Essentie (gemaakt door AI)
Art. 2.17, lid 4, Wet IB 2001; navorderingsaanslag; wijziging onderlinge verdeling. In een zaak waarin partners na onherroepelijke primitieve aanslagen herziene aangiften doen, bevestigt de Hoge Raad dat de onderlinge verdeling van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen ook bij navordering mag worden gewijzigd totdat zowel de navorderingsaanslag van de belastingplichtige als die van de partner onherroepelijk vaststaat. Cassatie ongegrond. Toekenning immateriële schade wegens termijnoverschrijding. Staatssecretaris wordt in proceskosten veroordeeld.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 17-07-2026 |
| Zaaknummer | 24/01208 |
| Procedure | Cassatie |
| Formele relaties | In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2024:1090; Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1134; Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1185 |
| Rechtsgebieden | Bestuursrecht; Belastingrecht |
| Trefwoorden | Fiscaal familierecht; Partnerbegrip; Aftrekbare kosten eigen woning |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Art. 2.17, lid 4, Wet IB 2001; navorderingsaanslag, wijziging onderlinge verdeling.Volledige uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01208
Datum 17 juli 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 februari 2024, nr. BK-ARN 21/1408
1, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/6827) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2018 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.L. Faber, heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
Belanghebbende heeft op 7 juni 2026 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk laten weten af te zien van een reactie op het hiervoor bedoelde verzoek om vergoeding van immateriële schade.
2Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende was in 2018 gehuwd met [A]. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. Haar echtgenoot is op [...] 2019 overleden. Beide kinderen en belanghebbende zijn de erven van echtgenoot.
Belanghebbende woonde in 2018 met haar echtgenoot in een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001, waarvoor zij een eigenwoningschuld zijn aangegaan. In 2018 hebben zij op de eigenwoningschuld een bedrag van € 6.630 aan rente betaald.
De Inspecteur heeft – overeenkomstig de aangiften – aan belanghebbende en aan de erven van haar echtgenoot aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd met dagtekening 5 december 2019. De Inspecteur heeft een bedrag van € 11.256 aan negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning in aanmerking genomen. Hiervan heeft de Inspecteur – overeenkomstig de keuze in de aangiften – bij belanghebbende 26,65 procent in aanmerking genomen en bij de erven van haar echtgenoot 73,35 procent. Deze aanslagen zijn onherroepelijk geworden.
Op 23 juni 2020 hebben belanghebbende en de erven van haar echtgenoot ‘herziene aangiften’ ingediend. Daarin is een bedrag van € 4.964 aan negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning aangegeven, bestaande uit € 1.666 aan ‘huurwaarde eigen woning’ en € 6.630 aan betaalde rente. Hiervan is door hen 57,62 procent aan belanghebbende toegerekend en 42,38 procent aan haar echtgenoot.
Naar aanleiding van deze herziene aangiften heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen in de IB/PVV over het jaar 2018 opgelegd aan belanghebbende en aan de erven van haar echtgenoot. Daarbij is de Inspecteur uitgegaan van het nader aangegeven bedrag van € 4.964 aan negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning, maar is hij afgeweken van de in de herziene aangiften vermelde, gewijzigde toerekening. De Inspecteur is uitgegaan van de procentuele toerekening die is gehanteerd bij de hiervoor in 2.3 vermelde oorspronkelijke aanslagen, namelijk 26,65 procent bij belanghebbende en 73,35 procent bij de erven van haar echtgenoot.
3De oordelen van het Hof
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende en de erven van de echtgenoot gerechtigd zijn de eerder in de aangiften gemaakte keuze inzake de onderlinge verhouding van het belastbare inkomen uit eigen woning in het kader van de navorderingsaanslagen te herzien. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.
Het Hof heeft geoordeeld dat op grond van de tekst van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 een belastingplichtige en zijn partner met betrekking tot een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel gerechtigd zijn een aanvankelijk door hen gekozen onderlinge verhouding te wijzigen tot het moment waarop zowel de (navorderings)aanslag van de belastingplichtige als de (navorderings)aanslag van de partner onherroepelijk vaststaat.
Het Hof heeft overwogen dat de passage uit de parlementaire geschiedenis van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001,
3 waarop de Inspecteur zich ter onderbouwing van zijn standpunt beroept, haar belang met ingang van 1 januari 2009 heeft verloren, aangezien die passage ziet op een per 1 januari 2009 vervallen zinsnede in de wettekst (namelijk de zinsnede ‘waarin het desbetreffende bestanddeel of gedeelte daarvan is begrepen’).
Het Hof heeft daarom geoordeeld dat belanghebbende en de (erven van de) echtgenoot gerechtigd zijn de aanvankelijk gekozen onderlinge verhouding met betrekking tot de belastbare inkomsten uit eigen woning in het kader van de navorderingsaanslagen te wijzigen op een wijze als door hen in de herziene aangiften is bepleit.
Het Hof heeft op grond daarvan de aan belanghebbende over het jaar 2018 opgelegde navorderingsaanslag in de IB/PVV verminderd.
4Beoordeling van het middel
Het middel richt zicht tegen het hiervoor in 3.4 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel gaat ervan uit dat de in artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 voorziene mogelijkheid tot wijziging van de onderlinge verdeling tussen partners in geval van navordering alleen betrekking kan hebben op het inkomensbestanddeel waarop de navorderingsaanslag betrekking heeft, en daarom niet geldt voor inkomensbestanddelen die al zijn betrokken in een onherroepelijk vaststaande aanslag. Het middel faalt op de gronden zoals vermeld in onderdeel 4.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, in combinatie met de daarin genoemde onderdelen 4.19 tot en met 4.23 van de gemeenschappelijke bijlage bij die conclusie.
Het middel voert nog aan dat belastingplichtigen een gewijzigde aangifte kunnen indienen waarin ze bijvoorbeeld opmerken dat ze contant geld waren vergeten op te geven. Aanvaarding van de opvatting van het Hof zou volgens het middel meebrengen dat belastingplichtigen daarmee een navordering zouden kunnen bewerkstelligen en daardoor de gehele verdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen zouden kunnen herzien. Als zij niet hebben meegedaan aan het massaal bezwaar box 3 voor de periode met ingang van het jaar 2017, zouden belastingplichtigen daardoor volgens het middel mogelijk alsnog rechtsherstel kunnen krijgen met betrekking tot de heffing in box 3 bij ten tijde van het zogenoemde kerstarrest
4 reeds onherroepelijk vaststaande aanslagen.
Die consequentie, voor zover die zich al voordoet, vormt geen aanleiding om artikel 2:17, lid 4, Wet IB 2001 anders uit te leggen dan hiervoor in 4.1 is vermeld. Opmerking verdient dat die consequentie zich alleen zou kunnen voordoen in gevallen waarin de gewijzigde aangifte de conclusie rechtvaardigt dat, ook met inachtneming van het vereiste rechtsherstel in box 3, te weinig inkomstenbelasting van de belastingplichtige is geheven en daarom een bedrag van hem mag worden nagevorderd.
5
5Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 26 maart 2024. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.
6Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de (inmiddels ingetrokken) zaak met nummer 24/01207 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
7Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.401 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools, A.E.H. van der Voort Maarschalk en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt voor de behandeling van het beroep in cassatie een griffierecht geheven.
ECLI:NL:PHR:2024:1134, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:1185.
Kamerstukken II 2003/04, 29 678, nr. 3, blz. 6.
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
Vgl. onderdeel 4.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
