Hoge Raad 17-07-2026, ECLI:NL:HR:2026:1292

Essentie (gemaakt door AI)

Personen- en familierecht. Verdeling huwelijksvermogen. Verzoek van vrouw om afgifte van goud uit gezamenlijk safeloket, subsidiair vergoeding waarde. Hof wijst toe omdat man onvoldoende onderbouwt dat hij goud bij vrouw heeft achtergelaten. Hoge Raad oordeelt dat op grond van art. 150 Rv de stelplicht en bewijslast rusten op vrouw om te stellen en zo nodig te bewijzen dat man (nog) over het goud beschikt; het hof legt bewijslast onjuist bij man. Vernietiging en verwijzing.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Verzoek om afgifte van goud in kluis: wie moet wat bewijzen?
Verzoek vrouw om afgifte door man van goud uit gezamenlijk safeloket was door Hof toegewezen, omdat hij onvoldoende had onderbouwd dat hij goud bij haar had achtergelaten. HR: onjuiste toepassing art. 150 Rv. Vrouw moet bewijzen.

Datum publicatie17-07-2026
Zaaknummer25/03666
ProcedureCassatie
Formele relatiesConclusie: ECLI:NL:PHR:2026:449; (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl) In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:2003
RechtsgebiedenCiviel recht; Burgerlijk procesrecht; Civiel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht;
Familieprocesrecht; Bewijsrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Personen- en familierecht. Procesrecht. Bewijsrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap. Verzoek om afgifte van goud in kluis. Stelplicht en bewijslast. Art. 150 Rv.

Volledige uitspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/03666

Datum 17 juli 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: de man,

advocaat: J.W. de Jong,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: de vrouw,

advocaat: R.K. van der Brugge.

1Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak C/09/627256 / FA RK 22-1982 van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2023;

b. de beschikking in de zaak 200.328.216/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 juli 2025.

De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De vrouw heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2Uitgangspunten en feiten

2.1

Partijen zijn in 1977 in Turkije met elkaar gehuwd.

2.2

De rechtbank heeft in 2023 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, bepaald dat partijen de inboedel in onderling overleg bij helfte zullen verdelen en dat ieder van partijen recht heeft op de helft van (de waarde van) het goud uit het safeloket.

2.3

In hoger beroep heeft de vrouw, voor zover in cassatie van belang, verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor zover het de verdeling van het goud betreft, de man te gelasten dat goud aan haar af te geven en wanneer hij daartoe niet in staat blijkt, hem te gelasten binnen een door het hof vast te stellen termijn de vrouw de waarde daarvan te vergoeden. Ter zitting heeft de vrouw subsidiair verzocht om afgifte van de helft van het goud, dan wel een vergoeding van de waarde van die helft.

2.4

Het hof 1 heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd wat betreft de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime met betrekking tot het goud. Het heeft, voor zover in cassatie van belang, bepaald dat ieder van partijen recht heeft op de helft van (de waarde van) het goud afkomstig uit het safeloket van partijen en dat de man de helft van het goud ter beschikking dient te stellen aan de vrouw dan wel – als dit niet uiterlijk binnen twee maanden na de datum van het wijzen van de beschikking is gerealiseerd – dat de man de tegenwaarde daarvan aan de vrouw dient te betalen. Het hof heeft daartoe onder meer als volgt overwogen:

Het goud

5.7

In geschil is op welk tijdstip het goud is verkregen, waar het goud zich nu bevindt en wat de omvang en de waarde daarvan is en aan wie (de waarde van) het goud dient toe te komen.

5.8 (…)

De vrouw stelt verder dat de man het goud zonder haar toestemming uit de kluis heeft gehaald en onder zijn beheer heeft genomen en betwist dat de man – zoals hij stelt – het goud vervolgens in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten. De man heeft die stelling niet voldoende onderbouwd. Dat de man de woning niet in kon omdat de vrouw de sloten zou hebben vervangen, wordt eveneens betwist. Ook dit heeft de man niet inzichtelijk gemaakt. De vrouw verbleef destijds, te weten op 16 februari 2022, in Turkije en is pas op 9 maart 2022 terug naar Nederland gekomen. Het goud ligt dan ook volgens haar bij de man. (…)

5.9

De man voert verweer. (…) De man stelt verder dat hij het goud uit de kluis heeft gehaald en het in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten toen hij daar vertrok. Ten aanzien van de omvang en de waarde van het goud heeft de man ter zitting aangevoerd dat er ongeveer 200 gram aan goud in de kluis lag. Daarbij verwijst de man naar de overgelegde foto’s uit eerste aanleg, waarop een plastic zakje met gouden voorwerpen te zien is.

5.10

Het hof oordeelt als volgt. (…)

5.11

Vaststaat dat partijen sinds 2020 gezamenlijk een kluis beheerden waar zij ieder toegang toe hadden, dat hier het goud in werd bewaard en dat de man in februari 2022 het goud uit de kluis heeft gehaald en dit aan de vrouw heeft laten weten onder toezending van een foto van het goud. De man had daarmee dus fysiek de beschikking over het goud. De man stelt dat hij het goud vervolgens in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten, hetgeen de vrouw gemotiveerd heeft betwist. In het licht van deze betwisting van de vrouw, heeft de man zijn stelling – waarvan de bewijslast bij hem ligt – onvoldoende nader onderbouwd en daar ook geen concreet bewijs van aangeboden, zodat het hof ervan uitgaat dat de man ook nu nog beschikt over het goud. Nu ervan moet worden uitgegaan dat dit valt onder de verwervingen van de vrouw waarover zij op grond van het nieuwe Turkse huwelijksvermogensregime bij helfte met de man dient af te rekenen, zal het hof het subsidiaire verzoek van de vrouw – tot afgifte van de helft van het goud dan wel tot vergoeding van de helft van de waarde daarvan door de man aan haar – toewijzen.”

3Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 2.2 van het middel klaagt dat het hof met zijn oordeel in rov. 5.11 (zie hiervoor in 2.4) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de stelplicht en de bewijslastverdeling ten aanzien van de afgifte van het goud dan wel de vergoeding van de waarde daarvan. Voor toewijzing van dit verzoek moest de vrouw stellen, en zo nodig bewijzen, dat de man (ook nu nog) over het goud beschikt. Het betoog van de man dat hij het goud in de woning van de vrouw heeft achtergelaten is een betwisting van de feitelijke grondslag van het verzoek van de vrouw en daarvan draagt hij niet de bewijslast, aldus de klacht.

3.2

De vrouw verzoekt om afgifte door de man van (de helft van) het goud aan haar, althans vergoeding van de waarde daarvan. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv moet de vrouw de feiten stellen en, zo nodig, bewijzen die kunnen leiden tot dit door haar ingeroepen rechtsgevolg. Het is dus aan de vrouw om te stellen en, zo nodig, te bewijzen, dat de man over het goud beschikt. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat de man de beschikking over het goud heeft; hij heeft het volgens haar uit de kluis gehaald en onder zijn beheer genomen. Tegenover deze stelling van de vrouw heeft de man aangevoerd dat hij het goud in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten. Dit betoog van de man is een betwisting van het door de vrouw aan haar verzoek ten grondslag gelegde feit dat de man de beschikking over het goud heeft. Het oordeel van het hof dat de bewijslast van het betoog van de man over het goud bij hem ligt, geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO) .

4Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 9 juli 2025;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 17 juli 2026.

1

Gerechtshof Den Haag 9 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2003.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733