Essentie (gemaakt door AI)
Bruidsgave – schending art. 21 Rv door vrouw wegens verzwijgen Iraanse kennisgeving en uitreisverbod – gevolgtrekking: hof bespreekt alsnog verweer man dat sprake is van een khul‑scheiding art. 1146 IBW. Toepassing Iraans recht niet in strijd met openbare orde; vrouw moet compensatie bieden en kan bruidsgave niet onverkort afdwingen. Man moet helft van banksaldi (€9.872,87) aan vrouw betalen. Vrouw draagt definitief de volledige kosten van het deskundigenbericht.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 03-07-2026 |
| Zaaknummer | 200.324.763_01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | 's-Hertogenbosch |
| Formele relaties | Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2024:2340 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Burgerlijk procesrecht; Civiel recht; Internationaal privaatrecht; Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; IPR huwelijksvermogensrecht; Familieprocesrecht; Waarheidsvinding in het familierecht |
| Wetsverwijzingen | Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 21 |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Bruidsgave – schending art. 21 Rv door vrouw – gevolgtrekking schending art. 21 Rv: hof bespreekt alsnog het verweer van man dat sprake is van een khul-scheiding – toepassing Iraans recht is niet is strijd met de openbare orde – vrouw moet vanwege schending art. 21 Rv alsnog de volledige kosten van het deskundigenbericht betalenVolledige uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 22 januari 2026
Zaaknummer: 200.324.763/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/275225 / FA RK 20-820
in de zaak in hoger beroep van:
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.W.M. van Doorn te Maastricht,
tegen
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam.
In deze zaak is Iraans recht van toepassing. Het geschil gaat over de bruidsgave en over de vraag of de man de helft van zijn tijdens het huwelijk verworven bezittingen aan de vrouw dient over te dragen (of een equivalent in contanten). Ook is in geschil of de vrouw ter zake van de giften en sieraden een bedrag aan de man verschuldigd is.
8De beschikking d.d. 18 juli 2024
Bij die beschikking heeft het hof geoordeeld:
Over de saldi van de bankrekeningen:
-
dat de mate van betrokkenheid van de Nederlandse rechtssfeer zodanig groot is dat de gewraakte bepaling uit de huwelijkse voorwaarden van partijen kennelijk in strijd moet worden geacht met de Nederlandse openbare orde zoals bedoeld in art. 10:6 BW, nu naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld dat een aanspraak op de helft van de bezittingen van de man afhankelijk wordt gesteld van de vraag of het verzoek tot echtscheiding afkomstig is van de vrouw dan wel van niet nader omschreven “schending van haar verplichtingen of wangedrag”;
-
dat het aangewezen recht kan worden toegepast zonder de regel die kennelijk in strijd moet worden geacht met de openbare orde;
-
dat de man de helft van de bezittingen die hij tijdens het huwelijk heeft verworven, of een equivalent daarvan in contanten, aan de vrouw ter beschikking dient te stellen. De vrouw heeft haar verzoek beperkt tot de banksaldi.
-
dat de man de saldi op de bankrekeningen die (ook mede) op zijn naam staan op de peildatum 25 oktober 2019, met behoorlijke verificatoire bescheiden dient te onderbouwen.
Over de bruidsgave:
-
dat niet in geschil is dat de man een aantal Bahar Azadi gouden munten aan de vrouw verschuldigd is;
-
dat het verweer van de man waarbij hij zich beroept op art. 1146 van het Iraanse Burgerlijk Wetboek (IBW) eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is gevoerd, derhalve ná het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, en dat het interne procesrecht – te weten de twee-conclusie-leer – in de weg staat aan een inhoudelijk beoordeling hiervan. Van een uitzondering op deze in beginsel strakke regel is immers niet gebleken;
-
dat de man niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat partijen na de huwelijkssluiting nader zijn overeengekomen dat de bruidsgave een omvang heeft van 21 Bahar Azadi gouden munten en dat moet worden uitgegaan van de in de huwelijksakte vermelde 1364 Bahar Azadi gouden munten.
-
dat het hof vervolgens toekomt aan het draagkrachtverweer van de man en dat in dat kader het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) zal worden benoemd tot deskundige om antwoord te geven op de volgende vragen:
o Is er in het Iraanse recht ruimte voor het herijken en/of corrigeren van het recht van de vrouw op de bruidsgave door de rechter en zo ja, op basis van welke criteria wordt dit beoordeeld?
o Hoe wordt hier door de Iraanse rechter in de praktijk mee omgegaan?
o Heeft u nog andere opmerkingen die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn?
Over giften en sieraden:
- dat tijdens de huwelijkssluiting giften en sieraden zijn verkregen die gemeenschappelijk eigendom zijn geworden niet is gebleken. Dat de giften en sieraden eigendom zijn van de man evenmin. De man heeft in hoger beroep weliswaar een vertaling van de foto’s van een notitieboekje overgelegd, maar daarmee is niet komen vast te staan dat de in dit notitieboekje vermelde giften en sieraden gezamenlijk eigendom zijn van partijen. De vrouw heeft bovendien ontkend dat het haar handschrift is. Ook blijkt niet uit de overgelegde facturen dat de tijdens het huwelijk gekochte sieraden eigendom zijn van de man. Tenslotte is de door de man gestelde waarde door de man niet onderbouwd en door de vrouw betwist. De grief van de man faalt en zijn verzoek in incidenteel hoger beroep wordt afgewezen.
9Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Bij het hof zijn na de tussenbeschikking van 18 juli 2024 de volgende stukken ingekomen:
-
V6-formulier van de advocaat van de man d.d. 15 augustus 2024 met producties 7 tot en met 9;
-
V6-formulier en brief van de advocaat van de vrouw d.d. 20 augustus 2024;
-
brief van het IJI van 28 augustus 2024;
-
deskundigenbericht van het IJI van 13 mei 2025, ontvangen op 14 mei 2025;
-
V8-formulier en brief van de advocaat van de man d.d. 3 juni 2025;
-
V8-formulier van de advocaat van de man d.d. 4 juni 2025;
-
V6-formulier en brief van de advocaat van de man d.d. 9 juni 2025, ontvangen op 10 juni 2025 met producties 1 tot en met 24;
-
V5-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 3 juli 2025;
-
V8-formulier van de advocaat van de man d.d. 3 juli 2025;
-
V6-formulier en akte houdende reactie op deskundigenrapport van IJI en op reactie man van de advocaat van de vrouw d.d. 5 augustus 2025, ontvangen op 6 augustus 2025.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
de vrouw, bijgestaan door mr. Van Doorn, alsmede (telefonisch) tolk Farsi, I. Sultani, tolknummer 23544;
-
de man, bijgestaan door mr. Rezaie, alsmede tolk Engels, M. Kenninck-Van Veen, tolknummer 1008.
Mr. Van Doorn heeft bij brief van 20 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen de door mr. Rezaie overgelegde producties 7 en 9. Mr. Rezaie heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof laat de producties 7 en 9 buiten beschouwing nu de man alleen in de gelegenheid is gesteld om de in rov. 5.14 van de tussenbeschikking van 18 juli 2024 genoemde stukken in het geding te brengen, hetgeen hij met productie 8 heeft gedaan.
Mr. Van Doorn heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de akte van mr. Rezaie van 9 juni 2025. Deze akte is volgens mr. Van Doorn in strijd met de twee-conclusie-leer omdat de man diverse nieuwe argumenten opwerpt en diverse nieuwe standpunten inneemt die noch in eerste aanleg noch bij gelegenheid van het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep naar voren zijn gebracht. Deze nieuwe grieven dienen buiten behandeling te blijven. Evenmin is er aanleiding om terug te komen op een bindende eindbeslissing.
Het hof zal hierna bij de beoordeling ingaan op de hiervoor weergegeven bezwaren van de zijde van de vrouw.
10De verdere beoordeling
Saldi bankrekeningen
Bij voornoemde brief van 15 augustus 2024 heeft de man als productie 8 bankafschriften overgelegd van zijn banksaldi op de peildatum, 25 oktober 2019. Daaruit blijken de volgende (eind)saldi:
- ING Orange Savings Account [nummer 1] € 0,--
- ING Green Account [nummer 2] - € 7,26
- ING Green Account [nummer 3] € 809,35
- Oranje Spaarrekening [nummer 4] € 16.500,--
- Betaalrekening [nummer 4] € 2.443,65
De man heeft aangevoerd dat van de beginsaldi op 25 oktober 2019 moet worden uitgegaan, terwijl volgens de vrouw van de eindsaldi op 25 oktober 2019 moet worden uitgegaan. Met de vrouw is het hof van oordeel dat van de eindsaldi op 25 oktober 2019 moet worden uitgegaan omdat de peildatum van 25 oktober 2019 eindigt op die datum om 23.59 uur. Op 25 oktober 2019 bedroeg het totale (positieve) saldo op genoemde rekeningen € 19.745,74. De man dient de helft, derhalve een bedrag van € 9.872,87 aan de vrouw te betalen. De man heeft ter zitting nog aangevoerd dat de saldi niet meer aanwezig zijn omdat deze zijn besteed aan advocaatkosten. Dat staat aan de verplichting van de man om aan de vrouw een bedrag van € 9.872,87 te betalen echter niet in de weg.
Bruidsgave
Het IJI heeft in het deskundigenbericht van 13 mei 2025 samengevat aangegeven dat de rechter naar Iraans recht niet bevoegd is om de hoogte van de bruidsgave te herijken c.q. corrigeren, tenzij sprake is van een wilsgebrek bij de totstandkoming van de overeenkomst van bruidsgave. Op grond van art. 22 van de Wet op bescherming van het gezin (FPA) in samenhang met art. 2 van de Wet inzake de tenuitvoerlegging van geldvorderingen 1998, welk artikel is vervangen door de art. 3 en 7 Wet inzake de tenuitvoerlegging van geldvorderingen 2015 kan de vrouw de bruidsgave tot 110 Bahar Azadi gouden munten of een equivalente waarde daarvan ten uitvoer leggen. Bij het uitblijven van betaling, zijn daaraan strafrechtelijke sancties verbonden en wordt de man in hechtenis genomen. Indien de man kan bewijzen dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de bruidsgave tot 110 Bahar Azadi gouden munten of de equivalente waarde daarvan te voldoen, kan de rechter bepalen dat hij dit deel in termijnen mag betalen, of uitstel van betaling verlenen.
Aan de tenuitvoerlegging van het deel van de bruidsgave boven 110 Bahar Azadi gouden munten of een equivalente waarde daarvan zijn geen strafrechtelijke sancties verbonden. In art. 22 FPA is met betrekking tot dit deel van de bruidsgave een bewijsregel opgenomen. De vrouw die dit deel van de bruidsgave opeist dient te bewijzen dat de man daartoe voldoende draagkracht heeft. Kan de vrouw dat niet bewijzen, dan wordt de tenuitvoerlegging van haar vordering voor dat deel geweigerd.
De man heeft naar aanleiding van het deskundigenbericht aangevoerd dat het hof dient terug te komen op de bindende eindbeslissing in rov. 5.18.2 van de tussenbeschikking van 18 juli 2024 waarin het hof voorbij is gegaan aan het beroep op art. 1164 IBW. De man heeft zich niet beroepen op processuele regels maar op Iraans recht dat van openbare orde is. De Nederlandse rechter dient de inhoud van het buitenlandse recht ambtshalve vast te stellen.
Na de tussenbeschikking hebben zich nieuwe ontwikkelingen voorgedaan in de Nederlandse rechtspraak die ertoe leiden dat het oordeel van het hof over de verschuldigdheid van de bruidsgave niet langer houdbaar is. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 18 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1474) verduidelijking geboden over de bepaling van het toepasselijk recht op grond van de Rome I-verordening en art. 10:8 BW.
De bruidsgave in de huwelijksakte moet worden beoordeeld in het licht van de redelijkheid en billijkheid, met name gelet op de financiële ongelijkheid tussen partijen. Hoewel die stellingen destijds niet in juridisch-technische termen waren geformuleerd, sluiten zij aan bij de zorgen die thans zowel in het IJI-rapport alsook in genoemd arrest van de Hoge Raad worden benadrukt. Het IJI rapport bevestigt dat volgens de Nederlandse rechtsbeginselen – waaronder redelijkheid en billijkheid – de afdwingbaarheid en de reikwijdte van een bruidsgave aan herijking onderhevig kunnen zijn.
De inhoud van het IJI rapport levert voortschrijdend inzicht op. Er is sprake van een Khul-echtscheiding (art. 1146 IBW) nu de vrouw de echtscheiding heeft verzocht. Zij moet afstand doen van haar recht op de bruidsgave als compensatie voor de instemming van de man met de ontbinding van het huwelijk. Ook is bewijs dat sprake is van een Mubarat-echtscheiding (art. 1147 IBW), waarbij sprake is van wederzijds ‘dislike’ van partijen. In zulke gevallen moet de vrouw eveneens afstand doen van haar aanspraak op de bruidsgave. Het uitsluiten van dit kernbeginsel brengt het risico met zich dat het eindoordeel van het hof onjuist dan wel onvolledig zal zijn. Bovendien kan art. 6 EVRM in het geding komen, dat het recht op een eerlijk proces waarborgt.
Voorts is sprake van een wilsgebrek bij de totstandkoming van de bruidsgave.
Ten slotte is sprake van forumshopping: op 26 november 2019 is de vrouw in Iran een procedure tot inning van de bruidsgave gestart, voordat zij om tenuitvoerlegging daarvan bij de Nederlandse rechter verzocht. Ook heeft de man een uitreisverbod gekregen (zie prod. 11 bij de akte). Later, in juli 2021, startte de vrouw de tenuitvoerleggingsprocedure van dezelfde bruidsgave bij de Nederlandse rechter. De vrouw weigert nog altijd om de echtscheidingsprocedure in Iran af te ronden, ondanks herhaalde verzoeken van de man daartoe, wetende dat wanneer de man de echtscheiding initieert hij volledig aansprakelijk wordt gesteld voor de bruidsgave.
In reactie op het IJI rapport en de reactie van de man daarop voert de vrouw aan dat zij zich kan vinden in de conclusies van het IJI en dit als volgt, samengevat, toegelicht.
Omdat het hier feitelijk om een draagkrachtverweer gaat aan de zijde van de man, is een omkering van de bewijslast onredelijk bezwarend voor haar en raakt zij hiermee ook in bewijsnood. Dit kan, alle omstandigheden in aanmerking genomen, strijd opleveren met de openbare orde op grond van art. 10:6 BW en de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 november 2021.
Primair dient de in art. 22 van de Wet op bescherming van het gezin (FPA) opgenomen bewijsregel buiten toepassing te blijven wegens strijd met de openbare orde en het rechtsbeginsel binnen de Nederlandse wet dat bepaalt dat een partij die zich beroept op rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten de bewijslast draagt van die feiten of rechten (art. 150 Rv) . Het is dan aan de man om aan te tonen met verificatoire bescheiden dat het hem aan enige draagkracht en/of vermogen ontbreekt om de vordering van de vrouw te voldoen.
Uit het rapport van het IJI kan worden afgeleid dat vaststaat dat de man aan de vrouw het overeengekomen aantal van 1363 Bahar Azadi gouden munten dient te voldoen en dat 110 munten met een tegenwaarde van € 427,-- per munt, dus in totaal € 46.970,-- voor toewijzing gereed ligt. Voor het surplus van 1254 gouden munten met een tegenwaarde van € 535.458,-- geldt dat de man dient te bewijzen dat het hem hiervoor aan draagkracht ontbreekt. De man heeft in zijn verweerschrift op geen enkele wijze iets aangevoerd dan wel bewijs hiervan aangeboden, zodat aan dit draagkrachtverweer voorbij dient te worden gegaan.
De uitgebreide schriftelijke reactie van de man dient buiten behandeling te blijven wegens strijd met de twee-conclusie-leer. De man werpt diverse nieuwe argumenten op en neemt diverse nieuwe standpunten in, die noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep naar voren zijn gebracht, zodat deze als zijnde nieuwe grieven buiten behandeling dienen te blijven. Het hof heeft in rov. 5.18.2 van de tussenbeschikking van 18 juli 2024 geoordeeld dat het beroep van de man op art. 1146 IBW en dan met name de khul-scheiding in strijd is met de twee-conclusie-leer. Het hof heeft op goede gronden en onder verwijzing naar geldende jurisprudentie van de Hoge Raad beslist en het eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling opgeworpen verweer van de man gepasseerd wegens strijd met de naar Nederlands recht geldende processuele regels. Van een uitzondering op deze in beginsel zeer strakke regels is geen sprake.
De man verwijst naar recente ontwikkelingen die zich zouden hebben voorgedaan binnen de Nederlandse rechtspraak over de verschuldigdheid van de bruidsgave. Van een situatie als in de uitspraak van de Hoge Raad van 14 februari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:258)
– waaruit kan worden afgeleid dat de mogelijkheid bestaat om een bindende eindbeslissing te heroverwegen om te voorkomen dat een einduitspraak wordt gedaan op een feitelijk of juridische onjuiste grondslag – is geen sprake. De man heeft zijn thans opgeworpen argumenten en stellingen eenvoudigweg niet tijdig in hoger beroep ingebracht. Ook de door de man aangehaalde uitspraken van andere hoven bieden geen opening voor een uitzondering, nu in die twee procedures wél tijdig een beroep werd gedaan op art. 1146 IBW en in een procedure de echtscheiding in had Iran plaatsgevonden.
Het hof overweegt het volgende.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat zij op hetzelfde moment dat zij in Nederland het echtscheidingsverzoek indiende (25 oktober 2019) in Iran een kennisgevingsprocedure is gestart. Uit prod.11 bij voornoemde akte van de man blijkt dat op 26 november 2019 in Iran een bevel tot uitvoering is gegeven waarin de vrouw aanspraak maakt op incassering van de bruidsgave van 1364 volle Bahar-Azadi-munten .
Op 23 juli 2021 heeft de vrouw in de Nederlandse echtscheidingsprocedure om betaling van de bruidsgave in euro’s verzocht. Zij heeft daarbij geen melding gemaakt van de kennisgeving van 26 november 2019.
Vervolgens is op 30 november 2024 een uitreisverbod aan de man opgelegd omdat hij de bruidsgave nog niet aan de vrouw heeft voldaan. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij niet om een uitreisverbod heeft gevraagd maar dat dit door de Iraanse overheid wordt gedaan als de bruidsgave nog niet is betaald.
Het hof acht aannemelijk dat de man pas op 30 november 2024 op de hoogte is gesteld van de kennisgeving, toen op die datum een uitreisverbod aan hem is opgelegd. Volgens de vrouw is de kennisgeving van 26 november 2019 naar het adres van de ouders van de man in Iran verzonden. Dat is onvoldoende om te kunnen oordelen dat de kennisgeving de man in 2019 heeft bereikt. Desgevraagd heeft de vrouw aangeven dat zij de man niet zelf over de kennisgeving heeft geïnformeerd.
Schending art. 21 Rv
Het hof ziet aanleiding om ambtshalve te toetsen of de vrouw de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv heeft geschonden. Daarbij is het volgende van belang.
De waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 komt neer op het volgende (zie A-G De Bock in haar conclusie van 15 januari 2021 ECLI:NL:PHR:2021:38 voor het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144 ). Partijen mogen in elk geval:
-
i) Geen feiten stellen waarvan zij weten dat die feiten niet juist zijn of niet juist kunnen zijn;
-
ii) Geen feiten ontkennen waarvan zij weten dat die juist zijn; en
-
iii) Geen feiten achterhouden waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been wordt gezet (Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, 3, p. 53)
Onder dit laatste valt ook het geval dat een partij slechts een deel van het verhaal vertelt en enkel de daarbij behorende stukken overlegt. Opzet is niet vereist om een schending van de waarheids- of volledigheidsplicht aan te nemen. Het gaat erom of een partij de relevantie van een bepaald feit of het niet correct zijn van een feit kende of behoorde te kennen. Met art. 21 Rv wordt beoogd het achterhouden en verdoezelen van voor de beslissing relevante feiten uit te bannen, waardoor de rechterlijke beslissing zoveel mogelijk op waarheid berust. Doel van art. 21 is te bevorderen dat het geschil in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure ‘uit de verf komt’, dit in samenhang met de zogeheten substantiëringsplicht en bewijsaandraagplicht.
Wanneer eenmaal op grond van een bepaalde feitenconstellatie aan de rechter wordt gevraagd een beslissing te geven in een geschil, dan mag een partij de taak van de rechter, een juiste beslissing te geven over het geschil van partijen, niet bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken, door hem benodigde gegevens, die wel binnen het bedoelde kader vallen, te onthouden (MvA I, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 152).
Een partij mag de feiten niet welbewust verdraaien. Zij moet ook op vragen van de rechter en de wederpartij naar waarheid antwoorden. Een en ander kan meebrengen dat op een procespartij een spontane mededelingsplicht kan rusten ten aanzien van feiten die voor haar eigen standpunt ongunstig zijn, maar wel kunnen bijdragen aan het ‘gelijk’ van de wederpartij en waarvan zij wist of behoorde te weten dat de wederpartij niet met de feiten bekend was of redelijkerwijze bekend behoorde te zijn.
Het hof is van oordeel dat de vrouw de man en de rechter in Nederland niet volledig heeft geïnformeerd en daarmee art. 21 Rv heeft geschonden.
Het is een keuze van de vrouw geweest om in Iran alleen de bruidsgave op te eisen en niet tevens een verzoek tot echtscheiding in te dienen. Had zij dat wel gedaan dan zou sprake zijn geweest van een kuhl-scheiding. Dat zou consequenties hebben gehad voor de door haar opgeëiste bruidsgave. Nu de vrouw de man niet op de hoogte heeft gesteld van de kennisgeving en zij wist, althans hoorde te weten, dat er vanuit de Iraanse overheid een uitreisverbod zou worden uitgevaardigd, belemmert de vrouw de man in zijn mogelijkheden om vrij naar Iran te reizen. De ouders van de man wonen in Iran. Het is voor de man thans niet mogelijk om zijn ouders te bezoeken omdat hij het land niet meer mag verlaten.
De vrouw heeft, als gevolg van de keuze om een kennisgeving in Iran uit te brengen en de man hierover niet te informeren, de man ook belemmerd in het voeren van verweer tegen haar verzoek om de bruidsgave in Nederland.
Bovendien heeft zij de Nederlandse rechter niet volledig en naar waarheid geïnformeerd over alle van belang zijnde feiten en omstandigheden. Het is immers een omstandigheid van belang dat de vrouw in Iran de volledige bruidsschat heeft opgeëist maar aldaar geen verzoek tot echtscheiding heeft gedaan.
Geraden gevolgtrekking schending van art. 21 Rv
De vraag is welke gevolgtrekking aan het schenden van art. 21 Rv het hof geraden acht. Indien de man reeds op 26 november 2019 was geïnformeerd over de kennisgeving van de in Iran door de vrouw opgeëist bruidsgave en het uitreisverbod dat daarop zou volgen bij het uitblijven van betaling door de man, had de man zijn verweer mogelijk anders ingekleed toen de vrouw op 23 juli 2021 ook in Nederland betaling wenste van de bruidsgave. Dat het hof thans niet kan vaststellen welk verweer de man zou hebben gevoerd indien hij op de hoogte was van de kennisgeving in Iran, dient voor rekening en risico van de vrouw te komen. Het hof ziet daarom aanleiding, op grond van het bepaalde in art. 21 Rv, om alsnog in te gaan op het verweer van de man dat sprake is van een kuhl-scheiding.
khul-scheiding en compensatie
Naar Iraans recht kan de vrouw de echtscheiding alleen bewerkstelligen met medewerking van de man tenzij sprake is van een, naar Iraans recht, erkende echtscheidingsgrond. Om medewerking te verkrijgen, moet de vrouw aan de man op grond van art. 1146 Iraans Burgerlijk Wetboek (IBW) een compensatie aanbieden (de zgn. khul-scheiding). Dat in deze zaak sprake is van een erkende echtscheidingsgrond is niet gesteld en ook anderszins niet gebleken. Dat betekent dat naar Iraans recht sprake is van een khul-scheiding.
Art. 1146 IBW bepaalt dat, in het geval van een khul-scheiding, de vrouw aan de man een compensatie dient te betalen die bestaat uit de bruidsgave of het geldelijk equivalent daarvan (of meer of minder).
Het hof dient eerst zelf ambtshalve te beoordelen of de toepassing van Iraans recht op dit punt in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Voor die beoordeling acht het hof van belang dat de bruidsgave een rechtsfiguur van het islamitische recht is. Het is een verplicht onderdeel bij het aangaan van een huwelijk waarbij het gaat om een (op ieder moment vanaf de huwelijkssluiting opeisbare) vordering van de vrouw op de man ter gelegenheid van de huwelijkssluiting en bedoeld om de vrouw te beschermen tegen de financiële gevolgen van een echtscheiding op initiatief van de man. De achtergrond hiervan is dat naar islamitisch recht door het huwelijk in beginsel geen huwelijksgemeenschap tussen echtgenoten ontstaat, zodat de vrouw na de ontbinding van het huwelijk geen recht heeft op een deel van het vermogen van de man. De bruidsgave voorziet daarmee in enige bestaanszekerheid voor de vrouw in geval van echtscheiding (andersom kan de man bij echtscheiding geen recht doen gelden op een deel van het vermogen van de vrouw).
Van strijd met de openbare orde is naar het oordeel van het hof in deze zaak geen sprake. Weliswaar leidt toepassing van de bepaling in art. 1146 IBW in het geval van een khul’-scheiding tot negatieve financiële consequenties voor de vrouw (zij kan geen onverkorte nakoming vorderen van de overeenkomst in de huwelijksakte) maar daar staat tegenover dat de vrouw - zoals het hof reeds oordeelde in de beschikking van 18 juli 2024 –
gerechtigd is tot een deel van het vermogen van de man (de saldi op de bankrekeningen). In die situatie valt niet zonder meer te begrijpen waarom het gevolg van de bepaling in art. 1146 IBW voor de vrouw niet kan worden geduld (en het gevolg van de terzijdestelling van deze bepaling voor de man – het moeten betalen van de bruidsgave – wel aanvaardbaar zou zijn).
Het hof ziet aanleiding om de compensatie als bedoeld in art. 1146 IBW vast te stellen op het bedrag dat uitkomt boven het bedrag dat de rechtbank in de bestreden beschikking heeft vastgesteld als het aan de vrouw toekomende bedrag van 21 Bahar Azadi gouden munten, ofwel € 8.967,--, nu de vrouw niet slechter mag worden van het door haar ingestelde hoger beroep.
Het voorgaande betekent dat het hof terzake art. 1146 IBW in zoverre terugkomt op de bindende eindbeslissing in de tussenbeschikking van 18 juli 2024, die inhield dat het beroep van de man op voornoemd artikel als in strijd met de twee – conclusie-leer niet wordt behandeld. Het hof acht dat, gegeven de schending van art. 21 Rv (die niet eerder dan de verklaringen van de vrouw over de kennisgeving tijdens de mondelinge behandeling, kon worden vastgesteld) zoals hiervoor overwogen op zijn plaats. De in rov. 9.4 genoemde bezwaren van de vrouw worden dan ook verworpen.
Kosten deskundigenbericht
De vrouw is bij tussenbeschikking van 18 juli 2024 belast met de helft van het voorschot voor de kosten van het deskundigenbericht waarbij is bepaald dat dit voorschot voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komt. De kosten van het deskundigenbericht komen thans definitief voor rekening van de vrouw. Het hof zou, gelet op het voorgaande, immers niet zijn toegekomen aan het draagkrachtverweer van de man. Een deskundigenonderzoek was in dat geval niet nodig geweest.
Het hof veroordeelt de vrouw in de kosten van het deskundigenbericht op nagenoemde wijze.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking van 28 december 2022 moet worden vernietigd ten aanzien van de afwijzing van het verzoek van de vrouw om de saldi op de bankrekeningen van de man te verdelen bij helfte. Het hof zal bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 9.872,87 uit hoofde van verdeling van de banksaldi dient te betalen. Voorts komen de kosten van het deskundigenbericht ten laste van de vrouw.
Proceskosten
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep (met uitzondering van de kosten van het deskundigenbericht) tussen partijen compenseren nu zij gewezen echtgenoten zijn.
11De beslissing
Het hof:
op het principaal en incidenteel appel:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 28 december 2022 doch uitsluitend voor wat betreft de afwijzing van het verzoek van de vrouw om de banksaldi van de man bij helfte te verdelen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man aan de vrouw uit hoofde van overbedeling van de banksaldi een bedrag van € 9.872,87 dient te betalen;
bepaalt dat de vrouw ter zake van de kosten van het deskundigenbericht een bedrag van € 1.960,20 aan de man dient te betalen;
veroordeelt de vrouw tot betaling aan de griffier van dit hof van de voorlopig in debet gestelde som van de schadeloosstelling en het loon van de deskundige ten bedrag van € 1.960,20, welk bedrag dient te worden voldaan aan de hand van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 28 december 2022 voor het overige;
compenseert de proceskosten (met uitzondering van de kosten van het deskundigenbericht) in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026 in tegenwoordigheid van mr. L. Kramer, griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
