Rechtbank Oost-Brabant 17-06-2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4477

Essentie (gemaakt door AI)

Vorderingen tot nakoming van echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan over kinderalimentatie, kinderbijslag en rekening/verantwoording kindrekening, alsmede vordering over opnames van spaarrekening kind. Beide partijen zijn niet-ontvankelijk voor de nakomingsvorderingen wegens ontbreken van belang art. 3:303 BW nu tenuitvoerlegging via de echtscheidingsbeschikking mogelijk is. Vordering over spaarrekening is niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging en gezamenlijk bewind art. 1:253k jo. 1:349 lid 1 BW; art. 1:253i BW.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

"Ter overdenking": rechter geeft zowel ouders als advocaten woorden ter overdenking mee
Ouders "storten puzzel zonder voorbeeldplaatje uit" over rechter. Dat is geen behoorlijke wijze van procederen; advocaten moeten kritisch zijn. En: verdriet of boosheid jegens voormalige partner is begrijpelijk, maar kind mag niet lijden.

Datum publicatie14-07-2026
ZaaknummerC/01/408605 / HA ZA 24-595
ProcedureBodemzaak
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht;
Alimentatie;
Kinderen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vorderingen tot nakoming echtscheidingsconvenant, geschil over bewind, niet-ontvankelijkverklaring, de verantwoordelijkheid van ouders jegens het kind en elkaar, de verantwoordelijkheid van de advocaten.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/408605 / HA ZA 24-595

Vonnis van 17 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. G.M. Koert,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. M.W.M. van Asseldonk.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 september 2024 met 2 producties;

- het formulier B-8 van 22 oktober 2024 zijdens [eiser] met de voor de regiezitting ingediende productie 3;

- het formulier B-8 van 24 oktober 2024 zijdens [gedaagde] met de voor de regiezitting ingediende producties 1 en 2;

- de regiezitting van 24 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;

- de conclusie van antwoord in conventie en tevens eis in reconventie van 20 november 2024 met 16 producties (waaronder de eerder overgelegde producties 1 en 2);

- de conclusie van antwoord in reconventie namens van 8 januari 2025 met producties 3 (nieuw) tot en met 6;

- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- het formulier B-8 van 14 juni 2025 zijdens [eiser] met producties 7 tot en met 10;

- het formulier B-8 van 17 juni 2025 zijdens [gedaagde] met producties 17 en 18;
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

De vermelde formulieren B-8 met de daarbij gevoegde producties zijn toegevoegd aan de stukken en maken onderdeel uit van het procesdossier.

1.2.

Aan het slot van de mondelinge behandeling is besproken dat partijen en hun advocaten met elkaar in overleg zouden treden om te bezien of wellicht op onderdelen een minnelijke regeling zou kunnen worden getroffen, in ieder geval voor de toekomst. Op één onderdeel, het saldo van een spaarrekening, leek overeenstemming te zijn bereikt. Op 29 juli 2025 heeft mr. Koert de rechtbank echter bericht dat er geen regeling was getroffen en dat [gedaagde] een ten aanzien van het saldo van de spaarrekening gedaan voorstel had ingetrokken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdag] 2015 te [plaats] (gemeente [plaats] ) met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is op [geboortedag] 2015 te [plaats] hun minderjarige zoon [zoon] (“ [zoon] ”) geboren.

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 april 2018 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 31 mei 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

In een echtscheidingsconvenant van 21 maart 2018 hebben partijen de gevolgen van de echtscheiding met elkaar geregeld. Voorts hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [zoon] , die zijn vastgelegd in een ouderschapsplan van 21 maart 2018. Het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan maken deel uit van echtscheidingsbeschikking.

2.4.

Het echtscheidingsconvenant vermeldt, voor zover voor dit geding van belang:

Artikel 3 Kinderalimentatie

3.1

De behoefte van hun zoon [zoon] is vastgesteld op € 544,- per maand gebaseerd op het bruto jaarinkomen van de man over 2017 van € 40.072,32 en de vrouw € 13.723,- (jaaropgave 2017).

3.2

Conform bijgevoegde alimentatie berekening, dragen partijen ieder de eigen kosten van inwoning van hun zoon wanneer hij bij hen is. De kindgebonden kosten worden betaald van een rekening die gezamenlijke aangehouden wordt. Van deze en/of kindrekening heeft iedere ouder een pinpas. De vader stort € 230,- aan kinderalimentatie op deze kindrekening en € 41,- aan door de moeder aan te wijzen bankrekening. De ouders zijn elkaar rekening en verantwoording verschuldigd van hun opnames en zijn bij opheffing van deze kindrekening ieder naar rato van hun bijdragen gerechtigd tot het saldo.

3.3

Dit bedrag zal elke maand, de maand vooruit worden betaald, uiterlijk op de laatste dag van de maand, dus op 31 maart wordt betaald voor de maand april.

3.4

De kinderalimentatie is onderworpen aan de wettelijke jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW en 1:395 BW, voor het eerst per 1 januari 2019, met het percentage dat wordt gepubliceerd in de Staatcourant en op www.nibud.nl.

3.5

De kinderbijslag zal door de moeder op de gezamenlijke rekening worden gestort.

2.5.

Ter financiering van [zoon] ’ verblijfsoverstijgende kosten, zoals school, lidmaatschappen, kleding en duurzame gebruiksartikelen, hebben [eiser] en [gedaagde] een gezamenlijke rekening met nummer [rekeningnummer 1] (de “kindrekening”) geopend.

2.6.

Vanaf april 2021 heeft [eiser] niet meer volledig aan zijn alimentatieverplichting voldaan, in die zin dat hij vanaf die maand gestopt is met het overmaken van € 41,00 per maand naar de bankrekening van [gedaagde] .

Vanaf 2022 heeft [eiser] ook niet meer voldaan aan zijn verplichting tot storting van kinderalimentatie op de kindrekening.

2.7.

Vanaf het tweede kwartaal 2023 heeft [gedaagde] de kinderbijslag niet meer overgemaakt naar de kindrekening.

2.8.

Van 17 november 2023 tot en met 13 januari 2024 heeft [gedaagde] in totaal € 3.990,79 opgenomen van de op naam van [zoon] gestelde spaarrekening met nummer [rekeningnummer 2] (de “spaarrekening”).

2.9.

Per 30 september 2024 had [eiser] een betalingsachterstand ter zake van kinderalimentatie van € 7.446,44. Gelet op deze achterstand is de echtscheidingsbeschikking bij exploot van 9 oktober 2024 aan [eiser] betekend, waarbij hem bevel is gedaan deze achterstand, vermeerderd met de kosten van het exploot, te betalen.

2.10.

[eiser] heeft hierop € 2.147,85 overgemaakt naar de deurwaarder. Voorts heeft [eiser] op 10 november 2024 € 6.007,18 overgemaakt naar de kindrekening. De dag erna heeft hij vervolgens weer € 5.696,84 naar zijn eigen bankrekening overgemaakt met de omschrijving “Verblijfsoverstijgende kosten [zoon] ”.

3Het geschil

in conventie:

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad:

I. bepaalt dat [gedaagde] de financiële afspraken van partijen ten aanzien van [zoon] uit het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan moet nakomen,

II bepaalt dat [gedaagde] de vanaf januari 2022 ontvangen kinderbijslag binnen 14 dagen na het vonnis overmaakt naar de kindrekening en dat zij tevens binnen 14 dagen na het vonnis rekening en verantwoording aflegt over de opnames die zij vanaf oktober 2022 heeft gedaan van de kindrekening,

de vorderingen onder I en II onder verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag;

III. bepaalt dat [gedaagde] € 3.990,79, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf 17 november 2023, overmaakt naar de spaarrekening, eveneens onder verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag;

3.2.

[eiser] legt aan de vorderingen onder I en II – samengevat – het volgende ten grondslag.
Partijen zijn in artikel 3 van het echtscheidingsconvenant en in het ouderschapsplan overeengekomen dat de kinderbijslag door [gedaagde] op de kindrekening wordt gestort en dat de ouders elkaar rekening en verantwoording verschuldigd zijn van hun opnames van deze rekening. [gedaagde] komt deze verplichting niet na, door vanaf januari 2022 de kinderbijslag niet op de kindrekening te storten en vanaf oktober 2022 geen verantwoording af te leggen van haar opnames van de kindrekening.

[eiser] legt aan de vordering onder III -samengevat- het volgende ten grondslag.

Ten tijde van de geldopnames van de spaarrekening door [gedaagde] hadden de ouders het gezamenlijk ouderlijk gezag over [zoon] . In geval van gezamenlijke gezagsuitoefening voeren de ouders gedurende de minderjarigheid gezamenlijk het bewind over het vermogen van hun kinderen (artikel 1:253i lid 1 BW) . Op de ouders rust op grond van artikel 1:253j BW de verplichting het bewind over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders uit te voeren. Bij slecht bewind zijn zij voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk.

In beginsel mogen de ouders het vermogen van [zoon] niet aanwenden voor de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon] en ook niet voor de algemene kosten van het gezin. [gedaagde] heeft de opnames zonder goede reden en zonder toestemming van [eiser] gedaan en is niet overgegaan tot terugbetaling van de opgenomen bedragen. [gedaagde] heeft zich daarmee niet als goed bewindvoerder gedragen en is verantwoordelijk voor de ontstane schade.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen onder I en II en tot niet-ontvankelijkheid ten aanzien van de vordering onder III, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

[gedaagde] voert daartoe het volgende aan.

[eiser] is in de loop der jaren zijn eigen verplichting tot storting van kinderalimentatie op de kindrekening en op de bankrekening van [gedaagde] niet nagekomen en heeft een aanzienlijke betalingsachterstand laten ontstaan. Deze achterstand is veel groter dan het bedrag aan kinderbijslag dat [gedaagde] niet op de kindrekening heeft gestort.

Door de betalingsachterstand van [eiser] kon [gedaagde] de verblijfsoverstijgende kosten die zij maakte geruime tijd niet van de kindrekening betalen. Omdat [gedaagde] deze kosten, zoals bijvoorbeeld de kosten voor kleding en buitenschoolse opvang, wel bleef maken was zij genoodzaakt de afdracht van de kinderbijslag op te schorten, opdat zij van dat geld de verblijfsoverstijgende kosten kon voldoen.

Ten aanzien van de vordering onder III heeft [gedaagde] tijdens de regiezitting gesteld dat [eiser] niet de rechthebbende van de rekening is. Voorts heeft zij betoogd dat zij het opgenomen geld heeft willen veiligstellen, omdat zij [eiser] in verband met vermeende frauduleuze handelingen niet meer met het geld vertrouwde.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie:

3.6.

[gedaagde] vordert – samengevat – dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad [eiser] veroordeelt om binnen 14 dagen na het vonnis het openstaande bedrag aan kinderalimentatie naar de kindrekening over te maken, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.7.

[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.

[eiser] heeft op 10 november 2024 € 6.007,18 naar de kindrekening overgemaakt ter voldoening van zijn betalingsachterstand ter zake van de kinderalimentatie. Dat bedrag was lager dan het destijds aan kinderalimentatie openstaande bedrag.

De dag na de betaling van € 6.007,18 heeft [eiser] bovendien weer € 5.696,84 van de kindrekening opgenomen met als toelichting “Verblijfsoverstijgende kosten [zoon] ”. De man heeft daarmee de betaling van € 6.007,18 weer grotendeels ongedaan gemaakt en dient aldus nog steeds het totaal openstaande bedrag aan kinderalimentatie te voldoen, waarbij hij € 5.696,84 weer moet terugstorten op de kindrekening. [gedaagde] vordert daarom betaling van dit bedrag, alsmede het verdere openstaande bedrag aan kinderalimentatie.

3.8.

[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet ontvankelijkheid en tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] .

3.9.

[eiser] voert het volgende aan.

[eiser] heeft op 10 november 2024 € 6.007,18 aan kinderalimentatie overgemaakt naar de kindrekening. Op 12 november 2024 heeft hij € 2.147,85 overgemaakt naar de deurwaarder. Daarna resteerde nog een achterstand van € 11,29 en dat bedrag heeft hij inmiddels ook betaald. Daarmee heeft hij de destijds achterstallige kinderalimentatie voldaan.

[eiser] heeft inderdaad € 5.696,84 teruggestort om de door hem betaalde verblijfsoverstijgende kosten te voldoen.

Vanaf 31 december 2024 heeft [eiser] per maand € 295,15 + € 52,62 = € 347,77 aan kinderalimentatie betaald.

4De beoordeling

in conventie en in reconventie

De vorderingen onder I en II in conventie en de reconventionele vordering

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen onder I en II en aan zijn verweer in reconventie de door [eiser] en [gedaagde] in 2018 in het echtscheidingsconvenant ter zake van de verblijfsoverstijgende kosten van [zoon] gemaakte afspraken ten grondslag.

Datzelfde geldt voor [gedaagde] voor haar verweer in conventie en de grondslag van haar vordering in reconventie.

Deze vorderingen en verweren en de achterliggende verwijten hebben een hoog wederkerig gehalte.

Gelet op deze nauwe samenhang zal de rechtbank de vorderingen onder I en II in conventie en de vordering in reconventie gezamenlijk behandelen.

4.2.

De rechtbank zal [eiser] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen onder I en II en zal [gedaagde] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering in reconventie. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van deze vorderingen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarop die beslissing is gebaseerd.

4.3.

Zoals tijdens de mondelinge behandeling al is besproken, zijn de genoemde vorderingen in feite vorderingen tot nakoming van de echtscheidingsbeschikking, waarvan het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan deel uitmaken. Het hierboven in r.o. 2.4 geciteerde artikel 3 van het echtscheidingsconvenant is op deze wijze geïncorporeerd in de echtscheidingsbeschikking.

4.4.

Zowel aan [eiser] als aan [gedaagde] is een grosse van de echtscheidingsbeschikking uitgereikt. Met die grosse kan de echtscheidingsbeschikking ten uitvoer worden gelegd, voor zover de daarin geïncorporeerde afspraken zich voor tenuitvoerlegging lenen. Dat laatste is onder andere het geval voor de in artikel 3 van het echtscheidingsconvenant gemaakte afspraken. In het geval een van partijen van oordeel is dat de andere partij zijn of haar financiële verplichtingen niet nakomt, dan kan die nakoming dus via de echtscheidingsbeschikking in rechte worden afgedwongen.
De rechtbank wijst erop dat [gedaagde] in 2024 ook al gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van de echtscheidingsbeschikking, toen zij, al dan niet via het NLAI, een deurwaarder heeft ingeschakeld om haar destijds bestaande vordering op [eiser] ter zake van kinderalimentatie te incasseren.

4.5.

[eiser] vorderingen onder I en II zien op de door [gedaagde] af te dragen kinderbijslag. Welk bedrag dat voor [zoon] per kwartaal is, wordt tweemaal per jaar vastgesteld en dit bedrag is gemakkelijk te achterhalen, onder andere via de website van de Sociale Verzekeringsbank (https://www.svb.nl/nl/kinderbijslag/bedragen-betaaldagen/bedragen-kinderbijslag).

4.6.

[gedaagde] ’ vordering in reconventie ziet op de door [eiser] te betalen kinderalimentatie. Tenzij de hoogte van de kinderalimentatie inmiddels in onderling overleg dan wel bij gerechtelijke uitspraak is aangepast, is uit artikel 3 van het echtscheidingsconvenant af te leiden welk bedrag [eiser] per maand moet betalen: de hoogte bedraagt € 271,00, vermeerderd met de wettelijke jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW en 1:395 BW, voor het eerst toegepast per 1 januari 2019.
Het toe te passen indexeringspercentage wordt gepubliceerd in de Staatcourant en op www.nibud.nl.

Artikel 3 van het echtscheidingsconvenant bepaalt tevens hoe het verschuldigde bedrag moet worden betaald: in de verhouding 230 staat tot 41.

4.7.

Zowel de periodieke vordering van [eiser] ter zake van de kinderbijslag als [gedaagde] ’ periodieke vordering ter zake van de kinderalimentatie is daarmee zeer eenvoudig bepaalbaar.

4.8.

Aangezien [eiser] en [gedaagde] ten aanzien van hun bepaalbare vorderingen beschikken over een executoriale titel, hebben zij beiden geen belang bij de in dit geding ingestelde vorderingen tot nakoming van de echtscheidingsbeschikking.

Alwaar de wet in artikel 3:303 BW bepaalt “Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe”, dienen beiden niet-ontvankelijk te worden verklaard. In het vereiste van voldoende belang van artikel 3:303 BW ligt besloten dat het belang bij het instellen van een vordering evenredig moet zijn aan het belang van de wederpartij maar ook aan dat van een behoorlijke rechtspleging.

4.9.

Er bestaat temeer reden tot niet-ontvankelijkverklaring, aangezien het ongewenst is dat een en dezelfde vordering met twee verschillende gerechtelijke uitspraken kan worden geïncasseerd.
Voorkomen moet worden dat de ene partij nakoming van de afspraken afdwingt door tenuitvoerlegging van de echtscheidingsbeschikking en de andere door tenuitvoerlegging van het in dit geding te wijzen vonnis. Weliswaar zouden beide varianten op hetzelfde moeten neerkomen, maar ieder misverstand of iedere onnodige processuele verwikkeling ter zake, bijvoorbeeld als gevolg van het instellen van hoger beroep van het te wijzen vonnis, dient te worden voorkomen.

4.10.

[eiser] heeft evenmin belang bij zijn vordering onder II, voor zover hij daarin vordert dat [gedaagde] binnen 14 dagen na het vonnis rekening en verantwoording aflegt over de opnames die zij vanaf oktober 2022 heeft gedaan van de kindrekening, onder verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag.

De verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording is eveneens opgenomen in de echtscheidingsbeschikking, zij het dat die verplichting daar niet is versterkt met een dwangsom. In die zin is de gevorderde dwangsom een nieuw element.
Voor oplegging van een dwangsom bestaat in deze zaak echter geen reden.
In de procedure heeft [gedaagde] een veelheid aan bonnen en facturen overgelegd en daarmee in beginsel voldaan aan de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. [eiser] heeft niet toegelicht
(i) wat op dit punt in redelijkheid meer van [gedaagde] kan worden gevergd: of
(ii) wat, in het licht van de gebruikelijke terughoudendheid in familiezaken bij het opleggen van een dwangsom aan een ouder, het opleggen van dit dwangmiddel noodzakelijk maakt.

De vordering onder III in conventie

4.11.

Met betrekking tot de vordering onder III in conventie oordeelt de rechtbank tenslotte als volgt.

Het gezag van de ouders over het minderjarige kind omvat het bewind over het vermogen van de minderjarige (art. 1:245 lid 4 jo. 1:253i lid 1 BW) . In die hoedanigheid beheren de ouders de bankrekening van het minderjarige kind.

Op dit bewind is de regeling uit paragraaf 3, afdeling 2 van titel 1.14 BW van toepassing (art. 1:253i-1:253m BW) . Daaruit blijkt onder meer dat de ouders het bewind over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders moeten voeren; voor slecht bewind zijn zij voor de daaraan te wijten schade aansprakelijk (art. 1:253j BW) . Uit de rechtspraak blijkt dat bijvoorbeeld sprake kan zijn van slecht bewind als de ouders het geld dat een minderjarige toekomt ‘zomaar’ van diens bankrekening halen en gebruiken.

Goed bewind van ouders brengt onder andere ook met zich dat zij het vermogen van hun kinderen duidelijk gescheiden houden van hun eigen vermogen en dat een kind mag aannemen dat een spaarsaldo dat op zijn naam staat hem volledig toebehoort.

4.12.

[eiser] en [gedaagde] zijn het erover eens dat het saldo op de spaarrekening aan [zoon] toekwam en dat hij goederenrechtelijk gerechtigdheid was tot het saldo. Zij zijn het er tevens over eens dat het geld niet bedoeld was voor eigen gebruik of om te voorzien in de kosten van levensonderhoud etc. Dit wordt mede bevestigd door het bestaan van de kindrekening, die bedoeld is om verblijfsoverstijgende kosten te voldoen.

4.13.

Voor zover [eiser] deze vordering heeft ingesteld namens [zoon] , zou dat moeten zijn gebeurd in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [zoon] .
Daarover is, ondanks de opmerking namens [gedaagde] tijdens de regiezitting dat [eiser] niet de gerechtigde is tot de betreffende spaarrekening, zijdens [eiser] echter op geen enkel moment in dit geding iets gesteld of aangevoerd.

Art. 1:253i BW bepaalt “Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het vermogen van het kind en vertegenwoordigen zij gezamenlijk het kind in burgerlijke handelingen, met dien verstande dat een ouder alleen, mits niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken, hiertoe ook bevoegd is.”

Uit het betoog van [gedaagde] valt niet anders te concluderen dan dat zij er bezwaar tegen heeft dat alleen [eiser] [zoon] op dit punt vertegenwoordigt. Zij maakt immers bezwaar tegen toewijzing van deze vordering en concludeert tot afwijzing ervan. Voorts heeft zij het opnemen van het saldo van [zoon] ’ spaarrekening verdedigd met een verwijzing naar vermeende frauduleuze handelingen van [eiser] en opname in interne en externe frauderegisters.
Er is ook op dit punt duidelijk sprake van een geschil tussen [eiser] en [gedaagde] .

4.14.

Als ouders gezamenlijk het gezag over het kind uitoefenen, kan een geschil over het vermogen van het kind langs de weg van artikel 1:253a BW aan de kantonrechter (dus niet aan de rechtbank) worden voorgelegd, zo bepaalt het tweede lid van artikel 1:253i BW.

Het alternatief is een reguliere dagvaardingsprocedure. De ouder met gezag die in zijn/haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van het kind tegen de andere ouder -met óf zonder gezag- wil procederen, heeft daarvoor wel een machtiging van de kantonrechter nodig (artikel 1:253k jo. 1:349 lid 1 BW) . Procederen zonder een dergelijke machtiging leidt tot niet-ontvankelijkheid. 1

Gesteld noch gebleken is dat [eiser] beschikt over een machtiging.

Dat leidt ertoe dat [eiser] niet bevoegd is de vordering onder III in te stellen. In dat opzicht is [eiser] niet-ontvankelijk in deze vordering.

4.15.

Voor zover [eiser] die vordering op eigen naam en voor zichzelf heeft ingesteld, heeft te gelden dat de vordering moet worden ontzegd. [eiser] is immers zelf niet benadeeld door de opname van het saldo van [zoon] spaarrekening.

Ter overdenking

4.16.

Omdat denkbaar is dat een van partijen hierna inderdaad de weg van tenuitvoerlegging van de echtscheidingsbeschikking en/of een procedure over het bewind bij de kantonrechter wenst te volgen, waarna de andere partij mogelijk een executiekortgeding start, wil de rechtbank een paar opmerkingen ter overdenking maken. Deze opmerkingen gelden zowel [eiser] als [gedaagde] , maar ook de behandelend advocaten.

4.17.

Aan [eiser] en [gedaagde] wil de rechtbank het volgende ter overweging meegeven. Het ouderschap vormt voor veel ouders een enorme verrijking van het leven, maar het komt in alle gevallen met grote verantwoordelijkheden, zeker in de fase dat kinderen nog jong zijn en voor alles op de ouders zijn aangewezen. Dat geldt niet alleen tijdens de relatie van de ouders, maar zeker ook indien de relatie wordt beëindigd.

Persoonlijke gevoelens, zoals verdriet, teleurstelling, verbittering of boosheid jegens de voormalige partner zijn vaak begrijpelijk, maar de gevoelens van de ouders jegens elkaar mogen er nooit toe leiden dat het kind daaronder lijdt. Het uiteengaan van de ouders op zich is voor het kind al ingrijpend genoeg.

Welzijn en welbevinden van het kind moeten een belangrijk, zo niet het belangrijkste, richtsnoer zijn voor het handelen van de ouders, niet alleen in de relatie tot het kind maar ook in relatie tot elkaar.
Van ouders mag worden gevergd dat zij in het belang van het kind ook met elkaar rekening houden. Het is dan soms nodig om in het belang van het kind over eigen wensen, pijnpunten en bezwaren heen te stappen.
De gezamenlijke verantwoordelijkheid brengt met zich dat beide ouders bij uitgaven ten behoeve van het kind rekening houden met elkaars kenbare redelijke wensen en binnen redelijke grenzen terughoudendheid in acht nemen, zowel bij de keuze waaraan geld wordt uitgegeven als bij de keuze hoeveel geld eraan wordt uitgegeven: partijen beslissen mede over geld waar ook de ander over gaat en handelen in het belang van het kind, waar de ander ook verantwoordelijk voor is.

Hoe moeilijk dit soms ook is, de ouders moeten toch streven naar een vorm van behoorlijk onderling overleg, enige welwillendheid en een gemeenschappelijke visie over de diverse aspecten van de opvoeding. Het sluiten van compromissen hoort daarbij.

Argwaan, wantrouwen en stekeligheden zijn voor het kind voelbaar en moeten in alle gevallen worden voorkomen.

4.18.

Aan advocaten van [eiser] en [gedaagde] , naast partijen, wil de rechtbank het volgende ter overweging meegeven.

Het is de verantwoordelijkheid van de advocaten om alle relevante onderdelen van het geschil zodanig aan de rechter te presenteren dat deze, indien nodig, een oordeel kan vellen.

Daarvoor is vereist dat een partij de voor toewijzing van zijn/haar vordering noodzakelijke rechtsfeiten stelt en deze bij een enigszins gemotiveerde betwisting onderbouwt. Hetzelfde geldt voor het voeren van verweer.

[eiser] en [gedaagde] stellen beiden dat zij de door hen te verrichten betalingen hebben opgeschort, omdat de ander niet aan zijn/haar verplichtingen heeft voldaan. Daardoor kon men de verblijfsoverstijgende kosten niet van de kindrekening betalen en moest men noodgedwongen wel de eigen betalingen opschorten, opdat men de kosten toch kon betalen.

Ter onderbouwing van de gestelde eigen betalingen zijn zonder enige toelichting tientallen of wellicht zelfs honderden bonnetjes en bankafschriften overgelegd, die betrekking hebben op nog veel meer betalingen.

Over en weer zijn die betalingen, veelal slechts in algemene termen, betwist of in ieder geval in twijfel getrokken.

De vraag kan worden gesteld of op deze wijze wordt voldaan aan de plicht tot stellen, onderbouwen en motiveren.

Het geschil wordt op deze wijze niet adequaat gepresenteerd en de rechter ziet zich als gevolg daarvan geconfronteerd met een over hem uitgestorte puzzel, zonder voorbeeldplaatje. Van de rechter wordt kennelijk verwacht dat die zelf de puzzel legt wie wat heeft betaald en waarom.

4.19.

Van sommige facturen en bonnen, zoals bijvoorbeeld die van de buitenschoolse opvang of de voetbalclub, is duidelijk dat het ‘terecht’ is dat die kosten zijn gemaakt en worden ‘gedeclareerd’. Deze posten kunnen in redelijkheid niet worden betwist.

Moeten die terechte posten nog steeds aan de rechter worden voorgelegd of kunnen de advocaten het geschil inperken tot datgene waar het echt om draait?
Beide partijen verwijten de ander dat deze zonder overleg dingen doet en ‘onnodige’ kosten voor [zoon] maakt: [eiser] vindt dat [zoon] geen extra keeperstraining van circa € 700 nodig heeft, [gedaagde] maakt bezwaar tegen de aanschaf van een motorhelm en vindt waarschijnlijk een mountainbike van circa € 1.100 onnodig. Ook kunnen vraagtekens worden gesteld bij de aanschaf door [eiser] van vijf baseballcaps tegelijk van gemiddeld circa € 35.

Advocaten behoren het belang van hun cliënt als belangrijkste richtsnoer te hebben. Dat brengt echter niet met zich dat de advocaat ten opzichte van de eigen cliënt niet een kritische houding mag hebben. Een kritische houding die zich vertaalt in een zakelijke en adequate procesvoering; in dit geval focus op eventuele relevante posten en een concrete toelichting per post. De advocaat is tenslotte dominus litis.

Zoals al is opgemerkt, moeten beide ouders op dit gebied rekening houden met elkaars kenbare redelijke wensen en binnen redelijke grenzen terughoudendheid in acht nemen, zowel bij de keuze waaraan geld wordt uitgegeven als bij de keuze hoeveel geld eraan wordt uitgegeven. In dit geding hebben partijen hun standpunten dat de ander deze grenzen heeft overschreden, niet voldoende toegelicht, omdat per concrete post niet is uitgelegd dat en waarom die post in dit kader ongeoorloofd was.

Bij gevolg kan de rechter niet beoordelen of het terecht is dat een partij onder verwijzing naar dergelijke kosten een beroep doet op opschorting van of verrekening met de eigen verplichtingen. Omdat de standpunten op dit punt niet voldoende zijn toegelicht, worden de vorderingen I en II in conventie en de vordering in reconventie.

4.20.

Een kritische houding naar het eigen optreden is bij wijze van zelfreflectie ook vereist, nog steeds in het belang van de cliënt. Worden haalbare en toewijsbare vorderingen ingesteld? Is een vordering ter zake van “de achterstand” toewijsbaar, indien niet wordt aangegeven hoe hoog die achterstand is of hoe de hoogte kan worden bepaald? Is in zaken als deze een vordering tot verbeurte van dwangsommen echt noodzakelijk?

Tot zover de opmerkingen ter overdenking.

Proceskosten

4.21.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

in conventie:

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,

in reconventie:

5.2.

verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in haar vordering,

in conventie en in reconventie:

5.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

1

Zie Rb. Midden-Nederland 13 oktober 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4776 en Hof 's-Hertogenbosch 6 oktober 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3080.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733