Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-07-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4325

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep over machtiging uithuisplaatsing in gezinsgerichte voorziening waarin de machtiging op grond van art. 1:265c lid 3 BW is vervallen doordat deze niet binnen drie maanden ten uitvoer is gelegd. Ouders hebben ondanks verval belang bij rechtmatigheidstoetsing wegens inmenging in art. 8 EVRM, ECLI:NL:HR:2022:395). Het hof oordeelt dat GI de machtiging niet had mogen vragen zonder reële plaatsingsmogelijkheid. De machtiging wordt vernietigd en het verzoek van de GI wordt alsnog afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Ouders 'voor niets' drie maanden in spanning over uithuisplaatsing
GI deed verzoek MUHP zonder na te gaan of aan machtiging uitvoering kon worden gegeven. Na afgeven machtiging bleek dat er geen geschikte locatie was. Ouders hebben drie maanden onnodig dreiging gevoeld. Alsnog afwijzing.

Datum publicatie16-07-2026
Zaaknummer200.367.938
ProcedureHoger beroep
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Artikel 1:265c lid 3 BW :een machtiging tot uithuisplaatsing vervalt indien deze niet binnen drie maanden ten uitvoer is gelegd. De ouders hebben niettemin belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de machtiging. (HR 18 maart. 2022 ECLI:NL:HR2022:395) en artikel 8 EVRM. De aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing wordt vernietigd en het hof wijst het verzoek tot uithuisplaatsing alsnog af.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.367.938/01 en 200.367.938/02

zaaknummer rechtbank Overijssel 345390

beschikking van 2 juli 2026

over de uithuisplaatsing van

[minderjarige1]

[minderjarige2] en

[minderjarige3]

in de zaak van

1 [de moeder]

2. [de vader]

die wonen in [woonplaats]

advocaat: mr. T. Geerdink

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI)

die is gevestigd in Hengelo (Overijssel)

en

[grootouders moederszijde]

die wonen in [woonplaats]

en

[grootmoeder vaderszijde]

die woont in [woonplaats]

1Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 13 maart 2026 een beslissing tot machtiging van de GI gegeven om de kinderen uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 4 juli 2026. Deze beslissing is door de GI niet ten uitvoer gelegd en zal ook niet meer ten uitvoer worden gelegd. Het hof beslist daarom dat deze beslissing niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2De feiten

2.1.

De ouders hebben drie kinderen:

- [minderjarige1] Antony Gomes Costa Silva, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

- [minderjarige2] Gomes Costa Silva, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], en

- [minderjarige3] Gomes Costa Silva, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats].

2.2.

De ouders hebben samen het gezag over de kinderen [minderjarige1] en [minderjarige2]. De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige3].

2.3.

De kinderen staan onder toezicht van de GI. [minderjarige1] en [minderjarige2] verblijven bij de grootouders mz en [minderjarige3] verblijft bij grootmoeder vz.

3De procedure bij de kinderrechter

3.1.

De GI heeft de kinderrechter verzocht de kinderen voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te mogen plaatsen in een gezinsgerichte accommodatie.

3.2.

De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de GI gemachtigd om de kinderen uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 4 juli 2026.

3.3.

De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).

3.4.

Die beslissing is gegeven op 13 maart 2026 en schriftelijk vastgelegd in een beschikking op 27 maart 2026.

3.5

De kinderrechter heeft ook tegelijkertijd op 13 maart 2026 op verzoek van de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen binnen het netwerk verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 4 juli 2026.

4De procedure bij het hof

4.1.

De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.

4.2.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift ontvangen op 21 april 2026

  • het verweerschrift van de GI van 15 mei 2026

4.3.

De zitting bij het hof was op 2 juni 2026. Aanwezig waren:

  • de ouders met hun advocaat

  • twee vertegenwoordigers van de GI

  • de grootmoeder vz

5Het oordeel van het hof

5.1.

Nu het hof tegelijkertijd de beslissing in de hoofdzaak geeft hebben de ouders geen belang meer bij hun verzoek om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen. De advocaat van de ouders heeft daarom dit verzoek ter mondelinge behandeling ingetrokken. Het hof zal de ouders dan ook niet ontvankelijk verklaren in hun verzoek om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen.

5.2

Ingevolge artikel 1:265c derde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) vervalt een machtiging tot uithuisplaatsing indien deze niet binnen drie maanden ten uitvoer is gelegd. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, met ingang van 13 maart 2026. Dat betekent dat de termijn van drie maanden op 13 juni 2026 is verlopen. De GI heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat aan de machtiging tot uithuisplaatsing geen uitvoering kon worden gegeven en dat de bestreden beschikking in zoverre niet meer ten uitvoer zal worden gelegd.

Het vorenstaande betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in de bestreden beschikking waarover het hof moet oordelen van rechtswege is komen te vervallen.

5.3

De ouders hebben niettemin belang bij een beoordeling in hoger beroep van de rechtmatigheid van de gegeven machtiging. De machtiging tot uithuisplaatsing vormt immers een inmenging in het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, ook indien die machtiging niet ten uitvoer wordt gelegd. Het is dan ook aannemelijk dat alleen al de in die machtiging besloten liggende dreiging van uithuisplaatsing het gezinsleven verstoort. De ouder heeft daarom ook in dat geval een rechtens relevant belang om in hoger beroep te laten beoordelen of de machtiging terecht is gegeven. Daarvoor zijn geen bijkomende omstandigheden vereist. 1

5.4

Naar het oordeel van het hof had de machtiging niet behoren te worden verleend. De GI heeft het verzoek kennelijk ingediend zonder zich ervan te vergewissen of aan de verkrijgen machtiging uitvoering kon worden gegeven. Pas na het afgeven van de machtiging moest de GI constateren dat zij feitelijk geen uitvoering kon geven aan de verkregen machtiging omdat er geen geschikte locatie voor de kinderen (tijdig) beschikbaar was. Op de mondelinge behandeling in hoger beroep is bovendien gebleken dat de GI geen verdere inspanningen zou gaan verrichten om tot plaatsing in een gezinsgerichte voorziening te komen. De ouders hebben aldus ‘voor niets’ bijna drie maanden de voornoemde dreiging gevoeld. Van de GI mocht worden verwacht dat zij de machtiging eerst zou aanvragen als zij plaatsen beschikbaar had dan wel dat die plaatsen in een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid binnen de termijn van drie maanden beschikbaar zouden komen. Dat heeft de GI niet gedaan en dat valt haar aan te rekenen.

5.5

De aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd).

6De beslissing

Het hof:

6.1.

verklaart de ouders niet ontvankelijk in hun verzoek om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen;

6.2

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 maart 2026 over de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte accommodatie met ingang van de datum van deze beschikking;

6.3

wijst het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.H.F. van Vugt en P.B. Kamminga, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.

1

HR 18 maart 2022 ECLI:NL:HR:2022:395



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733