Gerechtshof Den Haag 12-05-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1805

Essentie (gemaakt door AI)

Vrouw stelt dat man en zijn B.V.’s het echtscheidingsconvenant onjuist uitvoeren en vordert inzage, deskundige, vereenzelviging en schadevergoeding. Het hof oordeelt dat man niet met de B.V.’s is te vereenzelvigen en dat de B.V.’s niet onrechtmatig handelen. Inzage ex art. 843a Rv en benoeming deskundige worden afgewezen. Pensioenvordering tot afstorting faalt. Geschil over alimentatie (incl. woonlasten/auto en meerinkomen man) wordt op grond van art. 69 Rv verwezen naar de verzoekschriftprocedure. Vrouw wordt in proceskosten van de B.V.’s veroordeeld.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Eigen verantwoordelijkheid vrouw: op tijd pensioenuitvoerder/besloten vennootschap man aanschrijven
Hof: eigen verantwoordelijkheid vrouw om binnen twee jaar na echtscheiding pensioenuitvoerder/vennootschap man aan te schrijven. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij alleen een vordering op de man; geen vordering op vennootschap.

Datum publicatie03-07-2026
Zaaknummer200.345.887/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht;
Alimentatie;
Pensioen; Pensioen van de DGA
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vrouw is van mening dat de man en de besloten vennootschap waarvan de man de aandelen houdt niet op een correcte wijze uitvoering geven aan het echtscheidingsconvenant. Het hof is van oordeel dat man niet vereenzelvigd kan worden met de BV. De BV heet ook niet onrechtmatig gehandeld jegens de vrouw. De vrouw wordt in de proceskosten van de BV veroordeeld. Met betrekking tot de door de vrouw gevorderde alimentatie is dit onderdeel verwezen naar de verzoekschrift procedure.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.345.887/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/640977/ HA ZA 23-47

Arrest van 12 mei 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D.J.W. Feddes te Alphen aan den Rijn,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde sub 1,

en

[geïntimeerde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde sub 2,

en

[geïntimeerde sub 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde sub 3,

advocaat van geïntimeerden: mr. K.C.J.M. Hageraats-Bouwens te Utrecht.

Het hof zal partijen hierna de vrouw, de man, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] noemen en ook de geïntimeerden sub 1 tot en met 3 gezamenlijk aanduiden als geïntimeerden.

1Procesverloop in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 8 juli 2024 waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 april 2024 (hierna: het bestreden vonnis);

- het exploot van anticipatie van de man van 5 september 2024;

- de memorie van grieven, met bijlagen;

- de memorie van antwoord van geïntimeerden sub 1 tot en met 3, met bijlagen.

1.2

Op 17 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Beide advocaten hebben pleitaantekeningen overgelegd

1.3

Het hof zal arrest wijzen op het procesdossier bestaande uit de onder 1.1 genoemde stukken en aangevuld met de overgelegde pleitaantekeningen.

2Dictum vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 april 2024

2.1.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:

in het incident:

6.1.

wijst de vorderingen van [de vrouw] af;

6.2.

compenseert de kosten in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen;

in de hoofdzaak, in conventie:

6.3.

veroordeelt [de man] tot betaling aan [de vrouw] van € 32.891,55, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van het exploot van de dagvaarding tot aan de datum van volledige betaling;

6.4.

compenseert de kosten in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak, in reconventie:

6.6.

wijst de vorderingen af;

6.7.

compenseert de kosten in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen.

draagt.

3De vorderingen van de vrouw in hoger beroep

3.1

dat het hof het bestreden vonnis tussen partijen in incident en in conventie gewezen vernietigt en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en onder verbetering en/of aanvulling:

- de vorderingen van de vrouw (zie de toenmalige ‘akte vermeerdering van eis’ van 25 september 2023) alsnog (geheel) aan haar toewijst en de man c.s veroordeelt tot betaling van de bewuste bedragen, waarbij (onder II) eigenaarslasten worden vermeerderd met € 5.439,38, de ‘autokosten’ € 9.019,89 bedragen en onder IV de alimentatie indexatie per (februari) 2017 ook nog verschuldigd is, (onderhouds)kosten aan de woning primair op € 109.128,28 worden gesteld en inzake het pensioen, evenals de levensverzekering, heeft te gelden:

van (de helft van) het opgebouwde (ouderdoms)pensioen zoals is opgebouwd gedurende het huwelijk c.q. de gehele aanspraak op partnerpensioen na echtscheiding, evenals de (helft van de) (levens)verzekering(en), nader te bepalen op basis van door de man te verstrekken gegevens, althans een door het hof of een deskundige te bepalen bedrag (aan uitkeringen), althans de door de vrouw geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede te bepalen dat de man c.s. binnen 14 dagen na betekening van het arrest schriftelijk aan de respectievelijke instanties meedeelt dat de vrouw gerechtigd is tot de helft van de uitkeringen op de expiratiedata en/of de man c.s. hoofdelijk te gelasten de helft van de commerciële waarde van de pensioenaanspraken (opgebouwd tijdens de huwelijkse periode) binnen redelijke termijn (van een maand) te storten na en bij een nader door de vrouw aan te wijzen (rekening van een) pensioenverzekeraar, althans hierover door het hof te oordelen;

- alsmede de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, althans een door het hof te bepalen bedrag en datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

- de man c.s. veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties, alsmede – indien nakoming c.q. voldoening binnen de bedoelde termijnen niet plaatsvindt – tot betaling van nakosten.

4Beoordeling in hoger beroep

4.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten tenzij daar specifiek een grief tegen is gericht.

Het anticipatie exploot en de B.V.’s

4.2

De man heeft op 5 september 2024 een vroegere roldatum aan de vrouw doen aanzeggen middels een anticipatie exploot. De vrouw is van mening dat, nu dit anticipatie exploot niet namens de in eerste aanleg tevens gedagvaarde B.V.’s is betekend, dit vervroegd aanbrengen van de zaak dan ook niet voor die B.V.’s geldt. De vrouw doet hierbij een beroep op artikel 127 lid 3 (het hof begrijpt: 126 lid 3) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Indien deze omissie niet is te herstellen verzoekt de vrouw het hof om de B.V.’s in hun eventuele vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren althans deze vorderingen af te wijzen en een veroordelend arrest te wijzen ten aanzien van de B.V.’s.

4.3

Het hof oordeelt als volgt. Artikel 126 lid 3 Rv bepaalt dat de aanzegging van de vroegere roldatum op straffe van nietigheid ook aan de medegedaagden moet worden gedaan, voor zover deze aanzegging niet mede van hen uitgaat. Nu de man en de B.V.’s in eerste aanleg dezelfde procesvertegenwoordiger hadden en zij ook in hoger beroep gedrieën, vertegenwoordigd door dezelfde procesvertegenwoordiger, een memorie van antwoord hebben ingediend gaat het hof ervan uit dat het anticipatie exploot niet alleen van de man, maar mede van de beide B.V.’s is uitgegaan. Er is dan ook geen sprake van gedaagden die niet zijn aangezegd en dus ook niet van nietigheid van de aanzegging. Het hof zal de standpunten van alle partijen in zijn beoordeling betrekken.

Goede procesorde en formulering van grieven

4.4

Geïntimeerden stellen in randnummer 7 van hun memorie van antwoord dat de vrouw een groot deel van haar grieven onduidelijk heeft geformuleerd, waardoor het niet kenbaar is waartegen zij hun verweer moeten richten. Zij stellen zich op het standpunt dat de vrouw in die grieven, te weten de grieven 1, 3 en 6, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.5

Het hof overweegt als volgt. Een goede procesorde brengt met zich dat de grieven zodanig zijn geformuleerd dat voor de wederpartij en de rechter duidelijk is tegen welke beslissingen van de rechter in eerste aanleg de grieven zich richten en welke gronden daarvoor bestaan. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet zodanig heeft geprocedeerd dat niet voldoende duidelijk is op welke gronden zij tegen bepaalde beslissingen van de rechtbank opkomt. Nu meerdere bezwaren van de vrouw tegen beslissingen van de rechtbank onder meerdere grieven voorkomen, zal het hof voor de duidelijkheid waar nodig de grieven per onderwerp bespreken.

De herstelfunctie van het hoger beroep

4.5

De vrouw stelt (grief 1) dat de rechtbank in het bestreden vonnis onjuiste dan wel onvolledige feiten en omstandigheden heeft opgenomen dan wel niet de nodige duiding bij deze feiten en omstandigheden heeft gegeven.

4.6

Zo er al sprake is geweest van fouten en omissies in eerste aanleg, dan kunnen deze in verband met de herstelfunctie van het hoger beroep worden hersteld. Het beroepschrift geeft de vrouw de gelegenheid om de volgens haar juiste feiten en omstandigheden alsmede de duiding daarbij aan te geven, van welke gelegenheid zij ook gebruik heeft gemaakt. De grief behoeft dan ook geen bespreking meer.

In het geding brengen van gegevens door de man

4.7

De rechtbank heeft de vordering van de vrouw om de man op grond van artikel 3:15j van het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 843a Rv te veroordelen tot het onmiddellijk verstrekken van volledige inzage en afschriften aan haar van door haar nader genoemde bescheiden afgewezen.

4.8

De vrouw stelt dat deze vordering ten onrechte is afgewezen, aangezien zij recht en belang bij deze vordering heeft. De man heeft volgens haar slechts in beperkte mate inzicht verschaft in (financiële) stukken en zij heeft ten aanzien van haar vorderingen in de hoofdzaak juist nadere informatie nodig. In randnummer 28 van haar memorie van grieven somt de vrouw enkele bescheiden op die de man volgens haar nog over dient te leggen. Zij heeft deze stukken nodig om te kunnen bepalen of de man zijn verplichtingen uit het echtscheidingsconvenant is nagekomen en om de omvang van de door haar geleden schade te kunnen bepalen.

4.9

Geïntimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stellen, kort weergegeven, dat de vrouw al de beschikking heeft over alle relevante bescheiden en voorts dat niet is voldaan aan de in artikel 843a Rv genoemde cumulatieve voorwaarden voor de toewijsbaarheid van de vordering. Daarbij merken geïntimeerden nog op dat artikel 843a Rv per 1 januari 2025 is komen te vervallen, zodat de vrouw op dit artikel geen beroep meer kan doen.

4.10

Het hof merkt allereerst op dat met de inwerkingtreding per 1 januari 2025 van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht artikel 843a Rv is komen te vervallen. Echter, in procedures die voor 1 januari 2025 zijn aangespannen is artikel 843a Rv nog steeds van toepassing. De onderhavige procedure is aangevangen met de appeldagvaarding van 8 juli 2024, zodat de vordering van de vrouw ex artikel 843a Rv kan worden beoordeeld.

Met betrekking tot die vordering is het hof van oordeel dat de rechtbank deze op goede gronden heeft afgewezen. Het hof neemt deze gronden, na een eigen afweging, over en maakt deze tot de zijne. Ook in hoger beroep hebben geïntimeerden nog een groot aantal financiële stukken in het geding gebracht. Zo hebben zij onder meer de jaarrekening 2023 van [geïntimeerde sub 2] overgelegd. Bij deze jaarrekening is een samenstellingsverklaring van de accountant opgenomen, uit welke verklaring volgt dat de samenstellingsopdracht is uitgevoerd volgens het Nederlandse recht, waaronder de voor de accountants geldende Standaard 4410 “Samenstellingsopdrachten”. Voormelde jaarrekening van [geïntimeerde sub 2] – waarvan de aandelen worden gehouden door de man – geeft naar het oordeel van het hof voldoende inzicht in de financiële positie van [geïntimeerde sub 2] In de toelichting op de jaarrekening is op bladzijde 16 informatie gegeven over de pensioenvoorziening. Op bladzijde 23 is vermeld dat deze pensioenvoorziening per 31 december 2023 € 748.496,- bedraagt en voorts volgt uit bladzijde 23 dat de man de uitkeringsgerechtigde is. De man heeft ook zijn jaaropgave 2024 – [geïntimeerde sub 2] – in het geding gebracht. Gelet op deze in hoger beroep in het geding gebrachte stukken alsmede het grote aantal financiële gegevens die de man in eerste aanleg in het geding heeft gebracht (waaronder zijn aangiftes Inkomstenbelasting 2014 tot en met 2023), beschikt de vrouw naar het oordeel van het hof over meer dan voldoende gegevens van geïntimeerden om haar positie juridisch in te kunnen schatten.

Benoeming deskundige

4.11

De vrouw stelt in randnummer 34 van haar memorie van grieven dat de rechtbank ten onrechte, althans zonder nadere motivering, haar vordering om een deskundige te benoemen heeft afgewezen. De man heeft deze stelling in randnummer 27 van de memorie van antwoord gemotiveerd bestreden.

4.12

Nu de vrouw haar vordering niet voldoende heeft onderbouwd, is het hof van oordeel dat deze vordering moet worden afgewezen. De vrouw heeft slechts gesteld dat benoeming van een deskundige noodzakelijk is gezien de complexiteit en het gebrek aan afdoende stukken van de zijde van de man. De vrouw geeft niet aan wat voor deskundige benoemd zou moeten worden en ook niet wat door deze deskundige zou moeten worden onderzocht. Wat betreft het gestelde gebrek aan door de man overgelegde stukken verwijst het hof naar hetgeen hierover onder rechtsoverweging 4.10 is overwogen.

De vereenzelviging van de man en de B.V.’s

4.13

De vrouw stelt (derde grief) dat de man vereenzelvigd dient te worden met zijn B.V.’s omdat hij enig bestuurder en aandeelhouder van deze B.V.’s is en omdat de B.V.’s expliciet in het echtscheidingsconvenant zijn meegenomen. De B.V.’s zijn volgens de vrouw dan ook, net als de man, gehouden om verplichtingen uit het convenant na te komen. Los hiervan zijn de B.V.’s volgens de vrouw alsnog aansprakelijk voor schade op grond van onrechtmatige daad en/of de redelijkheid en billijkheid.

4.14.

De man c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.15

Het hof stelt het volgende voorop. In artikel 2:5 BW is het volgende bepaald: “Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijke persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit”. De rechtspersoon neemt zelfstandig deel aan het rechtsverkeer. Een rechtspersoon kan overeenkomsten aangaan en een rechtspersoon kan aansprakelijk zijn voor verbintenissen die uit de wet voortvloeien, waaronder de onrechtmatige daad. De aandeelhouder van de besloten vennootschap kan in beginsel niet vereenzelvigd worden met de B.V.

4.16

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met partijen het concern en de verhoudingen binnen het concern besproken. Tijdens het sluiten van het echtscheidingsconvenant in 2014 was de man al enig aandeelhouder van [geïntimeerde sub 2] Zijn broer was en is enig aandeelhouder van [onderneming broer] [geïntimeerde sub 2] hield in 2014 50% van de aandelen in [geïntimeerde sub 3] De andere 50 % van de aandelen in [geïntimeerde sub 3] werden gehouden door [onderneming broer] [geïntimeerde sub 3] hield weer de aandelen in de werkmaatschappijen [werkmaatschappij 1] , [werkmaatschappij 2] , [werkmaatschappij 3] en [werkmaatschappij 4] Gezien de aandeelverhouding had de man geen beleidsbepalende zeggenschap in [geïntimeerde sub 3] en ook niet in de werkmaatschappijen van [geïntimeerde sub 3] De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de financiële positie van voormeld concern bij het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant zeer slecht was. Het concern stond onder bijzonder beheer van de bank. De vrouw heeft deze slechte financiële positie van het concern destijds tijdens de mondelinge behandeling erkend. De man heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat er tussen hem en zijn broer een zakelijk geschil van inzicht is ontstaan. De man wilde als het ware linksaf en zijn broer wilde rechtsaf met de ondernemingen. De man en zijn broer zijn met betrekking tot het concern daarom in 2019 tot een herstructurering gekomen. Kort gezegd hield dit in dat [geïntimeerde sub 2] 100 % van de aandelen kreeg in [geïntimeerde sub 3] – in welke vennootschap het onroerend goed was ingebracht – en is [onderneming broer] verdergegaan met de vroegere werkmaatschappijen van [geïntimeerde sub 3] In de visie van de man heeft de herstructurering van het concern plaatsgevonden met gesloten beurzen. Het hof heeft uit het betoog van de man begrepen dat de inkomsten die hij uit [geïntimeerde sub 2] krijgt de bron zijn waarvan de man leeft en waarvan hij de partneralimentatie voor de vrouw betaalt.

4.17

[geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] waren en zijn geen partij bij het door de man en de vrouw gesloten echtscheidingsconvenant. Nakoming van afspraken in het echtscheidingsconvenant kan dus niet van voormelde vennootschappen worden gevorderd. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw ook geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan kan worden geoordeeld dat de vennootschappen onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Het feit dat er een herstructurering van het concern heeft plaatsgevonden is eveneens niet onrechtmatig jegens de vrouw. De herstructurering was noodzakelijk vanwege een zakelijk verschil van inzicht tussen beide eigenaren. Op basis van hetgeen de man ook ter zitting heeft medegedeeld heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de man niet als goed bestuurder van [geïntimeerde sub 2] heeft gehandeld. De bron van inkomsten uit [geïntimeerde sub 2] is voor de man, en indirect dus ook voor de vrouw, intact gebleven. Het hof is van oordeel dat de vrouw op basis van wat zij heeft aangevoerd geen enkele vermogensrechtelijk aanspraak heeft jegens [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3]

4.18

Gelet op het vorenstaande zal het hof in het navolgende, daar waar de vrouw nakoming van afspraken in het echtscheidingsconvenant vordert van ‘de man c.s.’ nu nog alleen maar van ‘de man’ spreken.

Verwijzing naar de verzoekschriftprocedure ex artikel 69 Rv alimentatie

4.19

De vrouw vordert in hoger beroep, met verwijzing naar haar akte vermeerdering van eis van 25 september 2023, om de man te veroordelen tot betaling aan haar:

- van € 2.321,18 aan achterstallige alimentatie;

- van de helft van het bedrag boven de € 90.000,- (bruto) aan inkomsten van de man op jaarbasis sinds 2014, een nader door de rechtbank of een deskundige te bepalen bedrag op basis van door de man te verstrekken gegevens, althans nader op te maken bij staat en de man c.s. veroordeelt dit jaarlijks te begroten met een deugdelijke en begrijpelijke onderbouwing (door een deskundige), tot het moment dat de man c.s. dit niet meer verschuldigd is;

- van € 4.141,55 PM aan achterstallige (hypotheek- en) eigenaarslasten, alsmede (€ 24.198,12 + € 1.874,52 =) € 26.072,64 PM autokosten (tot oktober 2023), althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, althans de door de vrouw geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- van € 57.288,80 PM aan (achterstallige) kosten voor groot en klein onderhoud van de woning, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag of door de vrouw geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.20

De man stelt in randnummer 5 van zijn memorie van antwoord, met verwijzing naar de grieven 1,3 en 5 van de vrouw, dat de vrouw eigenlijk op verkapte wijze wijziging van de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen partneralimentatie vordert. De vrouw is volgens de man in deze grieven niet-ontvankelijk, nu uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt (de man verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:8125) dat voor alimentatiegeschillen de verzoekschriftprocedure dwingend is voorgeschreven.

4.21

Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling dit standpunt van de man expliciet aan de orde gesteld. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling betoogd dat zij nakoming vordert van een overeenkomst en dat daarvoor de dagvaardingsprocedure gevolgd moet worden.

4.22

Het hof oordeelt als volgt. Partijen zijn in het op 22 januari 2014 gesloten echtscheidingsconvenant het volgende overeengekomen:

“Artikel 1: Partneralimentatie

Definitieve regeling

1.1

Met ingang van 1 februari 2014 zal de man met een bedrag van € 2.000, - bruto per maand bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw, welk bedrag telkens per de eerste van elke maand door hem aan haar zal worden voldaan.

De partneralimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, zulks voor het eerst per 1 januari 2015.

1.2

Bij de bepaling van het alimentatiebedrag gaan partijen uit van een jaarlijks inkomen uit

arbeid van € 90.000, - bruto op jaarbasis aan de zijde van de man. De vrouw heeft zelf op dat moment (nog) geen inkomen uit arbeid.

Eigen inkomsten vrouw

1.3

De eventuele eigen inkomsten in de toekomst hebben geen invloed op de door de man te betalen alimentatiebijdrage voor zover deze een bedrag van € 3.000, - bruto per maand, inclusief vakantietoeslag, niet te boven gaan. Hetgeen de vrouw meer verdient dan voormeld maandbedrag zal wel worden verrekend met de alimentatiebijdrage.

Extra inkomsten man

1.4

Indien er in enig jaar sprake is van een hoger inkomen aan de zijde van de man boven het bedrag van € 90.000, - bruto op jaarbasis, bijvoorbeeld ten gevolge van salarisverhoging, de uitkering van een bonus of van dividend dan wel een combinatie hiervan zal netto equivalent van het meerdere van deze inkomsten bij helfte met de vrouw worden gedeeld.

Een eventuele verhoging van het regulier maandinkomen van de man, noodzakelijk om de rekening courantverhouding van de man met [geïntimeerde sub 2] af te lossen, wordt nadrukkelijk niet in voornoemde verdeling betrokken.

Afwijking van artikelen 1: 157 en 1: 160 BW

1.5

De alimentatieverplichting van de man duurt volgens de wettelijke bepalingen maximaal

12 jaar, te rekenen vanaf datum ontbinding huwelijk (artikel 1: 157 lid 4 BW) . Partijen komen in afwijking daarvan overeen dat de alimentatieverplichting van de man eerst eindigt op het moment dat één der partijen komt te overlijden.

Voorts komen partijen overeen dat de alimentatieverplichting van de man niet eindigt op het moment dat de vrouw gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd (artikel 1: 160 BW) , tenzij deze nieuwe partner de onderhoudsverplichting van de man kan en wenst over te nemen. Indien aan een dergelijke nieuwe relatie een einde komt, herleeft alsdan de onderhoudsverplichting voor de man in de zin van dit artikel.

Extra betalingen ten behoeve van de vrouw

1.6

De man neemt gedurende de looptijd van de alimentatieverplichting tevens voor zijn rekening, de kosten van/voor:

- de hypotheek- en eigenaarslasten van de echtelijke woning of de huurlasten voor vervangende woonruimte vrouw;

- het ter beschikking stellen van een auto aan de vrouw, inclusief de aan het rijden van de auto verbonden kosten.

Inzage inkomensgegevens

1.7

De man en de vrouw zullen jaarlijks hun inkomstengegevens aan elkaar ter inzage

verstrekken, zulks na ommekomst van het kalenderjaar maar uiterlijk per ultimo

februari. Deze bepaling is opgenomen met oog op de uitvoering van het bepaalde in

met name de artikelen 1.3 en 1.4 van dit convenant.

Artikel 2: Gebruik echtelijke woning

Uitsluitend gebruiksrecht echtelijke woning/kosten

2.2

Partijen hebben afgesproken dat de vrouw – zolang zij dat wenst – de echtelijke woning van partijen na echtscheiding kan blijven bewonen, zulks echter onder de voorwaarde dat het handhaven van deze bestaande woonsituatie voor de man financieel haalbaar blijft aangezien hij onder meer de hypotheek- en eigenaarslasten van de woning betaalt (artikel 1.6). De man zal in het geval zich financiële problemen gaan voordoen die nopen tot verkoop van de woning aan derden hierover in overleg met de vrouw een besluit nemen, alsook ten aanzien van de alsdan te stellen verkoopcondities. De kosten voor groot en klein onderhoud van de woning komen voor rekening van de man alleen.”

4.23

Partijen verschillen van mening over de inhoud van het echtscheidingsconvenant, althans over de betekenis en uitleg van hetgeen daarin is opgenomen en de daaraan te verbinden juridische consequenties. Het echtscheidingsconvenant moet worden uitgelegd aan de hand van het Haviltex-criterium. Dit criterium houdt – kort gezegd – in dat bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet alleen kan worden volstaan met een taalkundige benadering maar dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan de overeenkomst mochten toekennen, en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.24

Naar het oordeel van het hof brengt een redelijke uitleg van het echtscheidingsconvenant met zich mee dat de artikelen 1.1 tot en met 1.6 een regeling betreffen ter zake de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie. Een redelijke uitleg brengt voorts met zich dat artikel 2 van het convenant een nadere uitwerking is van die partneralimentatie. In artikel 2.2 is door partijen immers expliciet overeengekomen dat de vrouw in de woning mag blijven wonen zolang dat voor de man financieel haalbaar is, nu de man onder meer de hypotheek- en eigenaarslasten van die woning betaalt. De partneralimentatie is dus opgebouwd uit een maandelijks geldbedrag, het in de door de man gefinancierde woning kunnen blijven wonen en het door de man kosteloos ter beschikking stellen van een auto aan de vrouw.

4.25

Gezien hetgeen partijen met betrekking tot de partneralimentatie zijn overeengekomen hebben de vorderingen van de vrouw zoals in 4.19 weergegeven mede betrekking op de partneralimentatie en vergoedingen die zich als partneralimentatie kwalificeren. De vrouw wenst met die vorderingen immers wijziging van de partneralimentatie zoals door partijen in het convenant overeengekomen.

4.26

Uit de wet en uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat geschillen die de kosten van levensonderhoud betreffen, ook in het geval tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten, bij verzoekschrift aan de rechter moeten worden voorgelegd. Deze procedure is dwingendrechtelijk voorgeschreven. Het hof zal dan ook op grond van artikel 69 Rv bepalen dat de procedure, voor zover deze betrekking heeft op de vorderingen van de vrouw zoals in rechtsoverweging 4.19 weergegeven, in de staat waarin deze zich momenteel bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.

4.27

In de verzoekschriftprocedure zullen aan de orde komen grief 5 het inkomen van de man boven € 90.000 (met als onderdelen management fee, dividend en rekening – courant-schuld) en grief 6 achterstallige eigenaarslasten en auto – en onderhoudskosten. Voormelde onderwerpen hangen samen met de alimentatie van de vrouw zoals vermeld in het echtscheidingsconvenant en met betrekking tot de in het convenant overeengekomen partneralimentatie wenst zij een wijziging.

Stuiting van de verjaring inzake de achterstallige partneralimentatie

4.28

De vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij met betrekking tot niet-betaalde partneralimentatie de verjaring niet heeft gestuit. In de visie van de vrouw was het met de sommatie per brief van februari 2022 al duidelijk dat er nog indexatie betaald diende te worden. De vrouw stelt (randnummer 54 van de memorie van grieven) dat de man op vrijwillige basis vanaf 2014 betalingen heeft verricht waarmee de indexering alsnog vrijwillig is nagekomen althans is verrekend. De inhouding door de man van € 2.321.18 is dus onterecht en hij moet worden veroordeeld om dit bedrag, met rente, na te betalen.

4.29.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof verwijst hiervoor naar randnummer 41 van de memorie van antwoord.

4.30

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat de vrouw de verjaring niet heeft gestuit. Het hof neemt deze gronden, na een eigen afweging, over en maakt deze tot de zijne. De vrouw heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Vordering tot schadevergoeding

4.31

De vrouw vordert, kort weergegeven, dat de man wordt veroordeeld om aan haar te betalen de helft van de (netto) verkoopopbrengst van aandelen/werkmaatschappijen aan derden, in elk geval € 1.402.501,50 te vermeerderen met de helft van de waarde van 50% van de aandelen in [geïntimeerde sub 3] evenals de helft van de onroerendgoedwaarde als verkoopopbrengst (in 2019), althans een door het hof of een deskundige te bepalen bedrag en/of datum, één en ander te betalen binnen 14 dagen na de vaststelling daarvan (al dan niet bij vonnis), althans door [de vrouw] geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans een door het hof in goede justitie te treffen oordeel. Het hof verwijst naar de akte overlegging producties tevens vermeerdering van eis aan de zijde van de vrouw van 25 september 2023.

4.32

De vrouw stelt dat er sprake is van door haar geleden schade door toerekenbare tekortkomingen met betrekking tot de uitvoering van de verplichtingen uit het echtscheidingsconvenant (randnummer 39 memorie van grieven). Het hof begrijpt dat het gaat over de gederfde koopsom na verkoop van aandelen/deelnemingen door de man in samenhang met artikel 4.2. van het echtscheidingsconvenant waarin het volgende is opgenomen: “De man is eigenaar/enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [geïntimeerde sub 2] Deze besloten vennootschap houdt aandelen in werkmaatschappijen. Partijen zullen de netto verkoopopbrengst van deze aandelen/werkmaatschappijen bij helfte met elkaar delen indien de besloten vennootschappen/werkmaatschappijen aan derden worden verkocht. De man zal de vrouw alsdan bij het verkooptraject betrekken in dier voege dat de verkoopprijs in overleg met de vrouw zal worden bepaald.”

4.33

Door de man is gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van de vrouw. In randnummer 36 van de memorie van antwoord stelt de man dat er geen sprake was van een verkoop aan een derde. Er was sprake van een transactie met gesloten beurzen, in feite een ruil dus.

4.34

Een redelijke uitleg van het echtscheidingsconvenant brengt naar het oordeel van het hof met zich dat de herstructurering van het concern zoals hiervoor reeds overwogen niet aangemerkt kan worden als een verkooptransactie. De herstructurering was noodzakelijk vanwege een zakelijk geschil tussen de man en zijn broer. De aandelen in [geïntimeerde sub 2] zijn niet vervreemd, de man is nog steeds in dienst van deze holding en geniet uit voormelde B.V. zijn inkomen. Kort samengevat heeft de vrouw naar het oordeel van het hof uit hoofde van het echtscheidingsconvenant geen vordering op de man en ook niet op de hiervoor vermelde vennootschappen. Er is dus geen rechtsgrond aanwezig op basis waarvan de man aan de vrouw enig bedrag verschuldigd is met betrekking tot de herstructurering van het concern.

Pensioenrechten en lijfrente

4.35

In artikel 8.2 van het echtscheidingsconvenant is bepaald dat het pensioen dat de man in eigen beheer heeft opgebouwd zal worden verevend volgens de in artikel 1:155 BW juncto 2 lid 1 van de Wet Verevening Pensioenrechten na scheiding opgenomen standaardregeling.

4.36

In appel vordert de vrouw met betrekking tot het pensioen: van (de helft van) het opgebouwde (ouderdoms)pensioen zoals is opgebouwd gedurende het huwelijk c.q. de gehele aanspraak op partnerpensioen na echtscheiding, evenals de (helft van de) (levens)verzekering(en), nader te bepalen op basis van door de man te verstrekken gegevens, althans een door het hof of een deskundige te bepalen bedrag (aan uitkeringen), althans de door de vrouw geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede te bepalen dat de man c.s. binnen 14 dagen na betekening van het arrest schriftelijk aan de respectievelijke instanties meedeelt dat de man gerechtigd is tot de helft van de uitkeringen op de expiratiedata en/of de man c.s. hoofdelijk te gelasten de helft van de commerciële waarde van de pensioenaanspraken (opgebouwd tijdens de huwelijkse periode) binnen redelijke termijn (van een maand) te storten na en bij een nader door de man aan te wijzen (rekening van een) pensioenverzekeraar, althans hierover door het hof in goede justitie te oordelen.

4.37

Door de man wordt gemotiveerd verweer gevoerd. Het eerste procesrechtelijke punt wat de man naar voren brengt is dat de vrouw een te summiere toelichting geeft en geen grondslag formuleert voor haar vordering met betrekking tot de verdeling van de levensverzekering.

4.38

Door de man is in randnummer 64 van zijn memorie van antwoord gesteld dat hij één polis van levensverzekering heeft bij Nationale Nederlanden polisnummer [polisnummer] . De man is de verzekeringsnemer en de verzekerde op de polis. Uit het betoog van de man volgt dat de vrouw geen aanspraak kan maken op een deel van de waarde van de polis. De man heeft ook geen financiële middelen om de vrouw nu te betalen. Ondanks dat de vrouw in de visie van de man geen aanspraak heeft op voormelde polislevensverzekering is hij bereid om de helft van de netto-uitkering te zijner tijd aan de vrouw te betalen. Het hof begreep uit de reactie van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling dat zij daarmee akkoord is.

4.39

Met betrekking tot het pensioen in eigen beheer van de man is door de man aangevoerd dat de vrouw niet tijdig een verzoek bij de vennootschap heeft ingediend om het pensioen rechtstreeks aan de vrouw uit te keren indien de man aanspraak kan maken op zijn pensioen. De vrouw heeft alleen een vordering op de man als het pensioen aan hem wordt uitgekeerd. Voorts wordt door de man gesteld dat partijen niet met elkaar zijn overeengekomen dat de pensioenaanspraken van de vrouw moeten worden afgestort onder een door haar aangewezen levensverzekeringsmaatschappij.

4.40

Het hof overweegt als volgt. Uit het echtscheidingsconvenant volgt dat partijen met betrekking tot het opgebouwde pensioen met elkaar zijn overeengekomen dat de Wet verevening pensioenrechten van toepassing is en dat conform die wet zal worden verevend. Partijen hebben geen afspraak gemaakt dat de pensioenaanspraken van de vrouw zouden worden afgestort onder een door haar aangewezen levensverzekeringsmaatschappij. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd waarom thans elf jaar na ondertekening van het echtscheidingsconvenant de man gehouden moet zijn om de pensioenrechten af te storten. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vrouw geweest om binnen de tweejaarstermijn een verzoek bij de pensioenuitvoerder/vennootschap in te dienen om de pensioenrechten rechtstreeks aan de vrouw uit te keren indien het pensioen van de man toe uitkering komt. Nu zij dit niet heeft gedaan heeft zij alleen een vordering op de man. De grief en daarmee samenhangende vordering van de vrouw ter zake pensioen worden dus afgewezen.

Erfenissen en/of schenkingen

4.42

Partijen hebben in artikel 7.2 van het echtscheidingsconvenant vastgelegd dat de man eventuele toekomstige aan hem toekomende schenkingen en/of erfenissen met de vrouw zal delen.

4.43

Tussen partijen is niet in geschil dat de man een bedrag van € 52.500, - aan erfenissen van zijn beide ouders heeft ontvangen. De rechtbank heeft bepaald dat de man de helft van dit bedrag, derhalve € 26.250,-, aan de vrouw dient te voldoen. De man heeft dit bedrag, zo heeft hij onweersproken in zijn memorie van antwoord gesteld, reeds aan de vrouw betaald. De vrouw stelt in haar negende grief dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat zij mogelijk recht heeft op een hoger bedrag aan erfenissen en/of schenkingen. Zij behoudt zich dan ook het recht voor op een hoger bedrag, welk bedrag zij – zo begrijpt het hof – pas kan berekenen na overlegging door de man van de noodzakelijke bescheiden.

4.44.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Door de man is in randnummer 71 van zijn memorie van antwoord aangevoerd dat de vrouw in beginsel geen enkel recht had op de schenkingen en de erfenissen die de man zou ontvangen. Partijen waren immers gehuwd op basis van huwelijkse voorwaarden. De man heeft naast het bedrag van € 52.500,- geen schenkingen of erfenissen ontvangen.

4.45

Het hof is van oordeel dat, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, de vrouw haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd dat er nog meer schenkingen en erfenissen zijn. Zij stelt slechts dat het lijkt te gaan over een deel van de erfenissen. De vordering van de vrouw tot het overleggen van nadere financiële bescheiden door de man is hiervoor al door het hof afgewezen. Grief 9 van de vrouw treft dan ook geen doel.

De lening van de vrouw aan de man

4.46

De vrouw heeft voor het huwelijk van partijen aan de man een bedrag van (omgerekend) € 5.672,25 geleend. Deze lening is opgenomen op de lijst van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden van partijen. De vrouw vordert dit bedrag van de man terug.

4.47

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof verwijst naar de randnummers 60 tot en met 62 van de memorie van antwoord.

4.48

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot zijn oordeel is gekomen dat de vrouw de voorhuwelijkse lening niet meer van de man kan terugvorderen. Het hof neemt deze gronden – na een eigen afweging te hebben gemaakt – over en maakt deze tot de zijne. Door de vrouw zijn in hoger beroep verder geen feiten en omstandigheden gesteld die maken dat van dit oordeel moet worden afgeweken.

Proceskosten

4.49

Nu de vrouw ook een procedure voert tegen de vennootschappen, en de vrouw op alle punten met betrekking tot haar vorderingen tegen de vennootschappen in het ongelijk wordt gesteld dient zij in de proceskosten van de vennootschappen te worden veroordeeld.

Nu erdoor man en de vennootschappen gezamenlijk verweer is gevoerd zal het hof het advocatentarief voor 1/3 toerekenen aan [geïntimeerde sub 2] en 1/3 van het advocatentarief toerekenen aan [geïntimeerde sub 3] Met betrekking tot de vennootschappen is een griffierecht van € 2.175,- in rekening gebracht.

4.50

De proceskosten tussen de man en de vrouw zal het hof zoals gebruikelijk compenseren.

5Beslissing

Het hof:

beveelt voor zover de procedure van de vrouw betrekking heeft op de partneralimentatie, zoals weergegeven in r.o. 4.19 – 4.27 in dit arrest, in de stand waarin deze zich momenteel bevindt, zal worden voortgezet met inachtneming van de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure;

bepaalt dat de vrouw haar verzoek in hoger beroep op dit punt uiterlijk op 16 juni 2026 schriftelijk kan aanvullen, welk stuk moet worden ingediend met vermelding van zaaknummer 200.358.026/01 bij de griffie van team familie van dit hof;

bepaalt dat de man vervolgens in de gelegenheid wordt gesteld om op 15 juli 2026 eveneens een aanvullend stuk in te dienen eveneens bij de griffie van team familie van dit hof met vermelding van zaaknummer 200.358.026/01;

houdt de behandeling van de zaak op dit onderdeel aan tot 29 juli 2026 en zal dan beslissen of een mondelinge behandeling nog noodzakelijk is of dat een beschikking zal worden afgeven;

bekrachtigt voor het overige het bestreden vonnis van 17 april 2024 tussen de man en de vrouw;

wijst af hetgeen meer of anders door de vrouw is gevorderd van de man;

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen de man en de vrouw, in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

bekrachtigt het bestreden vonnis van 17 april 2024 van de rechtbank Den Haag tussen de vrouw enerzijds en [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] anderzijds;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten van [geïntimeerde sub 2] als volgt begroot:

  • Griffiegeld € 1.087,50

  • 1/3 advocaatkosten € 4.145, -

veroordeelt de vrouw in de proceskosten van [geïntimeerde sub 3] als volgt begroot:

  • Griffiegeld € 1.087,50

  • 1/3 advocaatkosten € 4.145,-

verklaart dit arrest met betrekking tot de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af al hetgeen meer of anders door de vrouw van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, E.B.J. van Elden en J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733