[gedaagde 1] voert verweer. [gedaagde 1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

in reconventie

4.3.

[eiser] vordert voor het geval hij in conventie wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning:

    te bepalen dat [eiser] gedurende zes maanden na de datum van dit vonnis in de gelegenheid wordt gesteld te bewerkstelligen dat [gedaagde 2] uit de hoofdelijkheid van de hypothecaire geldlening wordt ontslagen;

    te bepalen dat bij verkoop van de woning aan een derde, na de levering van die woning aan die derde

a) door de notaris die de levering van de woning verzorgt aan [eiser] uit de netto verkoopopbrengst van de woning dient te worden uitbetaald, althans [eiser] alsdan uit die netto verkoopopbrengst vrij kan beschikken over:

1. een bedrag wegens gedane inlossingen, gelijk aan de som van de door hem na ontbinding van de gemeenschap betaalde inlossingen op de annuïtaire hypotheek en het consumptieve krediet te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling van die inlossingen tot de datum van dit vonnis, alsmede,

2. een bedrag gelijk aan de helft van het bedrag dat resteert nadat de netto verkoopopbrengst van de woning is verminderd met voormeld bedrag wegens gedane inlossingen,

b) een bedrag gelijk aan de netto verkoopopbrengst vermindert met de aan [eiser] toekomende bedragen bedoeld onder a)1. en a)2. door vorenbedoelde notaris in depot wordt gehouden totdat de door de rechter van de gemeenschap tussen partijen kracht van gewijsde heeft gekregen.

4.4.

[gedaagde 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].

5De beoordeling

Het toetsingskader

5.1.

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of de eisende partij ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet bij dat alles ook een belangenafweging maken.

5.2.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.

[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen

5.3.

[eiseres] stelt een spoedeisend belang bij haar vorderingen te hebben, omdat zij een schuld bij de Belastingdienst heeft opgebouwd door te veel ontvangen toeslagen en zij op dit moment niet in aanmerking komt voor toeslagen. [eiseres] loopt hierdoor maandelijks inkomsten mis. [eiseres] heeft op dit moment geen recht op toeslagen, omdat zij nog mede-eigenaar van de woning is en de Belastingdienst dit bezit aanmerkt als vermogen. Pas als de woning is verkocht (of haar aandeel in de woning is geleverd aan [gedaagde 1]), komt zij voor de toekomst weer in aanmerking voor toeslagen. Met deze stelling heeft [eiseres] het spoedeisend belang voldoende onderbouwd.

De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af

5.4.

[eiseres] stelt dat de woning moet worden verkocht, omdat zij financieel last heeft van de onverdeeldheid. Zij heeft de toeslagen van de Belastingdienst nodig als aanvulling op haar relatief lage inkomen. [gedaagde 1] verweert zich tegen verkoop van de woning en stelt dat partijen ten tijde van de echtscheiding zijn overeengekomen dat [gedaagde 1] het aandeel van [eiseres] in de woning zou overnemen, dat hij alle lasten zou voldoen en dat [eiseres] op enig moment zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld. Omdat [gedaagde 1] sinds het vertrek van [eiseres] uit de woning niet heeft bijgedragen aan de hypotheeklasten en hij een gezamenlijk consumptief krediet alleen heeft afgelost, is hij niet gehouden om de helft van de overwaarde aan [eiseres] te voldoen. Als [gedaagde 1] geen overbedelingsvergoeding aan [eiseres] hoeft te betalen, is de kans reëel dat hij [eiseres] kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld.

5.5.

Wat er ook zij van de door [gedaagde 1] gestelde afspraak, die [eiseres] betwist, vaststaat dat de verdeling van de woning nooit is geëffectueerd en dat aan de hand van de in deze procedure aangevoerde feiten en omstandigheden een beslissing moet worden genomen. Het is naar voorlopig oordeel niet voldoende aannemelijk dat een bodemrechter de vorderingen van [eiseres] zal toewijzen. Bij deze stand van zaken weegt het belang van [gedaagde 1] bij behoud van de woning zwaarder dan het belang van [eiseres]. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.

5.6.

[gedaagde 1] was al voor het huwelijk van partijen eigenaar van de woning. [eiseres] is mede-eigenaar van de woning geworden door dit (korte) huwelijk. Ten tijde van de echtscheiding stond het huis “onder water”. Als partijen de verdeling destijds hadden geëffectueerd, was er sprake van een onderwaarde. [gedaagde 1] stelt onbetwist dat er tot 2017 sprake was van onderwaarde. [gedaagde 1] stelt voorts onbetwist dat hij sinds de echtscheiding 14 jaar geleden alle hypotheeklasten heeft betaald en dat hij in zijn eentje een gezamenlijk afgesloten krediet voor verbetering van de woning heeft afbetaald. Gezien deze omstandigheden is niet ondenkbaar dat de bodemrechter zal oordelen dat het niet redelijk en billijk is dat de helft van de overwaarde aan [eiseres] toekomt. Immers, de huizenmarkt is in de tijd die is verstreken volledig veranderd en vaststaat dat [eiseres] geen investeringen meer in de woning heeft gedaan. Als de bodemrechter oordeelt dat [eiseres] geen recht heeft op de helft van de overwaarde, is [gedaagde 1] mogelijk in staat om [eiseres] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld en kan [gedaagde 1] de woning wel behouden.

5.7.

Het is dus onzeker hoe het oordeel van de bodemrechter over de verdeling van een eventuele overwaarde zal uitpakken. Zolang partijen daarover geen overeenstemming hebben bereikt of daarover nog niet is beslist, ligt het voor de hand dat – na verkoop van de woning aan een derde, zoals [eiseres] wil – de verkoopopbrengst bij de notaris in depot moet blijven. [eiseres] heeft in dat geval een mogelijke vordering op de notaris, zodat ook in dat geval maar zeer de vraag is of zij aanspraak heeft op toeslagen. Zo lang het geld bij de notaris staat, kan [eiseres] daar geen gebruik van maken om in haar levensbehoeften te voorzien. Gelet hierop lijkt zij op korte termijn niet veel te hebben aan een verkoop van de woning aan een derde. Hier tegenover staat het belang van [gedaagde 1] bij behoud van zijn woning. De vorderingen van [eiseres] hebben, bij toewijzing, immers het verstrekkende gevolg dat de woning moet worden verkocht en [gedaagde 1] andere woonruimte moet zoeken. Hij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat dit voor hem gelet op zijn omstandigheden buitengewoon moeilijk zal zijn. Dit belang weegt zwaar, juist ook omdat in dit kort geding niet vooruit kan worden gelopen op de door de bodemrechter vast te stellen verdeling van het gezamenlijk vermogen van partijen.

5.8.

De vorderingen in conventie zijn daarom niet toewijsbaar. In reconventie zijn de vorderingen evenmin toewijsbaar, omdat niet voldaan is aan de voorwaarden waaronder deze zijn ingesteld. Vordering 2. van [gedaagde 1] is overigens ook niet toewijsbaar omdat deze declaratoir van aard is. De vordering ziet immers op verdeling van de verkoopopbrengst. Dit zal in een bodemprocedure aan de orde moeten komen of partijen moeten hier in onderling overleg een afspraak over maken.

De proceskosten

5.9.

Omdat partijen ex-echtgenoten zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie en in reconventie

6.1.

wijst alle vorderingen af,

6.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
3608/1980



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733