Essentie (gemaakt door AI)
Cassatie in familierecht/relatievermogensrecht waarin het hof de Iraansrechtelijke bruidsgave toewijst en bepaling A van de Iraanse huwelijkse voorwaarden (aanspraak afhankelijk van wie echtscheiding verzoekt) handhaaft. Hoge Raad vernietigt: voor de bruidsgave moet worden onderzocht wat naar Iraans recht de gevolgen zijn van een in NL uitgesproken echtscheiding zonder khul, en of toepassing niet stuit op openbare orde art. 10:6 BW. Voor bepaling A had het hof kenbaar de Nederlandse betrokkenheid moeten wegen onder art. 14 HHV 1978. Verwijzing.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 17-07-2026 |
| Zaaknummer | 25/02838 |
| Procedure | Cassatie |
| Formele relaties | Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:509; In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:1020 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Internationaal privaatrecht; Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; IPR huwelijksvermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Internationaal privaatrecht. Conflictenrecht. Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Afwijzing van aanspraak op bruidsgave naar Iraans recht op grond dat Nederlands recht geen khul echtscheiding kent. Toepassing van bepaling in door Iraans recht beheerste huwelijkse voorwaarden kennelijk onverenigbaar met openbare orde (art. 14 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 en art. 10:6 BW) ?Volledige uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02838
Datum 17 juli 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man],
wonende te [plaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
[de vrouw],
wonende te [plaats],
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaat: J.E. Strengholt-Geitenbeek.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaken C/09/612941 FA RK 21-3720 en C/09/618835 FA RK 21-6173 van de rechtbank Den Haag van 13 juni 2022, 2 september 2022 en 7 maart 2023 (hersteld bij beschikking van 26 april 2023);
b. de beschikking in de zaak 200.330.042/01 van het gerechtshof Den Haag van 4 juni 2025.
De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot vernietiging in het principale cassatieberoep en tot verwerping in het incidentele cassatieberoep.
De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd
2Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw zijn in mei 2011 in Esfahan, Iran, met elkaar getrouwd. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat zij in ieder geval de Nederlandse nationaliteit hebben.
(ii) De Nederlandse vertaling van de huwelijksakte van partijen houdt onder meer het volgende in:
“Bruidsgave
Een exemplaar van nobele Koran, en bruidsgave van vijf miljoen en tweehonderdzestig en tweeënenhalf Rial plus honderdvijftig volle Bahar Azadi gouden munten en dertig miljoen rial voor Haj pelgrim en vijf miljoen rial voor de prijs van een stuk Sjaal, die als de schuld van de man aan de vrouw wordt beschouwd en op aanvraag aan haar verstrekt dient te worden.
(…)
Huwelijksvoorwaarden of een afzonderlijke bindende overeenkomst
A. Echtgenote heeft bedongen dat in geval de echtscheiding niet door de echtgenote is aangevraagd en volgens de bevindingen van de rechtbank deze niet veroorzaakt is door de weigering van de vrouw om haar echtelijke verantwoordelijkheden te voldoen of haar wangedrag, dan is de echtgenoot gehouden tot het overdragen van de helft van het bestaande vermogen dat verkregen is gedurende de gehuwde periode met de vrouw of de gelijke waarde daarvan om niet aan de echtgenote met het goedbevinden van de rechtbank.
(…)”
Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank, met toepassing van Nederlands recht, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 28 september 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Ten aanzien van het huwelijksvermogensregime heeft de rechtbank
1 in haar eindbeschikking voor recht verklaard dat het onderdeel van bepaling A van de huwelijkse voorwaarden van partijen dat ziet op het geval dat de vrouw geen aanspraak heeft op de helft van het vermogen van de man ingeval zij het verzoek tot echtscheiding indient, in de situatie van partijen geen resultaat oplevert dat onverenigbaar is met de openbare orde, zodat op grond van de huwelijkse voorwaarden de aanspraak van de vrouw op het vermogen van de man vervalt, gelet op het feit dat zij het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend.
Voorts heeft de rechtbank in haar eindbeschikking ten aanzien van de bruidsgave bepaald dat de man aan de vrouw dient te betalen, respectievelijk over te dragen, een bedrag van 40.000.265,50 Rial en 150 volle Bahar Azadi gouden munten, waarvan 40 munten pas aan de vrouw behoeven te worden overgedragen zodra de man daartoe (weer) voldoende draagkracht heeft.
Het hof
2 heeft de (hiervoor in 2.2.2 bedoelde) eindbeschikking van de rechtbank bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.
Ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Op grond van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978
3 kan een bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag welke echtgenoot de echtscheiding heeft verzocht, kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde. Een dergelijke bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten in de fase voorafgaand aan de indiening van een verzoek tot echtscheiding en kan leiden tot een beperking van het recht op toegang tot de rechter van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die beperking tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, kan niet in algemene zin worden beantwoord, nu in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval. (rov. 5.7)
De betrokkenheid van Nederland moet worden getoetst naar het moment waarop de Nederlandse rechter wordt gevraagd een beslissing te nemen over het huwelijksvermogensregime van partijen. (rov. 5.8)
Het hof neemt de gronden van de rechtbank in deze over na een eigen afweging en voegt daar nog het volgende aan toe. Wat betreft de toelaatbaarheid van de voorwaarden in de huwelijkse voorwaarden dient te worden getoetst aan art. 14 HHV 1978, hetgeen betekent dat toepassing van het door het verdrag aangewezen recht slechts achterwege kan blijven indien zij kennelijk in strijd is met de openbare orde. Hiervan is geen sprake. Partijen zijn de huwelijkse voorwaarden in deze vorm aangegaan, terwijl zij hiertoe niet verplicht waren en gesteld noch gebleken is dat sprake was van een wilsgebrek. Dat in de huwelijkse voorwaarden sprake zou zijn van een onacceptabele vorm van discriminatie van de vrouw is niet gebleken. Het Iraanse recht kent een stelsel van algehele scheiding van vermogens. De bepaling in de huwelijkse voorwaarden beoogt juist om de vrouw in financieel opzicht te beschermen voor het geval de man besluit haar te verlaten. Indien de man de echtscheiding zou hebben geïnitieerd, kan hij geen recht doen gelden op een deel van het vermogen van de vrouw, terwijl hij bij scheiding een deel van zijn vermogen kwijtraakt. De in hoger beroep voorliggende beperkende voorwaarde in bepaling A is dan ook niet discriminerend, zodat geen sprake is van kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde zoals bedoeld in art. 14 HHV 1978. (rov. 5.9)
Ten aanzien van de bruidsgave heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Tussen partijen staat vast dat zij ten tijde van het huwelijk een door de man aan de vrouw verschuldigde bruidsgave zijn overeengekomen van Rial 40.000.265,50 en 150 volle Bahar Azadi gouden munten. In hoger beroep is geen grief gericht tegen de toepassing door de rechtbank van Iraans recht op het huwelijksvermogensregime en de afwikkeling daarvan (waaronder blijkens de eindbeschikking van de rechtbank eveneens de bruidsgave wordt verstaan). Het hof zal in hoger beroep dan ook uitgaan van de toepasselijkheid van Iraans recht en is zelf ook van oordeel dat er in de Verordening Rome I
4 grondslag is voor de toepasselijkheid van Iraans recht, mede gelet op art. 10:154 BW. (rov. 5.13)
Naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt de bruidsgave gekwalificeerd als een rechtsverhouding sui generis, derhalve als een rechtsfiguur met een geheel eigen karakter. Hierdoor is deze niet gelijk te stellen aan de rechtsfiguur partneralimentatie dan wel aan een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak. Het hof kwalificeert het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om aan zijn verplichting tot betaling van de bruidsgave te voldoen, als een verplichting tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals die is vervat in de huwelijksakte. Deze huwelijksakte is in Iran ten overstaan van een Iraanse ambtenaar opgemaakt en uit deze huwelijksakte vloeit naar het onbestreden oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig een rechtskeuze voor Iraans recht voort. Dit leidt ertoe dat het Iraanse recht van toepassing is ingevolge overeenkomstige toepassing van art. 3 lid 1 Verordening Rome I. Deze verordening is in dit geval niet via een communautaire maar via een nationale regeling van toepassing (art. 10:154 BW) . Dit betekent dat kan worden toegekomen aan toepassing van de algemene bepalingen van Boek 10 BW, zoals art. 10:8 BW. (rov. 5.14)
De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. Een door Nederlands recht beheerste echtscheiding, zoals in deze zaak aan de orde, kent geen khul scheidingsprocedure. Anders dan de man naar voren heeft gebracht, heeft de vrouw met het initiëren van de echtscheiding dan ook geen afstand gedaan van de bruidsgave. Partijen hebben bij hun islamitisch huwelijk in Iran afspraken gemaakt naar Iraans recht. De bruidsgave vormt aldaar een essentieel onderdeel van het huwelijk en is een verplichting van de man en een aanspraak van de vrouw. Het hof ziet geen aanleiding om deze afspraken buiten toepassing te laten. Op de overeengekomen bruidsgave en de regels van nakoming en verjaring is Iraans recht van toepassing. Art. 10:8 BW dient restrictief te worden uitgelegd. Op grond van deze bepaling blijft het aangewezen buitenlandse recht slechts in exceptionele gevallen buiten toepassing, te weten indien, gelet op alle omstandigheden van het geval, kennelijk de nauwe band met dat buitenlandse recht slechts in zeer geringe mate bestaat en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. Hiervan is niet gebleken. Bovendien hebben partijen zelf afspraken gemaakt onder het Iraanse recht, zodat terughoudendheid om art. 10:8 BW toe te passen gepast is. (rov. 5.21, eerste alinea)
Nu Iraans recht van toepassing is op de bruidsgave, is er verder weinig ruimte om de bruidsgave (op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid) te matigen, met uitzondering van de door de rechtbank in haar eindbeschikking opgenomen op het Iraanse recht gestoelde regeling, inhoudende dat de man 40 van de verschuldigde Bahar Azadi gouden munten pas behoeft te betalen als hij draagkracht heeft om die munten te voldoen. (rov. 5.21, tweede alinea)
3Beoordeling van het middel in het principale beroep
Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.21; zie hiervoor in 2.3.3) dat een door Nederlands recht beheerste echtscheiding geen khul scheidingsprocedure kent, zodat de vrouw met het initiëren van de echtscheiding in Nederland geen afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Het klaagt onder meer dat het enkele feit dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent, niet meebrengt dat de bepalingen van het Iraanse recht over de khul echtscheiding terzijde kunnen worden geschoven bij de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave.
Deze klacht is gegrond. Het hof heeft (in de rov. 5.13-5.14 en 5.21, eerste alinea) geoordeeld dat de rechten en verplichtingen van partijen ten aanzien van de bruidsgave worden beheerst door het Iraanse recht. Dat oordeel is in cassatie niet bestreden en dient derhalve tot uitgangspunt. Dit betekent dat de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave moet worden beoordeeld aan de hand van het Iraanse recht. Daartoe moet worden onderzocht welke betekenis naar Iraans recht toekomt aan de omstandigheid dat de Nederlandse rechter op verzoek van de vrouw, met toepassing van Nederlands recht, de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken (zie hiervoor in 2.2.1), en de omstandigheid dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent. Voor de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave kon het hof dan ook niet volstaan met zijn oordeel dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent.
Opmerking verdient dat na verwijzing moet worden onderzocht of de toepassing van het Iraanse recht op de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW.
5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO) .
4Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.9; zie hiervoor in 2.3.2) dat toepassing van bepaling A van de huwelijkse voorwaarden niet leidt tot een resultaat dan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde als bedoeld in art. 14 HHV 1978. Het klaagt onder meer dat hof heeft verzuimd om kenbaar de mate van betrokkenheid van Nederland bij dit geval te onderzoeken, welke betrokkenheid moet worden getoetst naar het moment waarop de Nederlandse rechter wordt gevraagd een beslissing te nemen over het huwelijksvermogensregime van partijen.
Uitgangspunt is dat bij de toepassing van de openbare-orde-exceptie van art. 14 HHV 1978 in een geval als hier aan de orde, aansluiting moet worden gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de openbare-orde-bepaling van art. 10:6 BW.
In zijn prejudiciële uitspraak van 19 november 2021
6 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“3.4.1 Het bepaalde in art. 10:6 BW (…) is van toepassing indien het Nederlandse conflictenrecht het recht van een andere staat aanwijst. Daarbij is niet van belang of sprake is van geschreven of ongeschreven vreemd recht.
Het aan art. 10:6 BW ten grondslag liggende beginsel dat in de Nederlandse rechtsorde geen rechtsgevolg toekomt aan vreemd recht voor zover de toepassing daarvan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, ligt ook ten grondslag aan de bepalingen van Boek 10 BW die inhouden dat aan een in het buitenland verrichte rechtshandeling erkenning wordt onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, te weten art. 10:32 BW (‘huwelijk’), art. 10:62 BW (‘geregistreerd partnerschap’) en art. 10:101 lid 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW (‘familierechtelijke betrekkingen’). Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat laatstgenoemde bepalingen moeten worden aangemerkt als bijzondere regels ten opzichte van art. 10:6 BW.
Het past in het stelsel van Boek 10 BW en sluit aan bij de daarin geregelde gevallen – te weten art. 10:6 BW en de hiervoor in 3.4.2 genoemde bijzondere regels – om te aanvaarden dat de openbare orde ook kan meebrengen dat in Nederland rechtsgevolg wordt onthouden aan een rechtshandeling die door een partij of door partijen is verricht in overeenstemming met geschreven of ongeschreven vreemd recht en volgens dat vreemde recht rechtsgeldig is, voor zover het toekennen van rechtsgevolg aan die rechtshandeling tot een resultaat leidt dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
(…)
Een (naar het toepasselijke vreemde recht rechtsgeldig overeengekomen) bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag welke echtgenoot de echtscheiding heeft verzocht, kan kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin. Een dergelijke bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten in de fase voorafgaand aan de indiening van een verzoek tot echtscheiding en kan leiden tot een beperking van het recht op toegang tot de rechter van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die beperking tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin, kan echter niet in algemene zin worden beantwoord, nu in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval.
Een (naar het toepasselijke vreemde recht rechtsgeldig overeengekomen) bepaling in huwelijkse voorwaarden die een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak van een van de echtgenoten afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag of die echtgenoot – kort gezegd – schuld heeft aan de echtscheiding door te weigeren de huwelijkse verplichtingen na te komen of vanwege immoreel gedrag, kan eveneens kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin. Een dergelijke bepaling maakt immers onderscheid tussen de echtgenoten en kan leiden tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende echtgenoot. De vraag of dat onderscheid en die inbreuk tot een resultaat leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de hiervoor in 3.4.3 bedoelde zin, kan evenmin in algemene zin worden beantwoord, nu ook in dat verband mede betekenis toekomt aan de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval.
Op grond van het vorenstaande moet de eerste prejudiciële vraag aldus worden beantwoord dat met inachtneming van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dat geval, moet worden beoordeeld of bepalingen in huwelijkse voorwaarden als hiervoor in 3.6.1-3.6.2 bedoeld, kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde.”
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hof, met inachtneming van de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dit geval, had moeten onderzoeken of toepassing van bepaling A van de huwelijkse voorwaarden leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Daarbij komt het aan, zoals het hof (in rov. 5.8) heeft onderkend, op de betrokkenheid van Nederland bij dit geval op het moment waarop de Nederlandse rechter een beslissing dient te nemen over het huwelijksvermogensregime van partijen.
Onderdeel 1 slaagt voor zover het klaagt dat het hof (in rov. 5.9) niet kenbaar het hiervoor in 4.3 bedoelde onderzoek heeft verricht. Niet blijkt dat het hof acht heeft geslagen op de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij dit geval op het moment waarop de Nederlandse rechter een beslissing dient te nemen over het huwelijksvermogensregime van partijen.
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
5Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale en het incidentele beroep:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 4 juni 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 17 juli 2026.
Rechtbank Den Haag 7 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2914, zoals verbeterd bij beschikking van 26 april 2023.
Gerechtshof Den Haag 4 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1020.
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, Den Haag, 14 maart 1978, Trb. 1988, 130.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721.
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), PbEU 2008, L 177/6.
Vgl. HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1278, rov. 3.3.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
