Rechtbank Amsterdam 01-07-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6728

Essentie (gemaakt door AI)

Incident, art. 118 Rv. Gedaagde doet een beroep op de exceptio plurium litis consortium en verlangt oproeping van zijn echtgenote, die samen met hem (hoofdelijk) medeschuldenaar is van één van de teruggevorderde leningen. De rechtbank oordeelt dat geen processueel ondeelbare rechtsverhouding bestaat; hoofdelijkheid vereist geen gelijkluidende beslissing jegens alle schuldenaren. Het verzoek tot oproeping wordt afgewezen. Gedaagde wordt in de kosten van het incident veroordeeld. De termijn voor antwoord in de hoofdzaak wordt vastgesteld.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Hoofdelijke aansprakelijkheid leidt niet tot een ondeelbare rechtsverhouding
Man wordt aangesproken op betaling van een geldsom. Hij beroept zich op de zgn. exceptio plurium litis consortium: vrouw moet in geding betrokken worden. Rb: hoofdelijkheid vereist geen gelijkluidende beslissing jegens alle schuldenaren.

Datum publicatie07-07-2026
ZaaknummerC/13/783043 / HA ZA 26-105
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Burgerlijk procesrecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht;
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Incident, artikel 118 Rv. Beroep op exceptio plurium litis consortium door gedaagde omdat zijn echtgenote medeschuldenaar is van een in de hoofdzaak teruggevorderde lening. Vordering afgewezen. Omstandigheid dat de echtgenote (hoofdelijk) medeschuldenaar is van een lening maakt niet dat de rechtsverhouding processueel ondeelbaar is.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/783043 / HA ZA 26-105

Vonnis in incident van 1 juli 2026

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats 1] ,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

hierna te noemen: afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] en samen [eisers] ,

advocaat: mr. R. van Kersbergen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. J.J.F. van de Voort.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 29 januari 2026, met producties,

  • de incidentele conclusie houdende exceptio plurium litis consortium,

  • de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis in het incident wordt uitgesproken.

2De vordering in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak vordert [eisers] kort gezegd terugbetaling van een viertal geldleningen van [gedaagde] , vermeerderd met rente en (beslag)kosten. Daaraan legt zij ten grondslag dat er vanaf 2020 drie leningen tussen [eiser 1] en [gedaagde] tot stand zijn gekomen (lening A t/m C) en één gezamenlijke lening (lening D) tussen enerzijds [eisers] en anderzijds [gedaagde] en zijn echtgenote, mevrouw [naam] (hierna: [naam] ). Volgens [eisers] zijn alle vier de leningen niet tijdig en niet volledig afgelost. [eisers] heeft in januari 2026, met verlof van de voorzieningenrechter te Amsterdam, conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen en (de onverdeelde helften van) de woning van [gedaagde] en [naam] , waarna zij [gedaagde] heeft gedagvaard.

3Het geschil in het incident

3.1.

[gedaagde] vordert in het incident - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  • [eisers] in de gelegenheid stelt om [naam] alsnog als partij in het geding in de hoofdzaak te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv tegen een door de rechtbank te bepalen roldatum,

  • een roldatum bepaalt op welke [gedaagde] de conclusie van antwoord dient te nemen,

  • [eisers] veroordeelt in de kosten van het incident te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eisers] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering van [gedaagde] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder verzoekt zij de rechtbank te bepalen dat [gedaagde] zijn conclusie van antwoord in de hoofdzaak binnen twee weken na de datum van dit vonnis dient te nemen, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling in het incident

4.1.

[gedaagde] stelt dat [naam] alsnog bij de hoofdzaak moet worden betrokken, omdat ten aanzien van de gestelde lening D sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het is namelijk noodzakelijk dat de beslissing ten aanzien van lening D voor alle betrokkenen in dezelfde zin luidt, net zoals de op grond daarvan ingestelde vordering zoals vergoeding van de beslagkosten. Daarnaast heeft [eisers] in de dagvaarding ook stellingen ingenomen over de juridische positie van [naam] en de door haar verrichte betalingen. Verder heeft [eisers] beslag gelegd ten laste van [naam] , terwijl de eis in de hoofdzaak daarna niet tegen haar is ingesteld. Door haar niet te dagvaarden, ontneemt [eisers] [naam] de mogelijkheid om bijvoorbeeld een reconventionele vordering in te stellen tegen het gelegde beslag, aldus steeds [gedaagde] .

4.2.

[eisers] betwist dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Zij stelt dat daarvan slechts sprake is als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle betrokkenen gelijkluidend is. In deze zaak hebben [gedaagde] en [naam] zich hoofdelijk verbonden voor het terugbetalen van lening D. Deze hoofdelijkheid maakt dat [eisers] een zelfstandig vorderingsrecht heeft jegens [gedaagde] voor het geheel, ongeacht de (eventuele) interne draagplicht tussen [gedaagde] en [naam] . Voor zover er geen sprake zou zijn van hoofdelijkheid maar van pluraliteit van schuldenaren, geldt evenmin dat er sprake zou zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. In dat geval kan de vordering jegens [gedaagde] (gedeeltelijk) toe- of afgewezen worden, zonder dat daarvoor een gelijkluidende beslissing ten aanzien van [naam] vereist is.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat op de vorderingen van [eisers] beslist kan worden zonder dat [naam] bij de procedure betrokken wordt. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake is van een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle bij die rechtsverhouding betrokkenen gelijkluidend is. 1 In dat geval moeten ook alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure worden opgeroepen.

4.4.

In dit geval is er echter geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dat [naam] (hoofdelijk) medeschuldenaar is van lening D maakt niet dat de rechtsverhouding processueel ondeelbaar is. Bij een vordering tegen meer dan één (hoofdelijk verbonden) schuldenaar hoeft namelijk niet tegen alle schuldenaren in gelijke zin te worden beslist. 2 Ook de andere omstandigheden die [gedaagde] aanvoert maken niet dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Voor zover die omstandigheden van invloed zijn op de toewijsbaarheid van (delen van) de vordering, maakt dat niet dat het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle betrokkenen gelijkluidend is. Dat betekent dat het beroep van [gedaagde] op de exceptio plurium litis consortium niet slaagt en [eisers] niet in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om [naam] op te roepen op de voet van artikel 118 Rv.

kosten van het incident

4.5.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. De kosten [eisers] worden begroot op:

- salaris advocaat

653,00

(1 punt × tarief II)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

842,00

4.6.

De gevorderde wettelijke rente over de kosten van het incident wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

vervolg van de hoofdzaak

4.7.

De rechtbank ziet aanleiding om de termijn waarbinnen [gedaagde] zijn conclusie van antwoord in de hoofdzaak dient te nemen, vast te stellen op vier weken na de datum van dit vonnis.

5De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de kosten van het incident als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

in de hoofdzaak

5.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juli 2026 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

1

HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411.

2

Hof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5166 onder verwijzing naar HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911 en HR 18 december 2005, ECLI:NL:HR:2015:3637.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733