Essentie (gemaakt door AI)
Beëindiging gezamenlijk gezag van een ander dan de ouder op grond van art. 1:253v BW jo. art. 1:253n BW. Gewijzigde omstandigheden door relatiebreuk, contactverlies en communicatieproblemen. Toets art. 1:251a BW leidt tot eenhoofdig gezag van vader; aantekening in gezagsregister. Omgangs- en informatieregeling, incl. dwangsom, worden aangehouden in verband met mediation. Bijzondere curator blijft aangebleven. Raad en curator benadrukken belang van contactherstel.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 15-07-2026 |
| Zaaknummer | C/10/702373 / FA RK 25-4974 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Gezamenlijk gezag ouder met niet-ouder |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk gezag van een ander dan de ouder o.g.v. art. 1:253v en 1:253n BW. Contactverlies. MediationVolledige uitspraak
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/702373 / FA RK 25-4974
Beschikking van 5 maart 2026 over het gezamenlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht en de informatieregeling
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.H. Vaandrager te Utrecht,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. K.R.E. Blanken te Utrecht.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[naam curator] , advocaat te Rotterdam
hierna: de bijzondere curator.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 30 juni 2025;
-
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 5 november 2025;
-
het verslag van de bijzondere curator van 21 oktober 2025;
-
het bericht met bijlagen van de man van 17 december 2025;
-
het bericht van de vrouw van 17 december 2025;
-
het verweerschrift met bijlagen van de man op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 29 januari 2026;
-
het bericht met bijlagen van de vrouw van 2 februari 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de bijzondere curator;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1] .
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier gebruik van gemaakt door op 4 februari 2026 met de kinderrechter te praten.
2De vaststaande feiten
De man en [naam 2] zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] .
[naam 2] is op [datum] overleden.
De man heeft een affectieve relatie gehad met de vrouw. Zij is, samen met de man, bij beschikking van deze rechtbank van 9 januari 2023 belast met het gezag over de minderjarigen.
De relatie van partijen is begin 2025 beëindigd. De minderjarigen verblijven sindsdien bij de man.
Bij kort gedingvonnis van 12 september 2025 is [naam curator] benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is afgewezen.
3De beoordeling
Inleiding
Deze zaak heeft een verdrietige achtergrond. De moeder van de minderjarigen is kort na de geboorte van [minderjarige 2] overleden. In 2017 heeft de man een relatie gekregen met de vrouw. Deze relatie is eind 2024 geëindigd. Vanaf februari 2025 heeft de vrouw de minderjarigen nog enkele keren gezien. Het contact is in maart/april 2025 gestopt. Sindsdien heeft de vrouw geen contact meer met de minderjarigen. De verzoeken van de vrouw zijn erop gericht om het contact te herstellen. De man ziet geen directe rol meer voor de vrouw in het leven van de minderjarigen. Daarom verzoekt hij ontzegging van het contact en het beëindigen van het gezamenlijk gezag. De rechtbank zal hierna stil staan bij deze verzoeken.
Gezag
De man verzoekt het gezamenlijk gezag over de minderjarigen te beëindigen en te bepalen dat het gezag over die minderjarigen alleen aan hem toekomt.
De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer.
De raad adviseert, met enige terughoudendheid, om het verzoek van de man toe te wijzen als dat ertoe leidt dat er weer contact zal zijn tussen de vrouw en de minderjarigen.
De man en de vrouw zijn bij rechterlijke beslissing van 9 januari 2023 gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen op grond van artikel 1:253t BW. Artikel 1:253v BW lid 1 en 3 bepalen dat op de gezamenlijke gezagsuitoefening door een ouder en de ander op grond van artikel 1:253t BW onder meer artikel 1:253n BW van overeenkomstige toepassing is. Op grond van artikel 1:253n BW kan gezamenlijk gezag worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen partijen en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de partijen voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat partijen in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over de minderjarige samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen. De minderjarige mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen partijen indien de partijen dat niet kunnen.
Op basis van de overgelegde stukken en dat wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechtbank het volgende vast. Van 2016 tot en met 2024 is de vrouw in het leven van de minderjarigen betrokken geweest als verzorgster en opvoedster. Van mei 2017 tot december 2024 hebben de vrouw en de man met de minderjarigen in gezinsverband geleefd. Voor het geval er onverwachts iets met de man zou gebeuren of indien de vrouw iets voor de minderjarigen zou moeten regelen, hebben de man en de vrouw besloten het gezag voor de minderjarigen zo te regelen dat ook zij met het gezag belast is. Op hun gezamenlijk verzoek zijn zij vervolgens op 9 januari 2023 gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen belast. In de jaren daarna is de relatie van de man en de vrouw verslechterd en is de vrouw eind 2024 uit de woning vertrokken. Sindsdien is ook het contact tussen haar en de minderjarigen verslechterd en is er uiteindelijk helemaal geen contact meer tussen hen.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag sprake is van gewijzigde omstandigheden. Deze gewijzigde omstandigheden zijn erin gelegen dat aan de relatie van de man en de vrouw een einde is gekomen, dat er tussen de vrouw en de minderjarigen geen contact meer is en dat partijen niet meer samen de zorg voor de minderjarigen delen. Daarom zal hierna beoordeeld worden of op grond van het in artikel 1:251a BW genoemde criterium, er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk gezag.
De rechtbank is met de raad van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Het is voldoende komen vast te staan dat er sprake is van flinke communicatieproblemen en een grote vertrouwensbreuk tussen partijen. De man heeft grote moeite met het plotselinge vertrek van de vrouw en de, in zijn ogen, onwaarheden die de vrouw heeft verteld over haar verleden. Ook voelt de man zich gediskwalificeerd door de vrouw in zijn rol als vader. De man wil dat de minderjarigen niet weer belast worden met spanning en stress, maar dat na alles wat er is gebeurd er rust, stabiliteit en betrouwbaarheid komt. De vrouw betwist niet dat er communicatieproblemen zijn en dat zij nu niet betrokken is in het leven van de minderjarigen. Deze situatie staat er naar het oordeel van de rechtbank aan in de weg dat partijen belangrijke beslissingen over de minderjarigen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen. Daarbij weegt voor de rechtbank mee dat het voor gezagsbeslissingen van belang is dat de gezagdragers weten wat er speelt in het leven van de minderjarigen. Dat is voor de vrouw nu niet het geval.
De vrouw heeft aangevoerd dat zij in het gezag wordt belemmerd door de man, zij openstaat voor verbetering van hun onderlinge communicatie en zij in staat is om hun persoonlijke problemen buiten beschouwing te laten. Ook is de vrouw bang dat, als zij geen gezag meer heeft over de minderjarigen, zij buitenspel wordt gezet. De rechtbank acht deze argumenten echter niet van doorslaggevende betekenis om het gezag in stand te houden. Ook als aangenomen wordt dat de man de gezagsuitoefening van de vrouw bemoeilijkt, blijft staan dat zij inmiddels al meer dan een jaar geen contact heeft met de minderjarigen. Gelet op de verstoorde verhoudingen is ook niet de verwachting dat binnen afzienbare tijd de vrouw nog de betrokken rol in het leven van de minderjarigen gaat vervullen, die zij voor de relatiebreuk heeft gehad. De minderjarigen geven ook aan dat zij niet willen dat de vrouw meebeslist over zaken die voor hen belangrijk zijn, omdat de vrouw niet weet wat er in hun leven speelt.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank meegewogen dat het gezamenlijk gezag ook een belemmering lijkt te zijn voor het contact tussen de vrouw en de minderjarigen. Dit heeft de raad ook benadrukt. De rechtbank acht het van groter belang dat er weer contact komt tussen de vrouw en de minderjarigen, dan dat koste wat het kost het gezamenlijk gezag in stand blijft. Daarbij is de rechtbank zich ervan bewust dat het gezag een onderdeel is van een complexere dynamiek die tussen partijen bestaat. Zo heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling vaak gesproken dat het gaat over ‘haar kinderen’. De rechtbank kan die uiting begrijpen, omdat zij heel lang betrokken is geweest bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. In dat licht bezien was en is zij zeker een moeder voor de minderjarigen. Tegelijkertijd is zij niet de biologische moeder van de minderjarigen. Het is gebleken dat de man nog veel pijn en verdriet ervaart van het plotselinge verlies van het overlijden van [naam 2] , de biologische moeder van de minderjarigen. De associatie die de man heeft bij het woord ‘moeder’ heeft daardoor voor hem een beladen betekenis. De rechtbank constateert dat de uitingen van de vrouw de afstand tussen haar en de man vergroten. Ook voelt de man vanwege het overlijden van de moeder van de minderjarigen zich verantwoordelijk om de minderjarigen te beschermen en ervoor te zorgen dat zij zo min mogelijk last hebben van de problematische situatie tussen hem en de vrouw.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen. Dit betekent dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de man wordt belast met het eenhoofdig gezag. Hiervan zal aantekening worden gemaakt in het gezagsregister. De rechtbank ziet dus geen reden om – zoals de vrouw verzoekt – de beslissing op het gezagsverzoek aan te houden en een raadsonderzoek te gelasten. De rechtbank acht zich namelijk al voldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen. De bijzondere curator heeft al onderzoek gedaan en de nodige informatie over de situatie neergelegd in haar rapport. Bovendien is er sprake van een wachtlijst waardoor het enige tijd zal duren voordat de raad met het onderzoek start. Dit wachten heeft vaak tot effect dat partijen verharden in of vasthouden aan hun standpunten. Dat is niet wenselijk met het oog op het doel van de mediationgesprekken.
Tot slot overweegt de rechtbank nogmaals dat door het eenhoofdig gezag bij de man te bepalen, er hopelijk ruimte bij de man gaat komt om in gesprek te gaan met de vrouw over de invulling van de contacten tussen haar en de minderjarigen. Zoals hierna zal blijken, hebben partijen daarvoor al een belangrijke stap gezet door in mediation te gaan.
Omgangsregeling
Omdat de man wordt belast met het eenhoofdig gezag, wordt hierna gesproken van een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling).
De vrouw verzoekt een omgangsregeling tussen haar en de minderjarigen vast te stellen, primair:
-
een weekend om de twee weken van vrijdag uit school tot zondag na het avondeten, waarbij de vrouw de minderjarigen ophaalt uit school en met hen naar de hockeytraining gaat;
-
elke week van maandag naar school tot dinsdag na het avondeten, waarbij de vrouw de minderjarigen ophaalt uit school en met hen naar de hockeytraining gaat;
-
in de even weken van dinsdag uit school tot woensdag na de hockeytraining.
Subsidiair:
-
de eerste maand: ieder weekend op de zaterdag of de zondag gedurende twee uren en videobellen op de woensdagen;
-
de tweede maand: ieder weekend op de zaterdag of de zondag gedurende een halve dag en doordeweeks elke woensdag;
-
vanaf de derde maand: zoals primair is verzocht.
Ten aanzien van de vakanties en feestdagen verzoekt de vrouw vast te stellen dat de minderjarigen bij haar en de man verblijven:
a. in de voorjaarsvakantie bij de vrouw;
b. in de meivakantie in de even jaren de eerste week in mei bij de man en de tweede week in juni bij de vrouw, in de oneven jaren is dit andersom;
c. in de zomervakantie in de even jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw; in de oneven jaren is dit andersom;
d. in de herfstvakantie in de even jaren bij de man, en in de oneven jaren bij de vrouw;
e. tijdens de Kerstvakantie in principe de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;
f. tijdens oud en nieuw in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
dan wel een vakantie- en feestdagenregeling door de rechtbank nader te bepalen.
Tijdens de mondelinge behandeling geeft de vrouw aan dat zij zich ook kan vinden in een andere omgangsregeling, of opbouwend of begeleid of via videobellen, als er maar contact tussen haar en de minderjarigen komt en zij met hen kan spreken. De vrouw stelt daartoe onder meer dat zij bang is om het uit het leven van de minderjarigen te verdwijnen. Zij wil graag de moederrol die zij voor de minderjarigen heeft vervuld, weer oppakken.
De man voert hiertegen gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van het verzoek.
De man stelt daartoe onder meer dat er tussen de vrouw en de minderjarigen inmiddels meer dan een jaar weinig tot geen contact is. Ook hebben de minderjarigen herhaaldelijk en duidelijk aangegeven dat zij geen contact met de vrouw willen. Het is van belang dat er naar de minderjarigen geluisterd wordt en dat niet de wens van de vrouw maar de belangen van de minderjarigen voorop staan. Tot slot voert hij aan dat de (op termijn) verzochte omgangsregeling praktisch niet uitvoerbaar is. De vrouw woont in een kleine flat waar geen eigen ruimte of bed is voor de minderjarigen. Ook is de woning ver weg gelegen van hun vriendjes.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarigen. Vaststaat dat zij van 2016 tot en met 2024 als verzorger en opvoeder betrokken is geweest in het leven van de minderjarigen en een moederrol voor hen vervulde.
Verder staat vast dat de minderjarigen last hebben ondervonden van de verslechtering en uiteindelijke beëindiging van de relatie tussen partijen. Zij hebben de ruzies tussen partijen meegekregen en hebben ervaren dat de vrouw plotseling is vertrokken en uit hun leven verdween. Uit de gesprekken met de minderjarigen bij zowel de bijzondere curator als bij de rechtbank komt naar voren dat, door wat zij hebben meegemaakt, er op dit moment weinig ruimte bij de minderjarigen is om contact met de vrouw aan te gaan. Tegelijkertijd heeft de bijzondere curator in haar rapport benadrukt dat er geen gegronde reden is voor de contactbreuk. Zij heeft gesignaleerd dat de oorzaak met name is gelegen in de spanningen tussen partijen en het wegvallen van de emotionele veiligheid binnen systeem, en niet uit een directe bedreiging van de minderjarigen. Zij gunt de minderjarigen het contact met de vrouw en benoemt dat de sleutel tot contactherstel in belangrijke mate bij de man ligt. Zij acht het van belang dat de man inziet dat het blijvend afwijzen van de vrouw voor de minderjarigen opnieuw een diepgaand verlies betekent. Het ondersteunen van een vorm van contactherstel – in welke vorm en tempo dan ook – kan bijdragen aan hun emotionele stabiliteit en een gezondere verwerking van eerdere verliezen. Ook door de raad en in kort geding door de voorzieningenrechter is het belang van het contact benadrukt. Daarbij merkt de rechtbank op dat er met name bij [minderjarige 2] ook een behoefte lijkt te zijn om weer contact te hebben met de vrouw.
De rechtbank acht het daarom heel positief dat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard bereid te zijn om met de vrouw in mediation te gaan. Het doel daarvan is om de verstandhouding te normaliseren, maar ook om te bezien wat er mogelijk is voor een eventueel toekomstig contactherstel tussen de vrouw en de minderjarigen. De rechtbank zal daarom de beslissing op het omgangsverzoek aanhouden in afwachting van de resultaten van het mediationtraject.
Informatie- en consultatieregeling
De vrouw verzoekt een informatieregeling die inhoudt dat zij twee keer per maand informatie krijgt over de minderjarigen, onder verbeurte van een dwangsom.
In verband met het mediationtraject acht de rechtbank het niet wenselijk dat traject te doorkruisen met een beslissing over de informatieregeling en de dwangsom. Daarom zal ook de beslissing op deze verzoeken worden aangehouden.
Bijzondere curator
Omdat de behandeling van de zaak deels wordt aangehouden, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen wenselijk dat de bijzondere curator nog betrokken blijft. De rechtbank zal haar benoeming dus nog niet beëindigen.
In het vonnis in kort geding is overwogen dat er, met het oog op de toepassing van de vergoedingsregeling over rechtsbijstand- en toevoegingscriteria, mogelijk sprake is van per kind uiteenlopende belangen. De voorzieningenrechter kon daarover op dat moment echter nog niet goed oordelen. Inmiddels is gebleken dat de belangen van de minderjarigen uiteenlopen, omdat er bij [minderjarige 2] meer ruimte voor contact is dan bij haar broer [minderjarige 1] .
Brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
De volgende alinea is speciaal voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geschreven om hen de beslissing van de rechtbank uit te leggen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen deze tekst – zoals met hen is afgesproken – via een aan hen gerichte brief toegestuurd via het adres van hun vader.
“Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,
Op woensdag 4 februari van dit jaar hebben wij samen gepraat in de kinderkamer van de rechtbank. De dag erna heb ik gepraat met jullie vader, met [naam vrouw] , hun advocaten, mevrouw Middelkoop (de ‘kinderadvocaat’, wij noemen dat een bijzondere curator) en een mevrouw van de raad voor de kinderbescherming. Jullie vonden het goed dat ik jullie verhaal aan hen vertelde. Dat heb ik toen gedaan.
Je vader, [naam vrouw] en de bijzondere curator hebben ieder aan ons uitgelegd wat zij voor jullie belangrijk vinden. De mevrouw van de raad voor de kinderbescherming heeft tot slot een advies gegeven over wat zij denkt dat voor jullie het meest van belang is. Daarna heb ik nagedacht hoe het nu verder moet.
Het is mij duidelijk geworden dat de relatie tussen jullie vader en [naam vrouw] de laatste jaren steeds slechter is gegaan, dat er ruzies tussen hen zijn geweest en dat hun relatie nu over is. Het is mij ook duidelijk geworden dat zij nog steeds niet goed met elkaar kunnen praten. Dat is wel belangrijk als er voor jullie belangrijke beslissingen genomen moet worden, zoals voor school, vakanties, aanvragen van een paspoort of ID-kaart of over jullie gezondheid. Dit gaat over wat wij beslissingen over het gezag noemen. Omdat jullie vader en [naam vrouw] nog steeds niet goed met elkaar kunnen praten, en omdat ik niet wil dat jullie daar tussenin zitten, heb ik besloten dat jullie vader voortaan alleen het gezag over jullie zal hebben. Dat betekent dus dat alleen hij nog een handtekening hoeft te zetten voor beslissingen over jullie. [naam vrouw] hoeft dat niet meer te doen. Jullie vader is het afgelopen jaar het meest bij jullie betrokken. Hij weet daarom welke beslissingen over het gezag voor jullie belangrijk zijn.
Ik heb nog geen beslissing genomen op het verzoek van [naam vrouw] dat zij weer contact met jullie wil. Dat geldt ook voor haar verzoek dat jullie vader belangrijke informatie over jullie aan haar moet geven. Ik heb de beslissing op die verzoeken nog even uitgesteld. Ik vind het namelijk belangrijk dat jullie vader en [naam vrouw] eerst goed met elkaar gaan praten over de dingen die er tussen hen zijn gebeurd. Zij krijgen daarbij hulp van een mediator (een deskundige man of vrouw die bemiddelt en helpt bij moeilijke gesprekken). Ook hoop ik dat het met die mediator lukt dat jullie vader en [naam vrouw] weer op een normale manier met elkaar kunnen omgaan. Als de situatie tussen jullie vader en [naam vrouw] wat genormaliseerd is, komt de zaak weer bij mij terug, en ga ik met iedereen verder praten over wat er voor jullie belangrijk is in het contact tussen jullie en [naam vrouw] . Ook ga ik met iedereen verder praten of jullie vader belangrijke informatie over jullie aan [naam vrouw] moet geven. Ik zal jullie daarna weer een brief schrijven over wat ik heb beslist en uitleggen waarom ik dat heb beslist. Die brief hoop ik over een paar maanden te kunnen sturen.”
Proceskosten
Omdat ten aanzien van de omgangsregeling, informatieregeling en de dwangsom nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats]
voortaan aan de man toekomt;
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de omgangregeling, de informatieregeling en de dwangsom wordt aangehouden tot 1 juni 2026 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de resultaten van de mediation en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke manier volgens partijen moet worden voort geprocedeerd;
bepaalt dat partijen, hun advocaten, de bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming op genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 5 maart 2026. |
||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
