Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-05-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5326

Essentie (gemaakt door AI)

Partneralimentatie: is er een overeenkomst over de afkoop van de partneralimentatie? De rechtbank past via Alimentatieverordening en Haags Protocol uiteindelijk Nederlands recht toe. Vaststaat dat partijen in 2022 mondeling overeenkomen dat man €10.000 aan vrouw betaalt ter afkoop. E-mails/WhatsApp bevestigen aanbod en aanvaarding; ontbreken schriftelijk contract doet niet af aan geldigheid. Verrekening is niet overeengekomen. Verzoek van de vrouw tot vaststelling alimentatie wordt afgewezen; verklaring voor recht ten gunste van de man wordt toegewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Vrouw verzoekt vaststelling partneralimentatie - maar is dat niet door man afgekocht?
Rb constateert dat partijen in 2022 mondeling zijn overeengekomen dat man € 10.000 aan vrouw betaalt ter afkoop van zijn onderhoudsverplichting. Dat een schriftelijke vastlegging (contract) ontbreekt, doet daar niet aan af. Afwijzing.

Datum publicatie03-07-2026
ZaaknummerC/02/434955 FA RK 25-2268
ProcedureRekestprocedure
ZittingsplaatsBreda
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Partneralimentatie: is er een een overeenkomst over de afkoop van de partneralimentatie?

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/434955 FA RK 25-2268

datum uitspraak: 18 mei 2026

beschikking betreffende levensonderhoud

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [plaats 1] (Spanje),

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.J. Bronsveld,

en

[de man] ,

wonende te [plaats 2] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.H.A. Wijen.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 1 mei 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlage;

- het op 10 juli 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;

- het op 3 september 2025 ontvangen verweer op zelfstandig verzoek;

- de F9-formulieren van mr. Bronsveld van 28 mei 2025, met bijlage, en 9 april 2026, met bijlage;

- de brief van mr. Wijen van 8 april 2026, met bijlagen;

- de beschikking betreffende de echtscheiding van 10 december 2020 en het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 20 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2De feiten

2.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 1998 tot [datum 2] 2021.

2.2

In voormeld echtscheidingsconvenant zijn partijen het volgende overeengekomen over partneralimentatie:

“Bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw/man

Partijen hebben momenteel geen draagkracht om over en weer partneralimentatie te

voldoen.

Hoewel de vrouw op dit moment niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, en

derhalve behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar

levensonderhoud, heeft de man geen draagkracht aan de vrouw een bijdrage in de kosten

van haar levensonderhoud te voldoen.

In geval van een na het sluiten van dit convenant opgetreden wijziging van

omstandigheden, waardoor de vrouw zich op het standpunt zou kunnen stellen dat de

man wel c.q. een hogere draagkracht heeft voor het betalen aan de vrouw van een

bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, staat het de vrouw vrij zich alsnog tot de

rechter te wenden met het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie, alles voor

zover de partijen de partneralimentatie niet in onderling overleg hebben kunnen

vaststellen.

Teneinde te kunnen beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden, zullen

partijen elkaar jaarlijks op eerste verzoek kopie van de Aangifte Inkomstenbelasting doen

toekomen.”

3De verzoeken

3.1

De vrouw verzoekt bepaling dat de man, per datum van de echtscheiding, een bedrag moet voldoen ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw van € 3.000,= bruto per maand, bij vooruitbetaling aan haar te voldoen, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

3.2

De man verzoekt bepaling dat hij gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= te voldoen ter zake afkoop van de partneralimentatie.

4De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1

Omdat de vrouw in Spanje woont, heeft deze zaak internationaalprivaatrechtelijke aspecten en dient als eerste te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is te beslissen op de verzoeken en welk recht daarbij moet worden toegepast.

4.2

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) internationaal bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage kennis te nemen, omdat de verweerder (de man) zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

4.3

Op de verzoeken betreffende de partneralimentatie is op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto. artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, het recht van de staat van toepassing waar de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) haar gewone verblijfplaats heeft. Omdat de vrouw in Spanje haar gewone verblijfplaats heeft, is in beginsel het Spaanse recht van toepassing op de beoordeling van de verzoeken betreffende de partneralimentatie.

4.4

Ingevolge artikel 5 van voornoemd protocol is in geval van onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten, ex-echtgenoten of tussen partijen bij een nietig verklaard huwelijk, artikel 3 niet van toepassing indien een van de partijen zich daartegen verzet en het recht van een andere Staat, in het bijzonder dat van de Staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk. In dat geval is het recht van die andere Staat van toepassing. Ter zitting is namens de vrouw onweersproken gesteld dat het huwelijk van partijen de meeste aanknopingspunten heeft met Nederland, zodat het Nederlandse recht moet worden toegepast. De rechtbank is, met de vrouw, van oordeel dat het Nederlandse recht nauwer verbonden is met het huwelijk van partijen dan het Spaanse recht. Partijen zijn immers in Nederland gehuwd en hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats tijdens het huwelijk was ook in Nederland. Daarom zal het Nederlandse recht worden toegepast bij de beoordeling van de verzoeken.

Inhoudelijke beoordeling

4.5

De vrouw voert als grond voor haar verzoek aan dat sinds de ondertekening van voormeld echtscheidingsconvenant de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd, waardoor een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud moet worden vastgesteld. Volgens de vrouw is het inkomen van de man na echtscheiding namelijk aanzienlijk toegenomen. Vaststaat verder, op grond van het echtscheidingsconvenant, dat de vrouw een aanvullende behoefte heeft. Het inkomen van de man moet geschat worden op € 8.000,= netto per maand, zodat hij in staat wordt geacht de verzochte bijdrage aan de vrouw te voldoen.

4.6

De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel haar verzoek af te wijzen. Hij voert daartoe enkele verweren aan. Zijn primaire verweer houdt in dat geen sprake meer is van een alimentatieverplichting, omdat partijen een overeenkomst hebben gesloten inhoudende dat de man aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= zou voldoen ter afkoop van de partneralimentatie. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst de man naar de correspondentie tussen partijen hierover (productie 1 en 2). Gelet op dit primaire verweer doet de man tevens zijn verzoek zoals hiervoor onder 3.2. weergegeven.

4.7

De vrouw betwist dat sprake is van een overeenkomst tussen partijen ter zake de afkoop van de partneralimentatie. Zij heeft ter zitting aangegeven weliswaar te hebben ingestemd met een voorstel van de man dat hij de partneralimentatie zou afkopen voor een bedrag van € 10.000,=, maar later bleek dat hij deze afkoop wenste te verrekenen met een vordering die hij op de vrouw meent te hebben. De man heeft dus een andere voorstelling van zaken gehad bij de totstandkoming van deze overeenkomst en heeft gelet daarop geen ondubbelzinnig aanbod gedaan zonder enig voorbehoud. Gelet daarop is er geen overeenstemming bereikt tussen partijen. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat partijen nooit een schriftelijk contract hebben opgesteld met daarin de afspraken, terwijl dit wel hun intentie was. Zij had daarin ook vastgelegd willen zien dat zij niet hoeft mee te betalen aan schulden van de man.

4.8

De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of sprake is van een overeenkomst over de afkoop van de partneralimentatie zoals door de man gesteld. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, bestaat geen verplichting meer voor de man om partneralimentatie aan de vrouw te voldoen en hoeft het verzoek van de vrouw niet verder inhoudelijk te worden beoordeeld.

4.9

De rechtbank stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Of hiervan sprake is hangt, kort gezegd, af van wat partijen tegenover elkaar hebben verklaard en hoe zij die verklaringen over en weer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten opvatten (artikel 3:33 en 3:35 BW) . Ter zitting heeft de vrouw erkend te hebben ingestemd met het aanbod van de man om de partneralimentatie af te kopen voor een bedrag van € 10.000,=. Dat de vrouw dit aanbod heeft aanvaard volgt tevens uit de door de man overgelegde correspondentie tussen partijen. Zo geeft de vrouw in een e-mailbericht van 19 april 2024 het volgende aan: “In onderling overleg hebben we vastgesteld dat jij mij 10.000 euro als afkoopsom zou betalen.” (productie 2 van de man). In een WhatsApp-gesprek tussen partijen geeft de vrouw verder aan de man het volgende aan: “Die 10000 euro komt [persoon] wel halen. Die komt naar Spanje.” (productie 2 van de man). De man heeft onweersproken gesteld dat deze afspraken zijn gemaakt in 2022. Vervolgens heeft de man naar aanleiding van een rechterlijke procedure, over een arbeidsconflict jegens zijn voormalig opdrachtgever dat betrekking heeft op de huwelijkse periode, bij de vrouw aangegeven een vordering die hij op haar meent te hebben te willen verrekenen met de vordering van de vrouw op de man ter zake de afkoop van de partneralimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit niet dat deze verrekening daardoor onderdeel is geworden van zijn aanbod aan de vrouw over de afkoop van de partneralimentatie, zoals namens de vrouw aangevoerd. Verrekening door de man is in beginsel namelijk toegestaan, mits is voldaan aan de eisen die artikel 6:127 BW daaraan stelt. Van deze bepalingen van regelend recht kan worden afgeweken door verrekening uit te sluiten bij overeenkomst. Desgevraagd hebben beide partijen ter zitting aangegeven dat een eventuele verrekening van vorderingen geen onderdeel is geweest bij het maken van de afspraken over de afkoop van de partneralimentatie. Gelet op het standpunt van de vrouw en met het oog op de in 2022 al lopende procedure van de man jegens zijn voormalige opdrachtgever, hadden partijen, in afwijking van het regelend recht over het verrekenen van vorderingen, daarover afspraken kunnen maken. Dat hebben zij echter niet gedaan. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat in 2022 een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen die inhoudt dat de man de partneralimentatie zal afkopen door betaling van een bedrag van € 10.000,= aan de vrouw. De rechtbank merkt daarbij op dat het niet schriftelijk vastleggen van die afspraak niet afdoet aan de geldigheid van de overeenkomst, zoals door de vrouw aangevoerd. Een overeenkomst is namelijk niet aan vormvereisten gebonden en is, ondanks een eventuele intentie van partijen deze nog schriftelijk vast te leggen, ook mondeling gesloten rechtsgeldig. Het voorgaande betekent dat het primaire verweer van de man slaagt en er door de overeenkomst over de afkoop van de partneralimentatie geen verplichting meer is voor de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.

4.10

De rechtbank begrijpt het zelfstandige verzoek van de man verder zo dat hij een verklaring voor recht verzoekt dat hij gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= te voldoen ter zake afkoop van de partneralimentatie. Gelet op voorgaande rechtsoverweging zal de rechtbank zijn verzoek op die wijze toewijzen.

4.11

De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet meer toe aan de overige verweren van de man.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1

verklaart voor recht dat de man gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= te voldoen ter zake afkoop van de partneralimentatie;

5.2

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Willemsen, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733