Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding in verzet waarin een straatverbod van 400 meter rond de voormalige echtelijke woning op straffe van dwangsom is gehandhaafd. Eiser verzoekt beperking van het verbod en matiging van de dwangsom. De voorzieningenrechter oordeelt dat op basis van aangiftes en herhaalde benadering aannemelijkheid is gegeven en dat alternatieve routes en locaties buiten de straal liggen. Geen grond voor beperking of matiging. Verzet ongegrond en het verstekvonnis blijft in stand. Eiser wordt in de proceskosten veroordeeld.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 06-07-2026 |
| Zaaknummer | C/03/352304 / KG ZA 26-178 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Uitwerking kop- en staartvonnis. Kort geding. Verzet. Straatverbod op straffe van verbeurte van een dwangsom. Verzet ongegrond en gewezen verstekvonnis wordt in stand gelaten.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/352304 / KG ZA 26-178
Vonnis in kort geding van 11 juni 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats 1] ,
eiser/oppossant,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B. Coomans,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde/geopposseerde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.P.H.W. Haas.
1De procedure
Het verloop van de onderhavige verzetprocedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met de producties 1 tot en met 4,
- de brief met de producties 19 tot en met 24 van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 4 juni 2026 met de spreekaantekeningen van mr. Haas.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is bij kop-staartvonnis van 4 juni 2026 op het door [eiser] gevorderde beslist. De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, volgen hieronder.
2De feiten
Partijen zijn op 10 januari 2024 onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk hebben zij gedurende 37 jaar een affectieve relatie gehad.
[eiser] en [gedaagde] hebben de woning aan [adres 1] , in gezamenlijk eigendom (hierna: de woning).
Op 11 maart 2025 heeft [gedaagde] een verzoekschrift tot echtscheiding (met zaaknummer C/03/339833) bij de rechtbank Limburg ingediend (zaaknummer C/03/339833). De mondelinge behandeling staat gepland voor 21 oktober 2026.
[gedaagde] heeft de rechtbank Limburg verzocht om voorlopige voorzieningen voor de duur van de echtscheidingsprocedure te treffen. Bij proces-verbaal van 9 mei 2025 zijn partijen (onder andere) het volgende overeengekomen:
“(…) 3. De man zal de woning gelegen aan [adres 1] niet zonder
voorafgaand overleg met de vrouw betreden. (…)”
1
[gedaagde] heeft op 27 november 2025 tegen [eiser] aangifte gedaan voor diefstal van de bestelauto.
Op 1 januari 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van stalking.
Op 27 februari 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van het middels braak of inklimming betreden van de woning, het vernielen van de meterkast en het zonder haar toestemming wegnemen van haar laptop, internetmodem, camera en papieren van haar advocaat. Achter het raam van de woning trof zij een bordje ‘'Drugspand gesloten” aan en de gaskraan in de berging was opengedraaid.
[gedaagde] heeft op 28 februari 2026 en 13 maart 2026 opnieuw aangifte tegen [eiser] gedaan voor vernieling van de sloten van de woning.
De politie heeft [eiser] op 13 maart 2026 aangehouden, omdat hij probeerde de woning binnen te komen.
Op 16 maart 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van stalking en bedreiging.
[gedaagde] en de politie hebben de sloten van de woning meermaals vervangen.
Bij kort geding vonnis van 15 april 2026, waarbij de voorzieningenrechter tegen [eiser] verstek heeft verleend, is (onder andere) het volgende beslist:
“(…) 5.1. verbiedt [eiser] zich onmiddellijk na betekening van dit vonnis voor de duur van één jaar te bevinden dan wel op te houden binnen een straal van 400 meter rondom de
woning, staande en gelegen te [adres 1] , zulks op
verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke overtreding hiervan, tot een maximum
van € 25.000,00 en - indien [eiser] geen gehoor geeft aan het verbod - met machtiging aan
[gedaagde] tot handhaving van het gegeven verbod om de hulp in te roepen van de sterke arm
van politie en justitie, (…)”
De voorzieningenrechter heeft daartoe (onder meer) het volgende overwogen:
“(…) Achter de woning liggen voetbalvelden en groen. Zij [ [gedaagde] , toevoeging de voorzieningenrechter] vordert daarom een straatverbod met een straal van 400 meter rondom de woning en niet alleen een verbod om specifieke straten te betreden. [eiser] staat vaak in de [straat 1] en [straat 2] te posten. [gedaagde] moet via de [straat 3] naar haar werk gaan. Deze voornoemde straten vallen allemaal in de gevorderde 400-meter-straal. [eiser] wordt niet in de uitoefening van zijn werk belemmerd door het straatverbod in een straal van 400 meter rondom de woning. (…)”
[gedaagde] heeft op 8 april 2026 aangifte gedaan bij de politie van vernieling, omdat een voor [gedaagde] onbekende man het slot van haar voordeur met een boormachine heeft vernield. Op 5 mei 2026 heeft zij opnieuw aangifte gedaan van (poging) vernieling, omdat een andere voor [gedaagde] onbekende man een klinker naar/tegen de woning heeft gegooid.
3Het geschil
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, op 15 april 2026 gewezen verstekvonnis onder zaaknummer C/03/350724 / KG ZA 26-103, wordt vernietigd en dat daarbij het straatverbod wordt beperkt tot uitsluitend de [straat 4] te [plaats 3] , althans tot de directe omgeving van de woning aan [adres 1] , zulks ter beoordeling van de voorzieningenrechter;
II. de aan het straatverbod gekoppelde dwangsom van € 500,00 per overtreding,
met een maximum van € 25.000,00, wordt gematigd tot een bedrag van € 100,00
per overtreding met een maximum van € 5.000,00;
III. [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verzet tijdig
Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld (artikel 143 lid 2 Rv) , zodat [eiser] in zijn verzet kan worden ontvangen.
Spoedeisend belang
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er gelet op de aard van de zaak en de ernstig verstoorde verhouding tussen partijen sprake van een spoedeisend belang.
Beperking straatverbod en matiging dwangsom?
[eiser] stelt dat het bij verstekvonnis van 15 april 2026 opgelegde straatverbod dat hem verbiedt zich binnen een straal van 400 meter rondom de woning te bevinden, disproportioneel is. [eiser] betoogt dat hij door het opgelegde verbod wordt belemmerd om zich vrijelijk naar het kantoorpand van zijn onderneming (gelegen aan de [adres 2] ) te begeven. Daarnaast voert [eiser] aan dat hij, voorafgaand aan het opgelegde straatverbod, een verbouwingsopdracht had aangenomen voor een woning die binnen de straal van 400 meter van de woning gelegen is, waardoor hij inkomsten zal mislopen als het verbod gehandhaafd zal blijven. Voorts stelt [eiser] dat hij door het verbod ook in zijn dagelijkse leven ernstig wordt belemmerd, omdat hij niet in de gelegenheid is om naar de woning van hun dochter en naar zijn huisarts te gaan. [eiser] voert derhalve aan dat het straatverbod dient te worden beperkt tot de straat waar de woning gelegen is (de [straat 4] te [plaats 3] ).
[gedaagde] betwist dat het opgelegde straatverbod disproportioneel is.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient voorop te worden gesteld dat een straatverbod inbreuk maakt op het aan ieder toekomende fundamenteel recht zich vrijelijk te bewegen en te gedragen. Voor het opleggen van een dergelijke ingrijpende maatregel moet –
zoals de voorzieningenrechter onder rechtsoverweging 4.2. van het verstekvonnis van 15 april 2026 reeds heeft opgemerkt – sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die een zodanige inbreuk kunnen rechtvaardigen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in de onderhavige procedure opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter rondom de woning – ondanks het ingrijpende karakter ervan – op zijn plaats is. Daarvoor is van belang dat de voorzieningenrechter het betoog van [eiser] dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan gedragingen waardoor [gedaagde] zich, kort gezegd, voortdurend bedreigd voelt in haar veiligheid en woonrust onvoldoende aannemelijk acht. Uit de door [gedaagde] gedane aangiftes kan immers genoegzaam worden afgeleid dat [eiser] , nadat partijen waren overeengekomen dat hij de woning niet zou betreden, zich desondanks bij herhaling rondom de woning heeft begeven dan wel de woning wilde betreden. In het licht hiervan is [eiser] door het openbaar ministerie dan ook als verdachte aangemerkt dat op termijn hierover een vervolgingsbeslissing zal nemen. Dat het “slechts om aangiftes” zou gaan, waarmee niet vaststaat dat hetgeen daarin staat ook waar is, zoals [eiser] stelt, maakt dat niet anders, mede in aanmerking genomen dat voor ‘aannemelijkheid’, de toets die de voorzieningenrechter in civilibus dient te hanteren, geen strafrechtelijk bewijs vereist is.
Het bezwaar van [eiser] dat hij zich door het straatverbod met een straal van 400 meter niet vrijelijk naar zijn kantoorpand kan begeven, kan hem niet baten. [eiser] heeft naar eigen zeggen immers verklaard dat zijn kantoorpand op 500 meter van de woning gelegen is en derhalve buiten de straal van 400 meter ligt. De voorzieningenrechter stelt daarnaast vast dat zijn kantoorpand via andere wegen (zoals de [straat 5] , de [straat 6] en de [straat 7] te [plaats 3] ) voldoende bereikbaar is. Voorts passeert de voorzieningenrechter het bezwaar van [eiser] dat hij door het opgelegde straatverbod inkomsten uit een verbouwingsopdracht zou mislopen, nu niet gebleken is dat de onderhandelingen tot een overeenkomst hebben geleid. Voorts heeft [gedaagde] in reactie op de stelling van [eiser] onweersproken gesteld dat de woning van de dochter van partijen ruim buiten de straal van 400 meter van de woning gelegen is, omdat zij woonachtig is in Geleen aan de andere kant van de snelweg. [gedaagde] heeft ook betwist dat de huisarts van [eiser] gelegen is binnen de straal van 400 meter van de woning.
De voorzieningenrechter concludeert op basis van de aangevoerde feiten en omstandigheden dat het opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter gerechtvaardigd is.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de opgelegde dwangsom te matigen. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat gelet op de stelselmatige eerdere gedragingen en bejegeningen en de invloed hiervan op haar woonrust en haar veiligheidsgevoel – en de ernst hiervan – maken dat de opgelegde (hoogte van de) dwangsom een voldoende prikkel tot nakoming dient te vormen. Van een disproportionele omvang is daarom geen sprake. Dit spreekt temeer, nu [eiser] het verbeuren van dwangsommen niet hoeft te vrezen, als hij zich aan het opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter houdt en zal houden.
Gelet op het voorgaande, zal het verzet van [eiser] ongegrond worden verklaard en het gewezen verstekvonnis zal integraal in stand worden gelaten.
Proceskosten
De voorzieningenrechter ziet gelet op de aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding om de proceskosten te compenseren. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
341,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.707,00 |
5De beslissing
De voorzieningenrechter
verklaart het verzet ongegrond,
laat het gewezen verstekvonnis van 15 april 2026 onder zaaknummer C/03/350724 / KG ZA 26-103 integraal in stand,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.
Productie 1 bij de originele dagvaarding van [gedaagde] .
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
