Essentie (gemaakt door AI)
Eisers stellen onrechtmatig handelen rond een niet-rechtsgeldige borgstelling door gedaagde. Zij verwijten gedaagde dat op de toestemmingsverklaring een handtekening van zijn echtgenote staat die niet van haar afkomstig is. De rechtbank oordeelt dat causaal verband tussen dit gestelde handelen en schade onvoldoende is onderbouwd, omdat niet is geconcretiseerd dat bij kennis van het ontbreken van een rechtsgeldige borgstelling destijds rechtsmaatregelen zouden zijn getroffen die ook tot incasso zouden hebben geleid. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. VorderiNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 06-07-2026 |
| Zaaknummer | C/02/439998 HA ZA 25-520 (E) |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Breda |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Onbevoegdheid van echtgenoten art. 1:88/89; Tuchtrecht / aansprakelijkheid |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Eisers stellen onrechtmatig handelen rond een niet-rechtsgeldige borgstelling door gedaagde. Eisers verwijten gedaagde dat op de toestemmingsverklaring een handtekening van zijn echtgenote staat die niet van haar afkomstig is. De rechtbank oordeelt dat het causaal verband tussen dit gestelde handelen en de schade onvoldoende is onderbouwd, omdat niet is geconcretiseerd dat bij kennis van het ontbreken van een rechtsgeldige borgstelling direct rechtsmaatregelen zouden zijn genomen die destijds ook tot incasso zouden hebben geleid, zoals eisers stellen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Vordering afgewezen.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/439998 / HA ZA 25-520
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
1 [eisende partij 1] B.V.,
te [plaats 1] ,
2. [eisende partij 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: [eisende partijen] ,
advocaat: mr. H.A.A. Voermans,
tegen
[gedaagde partij] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. D.Y. Li.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 januari 2026
- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de akte van [eisende partijen]
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
De rechtbank stelt in deze zaak de volgende feiten vast.
[eisende partij 1] heeft de navolgende geldleningen verstrekt ter financiering van de onderneming van HlP Trade BV (hierna: HIP), waarvan [gedaagde partij] bestuurder is, om verdere groei te kunnen realiseren:
( i) bij overeenkomst van achttien april tweeduizend achttien, hetgeen betreft een verlenging van de overeenkomst van geldlening van tweeëntwintig februari tweeduizend zeventien een bedrag van € 150.000,00;
(ii) bij overeenkomst van acht mei tweeduizend achttien een bedrag van € 150.000,00;
(iii) bij overeenkomst van dertien juni tweeduizend achttien een bedrag van € 100.000,00;
(iv) bij overeenkomst van drieëntwintig juli tweeduizend achttien een bedrag van € 100.000,00;
( v) bij overeenkomst van twee augustus tweeduizend achttien een bedrag van € 350.000,00;
(vi) bij overeenkomst van vijftien oktober tweeduizend achttien een bedrag van € 150.000,00;
In totaal € 1.000.000,00.
[eisende partij 1] heeft bij overeenkomst van tweeëntwintig februari tweeduizend zeventien een bedrag van € 150.000,00 verstrekt ter financiering van de onderneming van Holland Development BV (hierna: HD), waarvan [gedaagde partij] bestuurder is, om verdere groei van Holland Development te kunnen realiseren.
[eisende partij 2] heeft de navolgende geldleningen verstrekt ter financiering van de onderneming van HlP om verdere groei te kunnen realiseren:
( i) bij overeenkomst van acht mei tweeduizend achttien een bedrag van € 150.000,00;
(ii) bij overeenkomst van dertien juni tweeduizend achttien een bedrag van € 100,000,00;
(iii) bij overeenkomst van drieëntwintig juli tweeduizend achttien een bedrag van € 100.000,00;
(iv) bij overeenkomst van twee augustus tweeduizend achttien een bedrag van € 350.000,00;
( v) bij overeenkomst van zevenentwintig september tweeduizend achttien een bedrag van € 100.000,00;
(vi) bij overeenkomst van één oktober tweeduizend achttien een bedrag van € 100.000,00;
(vii) bij overeenkomst van drie oktober tweeduizend achttien een bedrag van € 50.000,00;
(viii) bij overeenkomst van vijftien oktober tweeduizend achttien een bedrag van € 200.000,00;
In totaal € 1.150.000,00.
Op het tijdstip waarop de looptijd van alle geldleningsovereenkomsten was verstreken, 15 april 2019, was er nog niets afgelost.
Medio 2019 hebben [eisende partijen] met [gedaagde partij] afspraken gemaakt. Deze hielden onder andere in dat HIP en HD maandelijks gedurende 36 maanden aan [eisende partij 1] en aan [eisende partij 2] een bedrag van € 41.209,98 inclusief rente zouden betalen, dat [gedaagde partij] zich borg zou stellen voor de nakoming van de verplichtingen van HIP en HD en dat de notaris zou worden verzocht de borgstelling in een notariële akte vast te leggen. HIP is op 24 juli 2019 gestart met betalingen aan [eisende partij 1] en aan [eisende partij 2] . In de periode van 24 juli 2019 tot 24 januari 2020 € 41.209,98 per maand, daarna in omvang sterk aflopende bedragen, tot in juli 2024.
Bij email van 20 januari 2020 heeft [persoon 1] , toenmalig medewerker van HIP, aan [eisende partij 2] gemeld:
“Goedemorgen [eisende partij 2] ,
Zoals gevraagd hierbij vind je in de bijlage de ID van [persoon 2] ”.
Bij email van 20 januari 2020 heeft [eisende partij 2] aan de notaris gemeld:
“Nu hebben we uiteindelijk alles compleet dus nu kunt u alles afsluiten zoals het hoort.
Het getekende stuk heb ik jou al toegestuurd ik zal het origineel opsturen naar uw kantoor vandaag.
Ik zie graag alle stukken tegemoet de definitieve.
(…)”
Op 20 januari 2020 is de notariële akte verleden met als partijen [eisende partijen] en HIP, HD, [gedaagde partij] en [persoon 3] . In die akte zijn voormelde geldleningsovereenkomsten vermeld, de hoogte van de schuld, de onmiddellijke opeisbaarheid bij niet deugdelijke nakoming van enige aflossingsverplichting, de borgstelling van [gedaagde partij] en een forumkeuzebeding voor deze rechtbank. Artikel 7 van de akte luidt als volgt.
“Artikel 7
1. [persoon 3] en [gedaagde partij] , hierna ook te noemen: de ‘borgsteller’ verplichten zich hierbij zich
onvoorwaardelijk borg te stellen voor de juiste en stipte nakoming door Schuldenaars van alle verplichtingen jegens elk van de Schuldeisers uit hoofde van deze Overeenkomst.
2. [gedaagde partij] verbindt zich hierbij als borg tegenover [eisende partijen] tot nakoming van al
hetgeen ieder van de Schuldenaars uit hoofde van de Overeenkomst aan [eisende partij 1] dan wel aan [eisende partij 2] verschuldigd is of zal zijn tot het bedrag van de Hoofdsom zijnde een bedrag groot twee miljoen zevenhonderd vijftig duizend euro (EUR 2.750.000,00) vermeerderd met de daarover verschuldigde rente, kosten en de in artikel 5 genoemde boete.
Mevrouw [echtgenote] , echtgenote van de heer [gedaagde partij] , heeft de toestemmingsverklaring voor het aangaan van deze borgstelling door de heer [gedaagde partij] ondertekend, waarvan blijkt uit een kopie van een getekende toestemmingsverklaring welke aan deze akte zal worden gehecht.
(…)”
Achter de notariële akte is een toestemmingsverklaring gevoegd met een handtekening boven de tekst “ [echtgenote] ”, zonder dat het paspoort- of rijbewijsnummer is ingevuld. Een identiteitsbewijs ontbreekt achter de akte. In de akte wordt geen melding gemaakt van een identiteitsbewijs of identificatie van [echtgenote] op grond van een dergelijk bewijs.
Op 2 februari 2024 is een addendum bij de akte houdende overeenkomst van geldlening en borgstelling opgemaakt met daarin opgenomen dat Zenrec BV en Polypropylene Recycling BV zich eveneens borg stellen jegens [eisende partijen] en dat HIP stil pandrecht op haar debiteurenvorderingen en bezitloos pandrecht op haar voorraden vestigt tot zekerheid voor de juiste nakoming van de verplichtingen van HIP aan [eisende partijen] . De hoogte van de hoofdsom aan geldleningen is bepaald op € 1.800.000,00 en de hoogte van de aflossingsverplichtingen is bepaald op een nadien op te lopen startbedrag van € 2.000,00 per maand vanaf 31 maart 2024.
Bij brief van 11 juni 2024 hebben [eisende partijen] HIP en ook [gedaagde partij] en zijn vrouw (en [persoon 3] ) als borgen gesommeerd de openstaande termijnen en rente te betalen. Vervolgens zijn verschillende beslagen gelegd, onder andere op de woning van [gedaagde partij] en [echtgenote] , op aandelen van [echtgenote] in het kapitaal van Zenrec BV, op een auto van [gedaagde partij] , een auto van [echtgenote] en bankbeslag ten laste van HIP.
[echtgenote] heeft vervolgens bij brief van 19 november 2024 aan [eisende partij 1] en aan [eisende partij 2] het standpunt ingenomen nimmer overeenkomstig artikel 1:88 BW toestemming te hebben verleend voor de bij notariële akte overeengekomen borgstelling door [gedaagde partij] en meegedeeld dat zij deze op grond van artikel 1:89 BW vernietigt. In de brief is vermeld dat [echtgenote] nooit haar handtekening op een toestemmingsverklaring heeft gezet en dat de handtekening op de toestemmingsverklaring bij de notariële akte, gelet op haar handtekening op haar identiteitsbewijs evident niet haar handtekening is. [eisende partijen] hebben de vernietiging aanvaard.
Daarna hebben [eisende partijen] met verlof van de voorzieningenrechter conservatoir beslag onder zaken van [gedaagde partij] gelegd en [gedaagde partij] voor deze rechtbank gedagvaard.
3Het geschil
[eisende partijen] vorderen - samengevat - na wijziging van eis:
- te verklaren voor recht dat [gedaagde partij] jegens [eisende partijen] een onrechtmatige daad heeft gepleegd en aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door hen geleden schade;
- [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling aan [eisende partijen] van € 529.343,00 vermeerderd met rente,
- Subsidiair [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat;
- [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten vermeerderd met rente.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partijen] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partijen] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
[gedaagde partij] heeft geen processuele bezwaren geuit tegen de wijziging van eis. De rechtbank acht de wijziging niet in strijd met de goede procesorde. De rechtbank zal over de gewijzigde eis oordelen.
[eisende partijen] leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag.
[gedaagde partij] heeft aan de notaris een toestemmingsverklaring verstrekt met een handtekening die niet van zijn echtgenote is, terwijl hij daarnaast een kopie van haar identiteitskaart heeft aangeleverd. Hij heeft daarmee opzettelijk of in elk geval bewust onjuiste informatie aan de notaris verschaft met als doel de indruk te wekken dat zijn echtgenote akkoord was met de borgstelling. In ieder geval heeft [gedaagde partij] een notariële volmacht getekend ten behoeve van de notariële akte met borgstelling, terwijl hij wist of had moeten weten dat toestemming van zijn echtgenote ontbrak. [eisende partijen] mochten gerechtvaardigd vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de borgstelling.
Als [eisende partijen] zouden hebben geweten dat [gedaagde partij] geen borgstelling kon geven zouden zij destijds niet bereid zijn geweest om de geldleningsovereenkomsten voort te zetten. Omdat betaling was uitgebleven was het vertrouwen van [eisende partijen] in [gedaagde partij] zeer broos. Daarom wilden [eisende partijen] naast HIP zekerheid. De eis van persoonlijke borgstelling van [gedaagde partij] als zekerheid was een keiharde eis. Als [gedaagde partij] toen gezegd zou hebben dat borgstelling niet mogelijk was zouden [eisende partijen] destijds direct zijn overgegaan tot het treffen van rechtsmaatregelen. Zij zouden dan destijds direct op zoek zijn gegaan naar uit te winnen activa van HIP en conservatoir beslag hebben laten leggen. Zij bieden hiervan bewijs aan. [eisende partijen] zouden ongetwijfeld hebben geconstateerd dat HIP destijds, in tegenstelling tot in november 2024 toen bekend werd dat geen rechtsgeldige borgstelling had plaatsgehad, wel volop verhaal bood. [eisende partijen] stellen dat de kans dat zij destijds tot ontbinding van de geldleningsovereenkomsten zouden zijn overgegaan en tot de volledige uitwinning van de verschuldigde bedragen op HIP en HD op 100%. Destijds in 2020 had HIP een grote vordering op debiteuren en had HIP via een door HIP opgerichte vennootschap grond gekocht in Georgië voor ruim € 1.000.000,00. Het bedrag dat zij dan zouden hebben geïncasseerd begroten zij op € 479.000,00. Overige schade die zij dan ook niet zouden hebben geleden daarbij opgeteld, bedraagt de gewijzigde vordering € 529.343,00.
[gedaagde partij] weerspreekt dat hij in verband met de notariële akte contact met zijn echtgenote heeft gehad voor toestemming met zijn borgstelling. Hij betwist dat hij een toestemmingsverklaring en een ID-bewijs van zijn echtgenote aan [persoon 1] heeft gegeven. [gedaagde partij] heeft geen conceptakte gehad. Aan [gedaagde partij] is de inhoud van de notariële akte niet uitgelegd. Hij dacht te tekenen voor geldleningen omdat hem dat door [eisende partij 1] was uitgelegd.
[gedaagde partij] betwist dat [eisende partijen] destijds in 2019 of 2020 rechtsmaatregelen zouden hebben getroffen als zij zouden hebben geweten dat borgstelling niet mogelijk was. De borgstelling is pas aan de orde gekomen toen de eerste leningen al lang opeisbaar waren. Niet aannemelijk is dat deze borgstelling voor [eisende partijen] zo essentieel was. Zij stellen immers dat HIP destijds voldoende verhaal bood. En vanaf medio 2019 heeft HIP ook aanmerkelijke bedragen betaald aan [eisende partijen] . Vanaf het moment dat de looptijd van de eerste geldleningsovereenkomst was verstreken, 8 november 2018, hebben [eisende partijen] de leningen niet opgeëist, geen ingebrekestellingen gestuurd en geen rechtsmaatregelen getroffen. Er is geen enkel document waaruit blijkt dat beslaglegging is overwogen, voorbereid of besproken. Ook nadat HIP kort na het verlijden van de notariële akte wederom in verzuim was zijn er geen rechtsmaatregelen getroffen, terwijl er volgens [eisende partijen] toen en eind 2021 nog verhaal was, mede vanwege de grond in Georgië. Meer dan onderzoek naar de mogelijke vestiging van een hypotheekrecht op die grond heeft er niet plaatsgehad.
[gedaagde partij] betwist tot slot de hoogte van het bedrag van de opgevoerde schadeposten.
De rechtbank overweegt het volgende. [eisende partijen] beroepen zich op de rechtsgevolgen van de door hen gestelde feiten, te weten schadeplichtigheid op grond van onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. Op hen rusten daarom stelplicht en zo nodig bewijslast van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde partij] , dat er een conditio sine qua non verband is tussen dat handelen en schade bij [eisende partijen] en tot slot, indien daarvan inderdaad sprake is, dienen zij de rechtbank aanknopingspunten te bieden om de schade te begroten.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde partij] met betrekking tot de toestemmingsverklaring onrechtmatige handelingen heeft verricht dan wel gedragingen heeft nagelaten waarbij aan hem het gevolg daarvan, een niet rechtsgeldige borgstelling, is toe te rekenen. [eisende partijen] hebben gesteld dat [gedaagde partij] zowel de verklaring als het ID-bewijs van zijn echtgenote aan [persoon 1] van HIP heeft gegeven en dat deze die stukken weer aan [eisende partij 2] heeft doorgestuurd. [gedaagde partij] heeft betwist dat hij contact met zijn echtgenote over de borgstelling heeft gehad en dat hij voormelde documenten aan [persoon 1] heeft verstrekt. Bij deze stand van zaken zou bewijslevering, hetgeen [eisende partijen] hebben aangeboden, aan de orde zijn. Op grond van de beschikbare feiten kan de rechtbank immers niet vaststellen of [gedaagde partij] onrechtmatige handelen heeft verricht die aan hem toerekenbaar zijn, dan wel dat een derde onrechtmatige handelingen heeft verricht, hetgeen op grond van de zich in het procesdossier bevindende informatie niet kan worden uitgesloten. De rechtbank zal evenwel geen bewijsopdracht geven omdat de tweede voorwaarde voor toewijzing van de vordering van [eisende partijen] , te weten conditio sine qua non verband tussen onrechtmatig handelen en schade, niet wordt vervuld. De rechtbank motiveert dat hierna.
[eisende partijen] nemen niet het standpunt in dat het gevolg van het handelen van [gedaagde partij] is dat zij een extra mogelijkheid tot incasso van (een deel van) hun vordering zijn verloren en dat de schade moet worden begroot op het bedrag waarvoor [gedaagde partij] verhaal zou hebben geboden. [eisende partijen] nemen ook niet het standpunt in dat [gedaagde partij] als bestuurder van HIP onrechtmatig heeft gehandeld (bestuurdersaansprakelijkheid) en dat hij daarom naast HIP aansprakelijk is voor het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vordering op HIP. [eisende partijen] betogen dat als zij destijds zouden hebben geweten dat borgstelling door [gedaagde partij] niet mogelijk was, zij destijds, vanwege het grote belang dat zij aan een borgstelling hechtten, in 2020 direct zouden zijn overgegaan tot het treffen van rechtsmaatregelen en die zouden toen, omdat HIP toen nog wel vermogen had c.q. er nog wel voldoende verhaalsmogelijkheden waren, ook tot incasso hebben geleid.
De rechtbank constateert dat [eisende partijen] de zojuist weergegeven stelling in de dagvaarding van geen enkele nadere feitelijke toelichting hebben voorzien. De stelling dat “wie [eisende partij 1] kent, wel zou weten dat hij tot het treffen van rechtsmaatregelen zou zijn overgegaan” komt geen betekenis toe zonder nadere toelichting aan de hand van feiten en omstandigheden. Die ontbreken in de dagvaarding. Ter zitting hebben [eisende partijen] een niet ondertekend document “Overeenkomst van geldlening” uit 2019 overgelegd en emailcorrespondentie uit de periode mei-juli 2019. Voorts heeft [eisende partij 1] ter zitting meegedeeld dat hij tegen [gedaagde partij] in die periode heeft gezegd “Je moet betalen”.
De rechtbank heeft naar aanknopingspunten voor de (blote) stelling van [eisende partijen] gezocht maar die niet gevonden. Nadat de looptijden van de leningsovereenkomsten waren verlopen is er geen enkele rechtsmaatregel getroffen, noch is daarmee gedreigd. Dit terwijl, zo heeft de rechtbank ter zitting aan [eisende partijen] voorgehouden, de initiële geldleningsovereenkomsten [gedaagde partij] in de partijaanduiding en in artikel 6 als hoofdelijk medeschuldenaar vermelden. De rechtbank ziet noch in voormeld document uit 2019, noch in de emailcorrespondentie enige opmerking over het wezenlijke belang van de borgstelling voor [eisende partijen] of over het treffen van rechtsmaatregelen of de dreiging daarmee. In de overeenkomst staat dat er binnen 10 dagen een notariële akte met daarin de door [eisende partijen] van groot belang geachte borgstelling moet komen. Dat is niet gebeurd en ook dat heeft niet tot het treffen van rechtsmaatregelen geleid. Pas in januari 2020 wordt de notariële akte verleden en vrijwel direct daarna is weer sprake van verzuim van HIP. Dit, terwijl HIP tevoren vanaf juni 2019 steeds ruim € 41.000 had overgemaakt tot net na het verlijden van de notariële akte en toen daarmee is gestopt. Ook toen is er geen enkele actie ondernomen tegen HIP en met name niet tegen borg [gedaagde partij] , terwijl toen de door [eisende partijen] van groot belang geachte borgstelling er (zoals zij nog dachten) wel was. Tot aan de totstandkoming van het addendum op 2 februari 2024 zijn er evenmin rechtsmaatregelen getroffen. En ook terstond na het addendum, waarin nota bene pandrechten op vorderingen en voorraden van HIP zijn verstrekt, vindt geen enkele rechtsmaatregel zoals het innen van verpande vorderingen plaats, terwijl daar ook toen reden voor was. Pas in juni 2024 hebben [eisende partijen] sommatiebrieven gestuurd aan HIP en [gedaagde partij] en hebben zij beslagen gelegd.
De slotsom op grond van het voorgaande is dat er geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de blote stelling van [eisende partijen] , dat zij destijds rechtsmaatregelen zouden hebben getroffen indien [gedaagde partij] zich niet borg kon stellen, wel van een nadere motivering voorzien. Omdat [eisende partijen] niet aan hun stelplicht hebben voldaan kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat aan de eis van conditio sine qua non verband tussen onrechtmatig handelen en schade is voldaan. Bewijslevering is niet aan de orde omdat er geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die onderdeel van een bewijsopdracht zouden kunnen zijn.
De rechtbank overweegt voorts naar aanleiding van het betoog van [eisende partijen] dat zij destijds conservatoir beslag zouden hebben gelegd en een procedure zouden zijn gestart en dat die hen een executoriale titel zou hebben opgeleverd op grond waarvan zij dan verhaal zouden hebben gehaald bij HIP, nog als volgt. [eisende partijen] betogen wel stellig dat destijds door hen te treffen rechtsmaatregelen tot succesvolle incasso zouden hebben geleid maar zij hebben daarbij geen aandacht geschonken aan feiten en omstandigheden die daarvoor een belemmering zouden kunnen vormen. Procedures vergen doorgaans enkele jaren zodat [eisende partijen] bij aanvang van rechtsmaatregelen in 2020 naar schatting op zijn vroegst in 2023 of 2024 een executoriale titel zouden hebben verkregen. Wanneer in die periode conservatoir beslag op al de bankrekeningen, de debiteurenvorderingen en mogelijk enige voorraden van HIP zou liggen, zou de bedrijfsvoering van HIP plat liggen en zou een faillissement aannemelijk zijn. Uit de door [eisende partijen] overgelegde jaarrekeningen van HIP blijkt immers dat de vermogenspositie van HIP na 2021 snel verslechtert. Dat het destijds nemen van rechtsmaatregelen tegen HIP en HD tot (aanmerkelijk) incassosucces voor [eisende partijen] zouden hebben geleid is dan ook niet zonder meer aannemelijk.
De slotsom van al het voorgaande is dat de vorderingen van [eisende partijen] tegen [gedaagde partij] niet toewijsbaar zijn.
[eisende partijen] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
2.723,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
7.446,00 |
(2 punten × € 3.723,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
10.358,00 |
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eisende partijen] af,
veroordeelt [eisende partijen] hoofdelijk in de proceskosten van € 10.358,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op
10 juni 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
