Rechtbank Noord-Nederland 09-07-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2708

Essentie (gemaakt door AI)

Beschikking waarin gezinshuisouders niet als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv worden aangemerkt, met onderscheid tussen pleegouders (mogelijk belanghebbend, blokkaderecht) en professionele gezinshuisouders (informanten). Verlenging ondertoezichtstelling voor vier jongste kinderen wordt toegewezen; verlenging uithuisplaatsing voor zes maanden en aanhouding voor het overige in afwachting van een onafhankelijk perspectiefonderzoek. Verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling van de oudste wordt afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Wat is het (juridische) onderscheid tussen pleegouders en gezinshuisouders?
Pleegouderschap is een specifieke, in het jeugdbeschermingsrecht verankerde zorgrelatie waarin een kind in het het gezin wordt opgenomen; gezinshuisouder is beroepsmatige zorgverlener die tegen vergoeding zorg biedt. Geen belanghebbende.

Datum publicatie14-07-2026
ZaaknummerC/18/257892 en C/18/257894
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsGroningen
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Pleegzorg;
Familieprocesrecht; Belanghebbende
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Zijn gezinshuisouders belanghebbenden in de zin van artikel 798 Rv? Welke vragen zijn relevant voor een perspectiefonderzoek in opdracht van de GI, uitgesplitst naar deelvragen gericht op het kind, de ouders en hun opvoedvaardigheden, het opvoedperspectief en scenario’s en de eisen die de kinderrechter stelt ten aanzien van het onderzoeksrapport.

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Groningen

Zaaknummers: C/18/257892 / JE RK 26-1117 en C/18/257894 / JE RK 26-1118

Beschikking van 9 juli 2026 van de kinderrechter over de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaken die betrekking hebben op

[Naam van de minderjarige 1] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2014 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [de minderjarige 1] " wordt genoemd,

[Naam van de minderjarige 2] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2017 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [de minderjarige 2] " wordt genoemd,

[Naam van de minderjarige 3] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2018 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [de minderjarige 3] " wordt genoemd,

[Naam van de minderjarige 4] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2020 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [de minderjarige 4] " wordt genoemd,

[Naam van de minderjarige 5] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2022 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [de minderjarige 5] " wordt genoemd.

op verzoek van

de gecertificeerde instelling

Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

die is gevestigd in Groningen,

en die hierna "de GI" wordt genoemd.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[Naam van de moeder] en [Naam van de vader],

die wonen in [woonplaats 1] ,

en die hierna "de ouders" worden genoemd,

advocaat: mr. M.J. Flach, die kantoor houdt in Groningen,

[Naam van de pleegmoeder] en [Naam van de pleegvader],

die wonen in [woonplaats 2] ,

en die hierna "de pleegouders van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] " worden genoemd,

De kinderrechter merkt als informanten aan:

[Naam van de gezinshuisouder 1] en [Naam van de gezinshuisouder 2],

die wonen in [woonplaats 3] ,

en die hierna "de gezinshuisouders van [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] " worden genoemd.

1Het procesverloop

In de zaak met zaaknummer C/18/257892 / JE RK 26-1117

1.1.

Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de GI, dat door de rechtbank is ontvangen op 16 juni 2026. Daarin verzoekt de GI de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] te verlengen door de duur van een jaar.

1.2.

De kinderrechter heeft op 24 juni 2026 met [de minderjarige 1] gesproken.

In de zaak met zaaknummer C/18/257894 / JE RK 26-1118

1.3.

Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de GI, dat door de rechtbank is ontvangen op 16 juni 2026. Daarin verzoekt de GI de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] te verlengen voor de duur van een jaar.

In alle zaken

1.4.

Op 7 juli 2026 heeft de kinderrechter de verzoeken mondeling en gevoegd behandeld. Hij heeft toen gesproken met de ouders, hun advocaat, de pleegouders van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , de gezinshuisouders van [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] en [naam 1] en [naam 2] die de GI vertegenwoordigen.

1.5.

Ten slotte is bepaald dat deze beschikking vandaag wordt gegeven.

2De feiten

2.1.

De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten.

2.2.

De ouders oefenen samen het gezag uit over de nu elfjarige [de minderjarige 1] , achtjarige [de minderjarige 2] , zevenjarige [de minderjarige 3] , vijfjarige [de minderjarige 4] en driejarige [de minderjarige 5] .

2.3.

De kinderen staan sinds 12 juli 2023 onder toezicht van de GI en zijn op 26 maart 2025 met een machtiging uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling van alle kinderen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] zijn nadien verlengd, voor het laatst tot 11 juli 2026.

2.4.

De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] is bij beschikking van 8 april 2026 door de kinderrechter afgewezen. Sindsdien woont [de minderjarige 1] weer bij de ouders.

2.5.

[de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] wonen respectievelijk in een pleeggezin en in een gezinshuis en zien de ouders gemiddeld eens per drie weken. Begin vorige maand heeft de GI de frequentie van de contactmomenten tussen de kinderen en de ouders teruggebracht, omdat bij de kinderen na de omgang ontregeld gedrag werd gezien (zo is eerder waargenomen dat [de minderjarige 4] met ontlasting speelt, dat [de minderjarige 5] gooit met stenen en alle kinderen minder aanspreekbaar zijn). De GI duidt dit gedrag als uiting van spanning rond de contactmomenten.

2.6.

De tot dusver ingezette hulpverlening heeft nog onvoldoende duidelijkheid gegeven over de vraag of de ouders op termijn weer volledig zelf de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich kunnen nemen. De GI heeft zorgen geuit over de belastbaarheid van de ouders, over de mate waarin zij duurzaam open blijven staan voor hulpverlening en over de mogelijkheden om, naast de terugplaatsing van [de minderjarige 1] , ook de vier jongste kinderen (weer) bij de ouders thuis te laten opgroeien. De GI acht voortduring van de regievoering noodzakelijk en heeft de kinderrechter daarom verzocht de ondertoezichtstelling van alle vijf de kinderen te verlengen voor de duur van een jaar en, gelet op de terugplaatsing van [de minderjarige 1] bij de ouders, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3De beoordeling

Waar gaat het om in deze zaken?

3.1.

Het gaat in deze zaken om de nu elfjarige [de minderjarige 1] , achtjarige [de minderjarige 2] , zevenjarige [de minderjarige 3] , vijfjarige [de minderjarige 4] en driejarige [de minderjarige 5] . Zij staan onder toezicht van de GI en de vier jongste kinderen wonen respectievelijk in een pleeggezin en in een gezinshuis.

3.2.

De huidige kinderbeschermingsmaatregelen zijn genomen en steeds verlengd vanwege de onveilige, instabiele en ontoereikende opvoedomgeving bij de ouders met signalen van huiselijk geweld. De kinderen hebben een belast verleden en een verzwaarde opvoedvraag, waar de ouders, mede als gevolg van persoonlijke problematiek, onvoldoende aan kunnen beantwoorden. Ingezette hulpverlening en andere huisvestiging hebben hierin in zoverre verandering gebracht dat de oudste kinderen weer zijn teruggeplaatst, met uitzondering van de vier jongste kinderen. De zorgen over hun ontwikkeling en de mogelijkheden van de ouders om ook bij hun terugplaatsing voldoende aan te kunnen sluiten bij hun behoeften, bestaan nog steeds en in samenhang daarmee is het perspectief van de kinderen nog niet vastgesteld.

3.3.

De GI heeft de kinderrechter daarom verzocht de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] te verlengen voor de duur van een jaar.

Wat heeft de GI aan haar verzoeken ten grondslag gelegd?

3.4.

De GI heeft, samengevat weergegeven, in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en regievoering door de GI noodzakelijk is om de zorgen over de kinderen weg te nemen. [de minderjarige 1] woont inmiddels, samen met zijn oudere broers en zussen, weer bij de ouders en er is hulpverlening ingezet in de thuissituatie om te onderzoeken wat [de minderjarige 1] nodig heeft in zijn ontwikkeling en of de ouders kunnen aansluiten bij de belangen en de behoeften van [de minderjarige 1] . Vanwege de beperkte draagkracht van de ouders vraagt de GI zich af in hoeverre de ouders open blijven staan voor de hulpverlening.

3.5.

De jongste kinderen wonen respectievelijk in een pleeggezin en in een gezinshuis waar hen de rust, stabiliteit en veiligheid wordt geboden die zij nodig hebben. Omdat het nog onduidelijk is of de ouders in de toekomst in staat zijn om zelf voor [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] te zorgen wordt er een onderzoek verricht naar de mogelijkheden van terugplaatsing van de jongste kinderen bij de ouders. Gedurende dat onderzoek vindt de GI het belangrijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd.

Wat vinden de gezinshuisouders en pleegouders?

3.6.

De kinderrechter heeft met de pleegouders van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] en de gezinshuisouders van [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] gesproken en hen daartoe aangewezen als respectievelijk “belanghebbenden” en “informanten”. Dit licht de kinderrechter toe, omdat verzocht is ook de gezinshouders aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.7.

Een gezinshuisouder onderscheidt zich wezenlijk van een pleegouder en kan om die reden niet als belanghebbende worden aangemerkt in een procedure rond de plaatsing van een kind, terwijl een pleegouder dat onder omstandigheden, met name in het kader van het blokkaderecht, wel kan zijn.

3.8.

De wetgever heeft het pleegouderschap vormgegeven als een specifieke, in het jeugdbeschermingsrecht verankerde zorgrelatie waarin een kind in het eigen gezin van de pleegouder wordt opgenomen en door de pleegouder wordt verzorgd en opgevoed als ware het zijn of haar eigen kind. Deze kwalificatie is niet louter beschrijvend, maar heeft directe juridische consequenties: zij vormt onder meer de basis voor het zogenoemde blokkaderecht, dat beoogt de continuïteit en stabiliteit van de feitelijke gezinsverhouding tussen pleegouder en kind te beschermen. De wetgever ziet de pleegouder als niet-professionele opvoeder in de privésfeer, waarbij het pleegkind feitelijk gelijk is aan een eigen kind binnen het gezinsverband.

3.9.

Een gezinshuis daarentegen is een kleinschalige, maar nadrukkelijk professionele jeugdhulpvoorziening, geëxploiteerd in een ondernemingsvorm. De gezinshuisouder treedt niet primair op als particulier die zijn gezin openstelt, maar als beroepsmatige zorgverlener die tegen vergoeding en onder contractuele en kwaliteitsrechtelijke kaders zorg verleent aan, meestal meerdere, geplaatste kinderen. De relatie tussen gezinshuisouder en kind is daarmee ingebed in een zorgorganisatie, met een gestructureerde taak- en rolverdeling, toezicht en financiering. Ook wanneer het gezinshuis een gezinssituatie nastreeft, blijft het gezinshuis functioneren binnen het kader van professionele jeugdhulp en niet binnen de privésfeer van een particulier gezin.

3.10.

Dit verschil in aard en functie van de plaatsing is beslissend voor de vraag naar het procesrechtelijke belang. De pleegouder die een kind langdurig als eigen kind verzorgt en opvoedt, bouwt een feitelijke gezinsrelatie op waarvan de wet de continuïteit expliciet beschermt, onder meer door hem in bepaalde procedures als belanghebbende aan te merken, bijvoorbeeld wanneer de beëindiging van de plaatsing aan de orde is. Het blokkaderecht is daarvan een uitdrukking: de pleegouder kan zich verzetten tegen wegneming van het kind uit deze door de wet beschermde gezinsrelatie.

3.11.

Bij gezinshuisouders ontbreekt deze door de wet beveiligde gezinsrelatie in die zin. Hun positie is primair die van opdrachtnemer of werknemer binnen een jeugdhulpvoorziening, niet die van particulier opvoeder die het kind in de privésfeer als eigen kind opneemt. De band met het kind is daarmee, juridisch gezien, functioneel verbonden aan de uitvoering van een zorgopdracht en niet aan een door het recht als familie- of gezinsband beschermde relatie. Gelet op deze systematiek kan de gezinshuisouder niet worden aangemerkt als belanghebbende in procedures die de (voortzetting of beëindiging van de) plaatsing van het kind betreffen, zoals pleegouders dat wel kunnen wanneer het gaat om de bescherming van de door hen opgebouwde gezinsrelatie, met inbegrip van het blokkaderecht.

3.12.

De kinderrechter komt op grond van de voorgaande overwegingen tot de conclusie dat gezinshuisouders in juridische zin niet dezelfde positie innemen als pleegouders, en dat zij bij beslissingen over de plaatsing en beëindiging van de plaatsing van het kind niet als belanghebbende in de zin van het procesrecht kunnen worden aangemerkt, terwijl pleegouders dat onder de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden wel zijn.

Wat beslist de kinderrechter ten aanzien van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] ?

3.13.

Ten aanzien van [de minderjarige 1] stelt de kinderrechter vast dat hij na afloop van de eerdere machtiging uithuisplaatsing inmiddels weer bij de ouders woont en dat er in de thuissituatie hulpverlening is ingezet om te onderzoeken wat [de minderjarige 1] nodig heeft voor zijn ontwikkeling en of de ouders hierop voldoende kunnen aansluiten. Uit de stukken en de mondelinge behandeling volgt dat [de minderjarige 1] in zijn ontwikkeling nog steeds wordt bedreigd, maar dat de ouders de voor hem noodzakelijke hulpverlening aanvaarden, daaraan meewerken en die hulpverlening ook toereikend benutten. Daarmee is niet voldaan aan het criterium dat de ouders de noodzakelijke zorg niet of onvoldoende accepteren. De kinderrechter acht voor [de minderjarige 1] voortduring van de ingrijpende maatregel van ondertoezichtstelling daarom niet langer noodzakelijk om een ernstige ontwikkelingsbedreiging af te wenden.

3.14.

De kinderrechter zal het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor [de minderjarige 1] daarom afwijzen. Dat laat onverlet dat van de ouders mag worden verwacht dat zij de ingezette vrijwillige hulpverlening voortzetten en in overleg met de GI blijven zoeken naar passende ondersteuning voor [de minderjarige 1] .

Wat beslist de kinderrechter ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] ?

3.15.

Ten aanzien van de vier jongste kinderen is de kinderrechter van oordeel dat zij, indien zij thans weer volledig aan de zorg van de ouders zouden worden toevertrouwd, nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De ouders zouden worden overvraagd als zij nu weer voor alle kinderen tegelijk zouden moeten zorgen, gelet op de verzwaarde zorgbehoeften van de kinderen en hun eigen problematiek. Daarbij weegt de kinderrechter ook mee dat uit het door de GI beschreven gedrag na contactmomenten blijkt dat de kinderen nog veel spanningen ervaren rond het contact en de (on)duidelijkheid over hun toekomstig verblijf.

3.16.

De ouders accepteren op dit moment de door en via de GI aangeboden hulpverlening en werken mee aan de uitvoering daarvan. De ernst en complexiteit van de problematiek van de kinderen maakt echter dat louter vrijwillige hulpverlening onvoldoende waarborgen biedt voor een tijdige en stabiele besluitvorming over hun opvoed- en woonperspectief. Het is de kinderrechter daarbij nog niet voldoende duidelijk geworden of de coöperatieve houding ten opzichte van de hulpverlening mede wordt ingegeven door een sterke wens dat de kinderen worden teruggeplaatst of dat die coöperatieve houding voortkomt uit inzicht in de problematiek van de kinderen.

3.17.

De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] wordt verlengd voor de duur één jaar, zodat de GI de regie kan blijven voeren op de hulpverlening en het noodzakelijke perspectiefonderzoek.

Wat beslist de kinderrechter over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] ?

3.18.

De vier jongste kinderen wonen inmiddels meer dan een jaar in respectievelijk het pleeggezin en het gezinshuis. Voor een gezonde en optimale ontwikkeling is het essentieel dat er binnen een afzienbare tijd duidelijkheid komt over de vraag waar de kinderen (verder) opgroeien, mede in het licht van het belang van een veilige hechting.

3.19.

Tegelijkertijd is het nog onvoldoende onderzocht of, en zo ja onder welke voorwaarden, de ouders op (middel)lange termijn weer zelf de verzorging en opvoeding van (een deel van) de kinderen op zich kunnen nemen. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat er een onafhankelijk perspectiefonderzoek wordt verricht naar de opvoed- en opgroeiperspectieven van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] . De GI heeft de kinderen aangemeld bij een daartoe geëigende hulpverleningsinstelling, Elker. Die instantie zal een perspectiefonderzoek verrichten.

3.20.

Om de continuïteit en stabiliteit voor de kinderen in de onderzoeksperiode te waarborgen, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] in het pleeggezin en het gezinshuis verlengen voor de duur van zes maanden. De beslissing op het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing zal worden aangehouden, in afwachting van de resultaten van het perspectiefonderzoek.

3.21.

De GI wordt verzocht het onderzoek voortvarend te laten uitvoeren en de resultaten, voorzien van een duidelijke vertaalslag naar het juridisch te nemen perspectiefbesluit, tijdig voor het verstrijken van de termijn aan de rechtbank te doen toekomen. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken zal de kinderrechter in deze beschikking de vragen voorstellen die voor het perspectiefonderzoek van relevante betekenis zijn.

De onderzoeksvragen voor het te verrichten perspectiefonderzoek

3.22.

De kinderrechter acht het, mede vanuit zijn verantwoordelijkheid voor een tijdig en zorgvuldig perspectiefbesluit, noodzakelijk dat het door de GI geïnitieerde perspectiefonderzoek antwoord geeft op ten minste de navolgende vragen. De GI is als opdrachtgever gehouden deze vragen, zo nodig in overleg met Elker, expliciet in de onderzoeksopdracht op te nemen en te bewaken dat daarop in het rapport concreet en onderbouwd wordt gerespondeerd.

3.23.

Voor het te verrichten perspectiefonderzoek stelt de kinderrechter de volgende vragen voor:

Hoofdvraag

1. In hoeverre zijn de ouders binnen een voor [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] aanvaardbare termijn in staat om de verzorging en opvoeding van de kinderen (weer) op zich te nemen, zodanig dat hun ontwikkeling voldoende veilig en voorspelbaar verloopt, en wat betekent dit voor het woon- en opvoedperspectief van ieder van deze kinderen afzonderlijk?

Deelvragen; op kindniveau

2. Hoe functioneren de kinderen op sociaal-emotioneel, cognitief en gedragsmatig gebied en welke specifieke ontwikkelingsbehoeften en kwetsbaarheden zijn daarbij aanwezig?

3. In welke mate ervaren de kinderen veiligheid, stabiliteit en continuïteit in het pleeggezin/gezinshuis en hoe heeft de plaatsing bijgedragen aan hun ontwikkeling tot nu toe?

4. Hoe beleven de kinderen het contact met de ouders, het verblijf in het pleeggezin/gezinshuis en de onzekerheid over hun toekomstig verblijf? Welke wensen en gevoelens hierover geven zij (indien leeftijdsadequaat) zelf aan?

5. Welke risico’s voor hun ontwikkeling zijn verbonden aan een (gefaseerde) terugplaatsing naar de ouders, en welke beschermende factoren kunnen daarbij worden benut?

Deelvragen; de ouders en hun opvoedvaardigheden

6. Wat is de huidige belastbaarheid van de ouders, inclusief eventuele psychische of psychosociale problematiek, en welke invloed heeft dit op hun opvoedingsmogelijkheden voor de vier kinderen samen en ieder kind afzonderlijk?

7. Over welke opvoedvaardigheden beschikken de ouders thans (structuur bieden, grenzen stellen, emotionele beschikbaarheid, sensitiviteit en responsiviteit, hanteren van probleemgedrag) en in hoeverre sluiten deze aan bij de specifieke behoeften van ieder kind?

8. In welke mate zijn de ouders in staat om samen te werken met de hulpverlening, adviezen op te volgen en gemaakte afspraken duurzaam na te komen? Wat is de prognose ten aanzien van hun motivatie en leerbaarheid binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn?

9. Welke (extra) ondersteuning is minimaal vereist om “goed genoeg” ouderschap mogelijk te maken en is die ondersteuning naar verwachting langdurig beschikbaar en door de ouders vol te houden?

Deelvragen; het opvoedperspectief en scenario’s

10. Welke realistische scenario’s zijn er voor het verdere verblijf van de kinderen (blijvend verblijf in het huidige pleeggezin, terugplaatsing bij de ouders, combinatiescenario’s, gefaseerde terugplaatsing) en wat zijn per scenario de belangrijkste risico’s en beschermende factoren voor ieder kind?

11. Binnen welke termijn kan, gelet op leeftijd, duur van de plaatsing en hechting voor ieder kind afzonderlijk nog sprake zijn van een verantwoorde (gefaseerde) terugplaatsing naar de ouders, zonder dat dit hun hechting en ontwikkeling onevenredig schaadt?

12. Indien terugplaatsing (geheel of gedeeltelijk) niet haalbaar wordt geacht, wat is dan het aangewezen duurzame opvoedperspectief (bij voorkeur: het huidige pleeggezin/gezinshuis) en welke consequenties heeft dit voor de gewenste duur en vorm van het contact met de ouders en eventuele broers/zussen?

Rapportage-eisen

13. De kinderrechter acht het van belang dat het rapport concreet en toetsbaar beschrijft welke observaties, gesprekken en informatiebronnen aan de conclusies ten grondslag liggen, en dat het onderzoek door of onder supervisie van een daartoe gekwalificeerde gedragswetenschapper (GZ‑psycholoog of orthopedagoog-generalist) wordt uitgevoerd.

4De beslissing

De kinderrechter:

In de zaak met zaaknummer C/18/257892 / JE RK 26-1117

4.1.

wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] af;

In de zaak met zaaknummer C/18/257894 / JE RK 26-1118

4.2.

verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] voor de duur van een jaar, tot 11 juli 2027;

4.3.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] voor de duur van zes maanden, tot 11 januari 2027;

4.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

bepaalt dat de GI als opdrachtgever gehouden is de in rechtsoverweging 3.23. omschreven onderzoeksvragen te betrekken bij het te verrichten perspectiefonderzoek;

4.6.

bepaalt dat het onderzoeksrapport uiterlijk zes weken, of zoveel eerder als mogelijk, voor het aflopen van de machtiging tot uithuisplaatsing aan de rechtbank dient te worden toegezonden;

4.7.

bepaalt een (voortzetting van de) mondelinge behandeling op donderdag 7 januari 2027 om 15:00 uur, welke zal worden gehouden in het gerechtsgebouw in Groningen, Guyotplein 1;

4.8.

wijst (de advocaat van) de ouders, de GI, het pleeggezin van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] erop dat deze beschikking geldt als uitnodiging om deel te nemen aan de mondelinge behandeling op donderdag 7 januari 2027 om 15:00 uur, en dat de rechtbank geen nadere oproep zal versturen;

4.9.

bepaalt dat de gezinshuisouders van [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] bij afzonderlijke brief worden opgeroepen voor de mondelinge behandeling op donderdag 7 januari 2027 om 15:00 uur;

4.10.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. J. Stulp, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.

Als u het niet eens bent met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.

Voor de GI geldt dat zij zelf hoger beroep kan instellen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733