Essentie (gemaakt door AI)
Nalatenschap met deelgenoten waarin [appellante] op grond van art. 3:171 BW namens de gemeenschap vordert dat [geïntimeerde 1] als voormalig bewindvoerder onttrekkingen terugbetaalt. Hof bevestigt dat gevoegde erfgenamen zich aan de zijde van [geïntimeerde 1] mogen voegen en ook het verweer mogen voeren dat [appellante] geen erfgenaam is. Hof kwalificeert twee processueel ondeelbare rechtsverhoudingen (reconventionele vordering op de nalatenschap en de erfgenamenstatus van [appellante]) en gelast oproeping van de niet betrokken erfgenamen via art. 118 Rv,,Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 14-07-2026 |
| Zaaknummer | 200.341.834/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Processueel ondeelbare rechtsverhouding nalatenschap; Familieprocesrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Artikel 3:171 BW; rechtsvordering ingesteld door een deelgenoot namens andere deelgenoten in nalatenschap. Uitspraak bindt alle deelgenoten. Deelgenoten die van mening zijn dat ten onrechte een rechtsvordering namens de nalatenschap is ingesteld of dat de deelgenoot die de rechtsvordering heeft ingesteld, daartoe niet bevoegd is, kunnen dit standpunt in de procedure innemen door zich te voegen in de procedure aan de zijde van de gedaagde partij. Processueel ondeelbare rechtsverhouding.Volledige uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.341.834/01
zaaknummer rechtbank : C/13/713527 / HA ZA 22-122
arrest van de meervoudige familiekamer van 7 juli 2026
inzake
[appellante] ,
wonende te [plaats A] ,
appellante,
advocaat mr. M.S. van Gaalen te Amsterdam,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [plaats B] ,
geïntimeerde sub 1,
advocaat: mr. F.C. Hilderink te Oosterbeek,
en
2 [geïntimeerde 2] ,
wonende te [plaats C] ,
geïntimeerde sub 2,
3. [geïntimeerde 3],
wonende te [plaats C] ,
geïntimeerde sub 3,
wonende te [plaats D] ,
geïntimeerde sub 4,
advocaat mr. R.A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht.
Partijen worden hierna [appellante] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden] . (mannelijk meervoud) genoemd. [geïntimeerden] . worden afzonderlijk ook [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] genoemd.
1De zaak in het kort
[geïntimeerde 1] is in de periode van 2005 tot aan zijn overlijden in 2011 bewindvoerder geweest van haar ex-man [naam] sr (erflater). [geïntimeerden] . zijn de kinderen van [geïntimeerde 1] en erflater. Erflater heeft nog twee kinderen uit zijn eerste huwelijk. Ook [appellante] is een kind van erflater. Het juridisch vaderschap van erflater ten aanzien van [appellante] is pas na zijn overlijden gerechtelijk vastgesteld. [appellante] stelt zich in deze procedure namens de nalatenschap op het standpunt dat [geïntimeerde 1] als bewindvoerder onrechtmatig bedragen aan het vermogen van erflater heeft onttrokken, althans niet ten gunste van erflater heeft besteed. [appellante] vordert deze bedragen namens de nalatenschap van [geïntimeerde 1] terug. [geïntimeerden] ., die zich in de procedure bij de rechtbank hebben gevoegd aan de zijde van [geïntimeerde 1] , stellen zich op het standpunt dat [appellante] niet als erfgenaam tot de nalatenschap van erflater is geroepen en dus niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. De rechtbank heeft dit verweer verworpen en geoordeeld dat [appellante] erfgenaam van erflater is. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van [appellante] gedeeltelijk toewijsbaar is.
[appellante] vordert in hoger beroep dat haar vordering alsnog volledig wordt toegewezen. Daarnaast komt zij op tegen het oordeel dat [geïntimeerden] . voldoende belang hebben om zich te mogen voegen aan de zijde van [geïntimeerde 1] . [geïntimeerden] . komen op hun beurt in hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] erfgenaam is respectievelijk tegen de toewijzing van een deel van de vordering van [appellante] . [geïntimeerde 1] is voorwaardelijk in hoger beroep gekomen van de afwijzing door de rechtbank van haar eis in reconventie.
Bij dit alles speelt in hoger beroep ook de vraag of sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding, met als gevolg dat ook de twee kinderen uit het eerste huwelijk van erflater, [naam 1] en [naam 2] , in de procedure dienen te worden betrokken.
2Het geding in hoger beroep
[appellante] is bij dagvaarding van 17 mei 2024 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2022, 21 juni 2023 en 21 februari 2024, die onder bovenvermeld zaaknummer zijn gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie, [geïntimeerde 1] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie en [geïntimeerden] . als gevoegde partijen aan de zijde van [geïntimeerde 1] .
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- een memorie van grieven;
- een memorie van antwoord tevens houdende grieven in incidenteel hoger beroep van de zijde van [geïntimeerden] .;
- een memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de zijde van [geïntimeerde 1] , met productie 27;
- een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met producties 1 tot en met 11.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 15 april 2026 laten toelichten door hun advocaten. Van de zijde van [appellante] zijn nog de producties 12 tot en met 21 in het geding gebracht. Van de zijde van [geïntimeerde 1] is nog productie 28 in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de voeging c.q. verzochte tussenkomst van [geïntimeerden] . alsnog zal afwijzen en de vordering van [appellante] jegens [geïntimeerde 1] alsnog volledig zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten van het hoger beroep, met nakosten en rente.
[geïntimeerden] . hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] niet-ontvankelijk verklaart in hoger beroep dan wel haar vorderingen afwijst, zulks met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure, eventuele nakosten daaronder begrepen.
In incidenteel hoger beroep hebben zij geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de in eerste aanleg gewezen vonnissen vernietigt en [appellante] (alsnog) niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen dan wel haar vorderingen afwijst, wederom met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure, eventuele nakosten daaronder begrepen.
[geïntimeerde 1] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] althans tot ongegrondverklaring en afwijzing van haar vorderingen en bekrachtiging van de bestreden vonnissen, al dan niet met verbetering en/of aanvulling van gronden.
In het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde 1] geconcludeerd tot vernietiging van de gewezen vonnissen en tot het (alsnog) niet-ontvankelijk verklaren van [appellante] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van die vorderingen, met toewijzing van het door [geïntimeerde 1] in eerste aanleg in reconventie gevorderde.
[geïntimeerde 1] heeft zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties en in de nakosten.
[appellante] heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot verwerping en afwijzing van de aangevoerde grieven.
Alle partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3Feiten
De rechtbank heeft in het vonnis in incident van 19 oktober 2022 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.
Op 24 september 2011 is erflater, de heer [naam 3] , geboren te [plaats E] (Suriname) [in] 1921, in zijn woonplaats [plaats C] overleden. Erflater is eerst gehuwd geweest met [naam 4] (hierna: [naam 4] ), welk huwelijk in 1950 werd ontbonden door echtscheiding. Daarna is erflater gehuwd geweest met [geïntimeerde 1] . De samenwoning tussen hen is verbroken in 1988 en het huwelijk is in 1998 door echtscheiding ontbonden.
Uit erflaters huwelijk met [naam 4] zijn twee kinderen geboren, namelijk [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 1] [naam 2] (hierna: [naam 1] ). Uit erflaters huwelijk met [geïntimeerde 1] zijn drie kinderen geboren, namelijk [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] .
In 1980 of 1981 heeft [appellante] erflater opgezocht en ontmoet naar aanleiding van het feit dat haar moeder haar in haar tienerjaren had verteld dat erflater haar biologische vader was.
Erflater heeft bij testament van 7 december 1989 over zijn nalatenschap beschikt. In het testament heeft hij verklaard al zijn eerdere gemaakte uiterste wilsbeschikkingen te herroepen. Voorts luidt het testament - voor zover hier relevant:
“Ik benoem tot mijn enige erfgenamen van mijn gehele nalatenschap diegenen van mijn afstammelingen die de nederlandse wet, geldig ten dage van mijn overlijden, als mijn enige erfgenamen aanwijst indien ik zonder een testament te maken en zonder een echtgenote achter te laten zou zijn overleden, een en ander met toepassing van de wettelijke regels omtrent plaatsvervulling en aanwas.”
In 1991 heeft [appellante] met medewerking van erflater een DNA-onderzoek laten verrichten. Daarin is vastgesteld dat erflater haar biologische vader was.
Bij akte van 1 maart 2004 heeft [naam 1] het voorgenomen huwelijk tussen erflater en [geïntimeerde 1] gestuit, omdat [naam 1] vond dat de geestesvermogens van erflater zodanig verstoord waren dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen.
Bij beschikking van 14 maart 2005 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam de goederen van erflater onder bewind gesteld met benoeming van [geïntimeerde 1] tot bewindvoerder en [geïntimeerde 2] tot mentor. Het bewind en mentorschap hebben geduurd tot het overlijden van erflater.
Bij beschikking van 4 maart 2013 heeft de rechtbank Den Haag het vaderschap van erflater ten aanzien van [appellante] vastgesteld.
Op verzoek van [appellante] heeft de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 15 mei 2014 notaris mr. [notaris] benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van erflater (hierna: de vereffenaar). Blijkens deze beschikking heeft [appellante] de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard.
Naar aanleiding van de brieven van 8 december 2015 en 11 januari 2016 van mr. Vermaase namens de vereffenaar hebben [geïntimeerden] . bij ongedateerde brief aangegeven dat zij de nalatenschap beneficiair wensen te aanvaarden.
Bij beschikking van 26 juli 2016 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam de vereffenaar ex artikel 4:210 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een aanwijzing gegeven, voor zover hier relevant inhoudend dat een onttrekking van € 85.000,- in verband met de afwikkeling boedelscheiding voor de vaststelling van de legitieme portie als een schenking aan [geïntimeerde 1] moet worden aangemerkt, en dat de uitvaartkosten (van ongeveer € 20.325,-) gelet op de omvang van de baten van de nalatenschap bovenmatig lijken en daarom voor de helft in aftrek mogen worden gebracht.
In januari 2019 heeft [appellante] de vereffenaar een afschrift verstrekt van een in haar opdracht uitgevoerd en opgesteld accountantsrapport met een analyse van de bankadministratie van 7 mei 2001 tot en met 6 augustus 2015 van erflater (hierna: het accountantsrapport).
Bij beschikking van 29 januari 2019 heeft de kantonrechter de vereffenaar opnieuw ex artikel 4:210 BW een aanwijzing gegeven, inhoudend dat de vereffenaar een advocaat opdracht dient te geven om een gerechtelijke procedure tegen [geïntimeerde 1] in te stellen tot terugbetaling van de geldbedragen die zij zich zonder rechtsgrond heeft toegeëigend, en dat de vereffenaar de door een erfgenaam betaalde kosten van de accountantsrapportage als vereffeningskosten dient aan te merken en te vergoeden voor zover het saldo van de nalatenschap daartoe toereikend is.
Op 22 januari 2020 heeft de vereffenaar de dagvaarding in de onderhavige procedure aangebracht. Voorafgaand aan de procedure heeft de vereffenaar op 1 november 2019 (conservatoir) beslag laten leggen op aan [geïntimeerde 1] behorende onroerende zaken aan [A-straat] [1] en [2] te [plaats C] . In verband met schikkingsonderhandelingen is de procedure enige tijd aangehouden, waarna de procedure op de rol van 1 april 2020 op eenstemmig verzoek van partijen is doorgehaald. Het beslag op de [A-straat] [1] is op 17 april 2020 doorgehaald, het beslag op de [A-straat] [2] duurt nog voort.
Bij beschikking van 22 oktober 2021 van de kantonrechter is op verzoek van de vereffenaar de vereffening van de nalatenschap van erflater opgeheven en zijn de reeds gemaakte vereffeningskosten vastgesteld op een bedrag van € 54.622,73. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beschikking hebben [geïntimeerden] . hoger beroep ingesteld bij dit hof, dat bij beschikking van 20 juni 2023 de beschikking van de kantonrechter heeft bekrachtigd.
Zoals blijkt uit een door de vereffenaar opgemaakt overzicht van 30 november 2021 bedroegen de openstaande vereffeningskosten op die datum € 44.377,66 en bedroeg het saldo van de nalatenschap € 4.156,45. Dit saldo is naar rato uitbetaald aan de schuldeisers van de nalatenschap, onder wie [appellante] .
4Procesverloop eerste aanleg
[appellante] heeft in eerste aanleg – voor zover in hoger beroep nog van belang – gevorderd [geïntimeerde 1] te veroordelen om aan de erfgenamen in de nalatenschap van erflater een bedrag te voldoen van € 390.455,87. Aan (een deel van) deze vordering heeft [appellante] primair artikel 4:183 lid 2 BW ten grondslag gelegd, en subsidiair (voor het geheel) onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] jegens erflater en derhalve ook de erfgenamen, door in haar hoedanigheid van bewindvoerder geldbedragen aan zichzelf uit te keren en aan het vermogen van erflater te onttrekken zonder dat zij daarvoor toestemming heeft gevraagd en verkregen van de kantonrechter.
[geïntimeerden] . hebben in eerste aanleg (na wijziging van hun eis, zie rechtsoverweging 5.2 hierna) een incidentele vordering tot tussenkomst ex artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ingesteld alsmede een verklaring voor recht gevorderd dat [appellante] niet als erfgenaam tot de nalatenschap van erflater is geroepen. Ter onderbouwing van hun incidentele vordering tot tussenkomst hebben [geïntimeerden] . aangevoerd dat het onwenselijk is dat thans één (mogelijke) erfgenaam, zijnde [appellante] , een procedure voert namens de onverdeelde boedel zonder daar de andere erfgenamen in te kennen. Ter onderbouwing van hun eis tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] stellen [geïntimeerden] . zich op het standpunt dat, nu het vaderschap van erflater over [appellante] is vastgesteld nadat erflater is overleden, erflater nimmer de bedoeling heeft gehad [appellante] bij zijn testament tot erfgenaam te benoemen.
[geïntimeerde 1] heeft zich in eerste aanleg aangesloten bij de vorderingen en verzoeken van [geïntimeerden] . en de onderbouwing daarvan. Daarnaast heeft [geïntimeerde 1] in reconventie gevorderd te bepalen dat zij een vordering heeft op de nalatenschap van erflater van € 1.007.760,- op grond van ongerechtvaardigde verrijking dan wel een natuurlijke verbintenis, nu zij 12 jaar intensief voor erflater heeft gezorgd, hetgeen tot inkomensderving heeft geleid.
Wat betreft de incidentele vordering tot tussenkomst heeft de rechtbank in haar vonnis in incident van 19 oktober 2022 overwogen dat [geïntimeerden] . hebben toegelicht dat hun belang bij de gevorderde tussenkomst erin is gelegen dat zij het standpunt zijn toegedaan dat [appellante] geen erfgenaam in de nalatenschap is en daarom ook niet de bevoegdheid heeft om ten behoeve van de nalatenschap te procederen. Dit standpunt wensen [geïntimeerden] . als - onbetwiste - erfgenamen in de nalatenschap in deze procedure te beargumenteren. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerden] . daarmee niet alleen voldoende belang hebben bij de door hen gevorderde interventie, maar dat het ook in het belang van de proceseconomie is aangewezen dat zij in de gelegenheid worden gesteld hun standpunt in deze procedure naar voren te brengen.
Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellante] op grond van het testament van erflater als volle erfgenaam dient te worden beschouwd en het beroep van [geïntimeerden] . op de niet-ontvankelijkheid van [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het testament van erflater op dat punt niet onduidelijk is, gelet op de taalkundige betekenis van de bewoordingen, bezien in het licht van de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en de wetgeving en de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt.
In haar tussenvonnis van 21 juni 2023 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat [geïntimeerde 1] in ieder geval een bedrag van € 73.078,59 aan de erfgenamen in de nalatenschap verschuldigd is en daarnaast dat [geïntimeerde 1] in de gelegenheid wordt gesteld op een aantal punten duidelijkheid te verschaffen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de reconventionele vordering van [geïntimeerde 1] bij eindvonnis zal worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing tegenover de betwisting door [appellante] .
Bij eindvonnis van 21 februari 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde 1] aan de erfgenamen nog aanvullend een bedrag van € 20.861,83 is verschuldigd. Dientengevolge is [geïntimeerde 1] in conventie veroordeeld om aan de erfgenamen in totaal een bedrag van € 93.940,42 te voldoen, te vermeerderen met de proceskosten van [appellante] . In reconventie is de vordering van [geïntimeerde 1] afgewezen en is zij veroordeeld in de proceskosten van [appellante] .
5Beoordeling hoger beroep
[appellante] is van de vonnissen van de rechtbank van 19 oktober 2022, 21 juni 2023 en 21 februari 2024 in principaal hoger beroep gekomen onder aanvoering van acht grieven. [geïntimeerden] . hebben incidenteel hoger beroep ingesteld met drie grieven. [geïntimeerde 1] heeft zich bij het standpunt van [geïntimeerden] . in incidenteel hoger beroep aangesloten. Daarnaast heeft zij in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd.
Voeging
In eerste aanleg hebben [geïntimeerden] . aanvankelijk een incident tot voeging opgeworpen. Daarin hebben zij aangevoerd dat het onwenselijk is dat één (mogelijke) erfgenaam – [appellante] – een procedure voert namens de onverdeelde boedel zonder daarin de andere erfgenamen te kennen. Daarnaast hebben zij een verklaring voor recht gevorderd dat [appellante] niet als erfgenaam tot de nalatenschap van erflater is geroepen. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat [geïntimeerden] . geen belang hebben bij voeging aan de zijde van [geïntimeerde 1] en dat, voor zover de rechtbank voeging aan de zijde van [geïntimeerde 1] toestaat, [geïntimeerden] . niet bevoegd zijn om een ‘eigen’ verklaring voor recht te vorderen. Daarop hebben [geïntimeerden] . hun oorspronkelijke eis tot voeging gewijzigd in een vordering tot tussenkomst, waartegen [appellante] bezwaar heeft gemaakt. [geïntimeerde 1] heeft zich aangesloten bij de vorderingen en verzoeken van [geïntimeerden] . en de onderbouwing daarvan.
Nadat de rechtbank in het vonnis van 19 oktober 2022 had overwogen dat [appellante] voldoende in de gelegenheid was gesteld te reageren op de gewijzigde eis, heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerden] . voldoende belang hebben bij de door hen gevorderde interventie, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.4. uiteengezet. Nu [geïntimeerden] . geen zelfstandige in de hoofdzaak in te stellen vorderingen hebben gesteld of aangekondigd, volgt daaruit dat zij zich materieel wensen te voegen aan de zijde van [geïntimeerde 1] om haar verweer tegen de door [appellante] tegen haar ingeroepen verweren te ondersteunen. De rechtbank heeft [geïntimeerden] . daarom toegestaan zich in de hoofdzaak aan de zijde van [geïntimeerde 1] te voegen.
In haar eerste grief komt [appellante] op tegen voormelde beslissing van de rechtbank in het vonnis van 19 oktober 2022, daartoe stellende dat:
- [appellante] deze procedure tegen [geïntimeerde 1] voert op grond van artikel 3:171 BW ten behoeve van de gemeenschap (de nalatenschap van erflater) en [appellante] , [geïntimeerden] . en de overige twee erfgenamen [naam 2] en [naam 1] [naam] als deelgenoten gezamenlijk een vorderingsrecht op [geïntimeerde 1] hebben. Nu een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap alle erfgenamen bindt, konden [geïntimeerden] . niet voor zichzelf een rechterlijke uitspraak verlangen ten aanzien van de vordering;
- de vertegenwoordiging door [appellante] van de overige erfgenamen meebrengt dat als [geïntimeerden] . het onwenselijk vinden dat [appellante] zonder de overige erfgenamen te kennen een gerechtelijke procedure tegen [geïntimeerde 1] voert, zij slechts kunnen tussenkomen in deze procedure door voeging aan de zijde van [appellante] en niet aan de zijde van [geïntimeerde 1] . Voeging aan de zijde van [geïntimeerde 1] brengt immers met zich mee dat [geïntimeerden] . ingaan tegen hun eigen belangen die door [appellante] op grond van artikel 3:171 BW worden behartigd, hetgeen innerlijk tegenstrijdig is;
- [geïntimeerden] . geen belang hebben bij voeging. Toewijzing van de vordering op [geïntimeerde 1] leidt per definitie niet tot een nadeel voor hen. Er is dus geen sprake van enige kans op nadelige gevolgen voor hen bij de uitkomst van de procedure;
- [geïntimeerden] . geen zelfstandig verweer konden voeren met de stelling dat [appellante] geen erfgenaam in de nalatenschap van erflater zou zijn, nu [geïntimeerde 1] dit niet zelf had gevorderd dan wel als zelfstandig verweer heeft gevoerd. Dit is in strijd met het rechtskarakter van voeging.
Het hof stelt bij zijn beoordeling allereerst voorop dat [geïntimeerden] . geen incidenteel hoger beroep hebben ingesteld tegen de afwijzing van hun verzoek om in de procedure te mogen tussenkomen. Dat betekent dat in hoger beroep enkel de vraag voorligt of [geïntimeerden] . zich in de procedure tussen [geïntimeerde 1] en [appellante] aan de zijde van [geïntimeerde 1] mochten voegen. Daarover oordeelt het hof als volgt.
Artikel 3:171 BW bepaalt dat, tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. De ratio achter deze regel is dat een deelgenoot niet afhankelijk dient te zijn van de overige deelgenoten als hij ten behoeve van de gemeenschap een rechtsvordering tegen een derde wil instellen, bijvoorbeeld wanneer hij een gemeenschappelijke goed uit handen van een derde wenst op te vorderen of wanneer hij nakoming van een gemeenschappelijke vordering wil vorderen (zie TM, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 590, en MvA II Inv., Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6, p. 1284). Uit de aard van de regeling van artikel 3:171 BW vloeit voort dat een rechterlijke uitspraak die hierop volgt tussen de gezamenlijke deelgenoten en de wederpartij gezag van gewijsde heeft en dus ook alle deelgenoten bindt. Daarbij heeft de wetgever onder ogen gezien dat de ene deelgenoot daarmee gebonden is aan de gevolgen van onzorgvuldig procederen door de andere. Volgens de wetgever kan hij zich daartegen echter wapenen, doordat hij zich in een eenmaal aangespannen procedure kan voegen of tussenkomen, terwijl hij, zolang nog alleen een procedure dreigt, zich overeenkomstig artikel 3:168 BW tot de rechter kan wenden met het verzoek een regeling vast te stellen omtrent de bevoegdheid van de deelgenoten tot procederen. Daarnaast zal een deelgenoot die aan de gemeenschap door onzorgvuldig procederen schade berokkent, daarvoor jegens de gemeenschap aansprakelijk zijn (zie MvA II Inv., Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6, p. 1284).
Naar het oordeel van het hof moet, mede in het licht van de hiervoor beschreven ratio achter artikel 3:171 BW, onder ‘onzorgvuldig procederen’ ook de situatie worden begrepen dat een of meer deelgenoten van mening zijn dat ten onrechte een rechtsvordering namens de gemeenschap is ingesteld en/of dat de deelgenoot, die namens de gemeenschap een rechtsvordering heeft ingesteld, daartoe hoe dan ook niet bevoegd is. Een deelgenoot kan op grond van artikel 3:171 BW weliswaar een procedure namens de gemeenschap starten omdat hij niet afhankelijk dient te zijn van de overige deelgenoten als hij ten behoeve van de gemeenschap een rechtsvordering tegen een derde wil instellen, maar dat betekent niet dat de andere deelgenoten het recht verliezen om in die procedure hun eigen standpunt over die ingestelde rechtsvordering kenbaar te maken. Dat standpunt kan dus zijn dat er hoe dan ook geen rechtsvordering bestaat of dat degene die deze heeft ingesteld daartoe helemaal niet bevoegd is (zoals in onderhavige zaak beide gesteld). Die deelgenoten hebben dan recht en belang erbij om dat in de procedure kenbaar te maken. Om dat standpunt kenbaar te maken, staat hen het middel van voeging of tussenkomst ter beschikking. Als zij daarbij voor voeging kiezen, volgt uit de aard van het door hen ingenomen standpunt en de figuur van voeging dat zij zich zullen moeten voegen aan de zijde van de gedaagde partij. Voeging is immers de figuur waarbij een derde zich schaart aan de zijde van de partij wiens standpunt zij steunen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat [geïntimeerden] . naar het oordeel van het hof belang hebben bij voeging en dat zij zich ook kunnen voegen aan de zijde van [geïntimeerde 1] . Vervolgens is dan nog wel de vraag of [geïntimeerden] . daarbij verweren kunnen voeren die niet door [geïntimeerde 1] zijn gevoerd. Naar het oordeel van het hof is dat mogelijk. Weliswaar brengt het afhankelijke karakter van voeging met zich mee dat de rechter een vordering in beginsel niet kan toewijzen of afwijzen op gronden die door een gevoegde partij zijn aangevoerd maar door de partij aan wiens zijde de voeging plaatsvond zelf niet konden worden ingeroepen, maar dat betekent niet dat een gevoegde partij zich niet met succes kan beroepen op gronden die de partij aan wier zijde de voeging plaatsvindt zelf wel had kunnen aanvoeren, maar dat niet heeft gedaan (vgl. Hoge Raad HR 6 november 2015, NJ 2016/474, r.o. 3.12 en HR 12 juni 2012, NJ 2012/606, ro. 3.5). Nu [geïntimeerde 1] in de procedure tegen [appellante] ook als verweer had kunnen aanvoeren dat [appellante] geen erfgenaam is en daarom niet bevoegd is om tegen haar te procederen, kan dat verweer ook door [geïntimeerden] . als gevoegde partij worden gevoerd (bij welk verweer [geïntimeerde 1] zich vervolgens heeft aangesloten).
De conclusie van al het voorgaande is dat de beslissing van de rechtbank om [geïntimeerden] . toe staan zich aan de zijde van [geïntimeerde 1] in de procedure te voegen, juist is. Grief 1 treft daarmee geen doel.
Ondeelbare rechtsverhouding
Tijdens de mondelinge behandeling is ter sprake gekomen of in deze procedure sprake is van één of meer processueel ondeelbare rechtsverhoudingen. Van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is sprake wanneer in een procedure een rechtsverhouding aan de orde is waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen. In zijn arrest van 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter in dat geval de beslissing over die vordering slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een beslissing over een processueel ondeelbare rechtsverhouding wil uitlokken, moeten om die reden alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding worden geroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties. Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter ook ambtshalve de gelegenheid te geven om de niet opgeroepen betrokkenen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv.
Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige procedure sprake van twee beslissingen die een processueel ondeelbare rechtsverhouding betreffen. De eerste betreft de in reconventie ingestelde vordering van [geïntimeerde 1] op de nalatenschap ten bedrage van € 1.007.760,-. Tegen de afwijzing van deze vordering heeft [geïntimeerde 1] (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. Voor een procedure tegen de nalatenschap geldt niet een bijzondere regeling analoog aan artikel 3:171 BW, terwijl het rechtens wel noodzakelijk is dat een beslissing over een vordering op de nalatenschap alle erfgenamen bindt. Aldus betreft deze reconventionele vordering van [geïntimeerde 1] een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Daarom dienen alle erfgenamen in de procedure betrokken te zijn. [naam 1] en [naam 2] zijn evenwel niet in de procedure betrokken. Dat betekent dat zij ten aanzien van deze rechtsverhouding alsnog in het geding dienen te worden betrokken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv. Nu de reconventionele vordering door [geïntimeerde 1] is ingesteld, en zij dus een beslissing over deze processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft willen uitlokken, ligt het op haar weg om voor die oproeping zorg te dragen.
De tweede processueel ondeelbare rechtsverhouding betreft (de beslissing op) het verweer van [geïntimeerden] . en [geïntimeerde 1] tegen de door [appellante] namens de nalatenschap ingestelde vordering dat [appellante] geen erfgenaam is en dus ook niet bevoegd is om namens de nalatenschap te procederen. Het antwoord op de vraag of [appellante] erfgenaam is, dient alle erfgenamen te binden. Het is immers rechtens onaanvaardbaar als in de verhouding tussen [appellante] en de in de onderhavige procedure verschenen erfgenamen wordt beslist of [appellante] erfgenaam is, terwijl dit in de verhouding tussen [appellante] en de andere erfgenamen (nog) niet vast staat. Dit betekent dat ook ten aanzien van deze beslissing [naam 1] en [naam 2] alsnog op de voet van artikel 118 Rv in de procedure moeten worden betrokken. Daaraan doet niet af dat [appellante] , indien zij erfgenaam blijkt te zijn, op grond van artikel 3:171 BW ook wordt geacht [naam 1] en [naam 2] in de procedure te vertegenwoordigen. Of [naam 1] en [naam 2] op deze wijze als partij in de procedure zijn betrokken, kan immers pas worden vastgesteld nadat is beslist op de vraag of [appellante] wel of niet als erfgenaam kwalificeert. Nu [appellante] namens de nalatenschap een vordering tegen [geïntimeerde 1] heeft ingesteld, hetgeen veronderstelt dat zij vindt dat zij als erfgenaam kwalificeert, is [appellante] (indirect) degene die over deze rechtsverhouding een beslissing heeft willen uitlokken (als bedoeld in Hoge Raad 21 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:411). Daarmee ligt het op haar weg om ten aanzien van deze processueel ondeelbare rechtsverhouding voor oproeping van [naam 1] en [naam 2] zorg te dragen.
Op grond van al het voorgaande, zal het hof de zaak naar de rol verwijzen, zodat [geïntimeerde 1] en/of [appellante] , door tussenkomst van een advocaat, op grond van artikel 118 Rv alsnog [naam 1] en [naam 2] in hun hoedanigheid van erfgenamen van erflater in het geding kan/kunnen betrekken.
Indien [geïntimeerde 1] geen gebruik maakt van de gelegenheid om [naam 1] en [naam 2] in het geding te betrekken en zij ook niet naar aanleiding van de oproep van [appellante] in het geding verschijnen, zal [geïntimeerde 1] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep tegen de afwijzing van haar reconventionele vordering. Indien [appellante] geen gebruik maakt van de gelegenheid om [naam 1] en [naam 2] in het geding te betrekken en zij ook niet naar aanleiding van de oproep van [geïntimeerde 1] in het geding verschijnen, zal [appellante] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.
Mochten [naam 1] en [naam 2] , na deugdelijk te zijn opgeroepen, ervoor kiezen in de procedure te verschijnen, dan zullen zij in de gelegenheid worden gesteld om bij memorie hun standpunt aangaande beide processueel ondeelbare rechtsverhoudingen kenbaar te maken.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
6Beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de rol van 4 augustus 2026 en geeft [geïntimeerde 1] en/of [appellante] de gelegenheid [naam 1] en [naam 2] in het hoger beroep te betrekken dan wel mee te delen dat zij dit zullen nalaten;
bepaalt dat voor het geval [geïntimeerde 1] en/of [appellante] ervoor kiezen [naam 1] en [naam 2] in dit hoger beroep te betrekken, de zaak vervolgens zal worden verwezen naar de rol van 15 september 2026 voor het nemen van de memorie aan de zijde van [naam 1] en [naam 2] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, T.M. Subelack en M. Overmars en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
