Rechtbank Noord-Holland 12-05-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6713

Essentie (gemaakt door AI)

Machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige bij gezaghebbende vader wordt verlengd. De kinderrechter acht uithuisplaatsing nog noodzakelijk; GI moet voortvarend toewerken naar uitbreiding van omgang met moeder. Verzoek van moeder tot voorlopige omgangsregeling is niet-ontvankelijk. Schriftelijke aanwijzing van de GI over schoolinschrijving wordt vervallen verklaard; GI kan geen aanwijzing geven op grond van artikel 1:263 BW als de route van artikel 1:265e lid 1 BW openstaat (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1003).

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Schriftelijke aanwijzing vervallen: GI kan moeder niet opdragen inschrijfformulier school te ondertekenen
GI moet voortvarend toewerken naar uitbreiding van omgang met moeder. SA over schoolinschrijving wordt vervallen verklaard: GI kan geen aanwijzing ex art. 1:263 BW geven als de route van art. 1:265e BW openstaat (gezagsuitoefening GI).

Datum publicatie09-07-2026
ZaaknummerC/15/372295
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; 1:263 e.v. BW Aanwijzing GI; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW; 1:265e BW Gedeeltelijk gezag GI bij OTS
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

MUHP bij gezaghebbende vader toegewezen. Schriftelijke aanwijzing wordt vervallen verklaard; GI heeft niet de bevoegdheid om een schriftelijke aanwijzing op grond van artikel 1:263 BW te geven, wanneer de weg van artikel 1:265e lid 1 BW openstaat.

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummers:

C/15/372295 / JU RK 25-1710 (uithuisplaatsing) en

C/15/376475 / JU RK 26-536 (schriftelijke aanwijzing)

Datum uitspraak: 12 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en een schriftelijke aanwijzing

in de zaken van

de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

en

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat mr. G.M. Haring uit Amsterdam,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats] ,

advocaat mr. M.B. Chylinska uit Zaandam.

1Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt onder meer de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van 29 januari 2026 en de daarin genoemde stukken;

  • het verzoekschrift van de moeder van 2 april 2026, met de daarin genoemde producties;

  • de brief van de GI van 20 april 2026, ontvangen op 28 april 2026;

  • de beschikking van 21 april 2026;

  • de brieven van de zijde van de moeder van 6 mei 2026, met de daarin genoemde producties;

  • de brief van de zijde van de vader van 8 mei 2026.

1.2.

Op 12 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en mr. C.C. Alsemgeest;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en

[vertegenwoordiger van de GI] ;

1.3.

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [systeemcoach] , systeemcoach van Praktijk Syco, en [ambulant begeleider] , ambulant begeleider van 10 voor Toekomst, om als toehoorders in de zittingzaal aanwezig te zijn.

2De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.2.

[de minderjarige] woont bij zijn vader.

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van 7 mei 2024 is [de minderjarige] (voorlopig) onder

toezicht gesteld. Deze maatregel is steeds verlengd tot 5 augustus 2026. Bij beschikking van de kinderrechter van 7 mei 2024 is ook een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader met gezag. Bij beschikking van de kinderrechter van

15 mei 2024 is die uithuisplaatsing vanaf 16 mei 2024 opgeheven. Bij beschikking van de kinderrechter van 27 december 2024 is opnieuw een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader met gezag. Deze machtiging is steeds verlengd tot 19 mei 2026.

2.4.

De GI heeft op 19 maart 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“Wij vragen u nog een keer om het inschrijfformulier van basisschool [basisschool] te tekenen.

Dan kan [de minderjarige] zo snel mogelijk naar school.

Als u niet wilt tekenen zullen we de kinderrechter vragen voor vervangende toestemming.

U kunt samen met uw hulpverlener of iemand anders afspreken hoe het formulier bij vader komt.”

2.5.

Bij vonnis in kort geding van 22 april 2026 is aan de vader, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, toestemming verleend om [de minderjarige] in te schrijven op basisschool [basisschool] in [plaats] .

3De verdere beoordeling van het verzoek van de GI

beschikkingen van 29 januari 2026 en 21 april 2026

3.1.

Bij beschikking van de kinderrechter van 29 januari 2026 is het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de ouder met gezag (voor de duur van de ondertoezichtstelling) toegewezen voor de (kortere) duur van drie maanden. De kinderrechter heeft hierbij overwogen dat de uithuisplaatsing nog noodzakelijk is om de plek bij de vader te borgen, omdat de moeder nog geen vaste woonplaats heeft, de omgang met de moeder nog niet is opgestart en ook de praktische zaken omtrent de omgang met de moeder nog niet geregeld zijn. Ook dient de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] onder begeleiding van Bureau Mars spoedig te starten en te worden uitgebreid. De kinderrechter heeft de resterende termijn van het verzoek aangehouden en bepaalt dat de GI bij de volgende zitting met een actueel verslag komt.

3.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 21 april 2026 is de machtiging uithuisplaatsing met instemming van de advocaten van partijen verlengd voor de duur van twee weken, tot 19 mei 2026, en voor het overige aangehouden.

nadere informatie en standpunt GI

3.3.

De GI heeft bij brief van 20 april 2026 het volgende naar voren gebracht. De omgang tussen de moeder en [de minderjarige] is opgestart en vindt plaats onder begeleiding van Bureau Mars. De communicatie tussen de ouders over de omgangsmomenten is nog steeds moeizaam. De moeder blijkt zich goed voor te bereiden op de omgang en het lukt haar om gedurende deze momenten positief en passend aan te sluiten bij [de minderjarige] . De omgang heeft vooralsnog alleen plaatsgevonden bij de moeder thuis. Om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder heeft Bureau Mars geadviseerd om de omgang op korte termijn uit te breiden en daarbij ook andere activiteiten te ondernemen. De omgang zal worden uitgebreid naar wekelijks twee uur, waarbij ook opvoedondersteuning wordt ingezet. Voor een verdere uitbreiding van de omgang wordt onderzocht of de inzet van een epilepsie-alarm als mogelijke veiligheidsvoorwaarde kan gelden. De vervolgstappen kunnen pas genomen worden als duidelijk is hoe de borg van het epilepsie-alarm voor een proefperiode bekostigd kan worden. Er wordt gewerkt aan een concreet hulpverleningsplan, waarin wordt toegelicht op welke wijze toegewerkt wordt naar een meer evenwichtige verdeling van de zorg tussen de ouders. Daarnaast zal de moeder verdere stappen moeten zetten om aan de bodemeisen van ‘goed genoeg ouderschap’ te voldoen en laten zien dat zij stabiel en voorspelbaar kan handelen. Tot slot wordt van de moeder verwacht dat zij actief blijft meewerken met de hulpverlening en open staat voor afstemming en samenwerking met de GI.

3.4.

De vader staat nog steeds op de wachtlijst voor hulpverlening vanuit De Waag, maar heeft wel opvoedondersteuning van 10 voor Toekomst. De vader blijkt de basale verzorging van [de minderjarige] voldoende vorm te geven, maar er zijn aandachtspunten in het stellen van grenzen. Verder heeft in de afgelopen periode met regelmaat afstemming plaatsgevonden met de betrokken hulpverleners en is ingezet op het verbeteren van de onderlinge samenwerking en het creëren van een eenduidige aanpak.

3.5.

Omdat de veiligheid en stabiliteit van [de minderjarige] nog onvoldoende geborgd zijn binnen de thuissituatie van de moeder en nog onvoldoende zicht is op haar opvoedvaardigheden, verzoekt de GI om de resterende termijn van het verzoek toe te wijzen.

het standpunt van de moeder

3.6.

Namens de moeder is naar voren gebracht dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] steeds als tijdelijke maatregel is aangemerkt, gericht op het toewerken naar een co-ouderschap. De omgang is weliswaar beperkt opgestart, maar van een daadwerkelijk hulpverleningsplan, zoals overwogen in de tussenbeschikking van 29 januari 2026, is de moeder niets bekend. Door voor een school in de buurt van de vader te kiezen, heeft de GI [de minderjarige] daarnaast feitelijk bij de vader geplaatst, terwijl de moeder haar zorgen heeft geuit over de opvoedsituatie bij de vader. De moeder is van mening dat een snellere voortgang in de opbouw van de omgang moet komen; zij wil [de minderjarige] vaker zien. Regievoering door de GI op de communicatie, het hulpverleningsplan en de omgangsregeling wordt gemist. Verder is aangevoerd dat de artsen de “brede” term epilepsie voor de aandoening van de moeder gebruiken, maar dat niet precies vastgesteld kan worden of de moeder daadwerkelijk epilepsie heeft; de moeder heeft last van een soort stress gerelateerde aanvallen, waarvoor zij onder behandeling is. De moeder heeft geen bezwaar tegen een epiwatch, maar de GI zou die bijdrage wat haar betreft moeten betalen.

Het standpunt van de vader

3.7.

De vader staat achter een verlenging van de uithuisplaatsing zoals door de GI is verzocht.

overwegingen kinderrechter

3.8.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. 1

3.9.

[de minderjarige] is uit huis geplaatst bij de vader vanwege zorgen over de moeder ten aanzien van haar opvoedvaardigheden, medische situatie en beperkte draagkracht. Ook bestaan zorgen ten aanzien van de communicatie tussen de moeder en de vader en tussen de moeder en de GI. Anders dan de moeder, is de kinderrechter van oordeel dat uit de stukken en wat ter zitting naar voren is gebracht voldoende duidelijk is geworden dat [de minderjarige] op zijn plek zit bij de vader. De vader werkt mee met de hulpverlening en de GI. Daardoor heeft de GI goed zicht op de thuissituatie bij de vader en kunnen concluderen dat de opvoedsituatie bij hem voldoende stabiel is voor [de minderjarige] . De opvoedondersteuning die de vader krijgt, helpt de vader hier goed bij. De moeder heeft met de GI een moeizame samenwerkingsrelatie, wat de communicatie bemoeilijkt. Daardoor blijft het voor de GI lastig om zicht te krijgen op de medische situatie van de moeder, haar thuissituatie en opvoedvaardigheden, waardoor de GI dat onvoldoende kan beoordelen. Dat volgens de hulpverlening van de moeder, Praktijk Syco, de uithuisplaatsing kan worden opgeheven, volgt de kinderrechter dan ook niet. Het is fijn dat Praktijk Syco een goede hulpverleningsrelatie met de moeder heeft. Het is echter de GI die in het kader van de kinderbeschermingsmaatregelen de regie heeft. Daarom is het van belang dat ook de GI zelfstandig kan onderzoeken of het in het belang van [de minderjarige] is om toe te werken naar de door de moeder gewenste co-ouderschap, zonder machtiging uithuisplaatsing.

3.10.

De kinderrechter is wel van oordeel dat de opbouw van de omgangsregeling sneller op gang moet komen, want alleen dan kan de GI goed zicht krijgen op de opvoedsituatie bij en opvoedvaardigheden van de moeder. De kinderrechter geeft de GI dan ook mee om de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] , mits het belang van [de minderjarige] zich daar niet tegen verzet, uit te breiden. Uit de tussenbeschikking van 29 januari 2026 blijkt dat de GI toen heeft aangevoerd binnen negen maanden toe te willen werken naar een 50/50 omgangsregeling en de kinderrechter heeft ook expliciet overwogen dat gestreefd wordt naar een gelijkwaardige rol van de ouders in het leven van [de minderjarige] . Nu inmiddels drie maanden verstreken zijn, moet veel voortvarender gehandeld worden. De kinderrechter gaat er vanuit dat de GI bij een eventueel verlengingsverzoek een concreet plan overlegt waaruit blijkt op welke wijze is toegewerkt naar een evenredige omgangsregeling. De kinderrechter geeft de moeder mee dat ook voor haar in dat kader een rol is weggelegd; zij zal een manier moeten vinden om met de GI samen te werken. De moeizame communicatie tussen de ouders onderling zal eveneens een aandachtspunt zijn voor de GI.

3.11.

De kinderrechter zal de resterende termijn van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing toewijzen. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4Het verzoek van de moeder

4.1.

De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren. Daarnaast verzoek zij – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – een voorlopige omgangsregeling vast te leggen totdat de co-ouderschapsregeling ingaat, waarbij (op korte termijn, in ieder geval per omgaande na behandeling van onderhavig verzoek) [de minderjarige] twee dagen in de week bij de moeder verblijft.

4.2.

De moeder heeft aan haar verzoek het volgende ten grondslag gelegd. De schriftelijke aanwijzing dient niet het doel van de ondertoezichtstelling en schaadt de belangen van [de minderjarige] . De aanwijzing tot inschrijving op een school in [plaats] - in directe nabijheid van de vader en op verre afstand van de moeder – staat haaks op het streven dat het in [de minderjarige] zijn belang is dat hij zijn moeder ziet en bestendigt een situatie waarbij co-ouderschap feitelijk onmogelijk wordt gemaakt. Bovendien heeft de moeder epilepsie, waardoor de grote afstand tussen haar woonplaats en [plaats] voor haar niet makkelijk te bereizen is. Uit een brief van 4 maart 2026 blijkt dat ook de Gl het advies geeft om voor een school in het midden te kiezen. Dat de Gl nu met een aanwijzing komt om [de minderjarige] op school in [plaats] te zetten is dus onbegrijpelijk. Verder is de schriftelijke aanwijzing onvoldoende gemotiveerd en een deugdelijke belangenafweging waarbij ook de positie van de moeder, haar medische situatie en de gevolgen voor het contact met [de minderjarige] zijn betrokken, ontbreekt.

4.3.

Daar komt bij dat door de aanwijzing feitelijk een situatie wordt gecreëerd waarbij het uitoefenen van haar omgangsrecht illusoir wordt gemaakt. Dit is in strijd met het recht op omgang als bedoeld in art. 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het recht op family life. De aanwijzing staat in de weg aan de effectuering van dit recht. De moeder verzoekt daarom in aanvulling op de vervallenverklaring van de aanwijzing, een omgangsregeling vast te stellen die de moeder in staat stelt [de minderjarige] regelmatig te zien.

het standpunt van de GI

4.4.

De GI heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat het doel van de schriftelijke aanwijzing was dat [de minderjarige] naar school kon gaan, omdat hij inmiddels al vier jaar oud is. De GI vond het geven van de schriftelijke aanwijzing aan de moeder op dat moment de juiste weg.

het standpunt van de vader

4.5.

De vader is het eens met de schriftelijke aanwijzing.

overwegingen kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing

4.6.

Op grond van artikel 1:264, eerste lid, BW kan de kinderrechter op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.

4.8.

De kinderrechter stelt vast dat het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing tijdig is ingediend. 2 De moeder is dan ook ontvankelijk in haar verzoek, zodat toegekomen kan worden aan de inhoudelijke behoordeling van daarvan.

4.9.

De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de beschikking van de Hoge Raad van 25 juni 2021 3 volgt dat de GI niet de bevoegdheid toekomt om een schriftelijke aanwijzing op grond van artikel 1:263 BW te geven, wanneer de weg van artikel 1:265e lid 1 BW openstaat. In dit artikel is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de GI de uitoefening van het gezag over de minderjarige op enkele in die bepaling vermelde, specifieke punten – waaronder de aanmelding bij een onderwijsinstelling – kan laten uitoefenen door GI voor ten hoogste de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing. Uit de beschikking van de Hoge Raad volgt bovendien dat artikel 1:265e BW een bijzondere regel vormt en de moeder onder meer een ruimere rechtsbescherming biedt dan artikel 1:263 BW. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de GI aan de algemene aanwijzingsbevoegdheid van artikel 1:263 BW niet de bevoegdheid kon ontlenen de moeder op te dragen de inschrijving van [de minderjarige] bij basisschool [basisschool] te ondertekenen. Het verzoek tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing zal daarom worden toegewezen.

4.10.

De kinderrechter constateert ten overvloede dat bij vonnis in kort geding van

22 april 2026 al vervangende toestemming aan de vader is gegeven voor de inschrijving van [de minderjarige] op basisschool [basisschool] .

overwegingen kinderrechter over de omgangsregeling

4.11.

De moeder beroept zich op artikel 1:377a BW. Op grond van dit artikel hebben de minderjarige en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar. Nu de moeder gezamenlijk met de vader met het gezag over [de minderjarige] is belast, kan de moeder op grond van dat artikel niet ontvangen worden in haar verzoek. Daar komt bij dat een dergelijk verzoek ingediend had moeten worden bij de familiekamer van deze rechtbank, waarbij griffierecht is verschuldigd en niet bij de kinderrechter. De kinderrechter zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot het vaststellen van een voorlopige omgangsregeling. De kinderrechter merkt overigens op dat de omgangsregeling onderwerp is van de opgelegde kinderbeschermingsmaatregelen, zodat ook om die reden het ingediende verzoek prematuur te noemen is.

5De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van

[de minderjarige] bij de gezaghebbende vader tot 5 augustus 2026;

5.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

verklaart de schriftelijke aanwijzing van 19 maart 2026 geheel vervallen;

5.4.

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vaststellen van een voorlopige omgangsregeling.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door

mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. Boon als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733