Essentie (gemaakt door AI)
Internationale echtscheiding met nevenvoorzieningen. Rechtsmacht aangenomen voor alimentatie en verdeling. Toepasselijk recht partneralimentatie: ondanks woonplaats van vrouw in Italië wordt op grond van art. 5 Haags Protocol 2007 Nederlands recht toegepast wegens nauwere verbondenheid met het huwelijk; beslissing rechtbank bekrachtigd en bijdrage blijft € 2.091 bruto p/m. Huwelijksvermogensregime: HHV 1978, wagonstelsel; vanaf 10-7-2013 NL recht. Vruchten van mans privé-appartement (huur) blijven, ook na rechtsovergang, onder Italiaans regime in de huwelijksNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 02-07-2026 |
| Zaaknummer | 200.358.077/01 en 200.358.078/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Formele relaties | Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:13123, Bekrachtiging/bevestiging |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Internationale echtscheiding met nevenvoorzieningen. Toepasselijk recht op de partneralimentatie. Alimentatiegerechtigde heeft inmiddels woonplaats in Italië. Beroep op artikel 5 van het Haags Protocol van 2007. Nauwe verbondenheid van het Nederlands recht met het huwelijk van partijen. Afwikkeling huwelijksvermogensregime. Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Wagonstelsel. Vallen de vruchten van een privé-goed, die onder het Italiaanse recht in de gemeenschap vielen, na het van toepassing worden van het Nederlandse recht buiten de gemeenschap?Volledige uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.358.077/01 (echtscheiding) en 200.358.078/01 (verdeling)
rekestnummers rechtbank : FA RK 23-8454 (echtscheiding) en FA RK 24-8197 (verdeling)
zaaknummers rechtbank : C/09/657168 (echtscheiding) en FA RK C/09/675717 (verdeling)
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. S.E. de Geus te Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] , Italië,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 15 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
De man is op 14 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking (de bijbehorende producties zijn op 25 augustus 2025 ontvangen).
De vrouw heeft op 16 oktober 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De man heeft op 28 november 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de man van 26 augustus 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 1 september 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 6 oktober 2025 met bijlage, ingekomen op 7 oktober 2025;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 23 december 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 29 december 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 29 december 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
De mondelinge behandeling heeft op 5 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en [tolk 1] , tolk in de Engelse taal;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [tolk 2] , tolk in de Italiaanse taal.
De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.
3De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2003 te [plaats] .
Zij zijn de ouders van de inmiddels meerderjarige dochters:
- [dochter 1] (hierna: [dochter 1] ), geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ;
- [dochter 2] (hierna: [dochter 2] ), geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
en tezamen te noemen: de kinderen.
De man en de vrouw hebben beiden de Italiaanse nationaliteit.
De vrouw is eind januari 2025 naar Italië verhuisd.
Voorts is in hoger beroep gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 19 juni 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarnaast heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van
€ 2.091,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vastgesteld, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) in [plaats] (hierna: de woning of de echtelijke woning) en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en) en kapitaalverzekering:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 935.000,- op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. a) de man dient binnen twee maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de overeengekomen waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit het bedrag van € 935.000,-, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde kapitaalverzekering ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht;
c) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
d) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de - verkort weergegeven - in de bestreden beschikking bepaalde wijze;
bepaald dat aan de vrouw ter zake haar investering in de echtelijke woning een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap toekomt ten bedrage van € 325.000,-;
bepaald dat aan de man ter zake zijn investering in de echtelijke woning een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap toekomt ten bedrage van € 50.000,-;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
De man is het met een deel van deze beslissing oneens. Hij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
ten aanzien van de kapitaalverzekering
primair te bepalen dat de aan de woning gekoppelde spaarhypotheek (kapitaalverzekering) bij de Rabobank (na een wijziging van zijn verzoek ter zitting) voor 10/15e deel aan de man wordt toebedeeld;
subsidiair de man terzake een vergoedingsrecht toekomt van € 140.000,-;
ten aanzien van de investeringen in de woning
te bepalen dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt van € 107.000,-;
ten aanzien van de partneralimentatie
primair te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor haar levensonderhoud per 15 mei 2025 nihil bedraagt;
subsidiair te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor haar levensonderhoud per 15 mei 2025 € 83,68 per maand bedraagt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
althans per zodanige datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren.
Kosten rechtens.
De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof:
a. in principaal appel de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans zijn beroep af te wijzen;
en in (voorwaardelijk) incidenteel appel:
opnieuw rechtdoende alsnog te bepalen dat bestreden beschikking in stand blijft met uitzondering van twee punten, namelijk:
-
de bepaling dat de huuropbrengsten onder het Italiaanse recht vallen en derhalve in de gemeenschap nadat het Nederlandse recht van toepassing is geworden op het huwelijksgoederenregime en
-
dat er een korting toegepast is op haar behoefte wegens het feit dat naar Italiaans recht de lasten lager zouden zijn dan naar Nederlands recht en de behoefte opnieuw dient te worden vastgesteld, waarbij de vrouw de mogelijkheid krijgt om haar standpunt naar voren te brengen nadat de gevraagde stukken door de man in het geding zijn gebracht;
de man te veroordelen om de volgende stukken in het geding te brengen:
-
een overzicht van de banksaldi ten tijde van het overlijden van zijn vader;
-
een taxatie van de huizen in [plaats] en [plaats] , genoemd in het verzoekschrift van 25 maart 2025;
-
een kopie van de "dichiarazione successione dell'Agenzia del Entrate". Zoals aangeven in eerste instantie is dit het enige dat in Italië kan worden verkregen dat vergelijkbaar is met een verklaring van erfrecht die in Italië niet bestaat, althans een officieel overzicht van de goederen die hij geërfd heeft;
-
een kopie van het testament van zijn vader;
-
alle relevante informatie ten aanzien van zijn vermogen wegens zijn erfdeel;
-
kopie van zijn aangifte IB 2023 en 2024. De laatste drie loonstroken 2025;
-
een overzicht van de eigenaarslasten van de woning aan [locatie] , inclusief de gemeentelijke belastingen;
-
een overzicht van de lasten die hij heeft betaald voor de woning in [plaats] ;
de vrouw de gelegenheid te geven om het bedrag te berekenen van de vergoedingsrechten die de ontbonden gemeenschap op de man heeft wegens het feit dat hij gemeenschappelijke middelen heeft gebruikt om privékosten te voldoen en het bedrag van de vergoedingsrechten vast te stellen;
primair te bepalen dat het Italiaanse recht van toepassing is op het verzoek op partneralimentatie van de vrouw, subsidiair het Nederlandse recht.
Kosten rechtens.
De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidentele beroep, althans haar beroep en (aanvullende) verzoeken af te wijzen.
5De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht (incidentele grief 3 vrouw)
Het internationaal karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om partneralimentatie.
Tussen partijen is in geschil welk recht van toepassing is op het verzoek van de vrouw om partneralimentatie vast te stellen. De vrouw stelt dat op grond van artikel 3 van het Haags Protocol van 2007 (hierna: het Protocol) het Italiaanse recht van toepassing is op de onderhoudsverplichting, omdat zij sinds begin 2025 haar gewone verblijfplaats in Italië heeft. Verder stelt de vrouw dat artikel 5 van het Protocol (zijnde een afwijking van de hoofdregel van artikel 3 van het Protocol) niet van toepassing is. Zij wijst er onder andere op dat beide partijen de Italiaanse nationaliteit hebben en zij heel vaak in vaak in Italië verblijven. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.
In artikel 3 van het Protocol is het volgende bepaald:
-
Tenzij dit protocol anders bepaalt, worden onderhoudsverplichtingen beheerst door het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft.
-
In geval van verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde, is het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats van toepassing vanaf het tijdstip waarop de verandering intreedt.”
In artikel 5 van het Protocol is hierop een uitzondering opgenomen:
“In geval van onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten, ex-echtgenoten of tussen partijen bij een nietig verklaard huwelijk is artikel 3 niet van toepassing indien een van de partijen zich daartegen verzet en het recht van een andere Staat, in het bijzonder dat van de Staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk. In dat geval is het recht van die andere Staat van toepassing.”
Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist dat – hoewel de gewone verblijfplaats van de vrouw zich inmiddels in Italië bevindt – het Nederlands recht nauwer verbonden is met het huwelijk van partijen en dat daarom op het verzoek van de vrouw om partneralimentatie vast te stellen het Nederlands recht van toepassing is. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De grief van de vrouw ten aanzien van het toepasselijk recht faalt derhalve.
Inhoudelijk
Ingangsdatum
Nu partijen geen grieven hebben gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de verplichting tot partneralimentatie ingaat op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 19 juni 2025, zal het hof eveneens van deze datum uitgaan.
Huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw (grief 3 man, incidentele grief 2 vrouw)
De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw aan de hand van de hofnorm – uitgaande van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 7.903,- per maand in 2023 minus de kosten van de kinderen van € 1.460,-, alsmede een correctie in verband met de lagere kosten van levensonderhoud in Italië – vastgesteld op € 3.866,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2025 is dit een bedrag van € 4.372,- netto per maand. De rechtbank heeft vervolgens nog een correctie op de hofnorm toegepast in verband met de in Italië lager liggende kosten van levensonderhoud en de behoefte van de vrouw op grond daarvan vastgesteld op € 3.416,- netto per maand.
De man stelt dat de rechtbank er weliswaar terecht van uit is gegaan dat de kosten van levensonderhoud in zijn algemeenheid lager zijn in Italië dan in Nederland, maar dat er ten onrechte geen rekening gehouden is met de omstandigheid dat de vrouw langdurig geen woonlasten heeft. Zij heeft haar woning in [plaats] (Italië) namelijk gekocht met het voorschot uit de verdeling. De man vindt het daarom redelijk dat bij de bepaling van de behoefte van de vrouw geen rekening moet wordt gehouden met het woonbudget.
De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken en maakt ook bezwaar tegen het feit dat haar behoefte is vastgesteld op grond van het feit dat in Italië sprake zou zijn van lagere kosten van levensonderhoud op basis van de vergelijkingswebsite van Numbeo. Volgens de vrouw is het in Nederland gebruikelijk om de Big Mac-norm te hanteren. Daaruit blijkt dat er geen of weinig verschil is in de kosten. Het belangrijkste verschil is dat de huisvesting duurder is in [plaats] dan in Italië, maar dit geldt ook ten opzichte van andere regio’s in Nederland. De vrouw merkt nog op dat partijen tijdens het huwelijk ook een dure levensstijl hadden qua vakanties en dat de vrouw reiskosten heeft om dat zij regelmatig naar Nederland moet komen voor haar dochters. Naar de mening van de vrouw dient dan ook geen correctie te worden toegepast op de huwelijksgerelateerde behoefte.
Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de hoogte van de behoefte rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten – en gelet op de welstand redelijke – kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.
De hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. Dit bedrag wordt geacht beschikbaar te zijn geweest voor partijen ongeacht of het al dan niet is gebruikt, en door toepassing van de hofnorm worden discussies vermeden. Uitgangspunt voor het hof is dan ook dat de hofnorm wordt toegepast, tenzij het bedrag dat aan de hand van deze vuistregel is berekend voldoende gemotiveerd is betwist.
Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan, zowel ten aanzien van de woonlasten van de vrouw als haar levensstandaard in Italië. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Ten aanzien van de woonlasten van de vrouw voegt het hof toe dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij wel degelijk nog woonlasten heeft zoals onderhoudskosten, belastingen en verzekeringen. De exacte hoogte van haar woonlasten zijn op dit moment nog niet bekend, omdat zij haar huidige woning pas in augustus 2025 heeft betrokken (daarvoor had zij huurlasten). Dat zij geen enkele woonlast heeft, zoals de man betoogt, acht het hof niet realistisch. Verder acht het hof de woonlasten van de vrouw – gelet op de welstand van partijen tijdens hun huwelijk – niet onredelijk. Dat de vrouw ervoor heeft gekozen om haar voorschot uit de verdeling te gebruiken voor de aankoop van een woning, maakt dat niet anders. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw verandert daardoor niet. Aan de vrouw komt tot op zekere hoogte de vrijheid toe om keuzes te maken met betrekking tot de besteding van haar middelen zonder dat die in haar nadeel zou hoeven uitwerken doordat voor haar dan met een lagere behoefte zou moeten worden gerekend. Dit geldt temeer doordat zij met een dergelijke keuze de man niet benadeelt. Met betrekking tot de levensstandaardkorting heeft de vrouw onvoldoende weerlegd dat de standaard van Numbeo een redelijke vergelijking biedt. Dat zij meer reiskosten heeft vanwege het bezoeken van de kinderen in Nederland, is naar het oordeel van het hof ingecalculeerd in de hofnorm. Ook tijdens het huwelijk van partijen reisde zij immers al regelmatig van Nederland naar Italië en vice versa. Tot slot constateert het hof dat de vrouw in haar verweerschrift stelt dat er nog een nadere correctie in de berekening van de behoefte moet plaatsvinden, omdat de huuropbrengsten in eerste aanleg niet zijn meegenomen en de aangifte IB over 2023 ontbreekt. Zij heeft op dit punt echter geen grief geformuleerd in haar incidenteel beroep. Nu de vrouw bovendien ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hierin slechts een grief moet worden gelezen indien de partneralimentatie op een lager bedrag dan in de bestreden beschikking wordt vastgesteld, gaat het hof – gelet op hetgeen verder wordt overwogen over de partneralimentatie – hieraan voorbij. Het hof passeert dus de bezwaren van zowel de man als de vrouw en gaat net als de rechtbank uit van een behoefte aan de zijde van de vrouw van € 3.416,- netto per maand.
Aanvullende behoefte van de vrouw (behoeftigheid) (grief 3 man)
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een inkomen van de vrouw van € 1.613, - bruto per maand, te vermeerderen met een dertiende en veertiende maand, bij wijze van vakantiegeld. De man is het hier niet mee eens, omdat de vrouw in staat is om fulltime te werken. Volgens de man valt niet in te zien waarom de vrouw in deeltijd werkt, terwijl zij gezond is en geen minderjarige kinderen meer heeft om voor te zorgen. Daarnaast heeft de man tijdens de zitting in hoger beroep nog aangegeven dat het niet duidelijk is of en hoeveel de vrouw belasting moet betalen over de partneralimentatie. Hij vermoedt dat de belastingdruk op basis van de loonstrook van de vrouw 13,45 % bedraagt. De vrouw had daarover inzicht moeten geven, aldus de man.
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat zij zich na de beëindiging van het huwelijk van partijen genoeg heeft ingespannen om haar volledige verdiencapaciteit te benutten. De vrouw is na haar remigratie naar Italië vrijwel direct een dienstbetrekking voor 30 uur per week aangegaan en heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het – mede gelet op haar leeftijd, ervaring en het feit dat zij gedurende een lange tijd niet heeft gewerkt en dat zij bij haar huidige werkgever niet meer uren kan werken – niet reëel is om rekening te houden met een hogere verdiencapaciteit dan haar huidige inkomen. Het hof passeert de opmerking van de man met betrekking tot de belastingtarieven in Italië en de gevolgen daarvan op de partneralimentatie, nu de man hiertegen in zijn hoger beroepschrift geen grieven heeft gericht en deze pas tijdens de mondelinge behandeling ter sprake heeft gebracht, terwijl daarvoor geen goede reden bestaat. Het hof acht dit tardief en in strijd met de goede procesorde. De vrouw heeft zich hierop immers niet afdoende kunnen voorbereiden. Gelet hierop zal het hof evenals de rechtbank rekening houden met een aanvullende behoeftigheid van € 1.610,- netto per maand, hetgeen – rekening houdend met het laagste tarief voor inkomstenbelasting in Italië van 23% – neerkomt op een bedrag van € 2.091,- bruto per maand.
Draagkracht van de man (grief 3 man)
De man is van mening dat de rechtbank zijn woonbudget ten onrechte heeft bepaald op
€ 500,- per maand, omdat hij zijn hypotheeklast met een deel van zijn erfenis kan aflossen. Volgens de man is de rechtbank hiermee niet alleen afgeweken van het woonbudget, maar zelfs van zijn werkelijke woonlasten. Daarnaast wijst de man erop dat rechtbank met twee maten meet, nu de rechtbank aan de zijde van de vrouw bij de vaststelling van haar behoefte rekening heeft gehouden met een woonlast, terwijl zij die niet heeft, en aan de zijde van de man rekening is gehouden met een veel lagere woonlast dan feitelijk het geval is. Voorts stelt de man dat de maandelijkse bijdrage aan zijn dochters van € 3.159, - per maand bij de bepaling van zijn draagkracht in het geheel moeten worden meegenomen, omdat dit de werkelijke kosten zijn.
De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het niet redelijk is om bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening te houden met het volledige woonbudget, omdat zijn draagkracht onvoldoende is om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien en hij tegelijkertijd beschikt over een aanzienlijk vermogen. Zo heeft de man een bedrag van
€ 450.000,- verkregen door de verkoop van zijn privéwoning aan [locatie] in [plaats] en beschikt hij minimaal over een bedrag van € 250.000,- uit een nalatenschap. Ook is tijdens de zitting gebleken dat het appartement in [plaats] (één van de twee huizen uit de nalatenschap van de vader van de man en zijn broer) inmiddels is verkocht, waardoor dat vermogen niet langer “in steen vastzit”. De man kan uit zijn vermogen dan ook een deel van zijn hypothecaire lening voldoen, waardoor het hof het evenals de rechtbank redelijk acht om uit te gaan van een bedrag van € 500,- per maand aan woonlasten.
Dat bij de berekening van de behoefte van de vrouw wel rekening wordt gehouden met het woonbudget, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof acht het gerechtvaardigd dat de woonlasten bij de man anders worden gewogen dan bij de vrouw. De berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw wordt – anders dan bij de berekening van de draagkracht van de man, waarbij zijn draagkracht wordt bepaald op basis van zijn huidige inkomen en vermogen – (grotendeels) vastgesteld aan de hand van de welstand van partijen in het verleden en er wordt gekeken naar de inkomsten van partijen tijdens de laatste jaren van hun huwelijk en het daaraan gerelateerde uitgavenpatroon. Dat de vrouw ervoor heeft gekozen om haar vermogen te gebruiken om een woning aan te kopen heeft geen invloed op haar huwelijksgerelateerde behoefte en de vrouw benadeelt de man daarmee als gezegd niet. De draagkracht van man daarentegen wordt bepaald op basis van zijn huidige inkomen en vermogen: keuzes die hij hierin maakt kunnen wel direct van invloed zijn op zijn draagkracht en kunnen de vrouw benadelen. Gelet op de vermogenspositie van de man en de onderhoudsverplichting ten aanzien van de vrouw, acht het hof de door de man gemaakte keuze voor het handhaven van zijn hoge hypotheeklasten en daarmee het zonder noodzaak handhaven van een beperkte draagkracht, niet redelijk.
Verder is het hof van oordeel dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man terecht geen rekening heeft gehouden met een maandelijkse bijdrage aan zijn dochters van
in totaal € 3.159, - per maand. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man niet alleen onderhoudsplichtig is jegens zijn jongmeerderjarige kinderen, maar ook jegens de vrouw. Het staat de man op zich vrij om een zeer aanzienlijke onderhoudsbijdrage aan de kinderen te blijven voldoen, die niet gestoeld is op de wettelijke maatstaven. Dit mag echter niet ten koste gaan van zijn verplichting om partneralimentatie te betalen aan de vrouw. Alleen als beide partijen het ermee eens zijn dat de verplichting van de man om partneralimentatie aan de vrouw vervalt om daarmee een deel van zijn onderhoudsbijdrage aan de kinderen te voldoen, is dat anders. Dat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt is echter niet gebleken. Het hof acht het dan ook met de rechtbank redelijk om voor de kosten van [dochter 1] en [dochter 2] uit te gaan van een bedrag van € 781,- per maand per kind. De vrouw kan zich erin vinden dat deze bijdragen ten laste van de draagkracht van de man komen. Hetgeen de man verder wil bijdragen zal hij uit zijn vrije ruimte moeten voldoen. Het hof merkt daarbij nog op dat uit zijn eigen draagkrachtberekening blijkt dat zijn inkomen in 2025 aanzienlijk is verhoogd in vergelijking met 2024 (het jaar waarmee de rechtbank heeft gerekend). Zijn draagkracht en daarmee ook zijn vrije ruimte zijn dus verhoogd.
Gelet op het voorgaande komt het hof tot dezelfde conclusie als de rechtbank inhoudende dat de man een draagkracht voor partneralimentatie beschikbaar heeft van € 1.704,- netto per maand, hetgeen neerkomt op € 2.725,- bruto per maand. Daarmee heeft de man voldoende draagkracht om in de aanvullende behoefte van de vrouw van € 2.091,- bruto per maand te voorzien. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie dan ook bekrachtigen.
De vrouw verzoekt de man op grond van artikel 21 jo 22 jo 194 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te veroordelen om diverse stukken het geding te brengen, teneinde aan te tonen dat de man voldoende draagkracht heeft om partneralimentatie te voldoen. Nu het hof de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie niet heeft gewijzigd en de vrouw in hoger beroep geen verzoek heeft gedaan om een hogere partneralimentatie vast te stellen, zal het hof het verzoek van de vrouw voor zover dit ziet op stukken met betrekking tot de draagkracht van de man bij gebrek aan belang afwijzen.
Rechtsmacht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling.
Toepasselijk recht
Ten aanzien van het toepasselijk recht sluit het hof aan bij de overwegingen van de rechtbank. Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking beheerst door Italiaans recht. Op grond van artikel 7, tweede lid, sub 3 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: HHV 1978) is vanaf 10 juli 2013 het Nederlands recht van toepassing geworden op het huwelijksvermogensregime van partijen, omdat partijen op dat moment meer dan tien jaar hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden (het ‘wagonstelsel’).Tegen deze overwegingen zijn geen grieven gericht.
Ten aanzien van de eerste periode geldt dat het Italiaans: huwelijksvermogensrecht bepaalt dat echtgenoten gehuwd zijn in gemeenschap van goederen (‘comunione dei beni’), nu zij niet bij huwelijkse voorwaarden anders zijn overeengekomen. Op grond van artikel 179 van de Italiaanse Code Civile (hierna: CC) zijn bepaalde goederen uitgezonderd van de gemeenschap, waartoe in ieder geval de goederen behoren die de echtgenoot vóór het huwelijk in eigendom had en goederen die door schenking of erfenis zijn verkregen. De verdeling van de gemeenschap bij echtscheiding geschiedt op grond van artikel 194 CC bij helfte.
Vanaf het moment dat het Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing is geworden is, gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) (oud) een algehele gemeenschap van goederen ontstaan. Dat geldt dan uitsluitend voor vermogen verkregen en schulden aangegaan na 10 juli 2013, dat wil zeggen: ná de automatische wijziging van het toepasselijk recht naar Nederlands recht. Het uitgangspunt is vervolgens dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW, oud) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Toedeling spaarhypotheek/kapitaalverzekering verbonden aan de echtelijke woning [adres] (grief 1 man, incidentele grief 1 vrouw)
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het saldo van de aan de hypothecaire geldlening van de voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) gekoppelde kapitaalverzekering bij helfte tussen partijen gedeeld dient te worden. Hij voert daartoe aan dat hij met de verhuuropbrengsten van het appartement [adres] te [plaats] (hierna: het appartement), dat hem in privé toebehoorde, alle lasten van de echtelijke woning heeft voldaan, waaronder begrepen de maandelijkse premie ten behoeve van de spaarverzekering. Als gevolg van het feit dat met de verhuuropbrengsten de kapitaalverzekering is gevoed, behoort deze kapitaalverzekering de man eveneens in privé toe ex artikel 1:94 lid 6 BW. Ook indien niet zou kunnen worden vastgesteld dat met de privé huuropbrengsten van de man de kapitaalverzekering is gevoed, geldt dat de man alsnog een terugneemrecht op de gemeenschap (reprise) heeft, aangezien de woonlasten (gemeenschapsschulden) met privévermogen van de man zijn voldaan. De man begroot dit terugneemrecht op ten minste € 140.000,-. De man concludeert dat aan hem de rechten uit de kapitaalverzekering moeten worden toebedeeld, zij het voor (afgerond) ten minste 10/15 deel aangezien de maandelijkse premie per 2014 met zijn privévermogen is voldaan. Subsidiair heeft de man een terugneemrecht op de gemeenschap aangezien vanuit zijn privé huuropbrengsten de woonlasten (gemeenschapsschulden) zijn voldaan.
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de huuropbrengsten van het appartement niet moeten worden beschouwd als privévermogen van de man. Zij stelt de vraag aan de orde wat de gevolgen zijn van de wijziging van het toepasselijk recht op grond van artikel 7 lid 2 sub 2 van het HHV 1978 en het zogenaamde wagonstelsel voor de huuropbrengsten. Het standpunt van de vrouw is dat, aangezien de wijziging van het toepasselijk recht alleen geldt voor de vermogensbestanddelen die verkregen zijn na de peildatum en de huuropbrengsten onlosmakelijk verbonden zijn aan het hoofdgoed, deze onder het Italiaans recht blijven vallen. Volgens het Italiaans recht vallen de vruchten van een privégoed – anders dan in het Nederlands recht – in de gemeenschap.
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat het appartement door de man vóór het huwelijk in eigendom is verkregen. Op grond van de toepasselijke bepalingen in het Italiaans recht, dat het huwelijksvermogensregime van partijen beheerste tot 10 juli 2013, is dit appartement niet in de gemeenschap gevallen. Verder staat vast dat de huuropbrengsten als vruchten van dit privé-goed van de man – anders dan in het Nederlands recht is bepaald – op grond van artikel 177 CC in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vallen. Met ingang van 10 juli 2013 wordt het huwelijksvermogensregime van partijen echter beheerst door het Nederlands recht. In artikel 1:94 lid 6 BW (oud) is bepaald dat vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, evenmin in de gemeenschap vallen. De vraag is of met het van toepassing worden van het Nederlands recht de huuropbrengsten buiten de gemeenschap zijn gevallen en in privé aan de man toekomen.
Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Op grond van de toepasselijkheid van het Italiaans recht is het appartement van meet af aan privé-eigendom van de man gebleven. In artikel 8 van het HHV 1978 is bepaald dat een wijziging in het toepasselijk recht slechts gevolg heeft voor de toekomst, en het vermogen dat vóór die wijziging aan de echtgenoten toebehoorde niet is onderworpen aan het voortaan toepasselijk recht. Eventuele huuropbrengsten – als die er zouden zijn geweest – vielen derhalve in ieder geval tot 10 juli 2013 als vruchten van het appartement onder het Italiaans recht in de gemeenschap. Door de wijziging van het op het huwelijksvermogensregime van partijen toepasselijk recht is geen wijziging gekomen in het eigendomsrecht van de man ten aanzien van het appartement of in het daarop toepasselijk recht, te weten het Italiaanse recht. Het hof acht dan ook geen grond aanwezig om op uit dit appartement voortkomende vruchten – de huuropbrengsten – na 10 juli 2013 wél een ander regime van toepassing te verklaren en deze vanaf die datum buiten de gemeenschap te laten vallen. Naar het oordeel van het hof volgen de vruchten uit het privévermogensbestanddeel (ook) in dit opzicht immers dat bestanddeel zelf, en blijft dus ook op de uit het bestanddeel voortkomende vruchten het Italiaans recht van toepassing.
Dit betekent dat de huuropbrengsten van de man na 10 juli 2013 niet – ten gevolge van de wijziging van het toepasselijk recht – als privé-inkomsten van de man moeten worden aangemerkt. De stelling van de man dat hij met privé-ínkomsten de premie van de kapitaalverzekering – al dan niet deels – heeft voldaan, gaat dan ook niet op. Er is geen grond om de man deze kapitaalverzekering toe te delen of hem een terugneemrecht toe te kennen. Het hof bekrachtigt op dit punt de beslissing van de rechtbank, zij het op andere gronden.
Vergoedingsrecht investeringen man (grief 2 man)
De man stelt dat hij een vergoedingsvordering heeft uit hoofde van de investeringen die hij met privévermogen in de voormalige echtelijke woning heeft verricht. Hij stelt dat hij, naast het bedrag van € 50.000,- waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden, nog investeringen met een beloop van € 57.000, - heeft voldaan, zodat hem in totaal een vergoedingsrecht van € 107.000,- toekomt. Volgens de man hebben partijen bij de aanschaf van de woning in 2011 afgesproken dat zij de kosten voor de aanschaf en verbouwing/renovatie gelijk zouden verdelen. Dit volgt ook uit het feit dat het hypotheekbedrag dat bij de Rabobank is geleend precies gelijk is aan het bedrag dat de vrouw heeft ingelegd voor de aanschaf van de woning. De man heeft met behulp van een Excel-bestand, dat hij heeft overgelegd, zorgvuldig alle boekhoudkundige gegevens met betrekking tot de aankoop en renovatie van de woning genoteerd en bijgehouden; hij heeft dit ook altijd met de vrouw gedeeld. De man stelt dat de vrouw zich aan deze afspraak dient te houden.
Voor zover deze betalingen niet kwalificeren als investeringen, heeft de man recht op vergoeding van het bedrag ad € 57.000, - jegens de gemeenschap (reprise), aldus de man. Immers, de man heeft tot dit bedrag met privévermogen gemeenschapsschulden voldaan (ECLI:NL:HR:2019:504).
De vrouw betwist gemotiveerd de stellingen van de man. Hij heeft geen bewijs geleverd van zijn stelling dat het bedrag van € 57.000,- van zijn privévermogen is aangewend voor de verbouwing van de woning of dat daarvan andere gemeenschapsschulden zijn voldaan.
Het hof overweegt als volgt. Dat tussen partijen een afspraak was gemaakt over de hoogte van de te verreken investeringen in de woning, zoals door de man gesteld, is door de vrouw weersproken en door de man niet nader onderbouwd. Het hof gaat dan ook aan deze stelling voorbij.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat de man tot een bedrag van € 57.000,- investeringen in de woning heeft gedaan, verwijst hij naar een (slecht leesbaar) Excelbestand, waarin uitgaven en investeringen met betrekking tot de verbouwing van de woning zijn opgenomen (productie 7 bij de brief van de advocaat van de man van 14 maart 2025 in eerste aanleg), een Excelbestand waarin de huuropbrengsten van het appartement in de periode van 2013 tot 2025 zijn opgenomen (productie 4 bij de brief van de advocaat van de man van 29 december 2025) en facturen van de verbouwing van de woning en bewijzen van betaling van deze facturen (productie 5 bij het beroepschrift). De man stelt dat uit deze stukken moet worden afgeleid dat deze investeringen in de woning uit zijn privévermogen zijn voldaan.
Het hof stelt voorop – op grond van hetgeen hiervoor in r.o. 5.26 is overwogen – dat de huuropbrengsten uit het appartement niet als privé-inkomsten worden aangemerkt. Verder geldt nog het volgende. De vrouw heeft niet betwist dat verbouwingen aan de woning hebben plaatsgevonden. Uit de overgelegde stukken kan echter niet een directe geldstroom van privévermogen van de man naar de door hem betaalde facturen worden afgeleid. Het hof kan dus niet vaststellen dat de facturen zijn betaald met daadwerkelijk privévermogen van de man. Niet alleen volgt het hof de man niet in zijn standpunt dat de huuropbrengsten privé-inkomsten zijn, maar onduidelijk blijft in hoeverre facturen niet uit het salaris van de man, dat zowel onder het Italiaans als het Nederlands recht in de gemeenschap viel, zijn voldaan. De stelling van de man dat zijn vermogen is afgenomen is onvoldoende om aan te nemen dat dit vermogen in de (verbouwing van de) woning is geïnvesteerd of dat daarmee (steeds) gemeenschapsschulden zijn voldaan. Voor zover de man al een vordering op de gemeenschap zou toekomen, naast het hiervoor vermelde bedrag van €50.000,-, is de omvang daarvan niet vast te stellen.
De slotsom is dan ook dat de door de man overgelegde stukken ontoereikend zijn voor het bewijs van zijn stellingen en dat aan de man geen vergoedingsrecht kan worden toegekend voor een hoger bedrag dan het vergoedingsrecht van € 50.000,- dat de rechtbank reeds aan de man heeft toegekend.
De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij slechts voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft ingesteld ten aanzien van het mogelijke vergoedingsrecht van de ontbonden gemeenschap op de man vanwege het voldoen van privékosten met gemeenschappelijke middelen. Het hof begrijpt hieruit dat de vrouw alleen een beoordeling van haar grieven wenste in het geval één of meer grieven van de man zouden slagen. Nu daarvan geen sprake is, behoeft dit verzoek van de vrouw (inclusief het daarbij samenhangende verzoek om een overzicht van de eigenaarslasten van het appartement en de woning in [plaats] ) geen nadere bespreking meer.
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof, in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, A.F. Mollema en A.S. Mertens - de Jong, bijgestaan door mr. G. Evertsen als griffier en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
