Essentie (gemaakt door AI)
A-G: ‘economische eigendom’ is geen goed dat in de huwelijksgemeenschap kan vallen art. 3:1 BW. Wel kunnen uit de rechtsverhouding voortvloeiende vorderingsrechten goederen zijn die delen in de gemeenschap. Hof motiveert onvoldoende dat man jegens moeder verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen m.b.t. de aandelen had; aansluiting bij fiscale definitie art. 2 lid 2 Wbr is onjuist. Conclusie: vernietiging en verwijzing.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 16-07-2026 |
| Zaaknummer | 25/04414 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Verdeling |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Huwelijksvermogensrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap. ‘Economische eigendom’ in civiel recht slechts samenvattende benaming. Verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot een goed.Volledige uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04414
Zitting 10 juli 2026
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
[de man]
tegen
[de vrouw]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de man respectievelijk de vrouw.
1Inleiding
In deze cassatieprocedure staat de vraag centraal of de man ‘economisch eigenaar’ is van aandelen van een B.V. en of die ‘economische eigendom’ een goed is dat in de te verdelen (ontbonden) huwelijksgemeenschap valt. Het betreft een vervolg op HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1601. De conclusie is, niet verrassend, dat ‘economische eigendom’ als zodanig geen goed is dat in de (ontbonden) huwelijksgemeenschap valt. Dit sluit echter niet uit dat een recht dat ontleend wordt aan een rechtsverhouding tussen de rechthebbende en de belanghebbende wél als goed wordt gekwalificeerd. Het hof heeft zijn oordeel dat de man een dergelijk recht heeft mijns inziens onvoldoende gemotiveerd.
2Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
1
(i) Partijen zijn in 1982 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
(ii) Op 1 december 2020 is het huwelijk ontbonden.
(iii) De ouders van de man hebben in 1975 bij notariële akte een bv opgericht (hierna: de B.V.).
(iv) Begin 1994 zijn de moeder van de man en de man in functie getreden als bestuurders van de B.V.
(v) Eind 1994 is de vader van de man overleden.
(vi) Op 1 augustus 2007 is de moeder van de man uit functie getreden als bestuurder van de B.V. Sindsdien is de man enig bestuurder van de B.V.
(vii) Op 21 oktober 2010 is de moeder van de man overleden.
In deze procedure hebben de vrouw en de man de verdeling verzocht van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen.
Op 29 november 2020 hebben partijen een ‘Overeenkomst toedelen aandelen tevens vaststellingsovereenkomst’ getekend. Hierin is onder meer bepaald dat alle aandelen in de B.V. worden toegedeeld aan de man en dat de aandelen per 31 december 2019 een waarde vertegenwoordigen van € 180.551,-.
De rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikkingen van 5 februari 2021 en 10 december 2021 ten aanzien van de aandelen in de B.V. vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat deze aan de man toegedeeld dienen te worden. De rechtbank heeft aldus beslist en bepaald dat de man aan de vrouw ter zake van overbedeling € 90.275,50 dient te voldoen.
De man is in hoger beroep gekomen van de beschikkingen. Hij heeft onder meer verzocht de beschikkingen te vernietigen wat betreft de beslissing over de aandelen van de B.V. en om voor recht te verklaren dat deze aandelen geen deel hebben uitgemaakt van de huwelijksgemeenschap en dat de man de door partijen ondertekende overeenkomst van 29 november 2020 terecht, op goede gronden, heeft vernietigd. Door de vrouw is verweer gevoerd.
Bij beschikking van 31 augustus 2023 heeft het hof de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant bekrachtigd, en heeft het meer of anders verzochte afgewezen. Daartoe heeft het hof onder meer geoordeeld dat de man de stelling van de vrouw dat de aandelen in de B.V. tot de huwelijksgemeenschap behoren onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken:
“5.4. Het hof overweegt als volgt.
Op de vrouw rust de stelplicht, en zo nodig de bewijslast, dat de aandelen in de huwelijksgemeenschap vallen. Aan die stelplicht heeft de vrouw – voor zover dat tot haar mogelijkheden behoorde – voldaan. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de man de stellingen van de vrouw voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Dat is niet het geval. In de e-mail van de notaris (…) waarop de man zich voor zijn standpunt beroept, staat het volgende:
“Bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is er vanuit gegaan dat de aandelen in [de B.V.] behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap. Uit de door u toegezonden stukken kan ik dit niet herleiden. De aandelen zijn destijds verkregen door uw ouders. U heeft aangegeven dat de aandelen tijdens leven van moeder aan u zijn overgedragen. (onderstreping hof).
Alvorens ik werkzaamheden kan verrichten met betrekking tot de overdracht van aandelen zal ik dienen te beschikken over de akte waarbij de aandelen aan u zijn overgedragen. Mochten de aandelen niet tijdens het leven zijn overgedragen dan zijn zij krachtens erfrecht verkregen door alle kinderen.”
Naar eigen zeggen van de man zijn de aandelen dus nog tijdens leven van zijn moeder aan hem overgedragen.
Het had voorts op de weg van de man gelegen (omdat i) het gaat om een erfenis van zijn moeder, waarvan hij erkent daartoe gerechtigd te zijn en ii) als niet weersproken vaststaat dat hij bestuurder is van de [B.V.] – hij staat ook als bestuurder ingeschreven in het handelsregister – zijn betwisting (dat de aandelen tot de huwelijksgemeenschap behoren) te onderbouwen met concrete en verifieerbare bescheiden, vgl. HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058). Dit heeft de man nagelaten.
In de e-mail van de notaris staat slechts dat ‘Uit de door [de man] toegezonden stukken (…) niet [te] herleiden [is dat de aandelen tot de huwelijksgemeenschap behoren]’. Op basis daarvan valt niet de slotsom te trekken dat de aandelen inderdaad buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Onduidelijk daarbij is ook op welke door de man aan de notaris verstrekte stukken de mededelingen van de notaris zijn gebaseerd.
De man heeft ook geen boedelbeschrijving van de nalatenschap en/of de aangifte/aanslag erfbelasting overgelegd.
De man heeft nagelaten een aandeelhoudersregister (per datum ontbinding huwelijksgemeenschap) over te leggen (ofschoon het bestuur dat register moet bijhouden (art. 2:194 BW) en overigens evenmin uitgelegd wie de aandeelhouder(s) waren (was) die hem tot bestuurder hebben benoemd (dit gelet op art. 2:242 BW (oud) dat bepaalt dat de benoeming van bestuurders door de algemene vergadering (oud: van aandeelhouders) geschiedt).
De stelling van de vrouw dat de aandelen tot de huwelijksgemeenschap behoren, is aldus komen vast te staan. (…)”
De man heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 31 augustus 2023. De Hoge Raad
2 heeft de beschikking van het hof vernietigd, en het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verwezen ter verdere behandeling en beslissing. Daartoe overwoog de Hoge Raad onder meer:
“3.2.3. In het licht van het hiervoor in 3.2.2 aangehaalde betoog van de man, is het oordeel van het hof dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de aandelen tot de huwelijksgemeenschap behoren, onbegrijpelijk. De e-mail van de notaris is door de man in het geding gebracht om te onderbouwen waarom hij zich in hoger beroep niet langer op het standpunt stelt dat de aandelen bij leven aan hem zijn overgedragen. Onbegrijpelijk is dus de overweging van het hof dat naar eigen zeggen van de man de aandelen nog tijdens het leven van zijn moeder aan hem zijn overgedragen. Eveneens onbegrijpelijk is de overweging dat onduidelijk is op welke door de man aan de notaris verstrekte stukken de mededelingen van de notaris zijn gebaseerd. Uit het vervolg van de e-mail van de notaris blijkt immers dat die mededelingen zijn gebaseerd op het ontbreken van een akte van overdracht. In dat verband is van belang het betoog van de man dat de notaris altijd alle notariële zaken voor partijen behartigde, waaraan het hof geen aandacht heeft besteed. Ook is onbegrijpelijk dat het hof gewicht heeft gehecht aan het feit dat de man geen boedelbeschrijving van de nalatenschap en/of de aangifte erfbelasting heeft overgelegd. Het betoog van de man houdt immers in dat de aandelen na het overlijden van de moeder in 2010 niet in de afwikkeling van de nalatenschap zijn betrokken. Voor zover het hof zijn oordeel dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de aandelen aan hem zijn overgedragen heeft doen steunen op zijn vaststelling dat de man heeft nagelaten een aandeelhoudersregister in het geding te brengen, is het eveneens onbegrijpelijk, nu de man heeft gesteld dat hij niet over een aandeelhoudersregister beschikt. De hiervoor in 3.2.1 genoemde klachten slagen. De overige klachten van onderdeel 2 en onderdeel 3 behoeven geen behandeling.”
Na verwijzing heeft het hof Arnhem-Leeuwarden
3 de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant vernietigd en opnieuw beschikkende de economische eigendom van de aandelen in de B.V. aan de man toegedeeld onder gehoudenheid van de man om € 90.275,50 aan de vrouw te voldoen wegens overbedeling. Daartoe overwoog het hof onder meer dat de aandelen van de B.V. niet tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren (r.o. 2.11-2.16) en dat de man de vaststellingsovereenkomst van 29 november 2020 heeft vernietigd en daardoor vaststaat dat de aandelen niet tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren en over de verdeling daarvan geen geldige afspraken kunnen worden gemaakt. (r.o. 2.17-2.20). Vervolgens heeft het hof ten aanzien van de “economische eigendom” van de aandelen het volgende overwogen:
“Is de economische eigendom van de aandelen in de huwelijksgemeenschap gevallen?
De vrouw heeft gesteld dat de man ‘economisch eigenaar’ van de aandelen is, waardoor de waarde van de aandelen toch als vermogensbestanddeel in de verdeling betrokken kunnen worden. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
Het hof overweegt als volgt. Met het begrip economische eigendom wordt gedoeld op het bestaan van een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot een goed, die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben.i [voetnoot hof: HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9687 (Vagobel/Geldnet), rov. 3.3.1.; HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:852, rov. 3.1.3] Het BW kent dit begrip als zodanig niet, maar in de praktijk is het een belangrijke rechtsfiguur, zowel in het burgerlijke recht als in het fiscale recht. De Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr) geeft wel een definitie van het begrip economische eigendom. Artikel 2 lid 1 Wbr bepaalt dat overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. In lid 2 van dit artikel staat:
"2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder verkrijging mede begrepen de verkrijging van de economische eigendom. Onder economische eigendom wordt verstaan een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderwerpen, dat een belang bij die zaken of rechten vertegenwoordigt. Het belang omvat ten minste enig risico van waardeverandering en komt toe aan een ander dan de eigenaar of beperkt gerechtigde.”
Het hof zoekt voor de invulling van het begrip 'economische eigendom’ naar burgerlijk recht aansluiting bij deze fiscale definitie.
Om te kunnen beoordelen of sprake is van economisch eigendom zal het hof beoordelen of de man rechten en verplichtingen heeft ten aanzien van de aandelen in de B.V. die een belang bij die aandelen vertegenwoordigen, waaronder in elk geval enig risico van waardeverandering. In dit geval zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Niet alleen partijen, maar ook de familie van de man heeft vele jaren, in ieder geval vanaf het overlijden van de vader van de man, in de veronderstelling verkeerd dat de aandelen in de B.V. aan de man toebehoorden. De man heeft daar ook altijd naar gehandeld. De moeder van de man heeft zich tijdens haar leven niet als aandeelhouder met het reilen en zeilen van de B.V. bemoeid. Alle beslissingen die zijn voorbehouden aan de (juridisch) aandeelhouder, zijn jarenlang steeds door de man genomen:
- de man heeft de jaarrekeningen vastgesteld;
- de man heeft beslissingen genomen over de winstbestemming van de B.V., in die zin dat winsten niet werden uitgekeerd, maar als reserves in de B.V. bleven;
- de man heeft vanaf in ieder geval 2001 de aandelen elk jaar als bezit opgevoerd in zijn aangifte IB (box 2);
- daarnaast is de man een lening voor zijn woning bij de B.V. aangegaan.
Naar het oordeel van het hof kan hieruit worden afgeleid dat de man zich – ook naar buiten toe – als aandeelhouder heeft gedragen en dat hij en alle andere betrokkenen, zoals zijn moeder, zijn broers en zussen en de vrouw ervan uitgingen dat de aandelen van hem waren. Iedereen, ook de boekhouder van de man, is hier jarenlang van uitgegaan. Bij het nemen van beslissingen heeft de man steeds volledig zelfstandig gehandeld. Van overleg met de moeder is geen sprake geweest, zo blijkt uit de verklaring van de man tijdens de zitting in hoger beroep. Vaststaat dat de waarde van de aandelen in de verhouding van de man tot zijn moeder geheel aan de man toekwam en niet aan zijn moeder als juridisch gerechtigde tot die aandelen. De man had aldus verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot de aandelen in de B.V. die een belang van de man bij die aandelen vertegenwoordigden, waaronder het belang van waardeverandering van die aandelen.
De ‘economische eigendom’ van de aandelen in de B.V. komt dan ook aan de man toe en de daarmee verband houdende obligatoire rechten en verplichtingen zijn daarmee in de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap gevallen. Deze ‘economische eigendom’ vertegenwoordigt een waarde. Geen van partijen heeft aangevoerd dat de waarde van de ‘economische eigendom’ afwijkt van de waarde van de juridische gerechtigdheid tot de aandelen, en het hof is ook anderszins niet gebleken dat dit het geval is. Tussen partijen is de waarde van de aandelen geen punt van discussie. Tegen het oordeel van de rechtbank dat de aandelen een waarde van € 180.551,- vertegenwoordigen is geen grief gericht, zodat het hof hiervan uitgaat. In dat kader is de man gehouden de helft hiervan aan de vrouw te betalen.”
De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
3Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel van cassatie is onderverdeeld in drie onderdelen (‘klachten’). Onderdeel 1 is op zijn beurt weer onderverdeeld in vier subonderdelen.
Ik zie aanleiding om eerst onderdeel 2 te behandelen. Dat onderdeel richt zich tegen het oordeel van het hof in r.o. 2.24 en 2.25 dat de economische eigendom van de aandelen in de B.V. aan de man toekomt, en dat de daarmee verband houdende obligatoire rechten en verplichtingen in de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap zijn gevallen.
Onderdeel 2 bevat de rechtsklacht dat het hof met zijn oordelen heeft miskend dat economische eigendom geen goed is in de zin van art. 3:1 BW, en economische eigendom daarom ook niet tot een huwelijksgemeenschap (art. 1:94 BW) kan behoren.
De term ‘economische eigendom’ wordt in de praktijk gebruikt om aan te duiden dat iemand – de ‘economisch eigenaar’ – in verbintenisrechtelijk opzicht aanspraken en eventuele verplichtingen heeft ten aanzien van een goed die min of meer meebrengen dat diegene de waarde van dat goed geniet, als ware hij, in zoverre, eigenaar.
4 Bijgevolg worden daaraan in bepaalde gevallen ook fiscale gevolgen aan verbonden (vergelijk r.o. 2.22 van de bestreden beschikking). Zoals hierna zal blijken, hebben die aanspraken en eventuele verplichtingen echter geen vastomlijnde inhoud en al zeker geen goederenrechtelijke implicaties, anders dan dat er vorderingsrechten zullen zijn die tot het vermogen van de ‘economisch eigenaar’ behoren.
Het is een bewuste keuze van de BW-wetgever geweest om ‘economische eigendom’ niet wettelijk te regelen. Bij de totstandkoming van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek heeft de regering, in antwoord op een vraag van de bijzondere commissie voor de herziening van het Burgerlijk Wetboek uit de Eerste Kamer, onder meer geantwoord:
5
"Het verdient geen aanbeveling de figuur van economische eigenaar in het Burgerlijk Wetboek in te voeren. De positie van degene die houder van een zaak is op grond van een obligatoire overeenkomst of een beperkt zakelijk recht, dient te worden bepaald door de regels betreffende die overeenkomst of dat zakelijk recht en niet door andere regels die aan de economische eigendom - wat men daar ook onder mag verstaan - zouden moeten zijn verbonden.”
Onder verwijzing naar die wetsgeschiedenis heeft de Hoge Raad in het Nebula-arrest overwogen dat het begrip economische eigendom geen regeling heeft gevonden in het Burgerlijk Wetboek, en dat economische eigendom dus moet worden opgevat als een samenvattende benaming zonder zelfstandige betekenis van de rechtsverhouding tussen partijen die de ‘economische eigendom’ in het leven hebben geroepen.
6 In lijn hiermee had de Hoge Raad eerder al in het Vagobel/Geldnet-arrest overwogen dat met economische eigendom wordt gedoeld op het bestaan van een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot een goed, die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben.
7 Hoewel met het gebruik van de term ‘economische eigendom’ de suggestie wordt gewekt dat het als zodanig een subjectief recht betreft, gaat het in werkelijkheid dus meestal om een contractuele relatie met rechten en verplichtingen.
8
‘Economische eigendom’ is dus een diffuus paraplubegrip waarmee men bij de bepaling van civielrechtelijke rechtsposities niet per se iets opschiet. Het is zoals gezegd een begrip dat niet in het Burgerlijk Wetboek is opgenomen en ook niet op grond van rechtspraak een vastomlijnde privaatrechtelijke betekenis heeft. Vanwege de onbepaaldheid van het begrip ‘economische eigendom’ is in civielrechtelijk opzicht dan ook niet relevant of een bepaalde rechtsverhouding als zodanig kan worden gekwalificeerd. Uiteindelijk zijn de betrokken (contractuele) rechtsverhoudingen beslissend, namelijk of tussen partijen rechten en verplichtingen ten aanzien van een goed zijn ontstaan. Dit zal beoordeeld dienen te worden aan de hand van de wilsvertrouwensleer.
Nu ‘economische eigendom’ als zodanig geen goed in de zin van art. 3:1 BW is, kan het als zodanig ook niet in een huwelijksgemeenschap vallen.
9 Dit sluit echter niet uit dat een recht dat ontleend wordt aan een rechtsverhouding tussen de eigenaar – dus in juridische zin – en de belanghebbende wél als goed wordt gekwalificeerd. Vorderingsrechten zijn vermogensrechten als bedoeld in art. 3:6 BW, en daarmee goederen als bedoeld in art. 3:1 BW die dus in de gemeenschap van goederen kunnen vallen (art. 1:94 lid 2 BW) .
Anders dan het onderdeel lijkt te betogen, is het hof er in r.o. 2.24 en 2.25 niet van uitgegaan dat de ‘economische eigendom’ van de aandelen een goed betreft dat in de huwelijksgemeenschap valt. Het heeft immers slechts overwogen dat de met de economische eigendom verband houdende obligatoire rechten en verplichtingen in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen. De klacht kan dan ook niet slagen.
Onderdeel 1 richt zich ook tegen het oordeel van het hof dat de ‘economische eigendom’ van de aandelen in de B.V. aan de man toekomt en dat de daarmee verband houdende obligatoire rechten en verplichtingen in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen.
Onderdeel 1.1 klaagt meer specifiek over het oordeel van het hof in r.o. 2.24 dat vaststaat dat de waarde van de aandelen in de verhouding van de man tot zijn moeder geheel aan de man zijn toegekomen en niet aan zijn moeder als juridisch gerechtigde tot die aandelen, en dat de man aldus verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen betreffende de aandelen in de B.V. heeft gehad die een belang van de man bij die aandelen vertegenwoordigen, waaronder het belang van waardeverandering van die aandelen.
Het onderdeel klaagt dat het hof hiermee in strijd met art. 24 Rv buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden. Aangevoerd wordt dat de vrouw niet heeft gesteld dat de man die verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen jegens zijn moeder heeft gehad, laat staan dat een dergelijke verbintenisrechtelijke aanspraak in de stellingen van de vrouw geconcretiseerd zou zijn. Volgens het onderdeel heeft de vrouw namelijk in dat kader slechts gesteld dat de B.V. en het daarin opgebouwde kapitaal ‘voor rekening en risico’ van de man zijn gekomen, en dat dit ‘dus’ ook zou gelden voor de waardestijging en daling. Op welke wijze het risico van waardeverandering zich in het vermogen van de man zou (kunnen) manifesteren is door de vrouw evenmin gesteld.
Het cassatiemiddel verwijst voor de stellingen van de vrouw naar haar verweerschrift in hoger beroep onder 42 tot en met 44. Door de vrouw is daar het volgende gesteld.
“42. Partijen althans de man is economisch eigenaar van de aandelen van de BV. Dit bezit van aandelen althans dit economisch eigendom, is een vermogensbestanddeel dat in de verdeling betrokken dient te worden. De BV en het daarin opgebouwd kapitaal kwam voor rekening en risico van de man. Aldus ook de waarde stijging en daling. De man heeft ook vanuit de BV geld overgemaakt om de vrouw haar aandeel in de overbedeling te kunnen betalen. Weshalve heeft de man de winst bestemd, zoals aandeelhouders doen. Dit maakt dat het economisch eigendom van de BV in de verdeling betrokken dient te worden. Zeker ook omdat de man – voor zover nog niet reeds het geval is – na verloop van tijd de volledige eigendom in handen zal krijgen en het niet de bedoeling kan zijn dat thans bij de verdeling de juridische eigendom prevaleert boven de economische werkelijkheid. Zeker niet nu een eventuele aankoopprijs vanuit gemeenschapsgeld is voldaan en de waarde geheel door de gemeenschap is opgebouwd.
43. Uit de uitspraak van Gerechtshof Den Haag d.d. 28 juli 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:2562) blijkt onder ro. 20 dat bij de bepaling van de omvang eveneens rekening gehouden dient te worden met de economische werkelijkheid.
Die economische werkelijkheid bracht mee dat de partij van die uitspraak vanaf een bepaalde datum een economische eigendom had van een vermogensbestanddeel en de waarde daarvan in de verdeling werd betrokken.
Net als in dat geval moet de man in onderhavige zaak zich bewust geweest zijn van de economische realiteit door gelijk als in de aangehaalde uitspraak standpunt in te nemen dat de aandelen van de BV tot de gemeenschap behoorde. Dus ook al zou geconcludeerd worden dat de juridische eigendom niet tot de gemeenschap behoort en derhalve niet verdeeld kan worden, kan en dient bepaald te worden dat de waarde in de verdeling betrokken moet worden en de man de vrouw derhalve een bedrag van € 90.275,50 verschuldigd is.
44. Anders is het zo dat de man een vordering heeft tot herstel in de tekortkoming van de nakoming. De vordering tot het alsnog geleverd krijgen van de aandelen conform de met de moeder van de man gesloten overeenkomst is een vermogensbestanddeel dat tot de gemeenschap van partijen behoort en verdeeld dient te worden. Deze vordering vertegenwoordigt dezelfde waarde als de waarde van de aandelen. De vrouw verzoekt aldus toedeling daarvan aan de man met de verplichting de vrouw een bedrag van € 90.275,50 te betalen.”
De uitleg van de gedingstukken was voorbehouden aan het hof en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Kennelijk heeft het hof de stellingen van de vrouw zo uitgelegd dat zij er een beroep op heeft gedaan dat de man ten aanzien van de aandelen verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen jegens zijn moeder had. Is die uitleg onbegrijpelijk? Nee, dat denk ik niet. Ik meen dat uit de hiervoor geciteerde stellingen van de vrouw valt af te leiden dat zij wel degelijk heeft gesteld dat de man verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen jegens zijn moeder had. Impliciet volgt dit reeds uit de door de vrouw gehanteerde term ‘economische eigendom’, dat zoals gezegd een samenvattende benaming is voor rechten en verplichtingen met betrekking tot een goed. De stelling dat de man de economische eigendom had van de aandelen, en dat het in de B.V. opgebouwde kapitaal ‘voor rekening en risico’ van de man zijn gekomen, en dat dit ‘dus’ ook zou gelden voor de waardestijging en -daling waarde, veronderstelt immers verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen jegens de rechthebbende van de aandelen. Daar komt bij dat de vrouw onder 42 ook heeft aangevoerd dat een ‘eventuele aankoopprijs vanuit gemeenschapsgeld is voldaan’ en onder 44 dat de man op grond van een tussen hem en zijn moeder gesloten overeenkomst de aandelen van de B.V. geleverd zou krijgen. De vrouw heeft dan ook een beroep gedaan dat de man ten aanzien van de aandelen verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen had jegens zijn moeder, en het hof is dan ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
Volgens onderdeel 1.2 is het in onderdeel 1.1 bestreden oordeel ook onbegrijpelijk en/of geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het onderdeel gaat het er om of er een rechtsverhouding tussen de man en zijn moeder bestond, inhoudende verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen van de man jegens zijn moeder ten aanzien van de aandelen. Het oordeel – dat vast zou staan dat de waarde van de aandelen in de verhouding van de man tot zijn moeder geheel aan de man toegekomen zou zijn en niet aan zijn moeder als juridisch gerechtigde tot die aandelen, en dat de man aldus verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen betreffende de aandelen in de B.V. heeft gehad die een belang van de man bij die aandelen vertegenwoordigen, waaronder het belang van waardeverandering van die aandelen – wordt niet (voldoende) gedragen door hetgeen aan die oordelen in rechtsoverwegingen 2.23 en 2.24 voorafgaat, aldus het onderdeel.
Door het hof is in rechtsoverweging 2.23 en 2.24 samengevat overwogen dat niet alleen partijen maar iedereen, waaronder de moeder, broers en zussen van de man, in ieder geval vanaf het overlijden van de vader van de man (eind 1994), in de veronderstelling verkeerden dat de aandelen in de B.V. aan de man toebehoorden, en dat de man daar ook naar heeft gehandeld en zelfstandig (zonder overleg met moeder) alle beslissing heeft genomen die aan de (juridisch) aandeelhouder zijn voorbehouden. Vervolgens concludeert het hof in rechtsoverweging 2.24 dat ‘vaststaat’ dat de waarde van de aandelen in de verhouding van de man tot zijn moeder geheel aan de man toekwam en niet aan zijn moeder als juridisch gerechtigde tot die aandelen en dat de man aldus verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen had met betrekking tot de aandelen in de B.V. die een belang van de man bij die aandelen vertegenwoordigden, waaronder het belang van waardeverandering van die aandelen.
Ik ben het met de klacht eens dat het erom gaat of er een rechtsverhouding tussen de man en zijn moeder bestond, inhoudende verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen van de man jegens zijn moeder ten aanzien van de aandelen (en dat dus niet bepalend is of voldaan is aan enige definitie van ‘economische eigendom’, zie hiervoor onder 3.7).
10 Ook ben ik het ermee eens dat op basis van de door het hof gegeven motivering niet de conclusie kan worden getrokken dat de man jegens de moeder verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen had met betrekking tot de aandelen in de B.V. die een belang van de man bij die aandelen vertegenwoordigden. Dat de man zich als rechthebbende gedroeg, en dat iedereen ook ervan uitging dat de man de rechthebbende was, betekent immers niet automatisch dat door die ‘onjuiste voorstelling van zaken’ vaststaat dat de waarde van de aandelen aan de man toekwam of dat er vermogensrechten ten aanzien van die aandelen ontstonden. Ik meen dan ook dat het oordeel van het hof niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd, en dat de klacht slaagt.
11
Overigens wil het voorgaande niet zeggen dat er tussen de man en de moeder geen rechtsverhouding kan bestaan met betrekking tot de aandelen, die meebrengt dat de man jegens zijn moeder bepaalde rechten had. Of dat het geval is, zal aan de hand van de wilsvertrouwensleer (die besloten ligt in 3:33 en 3:35 BW) bepaald dienen te worden, waarbij van belang is hetgeen betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs mochten afleiden.
12 Daarbij merk ik op dat die verklaringen gelet op artikel 3:37 lid 1 BW in iedere vorm kunnen geschieden, en dus ook in één of meer gedragingen besloten kunnen liggen.
Ik heb mij overigens ook nog de vraag gesteld of het oordeel van het hof niet ruimer gelezen zou moeten worden, inhoudende dat het hof impliciet de wilsvertrouwensleer heeft toegepast. Ik meen echter dat die uitleg niet kan worden aanvaard. Als het hof dit aan zijn oordeel ten grondslag had willen leggen, dan had het daarvan duidelijker blijk moeten geven.
Onderdeel 1.3 klaagt dat de door subonderdeel 1.1 bestreden oordelen onvoldoende begrijpelijk zijn in het licht van een viertal door de man ingenomen essentiële stellingen. Die stellingen komen erop neer dat de moeder na het overlijden van de vader op 30 december 1994 enig aandeelhouder was en dat een overdracht van de aandelen aan de man nimmer heeft plaatsgevonden en daarover ook nimmer iets op papier is gesteld.
Uitgaande van het oordeel van het hof dat de ‘economische eigendom’ van de aandelen bij de man ligt (lees: dat de man rechten en verplichtingen heeft die ‘economische eigendom’ worden genoemd), kan deze klacht niet slagen. De genoemde stellingen zien op de (juridische) overdracht van de aandelen. Het hof is er gelet op die stellingen van uitgegaan dat de aandelen na het overlijden van de vader aan de moeder
13 toekwamen, en dat van een overdracht van de aandelen aan de man geen sprake is geweest. Van essentiële stellingen is dus geen sprake.
Ook klaagt het onderdeel dat het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd gelet op de essentiële stelling van de man dat – kort gezegd – de aandelen zich nog in de onverdeelde nalatenschap bevinden, de man slechts voor 1/8ste deel daartoe gerechtigd is
14 en de andere erfgenamen hun deel kunnen opeisen. Gelet daarop zou niet in te zien waarom het risico van waardeverandering bij de man zou liggen of gelegen zou hebben.
Ook in dit geval meen ik, uitgaande van het oordeel van het hof dat de ‘economische eigendom’ bij de man ligt, dat van een essentiële stelling geen sprake is. Het hof is ervan uitgegaan dat de moeder na het overlijden van de vader rechthebbende was ten aanzien van de aandelen en dat ook is gebleven. Wel is de man volgens het hof ‘economisch eigenaar’ van de aandelen geworden. Door het overlijden van de moeder maken de aandelen deel uit van de onverdeelde nalatenschap, maar dat geldt ook voor eventuele vermogensrechten van de man ten aanzien van de aandelen (zijnde de ‘economische eigendom’). De uit een overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen gaan immers in beginsel over op de rechtsopvolgers onder algemene titel (art. 6:249 BW
15), hetgeen betekent dat de man jegens de erfgenamen nog steeds recht heeft op zijn ‘economische eigendom’ (de rechten en verplichtingen ‘ten aanzien van’ de aandelen). Dat de aandelen zich in de onverdeelde nalatenschap bevinden, doet dus niet af aan de ‘economische eigendom’.
Onderdeel 1.4 bevat de voortbouwklacht dat het oordeel van het hof in r.o. 4.25, dat de ‘economische eigendom’ van de aandelen in de B.V. aan de man toekomt en de daarmee verband houdende obligatoire rechten en verplichtingen daarmee in de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap zijn gevallen, niet in stand kan blijven gelet op de uitkomst van de onderdelen 1.1 tot en met 1.3. Deze voortbouwklacht is gegrond. Het oordeel bouwt voort op het door onderdeel 1.2. met succes bestreden oordeel, en kan daarom niet in stand blijven.
16
Onderdeel 3 richt een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof in r.o. 2.22 dat het voor de invulling van het begrip ‘economische eigendom’ naar burgerlijk recht aansluiting zoekt bij de ‘fiscale definitie’ in art. 2 lid 2 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna Wbr). Volgens het onderdeel is onjuist dat het hof voor de invulling van het begrip ‘economische eigendom’ naar burgerlijk recht aansluiting zoekt bij de ‘fiscale definitie’ in art. 2 lid 2 Wbr. De lat voor ‘economische eigendom’ zou in de Wbr bewust veel lager zijn gelegd. Bovendien zou het hof hebben miskend dat uit de fiscale aard en de strekking van art. 2 lid 2 Wbr volgt dat deze wetsbepaling geen relevantie heeft bij de beantwoording van de vraag of in casu de ‘economische eigendom’ van de aandelen in de huwelijksgemeenschap gekomen zou zijn.
Zoals ik hiervoor onder 3.7 heb opgemerkt is in civielrechtelijk opzicht niet relevant of een rechtsverhouding als ‘economische eigendom’ kan worden gekwalificeerd. Bepalend is of uit de rechtsverhouding tussen partijen rechten en verplichtingen ten aanzien van een goed voortvloeien. Het zoeken van aansluiting bij de fiscale definitie van ‘economische eigendom’ is daarom geen zinvolle bezigheid.
Doordat het hof overweegt dat het voor de invulling van het begrip ‘economische eigendom’ niettemin aansluiting zoekt bij de fiscale definitie in art. 2 lid 2 Wbr, lijkt het hof aan het begrip ‘economische eigendom’ in civielrechtelijk opzicht toch – ten onrechte – betekenis toe te kennen. De fiscale definitie is specifiek bedoeld om voor fiscale doeleinden vast te kunnen stellen of sprake is van ‘economische eigendom’ en is niet geschikt als maatstaf voor de vaststelling van na echtscheiding te verdelen vermogensbestanddelen. Ik ben het dan ook met de klacht eens dat het er kort gezegd om gaat of er een rechtsverhouding tussen de man en zijn moeder bestond die tot een vermogensrecht van de man heeft geleid,
17 en dat onjuist is dat het hof overweegt dat voor de invulling van het begrip ‘economische eigendom’ aansluiting wordt gezocht bij de fiscale definitie in art. 2 lid 2 Wbr.
Voor zover het hof getoetst heeft aan het begrip ‘economische eigendom’ als omschreven in art. 2 lid 2 Wbr, slaagt de klacht. Overigens zou het oordeel van het hof ook zo gelezen kunnen worden dat het uiteindelijk niet daadwerkelijk heeft getoetst aan deze maatstaf, maar toch slechts heeft beoordeeld of er een rechtsverhouding tussen de man en zijn moeder bestond, inhoudende verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen van de man jegens zijn moeder. In dat geval heeft de man geen belang bij de klacht. Zie over dit laatste nr. 3.19.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Ontleend aan de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 31 augustus 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:2783), onder 3 en de beschikking van de Hoge Raad van 8 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1601) onder 2.1.
HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1601, JPF 2025/4.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5432, RFR 2026/5. Zie hierover ook H.J. Weijers, ‘Enkele relatievermogens- en fiscaalrechtelijke aspecten van de economische eigendom’, FTV 2026/5.
Asser/Bartels & Vonck 5, 2025/16. Vergelijk ook HR 13 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3383, NJ 2003/400, m.nt. W.M. Kleijn, r.o. 2.6 (Staat/Geveke).
Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 17-18.
HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8838, JOR 2007/76, m.nt. S.C.J.J. Kortmann en S.E. Bartels (Nebula). Zie ook HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:852, JOR 2022/226 m.nt. C.M. Stokkermans, r.o. 3.1.3 en 3.2.2.
HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9687, NJ 2004/316, m.nt. P.A. Stein (Vagobel/Geldnet)
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV, 2013/581. Omdat het begrip geen vastomlijnde privaatrechtelijke betekenis heeft, zou men bijvoorbeeld de erfpachter ook als ‘economisch eigenaar’ kunnen aanmerken. In dat geval heeft de ‘economisch eigenaar’ uiteraard meer dan alleen contractuele rechten en verplichtingen.
Vergelijk HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1127, NJ 2010/594, m.nt. F.M.J. Verstijlen, r.o. 3.6.1.
Dit komt nog bij onderdeel 3 aan de orde.
Ik lees een (deels) vergelijkbare conclusie in H.J. Weijers, ‘Enkele relatievermogens- en fiscaalrechtelijke aspecten van de economische eigendom’, FTV 2026/5, par. 3.2.3.
Zie onder meer HR 17 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5835, NJ 1977/241 (Bunde/ Erckens); HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521 (Kribbebijter); HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 (Haviltex); HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5352, NJ 2002/60 (Verkoop camping), r.o. 3.7; HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213, NJ 2011/572 (Batavus/X), r.o. 3.4; HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1889, NJ 2022/254 (Waternet/X), r.o. 3.2.2.
En na het overlijden aan haar erfgenamen.
Dat deel zou wegens een uitsluitingsclausule buiten de verdeling van de huwelijksgemeenschap moeten blijven.
Vergelijk art. 4:182 BW.
Overigens geldt dat beslissingen die voortbouwen op of samenhangen met in cassatie met succes bestreden beslissingen van rechtswege hun kracht verliezen. Strikt genomen is het dus niet nodig daar afzonderlijk over te klagen. Zie onder meer HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:728, NJ 2019/127, m.nt. A.I.M. van Mierlo, r.o. 3.3.2. en N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk in: Van der Wiel (red.), Cassatie, 2026/393.
Zie hiervoor de bespreking van onderdeel 1.2 in nr. 3.15 e.v.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
