Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-05-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5142

Essentie (gemaakt door AI)

Kinderalimentatie, zwarte inkomsten, verdeling, beroep op art. 3:194 lid 2 BW. Regresvordering man voor woon- en gebruikslasten na peildatum grotendeels afgewezen; toegewezen € 6.559 aan gebruikslasten (water/energie). Kinderalimentatie vastgesteld op € 460 per kind per maand vanaf echtscheidingsbeschikking; bij vrouw worden zwarte inkomsten van € 20.000 p.j. in aanmerking genomen. Mercedes valt in gemeenschap en wordt aan man toegedeeld tegen € 22.500 met € 11.250 overbedeling. Beroepen op art. 3:194 lid 2 BW m.b.t. bruidsschat afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

"10k (…) proud of myself (…) i made it!!" - rechtbank houdt rekening met zwarte inkomsten vrouw
Man stelt onderbouwd met stukken dat vrouw zwarte inkomsten heeft. Rb: vrouw had verslag privédetective beter moeten weerspreken. Whatsappbericht vrouw legt ook gewicht in de schaal. Er wordt € 20.000 per jaar in aanmerking genomen.

Datum publicatie02-07-2026
ZaaknummerC/02/424072 FA RK 24-2990 (echtscheiding)
ProcedureRekestprocedure
ZittingsplaatsBreda
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie;
Familievermogensrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kinderalimentatie, zwarte inkomsten, verdeling, beroep op artikel 3:194 lid 2 BW

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/424072 FA RK 24-2990 (echtscheiding)

C/02/432745 FA RK 25-1181 (verdeling)

Datum uitspraak: 11 mei 2026

Nadere beschikking betreffende echtscheiding en nevenvoorzieningen

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [plaats 1] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. Ç. Bayrak,

en

[de vrouw] ,

wonende te [plaats 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. S. Kandemir.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 20 februari 2026 en alle daarin vermelde stukken.

1.2 In de hiervoor genoemde beschikking heeft de rechtbank:

  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

  • het voortgezet gebruik van de woning aan [adres] te

[plaats 1] en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken

aan de man toegekend;

- een voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarige kinderen van partijen

bepaald. De definitieve beslissing op het verzoek tot de zorgregeling aangehouden tot 30

juni 2026 2025 pro forma.;

- partijen en de minderjarigen verwezen voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van

de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Omdat deze verwijzing zo spoedig mogelijk na de zitting bij beschikking moet worden afgegeven, is voor de beoordeling van de overige nevenverzoeken de beslissing aangehouden.

1.3 De rechtbank zal in deze beschikking de volgende nevenverzoeken beoordelen en daarop beslissen:

- bepaling dat de vrouw uit hoofde van de regresvordering zijdens de man dan wel subsidiair in verband met onverschuldigde betaling aan de man dient te betalen een nader te bepalen bedrag zijnde de lasten met betrekking tot de echtelijke woning;

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 596 ,= per maand per kind;

- bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen, dan wel de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen vast te stellen, dan wel de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen te gelasten;

- bepaling dat de vrouw haar aandeel in de waarde van het goud ten bedrage van

€ 60.000,= heeft verbeurd aan de man;

- bepaling dat de man zijn aandeel in de waarde van het goud heeft verbeurd aan de vrouw.

2De nadere beoordeling

Regresvordering

2.1

De man legt, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag dat hij na de peildatum kosten met betrekking tot de echtelijke woning voor de vrouw is blijven betalen. Deze kosten bestaan uit woon- en gebruikslasten en de kosten van kinderopvang. De betaalde kosten belopen over de periode van 1 juli 2024 tot en met september 2025 in totaal een bedrag van

€ 20.079,=. Dit bedrag is als volgt gespecificeerd (productie 38 van de man):

- Hypotheek € 672,85 per maand: € 10.092,=

- NN verzekeringen € 43,79 per maand: € 656,=

- NN € 20,31 per maand: € 304,=

- ANBN AMRO schadeverzekering € 60,93 per maand: € 914,=

- Brabant water € 50,= x 12 maanden: € 600,=

- Gemeentelijke heffingen € 128,98 x 8 maanden: € 1.031,=

- Eneco € 413,= x 12 maanden: € 4.956,=

- Eneco € 1.003,14 (eenmalig): € 1.003,=

- Netflix € 13,99 per maand: € 195,=

- Kinderopvang € 328,=: € 328,=

In totaal € 20.079,=

Omdat de vrouw het exclusieve woongenot van de woning heeft, dient de vrouw de kosten die de man na de peildatum voor haar heeft voldaan volledig te dragen en aan hem te voldoen. Het betreffen ook gebruikskosten die voor rekening van de vrouw zouden moeten komen. Subsidiair stelt de man dat de vrouw de kosten als zijnde onverschuldigd betaald aan hem dient terug te betalen. Tijdens de zitting heeft de man het bedrag aan betaalde kosten aangepast naar € 24.807,= voor de periode van 1 juli 2024 tot december 2025. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 24.807,= aan hem dient te voldoen.

Partijen hebben weliswaar een afspraak gemaakt ten tijde van de voorlopige voorzieningen over deze kosten, maar stelt dat hij niet langer aan deze afspraak kan worden gehouden. De echtscheidingsprocedure duurt veel langer dan de man aanvankelijk dacht. Bovendien gelden de voorlopige voorzieningen niet, aangezien niet tijdig een echtscheidingsprocedure is gestart.

2.2

De vrouw stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de man moet worden afgewezen. Het verzoek kan volgens haar niet worden toegewezen op grond van één van de door de man gestelde grondslagen. De man heeft zijn verzoeken daarnaast onvoldoende onderbouwd. Als verweer voert zij aan dat partijen in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure de afspraak hebben gemaakt dat zij met de kinderen in de woning zou verblijven en dat de woonlasten door de man zouden worden betaald. Onderdeel van die afspraak was dat de vrouw haar verzoeken tot vaststelling van een kinder- en partneralimentatie heeft ingetrokken. De man komt dan ook geen vordering toe op grond van regres of onverschuldigde betaling.

2.3

De rechtbank overweegt als volgt. Als onweersproken staat vast staat dat partijen in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure afspraken hebben gemaakt. De afspraken zijn op verzoek van partijen opgenomen in de beschikking van 29 maart 2024. Partijen zijn, voor zover hier relevant, overeengekomen dat de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning zal verblijven en dat de woonlasten door de man worden betaald. Partijen zijn in beginsel aan deze afspraken gebonden en gehouden deze afspraken na te komen. Voor zover de man heeft bedoeld een beroep te doen onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, verder: BW), kan dit beroep niet slagen. Voor een geslaagd beroep op artikel 6:258 lid 1 BW is niet beslissend of de omstandigheden ten tijde van het maken van de afspraken voorzienbaar waren. Het komt er slechts op aan van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan: of zij in de mogelijkheid van het optreden van de onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien of althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben meegenomen. Daarvoor heeft de man onvoldoende gesteld. De enkele stelling dat de echtscheidingsprocedure langer duurt dan de man heeft voorzien is geen, althans een onvoldoende onderbouwing voor een geslaagd beroep op dit artikel.

De stelling van de man dat de beschikking voorlopige voorzieningen haar kracht heeft verloren doordat de scheidingsprocedure niet tijdig aanhangig is gemaakt, kan de man evenmin baten. Dit heeft namelijk niet als gevolg dat, zoals de man stelt, de afspraken tussen partijen daarom zijn komen te vervallen. De rechtbank heeft in deze beschikking ook niet beslist dat de woonlasten door de man zullen worden betaald, partijen zijn dit zelf overeengekomen. Dit betekent dat partijen nog steeds gebonden zijn aan de afspraken. De man doet verder een beroep op onverschuldigde betaling. De rechtbank overweegt dat met onverschuldigde betaling wordt beoogd dat een zonder rechtsgrond verrichte prestatie (bijvoorbeeld een betaalde geldsom) ongedaan wordt gemaakt en komt toe aan degene die deze prestatie heeft verricht en is gericht tegen degene die de prestatie heeft ontvangen. Nu de rechtbank oordeelt dat partijen gehouden zijn aan de gemaakte afspraken ten tijde van de voorlopige voorzieningen, brengt dit met zich mee dat er een rechtsgrond is voor de door de man verrichte betalingen. Bovendien is niet gebleken dat de man de betalingen aan de vrouw deed, maar juist rechtstreeks aan de schuldeisers, zodat een geslaagd beroep op onverschuldigde betaling uitblijft. Ten slotte heeft de man bij de posten ‘kinderopvang’ en ‘Netflix’ onvoldoende gesteld op grond waarvan de vrouw gehouden zou zijn om deze kosten voor haar rekening te nemen nu deze niet gekwalificeerd kunnen worden als woon- of gebruikslasten van de woning. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verweer van de vrouw in zoverre slaagt.

2.4

Dit neemt niet weg dat uit de stukken noch tijdens de zitting is gebleken dat de gebruikslasten ook onder de afspraak over de woonlasten vielen, althans de vrouw heeft dit onvoldoende gesteld. De man heeft deze lasten wel betaald, maar deze kosten dienden gelet op de peildatum voor rekening van de vrouw te komen en door haar te worden gedragen. Het verzoek van de man zal daarom worden toegewezen voor een bedrag van (€ 600 water + € 4.956 Eneco + € 1.003 eenmalig Eneco = ) € 6.559,=, welk bedrag de rechtbank heeft berekend aan de hand van de hiervoor weergegeven kostenopgave van de man.

De man heeft op de zitting de hoogte van het verzochte totaalbedrag weliswaar gewijzigd, maar dit (totaal)bedrag niet nader gespecificeerd onderbouwd zodat de rechtbank aan dit laatste totaalbedrag voorbij zal gaan.

Alimentatie

Kinderalimentatie

2.5

De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen

onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 596,= per maand ten grondslag

dat de minderjarigen behoefte hebben aan deze onderhoudsbijdrage en dat de man de

financiële draagkracht heeft die onderhoudsbijdrage te voldoen.

2.6

De man voert verweer tegen de bijdrage die de vrouw voor de kinderen heeft verzocht.

Hij betwist de door de vrouw becijferde behoefte van de kinderen en stelt over onvoldoende

financiële draagkracht te beschikken om de verzochte bijdrage te kunnen betalen.

Ingangsdatum

2.7

Tussen partijen is de ingangsdatum van een eventuele door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen in geschil. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst op dit geschilpunt ingaan. De vrouw verzoekt vaststelling van een onderhoudsbijdrage met ingang van de datum van indiening van het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek. De man stelt zich op het standpunt dat voor de ingangsdatum moet worden aangesloten bij de datum van de beschikking. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. Nu de rechtbank de regresvordering van de man grotendeels afwijst, zal zij de kinderbijdrage laten ingaan per datum (echtscheidings-)beschikking.

Behoefte van de kinderen

2.8

Om de hoogte van de kinderalimentatie te kunnen bepalen, moet de rechtbank

allereerst vaststellen wat de kinderen nodig hebben (ook wel ‘behoefte’ genoemd).

2.9

Bij het bepalen van de behoefte van de kinderen gebruikt de rechtbank de uitgangspunten die door de landelijke Expertgroep Alimentatie zijn opgesteld. In deze uitgangspunten wordt voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen gekeken naar het gezamenlijk inkomen van de ouders in de laatste periode dat de ouders en kinderen een gezin vormden (ook wel genoemd het ‘netto besteedbaar inkomen’ (hierna: NBI)). Als het NBI bekend is, wordt vervolgens aan de hand van een tabel of formule bepaald wat de behoefte is van de kinderen.

2.10

Voor de berekening van de behoefte van de kinderen heeft de vrouw 2024 als peiljaar in aanmerking genomen en de man 2023. Tussen partijen is niet in geschil dat zij begin 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank gaat daarom voor de becijfering van de behoefte van de kinderen uit van het inkomen van partijen in 2023.

2.11

De man heeft drie ondernemingen. Hij werkt als zelfstandig ondernemer voor zijn [eenmanszaak 1] . Daarnaast werkt hij als directeur-groot aandeelhouder (DGA) van zijn eigen vennootschappen [eenmanszaak 1] B.V. en [bedrijf 1] B.V. Uit het fiscaal rapport aangifte Inkomstenbelasting 2023 volgt dat de man als DGA van zijn bedrijf [bedrijf 1] B.V. in 2023 een jaarsalaris heeft genoten van € 59.000,= bruto. Partijen zijn het erover eens dat dit bruto jaarinkomen voor de berekening van de behoefte van de kinderen tot uitgangspunt moet worden genomen. Zij zijn verdeeld over de vraag of daarnaast rekening moet worden gehouden met de winst uit onderneming van de eenmanszaak [eenmanszaak 1] . Volgens de man moet deze winst buiten beschouwing worden gelaten, omdat partijen niet van deze winst hebben geleefd. In 2023 is de winst in de onderneming gebleven en in de jaren daarna gebruikt om schulden af te lossen. De vrouw heeft deze stellingen van de man gemotiveerd betwist en stelt dat er juist wel rekening moet worden gehouden met de winst uit onderneming van [eenmanszaak 1] . Dat de stellingen van de man onjuist zijn blijkt volgens de vrouw alleen al uit de onttrekkingen door de man aan het ondernemingsvermogen van [eenmanszaak 1] voor privégebruik van € 31.857,= in 2024. Nu de man zijn stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting niet nader heeft onderbouwd, volgt de rechtbank het standpunt van de vrouw om naast het salaris dat de man als dga heeft genoten, ook rekening te houden met een winst uit onderneming bij de bepaling van de behoefte.

2.12

Voor de becijfering van het NBI wordt in het algemeen uitgegaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de laatste drie jaren, in dit geval over de jaren 2021, 2022 en 2023. De man heeft enkel de jaarstukken van 2023 en 2024 van [eenmanszaak 1] en zijn aangiften Inkomstenbelasting van 2023 en 2024 overgelegd. Van de jaren 2021 en 2022 heeft de man geen jaarstukken van [eenmanszaak 1] in het geding gebracht en geen aangiftes Inkomstenbelasting. De rechtbank ziet hierin aanleiding om voor de berekening van het NBI van de man alleen de winst uit onderneming van 2023 in aanmerking te nemen. Volgens het fiscaal rapport Inkomstenbelasting 2023 bedroeg de winst uit onderneming in 2023

€ 23.898,=. De rechtbank verwacht dat dit bedrijfsresultaat niet veel afwijkt van de winst uit onderneming in 2021 en 2022, ook omdat de jaarstukken van 2024 een vergelijkbaarbedrijfsresultaat laten zien, namelijk € 23.760,=.

2.13

De rechtbank houdt verder rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek), de mkb-vrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen

(algemene heffingskorting en arbeidskorting), de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.

2.14

Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man ten

tijde van de samenleving in 2023 op een bedrag van € 4.362,= per maand.

2.15

Tussen partijen staat vast dat de vrouw in 2023 in loondienst werkzaam was bij [bedrijf 2] B.V. en dat haar bruto jaarloon volgens de jaaropgave van 2023 € 5.966,= bedroeg. Vast staat verder dat de vrouw daarnaast als zelfstandig ondernemer werkte in haar [eenmanszaak 2] . Op de zitting heeft de vrouw het standpunt ingenomen dat voor de becijfering van haar NBI naast haar inkomen uit dienstverband aan winst uit onderneming het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2022 tot en met 2024 in aanmerking moet worden genomen. Op basis van een positief bedrijfsresultaat van € 619,= in 2022, € 3.184,= in 2023 en een negatief bedrijfsresultaat van € 769,= in 2024 heeft de vrouw de gemiddelde winst uit onderneming berekend op € 1.011,=.

2.16

De man betwist dat aan inkomen van de vrouw naast haar inkomen uit loondienst alleen een winst uit onderneming van € 1.011,= bruto per jaar in aanmerking moet worden genomen. Hij stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bedrag aan kinderalimentatie moet worden afgewezen. De vrouw heeft volgens de man haar inkomsten niet inzichtelijk gemaakt en hiermee de rechtbank willens en wetens onjuist en onvolledig over haar inkomsten informeert. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.

2.17.

Los van de vraag of de stellingen van de man juist zijn, is de rechtbank van oordeel dat deze stellingen niet kunnen leiden tot afwijzing van het verzoek van de vrouw, zoals de man betoogt. De stellingen van de man bieden geen enkele juridische grondslag voor afwijzing van het verzoek van de vrouw. Voor zover de man met zijn stellingen heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), kan dit evenmin leiden tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. De rechtbank kan op basis van dit artikel hooguit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, indien de verplichting van partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren niet wordt nageleefd.

2.18.

De man stelt subsidiair dat het inkomen van de vrouw hoger is dan zij stelt, omdat de vrouw zwarte inkomsten heeft uit haar visagiewerk als zelfstandig ondernemer. Bij de berekening van het NBI van de vrouw dient ook met deze zwarte inkomsten rekening te worden gehouden. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij onder meer een rapportage overgelegd van een privédetective, uitgevoerd in de periode van 24 oktober tot en met 27 oktober 2024. Uit dit rapport volgt volgens de man dat de vrouw in dat weekend 13 klanten heeft ontvangen en dat zij tenminste € 1.000,= heeft verdiend. Ook uit het Whatsappbericht van de vrouw van 9 juli 2022 waarin zij hem laat weten dat zij € 10.000,= heeft verdiend (productie 17 van de man), blijkt volgens de man dat haar omzet hoger is dan zij bij de Belastingdienst heeft opgegeven. De door de vrouw gestelde inkomsten stroken volgens de man ook niet met haar uitgaven. De man stelt dat de vrouw gemiddeld 42 weken per jaar werkt en dat aan haar zijde rekening moet worden gehouden met een geschatte netto winst uit onderneming van € 40.000,= per jaar. De vrouw betwist dat zij zwarte inkomsten heeft. Zij stelt dat haar inkomsten uit visagiewerk gering zijn, omdat deze werkzaamheden seizoensgebonden zijn. Bovendien is het merendeel van de bezoekers van haar salon zoals geobserveerd door de privédetective zelf geen klant, maar vergezellen alleen een klant. Verder voert de vrouw aan dat haar ouders haar financieel hebben gesteund, waardoor zij bepaalde uitgaven heeft kunnen doen.

2.19.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft, tegenover de gemotiveerde stellingen van de man, nagelaten om deze voldoende onderbouwd te weerleggen. Het inkomen dat de vrouw stelt te verdienen, valt zonder nadere toelichting niet te rijmen met de stukken die de man ter onderbouwing van zijn stelling in het geding heeft gebracht. De enkele stellingen van de vrouw dat haar werkzaamheden seizoensgebonden zijn en dat niet alle personen die haar salon bezoeken klanten zijn, zijn onvoldoende. Het lag op de weg van de vrouw om tegenover het verslag van de privédetective bijvoorbeeld een overzicht over te leggen van haar afspraken of van de mutaties van haar betalende cliënten in de betreffende periode om zo inzichtelijk te maken wat zij aan inkomsten heeft ontvangen. Ook tegenover het als productie 17 (van de man) overgelegde Whatsappbericht van 9 juli 2022 met de tekst “(…) 10k (…) proud of myself (…) i made it!!” had de vrouw meer moeten inbrengen.

Dit geldt temeer nu de vrouw niet heeft betwist dat dit Whatsappbericht van haar afkomstig was. De verklaring van de vrouw ter zitting dat zij het bedrag van € 10.000,= over de periode van vanaf 2014 tot juli 2022 heeft gespaard, heeft zij tegenover de betwisting van de man ook onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat zij (structureel) door haar ouders financieel wordt ondersteund. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de vrouw ten tijde van het huwelijk zwarte inkomsten heeft genoten. De rechtbank acht het redelijk om voor de berekening van het NBI van de vrouw aan te sluiten bij het bedrag van € 10.000,= dat de vrouw in haar Whatsappbericht heeft genoemd en dit bedrag te extrapoleren naar een jaarbedrag en zal daarom aan zwarte inkomsten een bedrag van € 20.000,= in aanmerking nemen.

2.20.

De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen

(algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.

2.21.

Op basis van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving in 2023 op een bedrag van € 2.248,= per maand.

2.22.

Het NBI van partijen dat zij maandelijks gezamenlijk beschikbaar hadden (NBGI) bedroeg aldus in totaal € 6.610,= per maand. Bij het NBGI dient het kindgebonden budget te worden opgeteld. Het kindgebonden budget bedroeg op het moment dat partijen uit elkaar gingen € 53,= per maand. Aan de hand van deze gegevens heeft de rechtbank het in dit kader relevante NBGI van partijen becijferd op € 6.663,= per maand.

2.23.

Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarigen op van € 1.460,= per maand in 2023. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte nu

€ 1.727,= per maand.

Draagkracht

2.24.

Vervolgens moet de rechtbank vaststellen wat de ouders ieder kunnen bijdragen in de kosten van de kinderen (ook wel de ‘draagkracht’ genoemd). De rechtbank volgt ook hiervoor de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van de kinderen tussen de ouders wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. De draagkracht van de ouders wordt bepaald aan de hand van hun huidig NBI.

2.25.

Het NBI bestaat uit het bruto-inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, minus de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de relevante heffingskortingen. Als een ouder recht heeft op KGB, wordt dat bij het NBI opgeteld. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.430,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.525,=)]. Deze benadering houdt in dat een ouder van het NBI 30% besteedt aan woonlasten, en dat daarnaast rekening wordt gehouden met een bedrag van € 1.525,= per maand aan noodzakelijke lasten. Van het NBI dat overblijft na aftrek van de woonlasten en noodzakelijke lasten, is 70% beschikbaar om de kosten van de kinderen te betalen.

Voor lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.430,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Draagkracht man

2.26.

Partijen zijn het erover eens dat de man als DGA van zijn eigen vennootschap [bedrijf 1] BV een inkomen heeft van € 60.471,= bruto per jaar. De man werkt daarnaast nog als zelfstandig ondernemer in zijn onderneming [eenmanszaak 1] . De draagkracht van de man wordt mede gerelateerd aan de te verwachten beschikbare winst uit onderneming. De rechtbank volgt het standpunt van de vrouw en zal bij gebrek aan stukken ten aanzien van de winst uit onderneming over 2022 en het bedrijfsresultaat van de eerste drie kwartalen van 2025 uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023 en 2024, zoals deze blijkt uit de in het geding gebrachte rapporten aangifte Inkomstenbelasting 2023 en 2024. De bruto winst uit onderneming bedroeg in 2023 € 23.898,= en in 2024

€ 23.760,=. Dit leidt tot een gemiddelde bruto winst uit onderneming van € 23.829,=.

2.27.

De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek) en mkb-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting,) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 4.457,= per maand.

2.28.

De man verzoekt de rechtbank rekening te houden met een bedrag van € 60,= per maand aan aflossing op een schuld aan de Belastingdienst in verband met een naheffing Inkomstenbelasting. Hij stelt daartoe dat hij al jaren lang deze aflossing aan de Belastingdienst voldoet en verwijst daarvoor naar een aantal screenshots van overschrijvingen die in 2024 en 2025 zijn gedaan. De vrouw betwist dat met deze schuld rekening moet worden gehouden, omdat de man niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk op de gestelde schuld aflost en dat de schuld een privéschuld is.

2.29.

De rechtbank volgt het standpunt van de vrouw dat uit de overgelegde screenshots niet kan worden opgemaakt van welke bankrekening de betalingen aan de Belastingdienst zijn gedaan. De man heeft nagelaten met bewijsstukken te onderbouwen dat de overboekingen aan de Belastingdienst van zijn bankrekening worden gedaan, hetgeen gelet op de op hem rustende stelplicht wel op zijn weg lag. Nu de man daarnaast verder onvoldoende heeft onderbouwd dat de gestelde schuld geen schuld is van een van de vennootschappen, maar een privéschuld is, zal de rechtbank met deze extra last geen rekening houden.

2.30.

De man verzoekt de rechtbank rekening te houden met advocaatkosten van € 150,= per maand. Vanwege de langlopende echtscheidingsprocedure zijn de advocaatkosten in de afgelopen jaren volgens de man opgelopen tot € 10.000,=. Zijn omzet is gedaald door omstandigheden die buiten zijn macht liggen. Hij beschikt over onvoldoende financiële middelen om de advocaatkosten te kunnen betalen, waardoor een betalingsachterstand is ontstaan. De vrouw betwist gemotiveerd dat rekening dient te worden gehouden met advocaatkosten.

2.31.

Ten aanzien van de advocaatkosten overweegt de rechtbank als volgt. In het algemeen beschouwt de Expertgroep Alimentatie in het Rapport Alimentatienormen (het tremarapport) dat advocaatkosten die zijn gemaakt in het kader van een familierechtelijke procedure niet als een noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting, in ieder geval niet voor de vaststelling van kinderalimentatie. Slechts indien aantoonbaar advocaatkosten zijn gemaakt en er geen liquide middelen zijn of binnen afzienbare termijn te verwachten zijn, beveelt de Expertgroep aan rekening te houden met een bedrag voor noodzakelijke en redelijke kosten voor rechtshulp. Niet gebleken of voldoende gesteld is dat de man op dit moment geen middelen zou hebben om de advocaatkosten te betalen. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met deze extra last.

2.32.

De draagkracht van de man is met inachtneming van bovenstaande uitgangspunten dan volgens de formule € 1.228,= per maand.

Draagkracht vrouw

2.33.

Tussen partijen is in geschil (de omvang van) het inkomen dat bij de becijfering van de draagkracht van de vrouw in aanmerking moet worden genomen. Vast staat dat het dienstverband van de vrouw bij [bedrijf 2] BV per 31 maart 2025 is beëindigd. De vrouw stelt dat haar inkomen op dit moment bestaat uit de gemiddelde winst uit onderneming over de periode van 2022 tot en met 2024 van € 1.011,=. De man heeft dit gemotiveerd betwist. De man stelt dat ook bij de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening dient te worden gehouden met € 40.000,= aan zwarte inkomsten, omdat zij deze inkomsten ook nu verwerft. De vrouw heeft ook in het kader van de berekening van haar draagkracht betwist dat zij zwarte inkomsten geniet. Onder verwijzing naar dat wat in rechtsoverweging 2.18. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat zij de stelling van de man onvoldoende onderbouwd heeft weerlegd. De rechtbank acht het redelijk om ook bij de berekening van de draagkracht van de vrouw aan zwarte inkomsten een bedrag van

€ 20.000,= netto op jaarbasis in aanmerking nemen.

2.34.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget van € 5.160,= en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 3.416,= op jaarbasis, € 714,= per maand. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.462,= per maand.

2.35.

De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 251,= per maand.

Draagkrachtvergelijking

2.36.

De totale draagkracht van partijen is (€ 1.228,= + € 251,= = ) € 1.479,= per maand. Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van de minderjarigen van € 1.728,= per maand.

Zorgkorting

2.37.

Op het berekende aandeel van de man in de kosten van de kinderen kan een zogenaamde zorgkorting in mindering worden gebracht. De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 25% op de door hem verschuldigde kinderbijdrage. De vrouw maakt daartegen gemotiveerd bezwaar en stelt dat een percentage van 15 passend is.

2.38.

Gelet op de vastgestelde zorgregeling, waarbij de man in een cyclus van vier weken, het eerste weekend van de maand van vrijdagmorgen 10.00 uur tot en met zaterdag 18.00 uur na het eten en aansluitend in de daaropvolgende drie weekenden van vrijdagavond 18.00 uur tot en met zondagavond 18.30 uur de zorg voor de kinderen op zich zal nemen, zal de rechtbank een percentage zorgkorting van 25, zijnde € 432,= per maand ofwel € 216,= per maand per kind in aanmerking nemen.

2.39.

Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in de

behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het

tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de man betekent

dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem

te betalen bijdrage als volgt wordt berekend:

€ 1.228,= [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 432,= [bedrag zorgkorting] – € 125,=

[bedrag van de helft van het tekort van € 249,=]) = € 460,= per maand per kind.

Conclusie

2.40.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 460,= per kind per maand. Deze bijdrage is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Dit betekent dat het verzoek van de vrouw tot een bedrag van € 460,= per kind per maand zal worden toegewezen en voor het meerdere wordt afgewezen.

Alimentatieberekeningen

2.41.

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gewaarmerkte exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Verdeling van het huwelijksvermogen

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

2.42.

Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter Verordening internationaal bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding is hij tevens internationaal bevoegd ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).

2.43.

De rechtbank gaat bij bepaling van het toepasselijke recht uit van het volgende. Omdat het huwelijk is gesloten na 1 januari 1992 en vóór 29 januari 2019 moet de vraag naar het toepasselijke huwelijksvermogensrecht worden beantwoord aan de hand van de regels van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978 (het Verdrag 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, hierna “het Verdrag”).

2.44.

Partijen hebben vóór of tijdens het huwelijk geen (geldige) rechtskeuze gemaakt overeenkomstig de artikelen 3 en 6 van het Verdrag.

2.45.

Uit artikel 15 van het Verdrag volgt dat wanneer partijen meer dan één

gemeenschappelijke nationaliteit hebben, er van uit moet worden gegaan dat ze geen

gemeenschappelijke nationaliteit hebben. Volgens de hoofdregel, artikel 4 lid 1 van het

Verdrag, is het recht van de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats na sluiting van het huwelijk bepalend voor het toepasselijk recht. Nu het eerste huwelijksdomicilie van partijen in Nederland was, is het Nederlands recht van toepassing.

2.46.

Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.

2.47.

De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 2 juli 2024. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.

2.48.

De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de feitelijke verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.

2.49.

De gemeenschap bestond op de peildatum 2 juli 2024, volgens opgave van partijen zelf, uit de volgende bestanddelen:

Goederen

a. de woning aan [adres] te [plaats 1] ;

b. een auto van het merk Ford;

c. de inboedel;

d. saldi van diverse bankrekeningen;

e. de aandelen in [eenmanszaak 1] B.V. en [bedrijf 1] B.V. ten name van de man;

f. de activa en passiva van [eenmanszaak 1] , de onderneming van de man;

g. de activa en passiva van [eenmanszaak 2] , de onderneming van de vrouw;

h. de bruidsschat;

i. een perceel grond in [plaats 2] , Turkije.

Schulden

j. de op de woning gevestigde hypothecaire geldlening.

2.50.

Tussen partijen is in geschil of de auto van het merk Mercedes op de peildatum tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Dit geschilpunt zal de rechtbank hierna in de rechtsoverwegingen 2.56. tot en met 2.59. behandelen.

Ad a. en j. de woning en bijbehorende hypothecaire geldlening

2.51.

Partijen hebben in gemeenschappelijk eigendom de woning aan de [adres] te [plaats 1] (verder: de woning). Op de woning rust een hypotheekschuld.

2.52.

Tussen partijen staat vast dat de woning moet worden verdeeld. Tijdens de zitting is met partijen over de wijze van verdeling van de woning gesproken. Zij zijn het erover eens dat de woning aan de man zal worden toegedeeld, onder voorbehoud van financiering. Daarbij zal de man in de onderlinge verhouding volledig draagplichtig zijn voor de hypotheekschuld, deze als eigen schuld aflossen en de vrouw ter zake vrijwaren, onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypotheekschuld. Partijen zijn het erover eens dat de man de gelegenheid krijgt om te onderzoeken en duidelijkheid te verkrijgen of hij financieel in staat is om de woning over te nemen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening te doen ontslaan. Slaagt de man er niet in onder voornoemde voorwaarde de woning over te nemen, dan zal de woning worden verkocht aan een derde. Partijen verschillen van mening over de waarde waarvoor de woning aan de man kan worden toegedeeld. Tijdens de zitting zijn zij het erover eens geworden dat zij de woning laten taxeren door [makelaar] in [plaats 1] . Deze taxatie zal zowel ten behoeve van het onderzoek van de man naar zijn financiële mogelijkheden voor toedeling van de woning worden uitgevoerd als ten behoeve de verkoop van de woning aan een derde, indien de man de financiering voor de toedeling van de woning niet rond kan krijgen. Partijen hebben toegezegd alle medewerking te verlenen aan de taxatie van de woning, dan wel aan de verkoop van de woning aan een derde.

2.53.

Het is partijen niet gelukt om afspraken te maken over het moment waarop de taxatie zal plaatsvinden en de termijn die de man krijgt om te onderzoeken of hij de financiering van de toedeling van de woning aan hem onder genoemde voorwaarde rond krijgt. Nu partijen het erover eens zijn dat de woning getaxeerd moet worden en aannemelijk is dat de man een taxatierapport nodig heeft om zijn financieringsmogelijkheden te kunnen onderzoeken, verwacht de rechtbank van partijen dat zij spoedig en in goed onderling overleg bepalen wanneer de taxatie zal plaatsvinden. Tijdens de zitting heeft de vrouw toegezegd dat zij uiterlijk vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de taxatie zal meewerken. Nadat het taxatierapport door de makelaar aan partijen ter beschikking is gesteld krijgt de man drie maanden de tijd om aan te tonen dat hij in staat is de toedeling van de woning tegen de getaxeerde waarde aan hem te financieren door overname van de hypothecaire geldlening. De rechtbank acht een periode van drie maanden redelijk. Dit betekent dat de man binnen die drie maanden ook moet aantonen dat de vrouw kan worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Indien de woning aan de man kan worden toegedeeld dient de man de helft van het verschil tussen de waarde van de woning enerzijds en het restant van de hypothecaire geldlenig anderzijds (de overwaarde) aan de vrouw uit te keren. Bij verkoop van de woning aan een derde, zal de hypotheekschuld uit de verkoopsom worden afgelost, waarna zij een eventuele overwaarde bij helfte dienen te delen en bij een eventuele restschuld, deze in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft moeten dragen.

2.54.

Voor de rechtbank ligt er geen taak meer in het nemen van een beslissing over de

(verdere) wijze van verdeling van de woning. Omdat partijen daarover overeenstemming hebben bereikt, kan de rechtbank de wijze van verdeling niet gelasten, gezien het bepaalde in artikel 3:185 lid 1 BW. De rechtbank zal het verzoek

strekkende tot het vaststellen van de verdeling dan wel het gelasten van de wijze van

verdeling van de woning in zoverre afwijzen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de

tussen partijen gemaakte afspraken tussen hen wel bindend zijn, maar zich niet lenen voor

opname in het dictum van deze beschikking.

Ad b. de auto’s

2.55.

Partijen zijn het erover eens dat de Ford Fiësta met kenteken [kenteken 1] , zal worden toegedeeld aan de vrouw en dat de vrouw wegens overbedeling € 2.600,= aan de man dient te betalen. Dit betekent, onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.54., dat de rechtbank niet meer hoeft te beslissen op het verzoek over het vaststellen dan wel gelasten van de wijze van verdeling voor zover dit betrekking heeft op de verdeling van Ford Fiësta.

2.56.

De vrouw stelt dat de Mercedes met kenteken [kenteken 2] als bestanddeel van de huwelijksgemeenschap tussen partijen dient te worden verdeeld. Zij verzoekt de Mercedes aan de man toe te delen onder de verplichting de helft van de waarde van de auto per peildatum aan haar te voldoen. Zij gaat uit van een waarde van € 29.750,=. Op de zitting heeft de vrouw betwist dat de Mercedes in eigendom is overgegaan naar de broer van de man. Zij wijst er op dat de tenaamstelling niet de eigendom van de auto met zich brengt en dat de man nog steeds in de Mercedes rijdt. Zij betwist verder dat de man een geslaagd beroep toekomt op verrekening van haar aanspraak op de helft van de waarde de Mercedes met een huwelijkse schuld. De gestelde huwelijkse schuld betreft zakelijke schulden van de ondernemingen van de man en zal bij de verdeling van de aandelen dan wel de activa en passiva van de ondernemingen van de man zijn meegenomen.

2.57.

De man betwist dat de Mercedes € 29.750,= waard is. De auto is volgens de man hooguit € 20.000,= waard. De man stelt dat de Mercedes niet meer voor verdeling tussen partijen in aanmerking komt. Hij heeft op 21 mei 2024 een geldleningsovereenkomst gesloten met zijn broer voor een bedrag van € 21.000,= om zakelijke, huwelijkse schulden af te lossen. De geldleningsovereenkomst overlegt de man als productie 20. Volgens de man betreft dit een huwelijkse schuld. Uiterlijk 1 januari 2025 diende de man deze geldlening te hebben afgelost. Onderdeel van de geldlening is dat de eigendom van de Mercedes als zekerheid aan zijn broer diende te worden overgedragen. De man stelt dat hij dit in mei 2024 heeft gedaan. Omdat de man de geldlening niet voor 1 januari 2025 heeft afgelost, is de tenaamstelling van de Mercedes op naam van zijn broer blijven staan en heeft zijn broer de Mercedes definitief in eigendom verkregen. De vrouw komt geen aanspraak toe op de helft van de waarde van de Mercedes, nu de huwelijkse schuld van € 21.000,= met de eigendomsovergang van de Mercedes naar zijn broer (met de waarde daarvan) is verrekend.

2.58.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de overgelegde geldleningsovereenkomst, ondertekend door de man en [persoon 1]

(geïdentificeerd als de broer van de man) op 22 mei 2024, is onder meer het volgende opgenomen:

‘Artikel 2: Onderpand en Eigendomsoverdracht

1. Als zekerheid voor de lening draagt de Kredietnemer het eigendom van het volgende voertuig over aan de Kredietgever:

o Merk en Model: Mercedes-Benz E200

o Kenteken: [kenteken 2]

o Bouwjaar: 2018

o Kilometerstand: 91.769

2. Het eigendom van de auto gaat pas terug over naar de Kredietnemer zodra de volledige lening, inclusief rente en eventuele kosten, is afbetaald. Tot die tijd blijft de auto eigendom van de Kredietgever.

3. Indien de Kredietnemer niet het volledige bedrag heeft terugbetaald uiterlijk op 1 januari 2025, behoudt de Kredietgever het eigendom van de auto als definitieve eigendomsovergang ter aflossing van de lening.’

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende onderbouwd dat de Mercedes op de peildatum 2 juli 2024 eigendom was van de broer van de man. De tenaamstelling is namelijk niet bepalend voor de juridische eigendom van de auto en biedt daarvoor geen, althans onvoldoende bewijs. De man heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat de eigendom van de auto daadwerkelijk aan de broer van de man is overgedragen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de Mercedes op de peildatum in de gemeenschap viel. Nu niet is komen vast te staan dat de Mercedes in eigendom is overgedragen aan de broer van de man en de man op zitting heeft erkend dat hij nog van de Mercedes gebruik maakt, zal deze auto aan de man worden toegedeeld. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de helft van de waarde van de Mercedes, omdat dit zou zijn verrekend met de helft van een huwelijkse schuld. De man heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende onderbouwd dat hij het geld heeft geleend om huwelijkse schulden af te lossen. Hij heeft niet specifiek gesteld noch onderbouwd welke schulden hij met het geleende bedrag heeft afgelost, terwijl dit wel op zijn weg lag.

2.59.

Partijen zijn het niet eens over de waarde van de Mercedes. De waarde van de Mercedes is tijdens de zitting aan de orde geweest. Tegenover het standpunt van de man dat de Mercedes hooguit € 20.000,= waard is, heeft de vrouw op zitting gesteld dat de Mercedes in ieder geval € 25.000,= waard is. De rechtbank acht het redelijk voor de waarde van de Mercedes uit te gaan van het gemiddelde van de door partijen genoemde bedragen, zijnde

(€ 25.000,= + € 20.000,= : 2 =) € 22.500,=. De man moet wegens overbedeling hiervan € 11.250,= aan de vrouw vergoeden.

Ad c. de inboedel

2.60.

Op zitting is vastgesteld dat de inboedelgoederen volledig in de gemeenschap vallen. De rechtbank heeft de vrouw erop gewezen dat het partijen niet toegestaan was/is om zonder instemming van de ander, onderdelen van de inboedel te verkopen aan derden. Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat zij over de verdeling van de inboedelgoederen in onderling overleg afspraken zullen maken. Dit betekent, onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.54., dat de rechtbank niet meer hoeft te beslissen op het verzoek over het vaststellen dan wel gelasten van de wijze van verdeling voor zover dit betrekking heeft op de verdeling van de inboedel.

Ad d. saldi van diverse bankrekeningen

2.61.

Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat ieder de op eigen naam gestelde bankrekening zal houden zonder verrekening van de saldi van deze bankrekeningen. Dit betekent, onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.54., dat de rechtbank niet meer hoeft te beslissen op het verzoek tot verdeling voor zover dit betrekking heeft op de verdeling van de (saldi van de) bankrekeningen.

Ad e., f. en g. de ondernemingen

2.62.

Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat aan de man worden toegedeeld de activa en passiva van zijn onderneming [eenmanszaak 1] en de aandelen van de vennootschappen [eenmanszaak 1] B.V. en [bedrijf 1] B.V. ten name van de man, zonder verdere verrekening. Partijen zijn het erover eens dat de notariskosten voor de levering van de aandelen aan de man voor rekening van de man komen en door hem zullen worden gedragen. Partijen hebben afgesproken dat de activa en passiva van de onderneming [eenmanszaak 2] van de vrouw zonder verdere verrekening aan de vrouw worden toegedeeld. Dit betekent, onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.54., dat de rechtbank niet meer hoeft te beslissen op het verzoek over het vaststellen dan wel gelasten van de wijze van verdeling voor zover dit ziet op de aandelen en activa en passiva van de ondernemingen.

Ad h. de bruidsschat

2.63.

Partijen zijn het erover eens dat tot de ontbonden huwelijksgemeenschap een bruidsschat behoort en dat deze bestaat uit gouden sieraden en munten. Ieder van partijen stelt dat de ander de bruidsschat in bezit heeft. De man stelt dat het goud in een kluis lag en dat de vrouw op 21 februari 2024 die kluis heeft leeggehaald. De vrouw heeft volgens de man het goud opzettelijk zoekgemaakt of houdt dit opzettelijk verborgen en zodoende heeft zij haar aandeel in de waarde van het goud verbeurd. De waarde van het goud is € 39.186,75 (productie 36 van de man) en komt hem volledig toe. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de waarde van het goud heeft verbeurd en haar aandeel in die waarde te verrekenen met haar aandeel in de overwaarde van de woning. De vrouw betwist dat zij het goud in haar bezit heeft of in haar bezit zou hebben gehad. Zij erkent dat zij op 21 februari 2024 de kluis heeft bezocht, maar stelt dat zij de kluis toen leeg aantrof. Volgens de vrouw is het goud in het bezit van de man, dan wel in het bezit van zijn moeder. Zij stelt dat partijen al jaren huwelijksproblemen hadden en dat de man het goud heeft weggehaald nadat zij hem heeft laten weten dat zij van hem wilde scheiden. Zij verzoekt afgifte van het goud door de man en beroept zich subsidiair op artikel 3:194 lid 2 BW.

2.64.

Partijen doen beiden een beroep op art. 3:194 lid 2 BW. Artikel 3:194 lid 2 BW vereist dat de deelgenoot de tot de gemeenschap behorende goederen opzettelijk verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. Is daarvan sprake, dan raakt de deelgenoot zijn aandeel in dat goed kwijt aan de andere deelgenoot. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat zware eisen aan het bewijs van opzet dienen te worden gesteld. Stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden die worden aangevoerd ter toelichting van een beroep art. 3:194 lid 2 BW rusten op degene die zich op deze bepaling beroept.

2.65.

De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft gemotiveerd betwist dat hij en/of zijn moeder het goud uit de kluis heeft gehaald. Als productie 25 heeft hij een uitdraai overgelegd van een registratie door de bank van bezoeken aan de kluis. Uit deze registratie volgt dat op 12 en 14 juli 2024 de kluis is bezocht door mevrouw [persoon 2] , geïdentificeerd als de moeder van de man. Op 21 februari 2024 is geregistreerd dat de vrouw de kluis heeft bezocht om 09.59 uur en dat de man en zijn moeder vervolgens dezelfde dag de kluis hebben bezocht om 10.42 uur. De stelling van de vrouw dat zij de kluis op

21 februari 2024 leeg heeft aangetroffen is volgens de man niet te rijmen met haar keuze om de man niet direct met haar ontdekking te confronteren. De man wijst tevens op een e-mail van de toenmalige advocaat van de vrouw van 27 februari 2024 (productie 24 van de man), waarin de advocaat schrijft dat op 21 februari 2024 enkel de 2 armbanden die de vrouw van haar opa en oma en de ketting die zij van haar moeder heeft gekregen in de kluis lagen. De inhoud van deze e-mail strookt volgens de man evenmin met de stellingen van de vrouw dat zij de kluis leeg heeft aangetroffen, het goud niet uit de kluis heeft gehaald en het goud niet in haar bezit heeft of heeft gehad. De vrouw heeft op haar beurt tijdens de zitting gemotiveerd betwist dat zij deze drie sieraden op 21 februari 2024 in de kluis heeft aangetroffen. De rechtbank constateert dat de standpunten van partijen over wie van hen het goud in bezit heeft (gehad) diametraal tegenover elkaar staan. Hetzelfde geldt voor dat wat zij daarover verklaren. Dat de vrouw, zoals de man stelt, het goud verborgen houdt, is door de man niet aangetoond. Er zijn weliswaar tegenstrijdigheden in de verklaringen van de vrouw omtrent de inhoud van de kluis en het mailbericht van haar toenmalige advocaat, maar deze zijn mede gezien de aard van de (zware) sanctie die uit art. 3:194 lid 2 BW volgt, onvoldoende om aan te kunnen nemen dat sprake is van het opzettelijk verborgen houden van het goud door de vrouw.

Ook de vrouw heeft niet aangetoond en evenmin voldoende onderbouwd dat de man over het goud beschikt en het goud (opzettelijk) verborgen houdt. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen wie van partijen over het goud beschikt. Dit betekent dat het beroep van partijen op art. 3:194 lid 2 BW niet kan slagen. Het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de waarde van het goud heeft verbeurd aan de man wordt dan ook afgewezen. Datzelfde geldt voor het gelijkluidende verzoek van de vrouw. Het verzoek van de vrouw om afgifte van het goud zal eveneens worden afgewezen. De rechtbank zal volstaan met het gelasten van de wijze van verdeling van het goud aldus dat ieder van partijen recht heeft op de helft (van de waarde) van het goud.

Ad i. een perceel grond in [plaats 2] , Turkije

2.66.

De vrouw heeft tijdens de zitting het verzoek over de verdeling van een perceel grond in [plaats 2] ingetrokken. Dit verzoek kan dan ook niet meer worden onderzocht.

Aanhouding beslissing

2.67.

De rechtbank houdt de (definitieve) beslissing op de verzoeken tot het wijzigen van de zorgregeling, aanhechting van het ouderschapsplan aan de beschikking en de proceskosten aan tot 30 juni 2026 pro forma, in afwachting van schriftelijk bericht zoals eerder is overwogen in rechtsoverweging 4.3. van de tussenbeschikking van 20 februari 2026.

3De beslissing

De rechtbank

3.1

bepaalt dat de man met ingang van de datum van de beschikking waarin de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015;

2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021,

aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 460,= (vierhonderdzestig euro) per maand per kind;

3.2

gelast de wijze van verdeling van de volgende bestanddelen van de huwelijksgemeenschap als volgt:

ten aanzien van de woning aan [adres] :

- bepaalt dat de man de tijd om binnen drie maanden na de datum waarop het taxatierapport gereed is aan te tonen dat de gemeenschappelijk woning van partijen gelegen aan [adres] aan hem kan worden toegedeeld, onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypotheekschuld;

- bepaalt dat, in geval van toedeling van de woning aan de man, de man in de onderling verhouding volledig draagplichtig is voor de hypotheekschuld en deze schuld als eigen schuld zal aflossen en dat hij de vrouw ter zake zal vrijwaren, een en ander onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de woning aan hem wordt toegedeeld en hij de financiering rond krijgt, zoals door partijen overeengekomen en opgenomen onder rechtsoverweging 2.53.;

ten aanzien van de Mercedes met kenteken [kenteken 2] :

- bepaalt dat de auto Mercedes met kenteken [kenteken 2] aan de man wordt toegedeeld voor een bedrag van € 22.500,= en dat hij aan de vrouw aan overbedeling moet voldoen een bedrag van € 11.250,=;

3.3

bepaalt dat de vrouw aan de man moet voldoen een bedrag van € 6.559,=;

3.4

houdt de beslissing voor het overige aan tot 30 juni 2026 pro forma;

Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. Molema, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733