Gerechtshof Amsterdam 30-06-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1928

Essentie (gemaakt door AI)

Notarieel tuchtrecht. De notaris betaalt na executieveiling de volledige resterende veilingopbrengst (€ 313.019,94) aan de gerechtsdeurwaarder na executoriaal derdenbeslag voor “toekomstige termijnen van levensonderhoud”, terwijl hij zelf twijfelt aan de rechtmatigheid. Het hof oordeelt dat bij gerede twijfel onderzoek of verwijzing naar de voorzieningenrechter (art. 438 Rv) en aanhouding van gelden is vereist; uitbetaling is onzorgvuldig. Klachtonderdeel 1 is gegrond, 2 en 3 ongegrond. Maatregel: berisping. Proceskostenveroordeling van de notaris.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

"Notaris had beslagartikelen in Wetboek Rv moeten raadplegen"
Notaris betaalt na executieveiling de volledige resterende veilingopbrengst ad € 313.020 aan de gerechtsdeurwaarder na executoriaal derdenbeslag voor “toekomstige termijnen van levensonderhoud”. Dat was voorbarig. Berisping.

Datum publicatie15-07-2026
Zaaknummer200.363.509/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid notaris;
Alimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Notarieel tuchtrecht. Executoriaal derdenbeslag onder kantoor van de notaris voor “Toekomstige termijnen van levensonderhoud” op resterende opbrengst na veiling huis wegens alimentatieschulden. Uitbetaling aan gerechtsdeurwaarder door notaris ondanks twijfel aan zijn kant. Berisping

Volledige uitspraak


beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.363.509/01 NOT

nummer eerste aanleg : SHE/2025/14

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 30 juni 2026

inzake

[appellant] ,

wonend te [plaats 1] ,

appellant,

gemachtigde: mr. J.P.M. Mol, advocaat te Son en Breugel,

tegen

[geïntimeerde] ,

notaris te [plaats 2] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. P.H. Kramer, advocaat te Amsterdam.

Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.

1De zaak in het kort

De notaris heeft van een beslaglegger opdracht gekregen om het pand van klager executoriaal te verkopen. Op de dag dat het pand in eigendom is overgegaan naar de veilingkoper heeft dezelfde beslaglegger executoriaal derdenbeslag gelegd onder (het kantoor van) de notaris op de aan klager toekomende veilingopbrengst van het pand. In deze tuchtprocedure verwijt klager de notaris – onder meer – dat hij de volledige netto-veilingopbrengst aan de gerechtsdeurwaarder heeft uitbetaald.

2Het geding in hoger beroep

2.1.

Klager heeft op 13 januari 2026 een beroepschrift, met bijlagen, bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Bosch (hierna: de kamer) van 17 december 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORSHE:2025:22).

2.2.

De notaris heeft op 4 maart 2026 een verweerschrift bij het hof ingediend.

2.3.

Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.

2.4.

Klager heeft op 3 april 2026 een aanvullende productie bij het hof ingediend.

2.5.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 15 april 2026. Klager, vergezeld van zijn gemachtigde, en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s.

3Feiten

Het hof verwijst naar de feiten die de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling daarvan geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. De feiten zijn als volgt.

3.1.

Op 8 april 2024 heeft de ex-echtgenote van klager (hierna: de beslaglegger) met een grosse van een beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2023 executoriaal beslag gelegd op het aan klager in eigendom toebehorende pand in Tilburg (hierna: het pand).

3.2.

Op 3 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder namens de beslaglegger opdracht verleend aan het kantoor van de notaris om over te gaan tot executoriale verkoop van het pand.

In eerste instantie heeft een collega van de notaris, notaris [naam 1] , die op

1 januari 2025 is gedefungeerd (hierna: de oud-notaris), het dossier in behandeling genomen.

3.3.

Op 19 september 2024 is het pand ten overstaan van de oud-notaris geveild en afgemijnd door klager. De beslaglegger heeft het pand aan klager gegund.

3.4.

Omdat klager niet aan zijn financiële verplichtingen voldeed, is hem in december 2024 bericht dat het pand op 16 januari 2025 opnieuw zou worden geveild.

3.5.

Op 16 januari 2025 is het pand ten overstaan van een collega van de notaris, notaris [naam 2] (hierna: de collega-notaris), geveild en afgemijnd door een derde op een koopsom van € 474.000.

3.6.

Op 23 januari 2025 heeft de beslaglegger het pand gegund aan de betreffende veilingkoper. Op dezelfde dag heeft de notaris klager hierover per brief geïnformeerd. Ook heeft de notaris in deze brief meegedeeld dat na ontvangst van de koopsom de veilingakten in de openbare registers van het kadaster zullen worden ingeschreven en dat daarmee de eigendomsoverdracht aan de veilingkoper zal zijn gerealiseerd.

3.7.

Bij brief van 24 februari 2025 heeft de notaris aan klager bericht dat na betaling van de vordering van de beslaglegger uit de veilingopbrengst en na aftrek van de kosten van de veiling nog een bedrag resteert van € 313.019,94. De notaris heeft verder het volgende aan klager meegedeeld:

Dit bedrag komt ten gunste van uzelf.

Graag ontvang ik een bankrekeningnummer waarnaartoe het geld kan worden overgemaakt?

3.8.

Op 6 maart 2025 heeft de veilingkoper de koopsom van het pand op de kwaliteitsrekening van de notarissen van het kantoor betaald, waarna de collega-notaris de akte van kwijting heeft gepasseerd en de veilingakten heeft ingeschreven in de openbare registers van het kadaster. Daarmee is de levering van het pand voltooid.

Op dezelfde dag heeft de beslaglegger met een grosse van genoemde beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2023 executoriaal derdenbeslag voor “Toekomstige termijnen van levensonderhoud” gelegd onder (het kantoor van) de notaris op de aan klager toekomende veilingopbrengst van het pand.

3.9.

Op 11 maart 2025 heeft klager een aan de oud-notaris gerichte brief afgegeven op het notariskantoor en deze laten stempelen voor ontvangst. In de brief verzoekt klager om de nota van afrekening ten aanzien van het geveilde pand naar zijn mailadres te sturen en het aan hem toekomende deel van de veilingopbrengst zo spoedig mogelijk over te maken naar een eerder opgegeven bankrekeningnummer.

3.10.

Op 12 maart 2025 heeft klager twee brieven aan de notaris afgegeven en deze brieven laten stempelen voor ontvangst. Uit één van de gestempelde brieven volgt dat deze om 16.00 uur door de notaris in ontvangst is genomen. In die brief staat het volgende vermeld:

Vanmiddag hebt u mij te woord gestaan, waarvoor ik u dank zeg.

U zei mij dat u verplicht was het gehele bedrag van de verkoopopbrengst door te betalen aan de deurwaarder.

Ik heb juridisch advies ingewonnen en daarbij bleek dat het niet juist is wat u mij hebt gezegd.

U en/of uw collega kunnen slechts dat bedrag aan de deurwaarder doorbetalen waar de deurwaarder in het kader van de executie van het vonnis aanspraak op kan maken. Het restantbedrag dient aan mij overgemaakt te worden. De [oud-notaris] mij kort geleden bevestigd dat de gang van zaken zou zijn zoals ik u nu schrijf.

U en/of uw collega handelen onzorgvuldig en onrechtmatig indien u méér aan de deurwaarder zult betalen dan waarop deze op grond van het vonnis aanspraak kan maken.

Ik heb het geld dringend nodig en lijdt schade doordat u nu niet het aan mij toekomende bedrag betaalt, hoewel u daar wel toe verplicht bent. Ik maan u bij deze aan dat onmiddellijk te doen. Ik houd u aansprakelijk voor de schade die ik lijd en nog verder zal lijden door uw weigering.”

3.11.

Op 12 maart 2025 om 16:40 uur heeft de notaris een afschrift van het exploot waarbij executoriaal derdenbeslag is gelegd naar klager gemaild en daarbij het volgende meegedeeld:

Hierbij doe ik u toekomen het ten laste van u gelegde executoriale beslag voor alle gelden die wij ten behoeve van u onder ons hebben. De bijlage welke aan het beslag is gehecht zal door ons aan de deurwaarder worden afgelegd.

3.12.

Op dezelfde dag heeft klager het volgende aan de notaris geantwoord:

Dag [notaris] wat u mij stuurde per mail klopt van geen kanten en ik zal mij in alles verzetten zeker nu u blijft weigeren een fatsoenlijke afrekening te maken en kom hier snel op terug omdat ik voorzie dat ik door u handelen te veel geld kwijt ben zal ik dit bedrag zeker op u gaan verhalen met rente en kosten ook zal ik zo snel mogelijk briefje bij u baliemedewerker afgeven en merk op dat ik een gestempelde copy wil verkrijgen bij afgifte mogelijk kunt u de medewerkers daarover informeren zodat het heen en weer gedraai en gerommel met er iets onder schrijven zonder tijd en handtekening zoals dat vanmiddag door u werdt gedaan voorkomen wordt omdat het nogal wat wantrouwen oproept en het gewoon duidelijk wordt hoe hier op uwer kantoor gehandeld wordt en u vertrouwen herstel kan worden.

3.13.

Op 13 maart 2025 heeft de notaris in de ochtend de nota van afrekening ten aanzien van het geveilde pand naar klager gemaild en daarbij meegedeeld:

Op uw verzoek ontvangt u bijgaand de nota van afrekening ter zake van het aan u toekomende saldo naar aanleiding van de veiling van bovenstaand pand.

Op de afrekening staat de te ontvangen koopsom van € 474.000,- vermeld en als te betalen kosten worden de volgende posten genoemd:

- verrekening inzetpremie € 4.650,00

- nota in verband met gemaakte kosten

openbare verkoop 19 september 2024 € 12.223,02

- vordering beslaglegger € 143.883,19

- kosten royement € 223,85

Op de afrekening staat als “Per saldo te ontvangen” een bedrag van € 313.019,94 vermeld.

3.14.

Op dezelfde dag heeft klager ’s middags een aan de notaris gerichte brief op het notariskantoor afgegeven en deze laten stempelen voor ontvangst. In de brief heeft klager gevraagd om een specificatie van de ingehouden bedragen en heeft hij verzocht om het op de nota van afrekening genoemde bedrag van € 313.019,94 meteen over te maken naar zijn bankrekening.

3.15.

Omdat klager op 19 maart 2025 het bedrag nog niet had ontvangen, heeft hij diezelfde dag het notariskantoor bezocht met de bedoeling om weer een brief af te geven. Klager heeft een medewerkster van het kantoor gevraagd een stempel voor ontvangst op de kopie van de brief te zetten. De medewerkster van het kantoor heeft meegedeeld dit niet te zullen doen. De medewerkster heeft klager gevraagd het kantoor te verlaten met de mededeling dat als hij dat niet zou doen de politie gebeld zou worden. Klager heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven, waarna de politie is ingeschakeld. De politie is gekomen en klager heeft toen aan de politie uitgelegd dat hij alleen een brief wilde afgeven en een stempel voor ontvangst wilde hebben, maar dat de notaris dit heeft geweigerd. Daarna heeft klager het kantoor verlaten.

3.16.

Op 20 maart. 2025 heeft de notaris een verklaring derdenbeslag afgegeven zoals bedoeld in artikel 476a Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). De gerechtsdeurwaarder heeft op dezelfde dag (een kopie van) deze verklaring aan klager verstrekt.

3.17.

Bij e-mail van 25 maart 2025 heeft een medewerkster van de notaris aan klager meegedeeld dat in verband met het executoriaal derdenbeslag een bedrag van € 313.019,94 is overgemaakt aan de gerechtsdeurwaarder.

3.18.

Op 26 maart 2025 heeft klager deze klacht ingediend.

3.19.

Bij brief van 28 maart 2025 heeft klager onder meer aan de notaris te kennen gegeven dat de notaris het bedrag van € 313.019,94 niet aan de gerechtsdeurwaarder had mogen overmaken, Verder heeft klager meegedeeld dat hij ervan uitgaat dat de notaris het bedrag van € 143.883,19 (de op de afrekening van 13 maart 2025 vermelde vordering van de beslaglegger) nog onder zich heeft en heeft hij de notaris verzocht om dit bedrag onmiddellijk aan hem, klager, te betalen.

3.20.

Bij e-mail van 1 april 2025 heeft de notaris het volgende aan klager meegedeeld:

In goede orde ontving ik uw brief van 28 maart 2025. In deze brief geeft u aan dat uit de door ontvangen nota van afrekening zou volgen dat mijn kantoor nog een bedrag van € 143.883,19 ten behoeve van u onder zich zou hebben. Dat is niet het geval. Dit bedrag betreft de vordering van [de beslaglegger] en dit bedrag is, na goedkeuring door de rechter, aan haar, via de deurwaarder, uitgekeerd.

4De klacht

Klager verwijt de notaris dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht bestaat uit de volgende onderdelen.

1) De notaris heeft op 25 maart 2025 ten onrechte het bedrag van € 313.019,94 aan de gerechtsdeurwaarder afgedragen.

2) De notaris heeft klager niet adequaat en/of niet tijdig geïnformeerd over de gang van zaken met betrekking tot het executoriaal derdenbeslag en hij heeft de afwikkeling daarvan getraineerd.

3) De notaris heeft op 19 maart 2025 geweigerd een brief van klager in ontvangst te nemen en klager vernederd door hem door de politie buiten het kantoorpand te laten zetten.

5Beoordeling

5.1.

De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard.

Notaris als derde-beslagene

5.2.

Voorop staat dat een notaris tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor het handelen in een andere hoedanigheid dan notaris, indien dat handelen voldoende verband houdt met de hoedanigheid van notaris in relatie tot het daarbij passende gedragsniveau, waarbij niet vereist is dat dat handelen uitsluitend aan een notaris is voorbehouden (zie laatstelijk gerechtshof Amsterdam 1 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1655).

5.3.

In dit geval heeft de notaris deels gehandeld in zijn hoedanigheid van derde-beslagene. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de kamer dat de handelwijze van de notaris – in verband met de uitbetaling van het bedrag van € 313.019,94 uit de opbrengst van de executieveiling aan de gerechtsdeurwaarder – voldoende verband houdt met zijn hoedanigheid van notaris. De notaris kan daarom in dit geval tuchtrechtelijk worden aangesproken voor zijn handelen als derde-beslagene.

Klachtonderdeel 1: ten onrechte € 313.019,94 aan de gerechtsdeurwaarder uitbetaald

5.4.

In zijn beroepschrift heeft klager aangevoerd dat de notaris het geld van klager ten onrechte aan de gerechtsdeurwaarder heeft uitbetaald. Er was volgens klager geen rechtsgrond aanwezig voor deze uitbetaling. De notaris wist dat de vordering van de beslaglegger slechts

€ 143.833,19 bedroeg. Deze vordering was reeds volledig voldaan uit de veilingopbrengst. Op de datum van de tweede beslaglegging, 6 maart 2025, was slechts de alimentatietermijn van maart 2023 verschuldigd. Dat betrof een bedrag van € 8.754,62. Het bedrag van € 313.019,94 kwam ongeveer neer op alimentatie voor de komende drie jaar en was nog niet opeisbaar. De notaris behoort de wet te kennen en hij had moeten weten dat geen executoriaal beslag kan worden gelegd voor vorderingen die niet opeisbaar zijn. De notaris had dus niet mogen voldoen aan het – ongemotiveerde – verzoek van de gerechtsdeurwaarder om het bedrag van

€ 313.019,94 aan de gerechtsdeurwaarder te betalen. Door te voldoen aan het verzoek van de gerechtsdeurwaarder om de gehele verkoopopbrengst uit te keren – zonder rechtsgrond en zonder dat de notaris heeft gevraagd dat verzoek te motiveren (en klager daarop te laten reageren) – heeft de notaris jegens klager onzorgvuldig en partijdig gehandeld, aldus klager.

5.5.

De notaris heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep naar voren gebracht dat het niet aan de notaris is om de rechtmatigheid van een gelegd beslag te toetsen. Een notaris mag van de geldigheid daarvan uitgaan, waarbij hij mag vertrouwen op de gerechtsdeurwaarder. Ook als het beslag niet geldig blijkt te zijn geweest, betekent dit nog niet dat de notaris kan worden verweten te hebben gehandeld alsof het beslag geldig was. Op de notaris als derde-beslagene rust derhalve in beginsel geen onderzoeksplicht naar de rechtmatigheid of geldigheid van het gelegde beslag. Hij hoeft zich dan ook geen oordeel te vormen over de vraag of het überhaupt wel mogelijk is om, zoals in het onderhavige geval, voor toekomstige alimentatietermijnen executoriaal derdenbeslag te leggen. De notaris mocht ervan uitgaan dat dit kon, waarbij hij mocht vertrouwen op de gerechtsdeurwaarder. Daarbij komt dat de notaris beschikte over de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2023, waaruit de executoriale titel bleek. Op grond van artikel 477 Rv was de notaris, als derde-beslagene, verplicht om de volgens zijn verklaring ex artikel 476a Rv verschuldigde geldsommen aan de gerechtsdeurwaarder te voldoen, aldus de notaris.

5.6.

In deze tuchtprocedure dient het hof te beoordelen of de notaris door de netto-veilingopbrengst van 313.019,94 op 25 maart 2025 uit te betalen aan de gerechtsdeurwaarder, heeft gehandeld zoals een behoorlijk notaris behoort te doen.

5.7.

De notaris heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij reeds destijds, toen hij het beslagexploot van 6 maart 2025 onder ogen kreeg, aan het denken werd gezet omdat in het exploot geen bedrag werd vermeld waarvoor beslag werd gelegd, maar slechts werd gerefereerd aan “Toekomstige termijnen van levensonderhoud”. Daarin zag de notaris aanleiding om daarover overleg te voeren met een collega. Naar het oordeel van het hof maakt dit duidelijk dat de notaris toen ook zelf heeft getwijfeld aan de rechtmatigheid van het beslag. Ondanks deze twijfel is de notaris alsnog overgegaan tot uitbetaling aan de gerechtsdeurwaarder, zonder dat gesteld of gebleken is dat die twijfel inmiddels was weggenomen. De notaris heeft niet gesteld dat zijn eerdere twijfel hem ertoe gebracht heeft om zelfstandig een (kort) nader onderzoek te doen.

Het hof is, anders dan de kamer, van oordeel dat de notaris in dit geval niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht. Het had van de notaris verwacht mogen worden dat hij de desbetreffende beslagartikelen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering had geraadpleegd of op een andere wijze (kort) onderzoek had gedaan naar de rechtmatigheid van het beslag van 6 maart 2025. In dit geval was terughoudendheid van zijn kant op zijn plaats geweest, gezien de artikelen 441, 479b, 479e lid 1 en 704 Rv.

Bij gerede twijfel aan de rechtmatigheid van een beslag ligt het op de weg van een notaris als derde-beslagene de bij het beslag betrokken partijen te verwijzen naar de voorzieningenrechter voor het aanhangig maken van een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Rv en de door het beslag getroffen gelden onder zich te houden in afwachting van diens oordeel. Door dit na te laten en over te gaan tot uitbetaling aan de gerechtsdeurwaarder, hoewel hij geen duidelijkheid had over de rechtmatigheid van het beslag, heeft de notaris niet zorgvuldig en in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend notaris betaamt, gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is gegrond.

Klachtonderdeel 2: niet geïnformeerd over het derdenbeslag

5.9.

Klager verwijt de notaris dat hij hem niet adequaat en niet tijdig heeft geïnformeerd over het derdenbeslag. De notaris heeft klager op 24 februari 2025 laten weten dat aan klager – na voldoening van de beslaglegger en na aftrek van de kosten van de veiling – uit de veilingopbrengst een bedrag van € 313.019,94 zou worden overgemaakt. De notaris heeft dit bedrag echter op 25 maart 2025, zonder toelichting aan klager, aan de gerechtsdeurwaarder overgedragen. Daarnaast verwijt klager de notaris dat hij de verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv pas op 20 maart 2025 aan de gerechtsdeurwaarder heeft verstrekt terwijl klager op spoed had aangedrongen. Daarmee heeft de notaris de afwikkeling van het derdenbeslag getraineerd, aldus klager.

5.10.

Met de kamer is het hof van oordeel dat het bericht van 24 februari 2025 van de notaris

– met de mededeling dat het restant van de veilingopbrengst aan klager toekwam – op dat moment correct was. Op 6 maart 2025 is een nieuwe situatie ontstaan omdat toen executoriaal derdenbeslag is gelegd onder (het kantoor van) de notaris op de aan klager toekomende resterende veilingopbrengst van het pand. Er bestaat geen wettelijke verplichting voor de notaris om de geëxecuteerde op de hoogte te stellen van het ten laste van hem gelegde beslag. Dat is de taak van de executant op grond van artikel 475i lid 1 Rv. Daarin is bepaald dat de executant, voor wie de gerechtsdeurwaarder optreedt, binnen acht dagen na het leggen van het beslag, verplicht is de geëxecuteerde daarvan op de hoogte te stellen door middel van een tijdige (over)betekening van het beslagexploot. Vaststaat dat deze (over)betekening aan klager op 10 maart 2025 heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft de notaris, ondanks dat hij daartoe niet verplicht was, klager wel degelijk op de hoogte gebracht van het gelegde derdenbeslag met de

e-mail van 12 maart 2025 (zie onder 3.11). Dit klachtonderdeel is in zoverre ongegrond.

5.11.

Voorts is niet gebleken dat de notaris de afwikkeling van het derdenbeslag heeft getraineerd. Net als de kamer, is het hof van oordeel dat dat de notaris de verklaring derdenbeslag als bedoeld in artikel 476a lid 1 Rv tijdig en op de in dat artikel voorgeschreven wijze aan de gerechtsdeurwaarder heeft afgelegd. Daarmee heeft de notaris aan zijn wettelijke verplichtingen als derde-beslagene voldaan. Daarbij geldt dat het, anders dan klager meent, geen verplichting van de derde-beslagene, maar een verplichting van de gerechtsdeurwaarder is (op grond van artikel 476b lid 3 Rv) om een kopie van de verklaring derdenbeslag aan de geëxecuteerde te verstekken. Het klachtonderdeel is ook op dit punt ongegrond.

Klachtonderdeel 3: onheus bejegend op 19 maart 2025

5.12.

De kamer heeft bij de beoordeling van dit klachtonderdeel vastgesteld dat klager op

19 maart 2025 onaangekondigd op het kantoor van de notaris is gekomen. Een medewerkster van het kantoor heeft klager gevraagd het kantoor te verlaten, en, toen hij aan dit verzoek geen gevolg gaf, is hij gewaarschuwd dat als hij niet zou vertrekken de politie zou worden ingeschakeld. Ook aan deze waarschuwing heeft klager geen gevolg gegeven, waarna de politie is ingeschakeld en ter plaatse is gekomen om hem uit het kantoor te zetten. Naar het oordeel van de kamer is daarmee van onzorgvuldig handelen door de notaris niet gebleken.

5.13.

Het hof sluit zich bij dit oordeel van de kamer aan en maakt het tot de zijne. Het beroepschrift van klager, het verweerschrift van de notaris en de verdere behandeling van de zaak ter zitting in hoger beroep hebben geen ander licht op deze zaak geworpen en geven het hof geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan de kamer. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de notaris op de bewuste dag is ook het hof niet gebleken. Het hof is, net als de kamer, van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Conclusie en maatregel

5.14.

Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat klachtonderdeel 1 gegrond is en dat de klachtonderdelen 2 en 3 ongegrond zijn. Het gegrond verklaarde klachtonderdeel 1 is voor het hof aanleiding een maatregel op te leggen aan de notaris. De wijze waarop de notaris invulling heeft gegeven aan zijn zorgplicht tegenover klager acht het hof onvoldoende en daarom tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Het hof acht in dit geval de maatregel van berisping passend en geboden. Van de notaris had mogen worden verwacht dat hij, gezien het feit dat bij hem (terecht) twijfel bestond over de rechtmatigheid van het beslag, de desbetreffende beslagartikelen had geraadpleegd of op een andere wijze (kort) onderzoek had gedaan naar de rechtmatigheid van het beslag van 6 maart 2025, hetgeen hij heeft nagelaten. Ondanks die twijfel, die niet was weggenomen, is hij toch overgegaan tot uitbetaling aan de gerechtsdeurwaarder. Daarbij komt dat het om een aanzienlijk financieel belang van klager ging. De notaris mocht in dit geval, anders dan hij meent, niet enkel vertrouwen op de gerechtsdeurwaarder. Gelet hierop kan niet met een zakelijke terechtwijzing worden volstaan.

5.15.

Nu het hof ten aanzien van klachtonderdeel 1 tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer, kan de beslissing van de kamer op dit punt niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kamer omwille van de duidelijkheid in zijn geheel vernietigen en een nieuwe beslissing geven inclusief de beslissing over de proceskosten van de procedure bij de kamer.

Kostenveroordeling

5.16.

Per 1 januari 2021 is de Richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67513) in werking getreden. Het hof hanteert bij de toepassing van de richtlijn de ‘Uitgangspunten proceskostenveroordeling in hoger beroep’ (te raadplegen op de website van dit hof).

5.17.

Omdat de uitspraak van de kamer wordt vernietigd en het hof de klacht (deels) gegrond verklaart, dient de notaris op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door klager in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht, in totaal € 100,-, aan hem te vergoeden.

5.18.

Aangezien het hof de notaris ook een maatregel oplegt, wordt de notaris verder veroordeeld in de volgende kosten in hoger beroep waarbij wegingsfactor 1 overeenkomstig de richtlijn wordt toegepast op de laatstgenoemde posten:

a. a) € 50 kosten van klager;

b) € 1.050 kosten van klager in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c) € 2.000 kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

5.19.

De notaris dient het griffierecht en de kosten van klager in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klager te voldoen. Klager geeft hiervoor een rekeningnummer op aan de notaris.

5.20.

De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (hierna: LDCR). De termijn waarbinnen en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan, worden door het LDCR schriftelijk aan de notaris meegedeeld.

6Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;

- verklaart de klachtonderdelen 2 en 3 ongegrond;

- legt aan de notaris de maatregel van berisping op;

- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van zijn kosten, bestaande uit € 50 aan griffierecht in eerste aanleg, € 50 aan griffierecht in hoger beroep, € 50 aan kosten klager en

€ 1.050 aan kosten rechtsbijstand klager, in totaal € 1.200 binnen vier weken na vandaag;

- veroordeelt de notaris tot betaling van € 2.000 aan kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris wordt meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, H.T. van der Meer en A.M.J.M. Ploumen en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door de rolraadsheer.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733