Rechtbank Overijssel 25-06-2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3501

Essentie (gemaakt door AI)

Verzoek bijdrage kosten van studie en levensonderhoud door jongmeerderjarige. Behoefte en onderhoudsplicht ouders staan vast. De rechtbank past matiging toe op grond van art. 1:399 BW wegens grievend gedrag van de jongmeerderjarige richting ouders, waaronder aannemelijk fysiek letsel bij moeder en belastende aangiftes met ingrijpende gevolgen voor ouders. Het verzoek van de jongmeerderjarige wordt afgewezen en het verzoek van de ouders om de bijdrage op nihil te stellen wordt toegewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Jongmeerderjarige krijgt geen alimentatie door eigen, grievend gedrag: nihilstelling
Jongmeerderjarige heeft moeder fysiek letsel toegebracht; ouders hebben in grote mate dagelijks emotioneel en fysiek veel last van wat er is gebeurd en de aangiftes die daarna zijn gevolgd. Alimentatie voldoen, heeft "kwetsend karakter".

Datum publicatie02-07-2026
ZaaknummerC/08/331606 / FA RK 25-953
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsZwolle
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Grievend gedrag jongmeerderjarige
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek bijdrage kosten van studie en levensonderhoud door jongmeerderjarige. Bijdrage op nihil stellen vanwege grievend gedrag van de jongmeerderjarige richting de ouders (artikel 1:399 BW) .

Volledige uitspraak


RECHTBANK OVERIJSSEL

Familierecht

locatie Zwolle

zaaknummer: C/08/331606 / FA RK 25-953

Beschikking van 25 juni 2026

in de zaak van:

[jongmeerderjarige] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: [jongmeerderjarige] ,

advocaat mr. J. Bouwhuis,

tegen

[ouder 1] en [ouder 2] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de vader respectievelijk de moeder, samen: de ouders,

advocaat mr. S.C.M. Koerhuis (voorheen: mr. M.E. Kikkert).

1De procedure

1.1.

Bij beschikking van deze rechtbank van 6 november 2025 is de beslissing op het verzoek van [jongmeerderjarige] over een door de ouders te betalen bijdrage in zijn kosten van studie en levensonderhoud aangehouden. [jongmeerderjarige] en de ouders hadden op de zitting van 6 november 2025 namelijk afgesproken om in mediation te gaan. De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:

  • een F-formulier van [jongmeerderjarige] van 28 januari 2026,

  • een bericht van Bureau Mediation van 2 april 2026, en

  • een brief met bijlagen van [jongmeerderjarige] van 18 mei 2026.

1.2.

Het verzoek is verder besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren van 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • [jongmeerderjarige] met zijn advocaat, en

  • de ouders met hun advocaat.

2De feiten

2.1.

Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar de tussenbeschikking van 6 november 2025.

3De aangehouden verzoeken

3.1.

Gebleken is dat [jongmeerderjarige] en de ouders tijdens de mediation niet tot overeenstemming zijn gekomen. Dit betekent dat de rechtbank een beslissing moet nemen op het verzoek van [jongmeerderjarige] om een door de ouders te betalen bijdrage in de kosten van zijn studie en levensonderhoud en op het verzoek van de ouders om de bijdrage op nihil te bepalen.

4De verdere beoordeling

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat [jongmeerderjarige] ingeschreven staat voor een opleiding bij het Windesheim. [jongmeerderjarige] geeft aan dat hij vertraging heeft opgelopen, maar dat hij de opleiding wel volgt. Dit blijkt ook uit een door hem overgelegd bewijs van inschrijving van het studiejaar 2025-2026. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank in beginsel de behoefte van [jongmeerderjarige] aan een bijdrage vast. Ook staat vast dat de ouders op grond van de wet onderhoudsplichtig zijn voor [jongmeerderjarige] .

4.2.

De onderhoudsplicht van de ouders jegens [jongmeerderjarige] is, in tegenstelling tot de onderhoudsplicht van ouders jegens hun minderjarige kinderen, niet uitgezonderd van de aan de rechter verleende matigingsbevoegdheid van artikel 1:399 BW. Op grond van dat artikel kan de rechter de verplichting van bloed- en aanverwanten tot levensonderhoud matigen op grond van zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd.
Het hoeft hierbij niet persé te gaan om misdragingen van de onderhoudsgerechtigde. Ook andere gedragingen die grievend zijn voor de onderhoudsplichtige kunnen leiden tot matiging.
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat ook niet het gedrag op zich, maar het door het kind bij zodanig gedrag vragen om financiële ondersteuning van de onderhoudsplichtige ouder een dermate kwetsend karakter voor laatstgenoemde moet hebben dat van betrokkene de gevraagde onderhoudsbijdrage in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd. De matiging kan zover gaan dat geen bijdrage in het levensonderhoud verschuldigd is.

4.3.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat er veel is gebeurd. [jongmeerderjarige] en de ouders hebben een totaal andere visie op alles wat tussen hen is voorgevallen. De rechtbank zal zich beperken tot de vraag of in dit geval sprake is van zodanige omstandigheden dat zij het redelijk acht gebruik te maken van haar matigingsbevoegdheid van artikel 1:399 BW.

4.4.

De rechtbank constateert dat voldoende vaststaat dat ten gevolge van gebeurtenissen in het verleden de relatie tussen [jongmeerderjarige] en de ouders ernstig verstoord is. Op de zittingen werd dit wederom pijnlijk duidelijk. De rechtbank betreurt het voor [jongmeerderjarige] en de ouders dan ook dat het mediationtraject niet is geslaagd.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat er op 16 april 2024 een incident heeft plaatsgevonden tussen [jongmeerderjarige] en de moeder/de ouders. [jongmeerderjarige] is daarna ergens anders gaan wonen. Volgens de ouders heeft [jongmeerderjarige] de moeder tegen haar bovenbeen getrapt en bij haar keel gegrepen. De moeder heeft een foto overgelegd van een grote blauwe plek op haar been en een plek in haar hals/nek. Volgens de moeder heeft [jongmeerderjarige] deze plekken veroorzaakt. Naast deze foto’s heeft de moeder verklaringen van haarzelf, de vader en de twee broers van [jongmeerderjarige] overgelegd. Zij verklaren alle vier over de gebeurtenissen op 16 april 2024. Deze verklaringen komen overeen met de visie van de moeder op hetgeen is voorgevallen. Ook is de moeder op 22 april 2024 bij de huisarts geweest. Hij heeft het letsel geconstateerd en beschreven (bloeduitstorting van 10 cm en pijnlijke nek/hals).

4.6.

[jongmeerderjarige] heeft aangifte gedaan omdat hij in zijn jeugd mishandeld zou zijn door de ouders en omdat hij op 16 april 2024 door beide ouders zou zijn geschopt en geslagen. Hij geeft aan dat hij is aangevallen en zich heeft moeten verdedigen tegen zijn ouders. [jongmeerderjarige] stelt een onveilige jeugd te hebben gehad en daar nog steeds last van te hebben. De officier van justitie heeft aangegeven dat de aangifte onvoldoende is onderbouwd, omdat er geen steunbewijs is. Daardoor is de aangifte niet verder in behandeling genomen. [jongmeerderjarige] geeft aan dat hij ook last heeft van dat wat is gebeurd en dat hij daardoor ook studievertraging heeft opgelopen.

4.7.

De ouders geven aan dat [jongmeerderjarige] steeds heeft gedreigd met het doen van aangifte, omdat hij wist dat dat voor beide ouders vergaande gevolgen zou hebben. De vader werkt bij de politie en ook de moeder heeft een VOG nodig voor haar werk. Dat [jongmeerderjarige] de moeder heeft mishandeld, twee keer, volgens de ouders valse, aangifte heeft gedaan, dreigementen heeft geuit en weigert met hulpverlening in gesprek te gaan, vinden de ouders bijzonder grievend. Door de aangifte is de vader namelijk buiten dienst gesteld voor de duur van acht maanden. Ook is door dit alles de PTSS van de vader volgens hem verergerd. De vader geeft aan nog steeds niet te kunnen werken en bij een psycholoog te lopen. Daar kan de behandeling nog niet starten omdat deze procedure nog loopt. De moeder geeft aan zes maanden (deels) niet te hebben kunnen werken door de fysieke en emotionele impact van het handelen van [jongmeerderjarige] . Dit blijkt ook uit het door haar overgelegde overzicht van Mijn AFAS. Daarnaast geeft zij aan dat zij naar de psycholoog gaat en last heeft van paniekaanvallen en hyperventilatie. Ook de broers van [jongmeerderjarige] hebben volgens de ouders en hun verklaringen last van wat er is gebeurd. Toch hebben de ouders geen aangifte gedaan, omdat zij dat niet willen voor de toekomst van [jongmeerderjarige] .

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde stukken, de verklaringen en de behandeling op de zitting blijkt dat wat er gebeurd is bij zowel [jongmeerderjarige] als de ouders diepe sporen heeft nagelaten. De rechtbank stelt voorop dat de huidige procedure over de alimentatie geen strafrechtelijke procedure is waarbij zaken wettig en overtuigend vast moeten komen te staan. Gelet op de overgelegde stukken acht de rechtbank in deze procedure voldoende aannemelijk geworden dat [jongmeerderjarige] de moeder fysiek letsel heeft toegebracht. [jongmeerderjarige] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betwist dat, los van wat er precies is gebeurd, beide ouders nog steeds in grote mate dagelijks emotioneel en fysiek veel last hebben van wat er is gebeurd en de aangiftes die daarna zijn gevolgd. Zij komen nog niet toe aan behandeling omdat zij nog in deze alimentatieprocedure verwikkeld zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende is gebleken dat het maandelijks moeten voldoen van een bijdrage aan [jongmeerderjarige] voor de ouders een dermate kwetsend karakter heeft dat dit in redelijkheid niet van de ouders kan worden gevergd. De ouders maar ook [jongmeerderjarige] moeten hetgeen wat is gebeurd verwerken, terwijl het voldoen van de bijdrage de verwerking van de ouders in de weg staat. De rechtbank hoopt dat door de duidelijkheid die de beschikking geeft het de ouders en [jongmeerderjarige] lukt om het verleden te verwerken, zodat er in de toekomst wellicht weer ruimte ontstaat voor contact. De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het verzoek van [jongmeerderjarige] afwijzen en het verzoek van de ouders toewijzen. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan het bespreken van het inkomen van [jongmeerderjarige] en zijn behoeftigheid.

4.9.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals

is verzocht. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.10.

De rechtbank zal beslissen dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat het gaat om een procedure tussen ouders en een kind.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt de door de ouders aan [jongmeerderjarige] te betalen bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud op nihil,

5.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen,

5.4.

wijst de verzoeken voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. Couperus - van Kooten, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. S.M.T. Damman, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

a. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733