Essentie (gemaakt door AI)
A-G in familiekwestie over afwikkeling na samenwoning. Hof erkent regresvordering man (€50.809,35) wegens hogere inbreng bij aankoop woning, acht die verjaard, maar staat toch verrekening met overbedelingsvordering vrouw toe bij toedeling woning. A-G: oordeel over verrekening miskent art. 6:127 lid 2 BW en reikwijdte art. 6:131 BW; klacht vrouw slaagt. Incidenteel: verjaringsoordeel ontoereikend; mogelijk art. 3:307 lid 2 BW bij samenlevers. Beide cassatieklachten slagen; vernietiging en verwijzing.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 02-07-2026 |
| Zaaknummer | 25/02767 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Familieprocesrecht; Verjaring / rechtsverwerking |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Relatievermogensrecht. Informeel samenlevenden, financiële afwikkeling na beëindiging van affectieve relatie. Regresvordering van man op vrouw; verrekening (art. 6:131 lid 1 BW) , verjaring (art. 3:307 BW) .Volledige uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02767
Zitting 26 juni 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
[de vrouw] (hierna: de vrouw)
tegen
[de man] (hierna: de man)
1Inleiding
Dit betreft een zaak over de financiële afwikkeling na beëindiging van een affectieve relatie door twee informeel samenlevenden, de man en de vrouw. In hoger beroep is onder meer geoordeeld: (i) dat de man in verband met zijn bijdrage aan het gemeenschappelijke huis een regresvordering heeft op de vrouw voor een bedrag van € 50.809,35; (ii) dat die vordering van de man is verjaard; en (iii) dat de man die verjaarde vordering kan verrekenen met de vordering die de vrouw verkrijgt in verband met verrekening van de overwaarde van het huis als de man erin slaagt het huis uit de gemeenschap over te nemen. Tegen het oordeel achter (iii) komt de vrouw in cassatie op, m.i. met succes. Het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep van de man, dat wordt geactiveerd en is gericht tegen het oordeel achter (ii), treft m.i. ook doel. Het bestreden arrest kan dus niet in stand blijven.
2Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan rov. 2.1-2.3 van het bestreden arrest van 20 mei 2025 (hierna: het arrest).
1
(i) Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond op het [adres] , in een huis dat op 2 februari 2017 aan hen samen is geleverd, ieder voor de onverdeelde helft (hierna: het huis).
(ii) Partijen zijn het er niet over eens hoe en wanneer de relatie precies is geëindigd, maar zeker is dat deze in augustus 2022 beëindigd was. Partijen verschillen ook van mening over de wijze waarop zij met elkaar moeten afrekenen. In hoger beroep gaat het voornamelijk over het huis.
(iii) Vast staat dat partijen voor het huis € 271.768,69 hebben betaald. Daarvan is € 170.150,-- gefinancierd met een hypothecaire lening bij Triodosbank, waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn. De man heeft een bedrag van € 101.618,69 voor zijn rekening genomen. Hij heeft de waarborgsom van € 26.500,-- en het restant van de koopsom van € 75.118,69 betaald aan de notaris.
(iv) Gedurende de samenleving en daarna is afgelost op de hypotheekschuld. In augustus 2022 bedroeg de schuld nog € 141.149,30 en per februari 2025 bedroeg de schuld volgens opgave van de man nog ongeveer € 120.000,--.
(v) Sinds partijen uit elkaar zijn, woont de man - samen met de minderjarige zoon van partijen - in het huis en betaalt hij alle lasten, waaronder de aflossing.
3.
Procesverloop (op hoofdlijnen)
2
In eerste aanleg
Bij dagvaarding van 2 mei 2023 heeft de vrouw een procedure aanhangig gemaakt tegen de man bij de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank).
De vrouw vorderde, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang:
- te bepalen dat het huis wordt verkocht en geleverd aan een derde;
- vervangende toestemming van de rechtbank om het huis te mogen verkopen door het geven van een verkoopopdracht aan een makelaar;
- veroordeling van de man tot volledige medewerking aan de verkoop van het huis;
- te bepalen dat partijen een redelijk bod op het huis moeten aanvaarden;
- te bepalen dat de man alle eigenaarslasten verbonden aan het huis als eigen schuld dient te voldoen zonder nadere verrekening met de vrouw;
- de man te veroordelen tot betaling van een gebruikersvergoeding totdat het huis is geleverd aan een derde.
De man heeft op 9 augustus 2023 een conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie genomen. Hij voerde verweer en vorderde, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang:
- het huis aan hem toe te delen onder de verplichting de hypotheekschuld bij de bank als zijn schuld over te nemen, met ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw;
- te bepalen dat het huis wordt getaxeerd;
- te bepalen dat de overbedelingsvordering die de vrouw zal krijgen bij toedeling van het huis aan de man, en die de man zal betalen bij het notarieel transport van het huis, wordt verminderd met een bedrag van € 116.160,81 dan wel met een door de rechtbank vast te stellen aandeel in de hypotheekschuld bij de bank;
- te bepalen dat de kosten van de taxateur en de notaris inzake het huis voor rekening komen van beide partijen, ieder voor de helft;
- te bepalen dat binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis, ontslag volgt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw;
- te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de aanslagen onroerendezaakbelasting vanaf 2022 aan de man.
De vrouw heeft op 29 november 2023 een conclusie van antwoord in reconventie genomen (hierna: de CvA i.r.).
Op 15 december 2023 vond een mondelinge behandeling plaats bij de rechtbank. Daarvan is een verkort proces-verbaal opgemaakt.
Op 7 februari 2024 heeft de rechtbank vonnis gewezen (hierna: het vonnis).
3 Daarbij heeft de rechtbank, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang:
- geoordeeld dat zij geen grond ziet voor de vordering van de man in verband met de betalingen die hij heeft verricht ten behoeve van het huis van € 116.160,81 althans van € 101.618,69 (rov. 4.31, 4.35), zodat de vordering van de man ook niet verrekend kan worden met een vordering van de vrouw (rov. 4.36);
- een wijze van verdeling van het huis en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening gelast (rov. 5.3);
- bepaald: dat de vrouw aan de man de helft van de aanslagen onroerendezaakbelasting vanaf 2022 betaalt; dat de man de aan het huis verbonden eigenaarslasten (exclusief de onroerendezaakbelasting) als eigen schuld voldoet, zonder nadere verrekening met de vrouw; dat partijen hun eigen proceskosten dragen; dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is; en dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen (rov. 5.4-5.8).
In hoger beroep
Bij dagvaarding van 2 mei 2024 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof).
De man heeft op 20 augustus 2024 een memorie van grieven genomen (hierna: de MvG).
In de weergave van het hof in het arrest (rov. 2.6) vorderde de man:
“dat het hof:
- het huis aan de man toedeelt onder de verplichting de hypotheekschuld bij de bank als zijn eigen schuld over te nemen en de vrouw uit de hoofdelijk aansprakelijkheid te ontslaan;
- de overbedelingsvordering van de vrouw bepaalt op de helft van de getaxeerde waarde verminderd met een bedrag van € 135.844, dan wel verminderd met [een door het hof, A-G] vast te stellen aandeel in de hypotheekschuld, subsidiair dat op de door de man te betalen overbedelingsvordering in mindering strekt een bedrag van € 50.809,35 vanwege ongerechtvaardigde verrijking;
- de vrouw veroordeelt tot betaling van de helft van de aflossingen op de schuld bij de Triodosbank vanaf februari 2017 tot aan de levering.
En als toedeling van het huis aan de man niet mogelijk blijkt bij de verdeling van de netto verkoopopbrengst aan de zijde van de vrouw te rekenen met een bedrag van € 135.844,- als haar aandeel in de hypotheekschuld dan wel dat ten gunste van de man met het aandeel van de vrouw wordt verrekend een bedrag van € 50.809,35 vermeerderd met de helft van de aflossingen op de hypotheekschuld bij de bank vanaf 2 februari 2017 tot aan de levering.”
De vrouw heeft op 29 oktober 2024 een memorie van antwoord, tevens grieven in incidenteel hoger beroep genomen (hierna: de MvA).
In de weergave van het hof in het arrest (rov. 2.7) vorderde de vrouw:
“dat het hof:
- bepaalt dat het huis moet worden verkocht en dat de man daar op straffe van dwangsommen medewerking aan moet verlenen;
- artikel 3:300 lid 2 BW toepast;
- de door de rechtbank toegewezen vordering over de OZB alsnog afwijst;
- (voorwaardelijk) de man veroordeelt om vanaf 1 juli 2023 tot het moment van levering van het huis een gebruiksvergoeding te betalen van € 258 per maand.”
De man heeft op 7 januari 2025 een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep genomen (hierna: de MvA inc.).
Op 27 februari 2025 vond een mondelinge behandeling plaats bij het hof (ten overstaan van een raadsheer-commissaris). Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v).
Bij het arrest heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, in principaal en incidenteel hoger beroep het vonnis vernietigd (behoudens de beslissingen in rov. 5.1, 5.2, 5.6 en 5.7, die het hof heeft bekrachtigd) en opnieuw rechtdoende een wijze van verdeling gelast van het huis en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij de bank (rov. 3.1-3.3). Als onderdeel van de verdeling heeft het hof kort gezegd beslist dat, als het huis aan de man wordt toegedeeld, de man bevoegd is om een bedrag van € 50.809,35, waarvoor hij een (verjaarde) regresvordering heeft op de vrouw, te verrekenen met de schuld die hij aan de vrouw zal hebben in het geval van overwaarde van het huis (rov. 3.2). Bovendien heeft het hof: de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt; het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard; en het meer of anders gevorderde afgewezen (rov. 3.4-3.6).
In cassatie
Bij procesinleiding van 15 augustus 2025 heeft de vrouw (tijdig) cassatieberoep ingesteld.
De man heeft een verweerschrift ingediend, strekkende tot verwerping van het cassatieberoep van de vrouw, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.
De vrouw heeft een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend, strekkende tot verwerping van dit cassatieberoep van de man.
Partijen hebben ieder een schriftelijke toelichting gegeven, de vrouw heeft nog gerepliceerd.
4Bespreking van het principaal cassatieberoep
Het cassatiemiddel van de vrouw bestaat uit een inleiding zonder klacht (deel A) en drie onderdelen met klachten (deel B). Het eerste onderdeel bevat een inleiding (onder I.0) en twee subonderdelen (I.1-I.2), gericht tegen rov. 2.15 van het arrest. Het tweede onderdeel bevat een subonderdeel (II.1), eveneens gericht tegen rov. 2.15. Het derde onderdeel behelst een voortbouwklacht (III), gericht tegen het dictum.
Onderdeel I
Het onderdeel klaagt, samengevat, als volgt.
Subonderdeel I.1 voert aan dat het hof in rov. 2.15 van het arrest miskent dat er voor een geldige verrekening op grond van art. 6:127 lid 2 BW sprake moet zijn van een verrekeningsbevoegdheid die al verkregen was op het moment dat de verjaring van de andere vordering (hier: de regresvordering van de man op de vrouw voor een bedrag van € 50.809,35) intrad. De verjaring maakt in verband met art. 6:131 BW aan een eenmaal verkregen verrekeningsbevoegdheid geen einde, maar hier was de onderhavige vordering van de man al verjaard voordat de vrouw een vordering kreeg (een vordering op de man uit overbedeling door diens overname van het huis).
Subonderdeel I.2 voert aan dat het bestreden oordeel ook onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd gelet op het passeren door het hof van twee in het subonderdeel opgenomen essentiële stellingen inzake, kort gezegd, de verjaring van de vordering van de man en het nog niet bestaan van de vordering van de vrouw.
De subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Behandeling
Het onderdeel treft doel, gelet op het volgende.
Wat doet het hof in het bestreden oordeel?
Het hof oordeelt in rov. 2.8-2.9 van het arrest, samengevat, dat de man (op grond van art. 6:6 BW en art. 6:10 BW) een regresvordering heeft op de vrouw voor een bedrag van € 50.809,35, dit vanwege de betaling door de man van € 101.618,69 in verband met de aankoop van het huis. Het hof oordeelt in rov. 2.10-2.11, weer samengevat, dat die vordering van de man is verjaard op de voet van art. 3:307 lid 1 BW (in verbinding met art. 6:38 BW) en dat het beroep van de vrouw op die verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Dan nu rov. 2.15, daarin oordeelt het hof als volgt:
“In grief 6 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat een eventueel verjaarde vordering nog steeds voor verrekening in aanmerking komt. Hij verbindt hieraan in zijn petitum geen vordering. De vrouw betwist dat aan de voorwaarden voor verrekening wordt voldaan, onder meer omdat de vordering verjaard zou zijn. Artikel 6:131 lid 1 BW bepaalt met zoveel woorden dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. In het geval de vrouw een vordering op de man heeft en beide vorderingen voldoen aan het bepaalde van artikel 6:127 BW staat de verjaring van de vordering dus niet aan verrekening in de weg. De grief slaagt. Als de man erin slaagt de woning uit de gemeenschap over te nemen kan hij het bedrag van € 50.809,35 verrekenen met de vordering die de vrouw dan heeft op de man in verband met de verrekening van de overwaarde.”
M.i. gaat het hof hiermee de fout in. Ik licht toe.
Blijkens art. 6:127 lid 2 BW is een schuldenaar bevoegd tot verrekenen, als hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is tot zowel betaling van de schuld als het afdwingen van de betaling van de vordering.
Een van de rechtsgevolgen van verjaring van een rechtsvordering is dat geen betaling van die vordering meer kan worden afgedwongen en nog slechts een natuurlijke verbintenis resteert.
4 Het gevolg hiervan is in het onderhavige geval dat de regresvordering van de man op de vrouw voor een bedrag van € 50.809,35 (hierna: de regresvordering van de man) niet meer voldoet aan een van de vereisten uit art. 6:127 lid 2 BW: dienaangaande is de man niet langer bevoegd tot “het afdwingen van de betaling van de vordering”. De man kan de regresvordering dus niet zonder meer in een verrekening betrekken.
Het hof wijst in dit verband op art. 6:131 lid 1 BW, zie onder 4.4.2 hiervoor. De bepaling luidt:
“De bevoegdheid tot verjaring eindigt niet door verjaring van de rechtsvordering.”
Dit behelst een uitzondering op voornoemde vereiste dat een schuldenaar bevoegd moet zijn tot “het afdwingen van de betaling van de vordering”. De bepaling laat een bestaande verrekeningsbevoegdheid voortbestaan na het moment waarop de in verrekening te brengen vordering, in dit geval dus de regresvordering van de man, verjaart.
De achterliggende gedacht van art. 6:131 lid 1 BW is blijkens de wetsgeschiedenis dat degene die tot verrekening bevoegd is, zich veelal reeds als bevrijd zal beschouwen en pas aan het afleggen van de verrekeningsverklaring zal denken wanneer de schuldeiser hem aanspreekt tot nakoming van de verbintenis.
5 Deze verruimde verrekeningsbevoegdheid sluit aan bij art. 6:56 BW, op grond waarvan ook een beroep op opschorting kan worden gedaan als die bevoegdheid reeds bestond vóór verjaring van de vordering op de wederpartij die nakoming vordert.
6
Art. 6:131 lid 1 BW kent wel beperkingen, want schept niet een bevoegdheid tot verrekening van een reeds verjaarde vordering met een na de voltooiing van die verjaring ontstane schuld. Voor laatstbedoeld geval geldt onverkort het vereiste, opgenomen in art. 6:127 lid 2 BW, dat degene die zich op verrekening beroept, bevoegd is tot het afdwingen van de betaling van de vordering waarmee hij zijn schuld wil verrekenen.
Ik wijs op een Hoge Raad-arrest van eerder dit jaar:
7
“(…) Art. 6:131 lid 1 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. De ratio van deze bepaling is dat degene die tot verrekening bevoegd is, zich veelal reeds als bevrijd zal beschouwen en pas aan het afleggen van de in art. 6:127 lid 1 BW bedoelde verrekeningsverklaring zal denken wanneer de schuldeiser hem aanspreekt tot nakoming van de verbintenis.
8 De bepaling laat een bestaande verrekeningsbevoegdheid dus voortbestaan na het moment waarop de in verrekening te brengen vordering verjaart, maar schept niet een bevoegdheid tot verrekening van een reeds verjaarde vordering met een na de voltooiing van de verjaring ontstane schuld. Voor laatstbedoeld geval geldt onverkort het vereiste, opgenomen in art. 6:127 lid 2 BW, dat degene die zich op verrekening wil beroepen, bevoegd is tot het afdwingen van de betaling van de vordering waarmee hij zijn schuld wil verrekenen.”
Gelet daarop is volgens de Hoge Raad “in zijn algemeenheid onjuist” het daar bestreden oordeel van het gerechtshof “dat op grond van art. 6:131 BW de verjaring van een vordering er niet aan in de weg staat dat de schuldeiser die vordering verrekent met een tegenvordering die zijn wederpartij op hem heeft of krijgt”.
9
Blijkens rov. 2.15 van het arrest onderkent het hof dat de vrouw in het kader van grief 6 van de man heeft betwist dat aan de voorwaarden voor verrekening is voldaan, onder meer omdat art. 6:131 lid 1 BW daaraan in de weg staat. Want deze verrekening betreft (i) de regresvordering van de man op de vrouw met (ii) de mogelijke overbedelingsvordering van de vrouw op de man, maar (i) is verjaard voordat (ii) is ontstaan.
10 Uit het vervolg van rov. 2.15 blijkt dat het hof dit betoog van de vrouw verwerpt, vanuit de rechtlijnige gedachte
11 dat op grond van art. 6:131 lid 1 BW de verjaring van een vordering er niet (“dus niet”) aan in de weg staat dat de schuldeiser die vordering verrekent met een tegenvordering die zijn wederpartij op hem heeft of krijgt.
Gelet ook op 4.5.1-4.5.7 hiervoor, meen ik dat dit oordeel van het hof in zijn algemeenheid onjuist is. Dit betekent dat subonderdeel I.1 gegrond is.
Daarbij betrek ik nog het volgende.
Door de man is in cassatie aangevoerd dat verrekening hier toch is toegestaan, omdat de vordering en de schuld voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding (want zowel de vordering als de schuld houdt verband met de gezamenlijke aankoop van het huis door de man en de vrouw) en in een dergelijk geval “verrekening te allen tijde [is] toegestaan”.
12
M.i. kan een dergelijke breed werkende, extensieve uitleg van art. 6:131 lid 1 BW niet worden aangenomen naar geldend recht.
13 Ik wijs in het bijzonder op het onder 4.5.6-4.5.7 hiervoor bedoelde Hoge Raad-arrest van eerder dit jaar, waarmee zo’n uitleg zich niet laat rijmen.
14 Zie bijvoorbeeld ook deze duiding van dit Hoge Raad-arrest door annotator Schuijling:
15
“(…) art. 6:131 lid 1 BW beschermt slechts een reeds vóór voltooiing van de verjaring bestaande verrekeningsbevoegdheid en schept geen bevoegdheid om een verjaarde tegenvordering te verrekenen met schulden die eerst ná de verjaring ontstaan (r.o. 3.2). (…) Art. 6:131 lid 1 BW beschermt dus alleen een verrekeningsbevoegdheid die al bestond ten tijde van de verjaring (TM, Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 503). De bepaling kan niet dienen als grondslag voor verrekening van een reeds verjaarde tegenvordering met een schuld die pas na voltooiing van de verjaring ontstaat. Toegepast op deze zaak betekent dit dat afnemers hun verjaarde (vermeende) vorderingen uit onverschuldigde betaling van aansluitbijdragen niet op grond van art. 6:131 lid 1 BW kunnen verrekenen met betalingsverplichtingen voor warmte die eerst na de verjaring ontstaan. Het oordeel van het hof is daarom, aldus de Hoge Raad, “in zijn algemeenheid onjuist” (r.o. 3.2).”
Kortom, het onder 4.6.1 hiervoor bedoelde betoog van de man gaat niet op.
Door de man is in cassatie verder aangevoerd dat indien hij “op zichzelf toch niet bevoegd zou zijn tot verrekening”, dus vanwege art. 6:131 lid 1 BW in verbinding met de verjaring van zijn regresvordering, “het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar [zou] zijn (art. 6:2 lid 2 BW) als de man niet zou kunnen verrekenen. Dit omdat de vordering en de schuld uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien”.
16,
17
M.i. is een dergelijke correctie op de werking van art. 6:131 lid 1 BW in een concreet geval niet ondenkbaar, maar, anders dan de man hier suggereert, geen automatisme. Dit vergt immers een weging van de omstandigheden van het concrete geval, afgezet tegen de maatstaf van art. 6:2 lid 2 BW. Daarbij kan de omstandigheid dat vordering en schuld uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien uiteraard een rol spelen, maar toch niet een op voorhand bepalende. Ik citeer nogmaals annotator Schuijling:
18
“De afnemers resteert nog een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW) : onder bijzondere omstandigheden kan het onaanvaardbaar zijn dat de exploitant hen een verrekeningsmogelijkheid ontzegt, ook al ontbreekt die “in haar algemeenheid”. (…)
19 Vooral de nauwe samenhang tussen de verjaarde vorderingen en de later ontstane schulden - die verband houden met dezelfde warmteleveringsovereenkomst - kan daarbij gewicht in de schaal leggen. Deze benadering sluit aan bij art. 6:130 BW. (…).
20”
Kortom, het onder 4.6.4 hiervoor bedoelde betoog van de man gaat evenmin op.
Overigens heeft de man in het kader van 4.6.4 hiervoor opgemerkt dat hij “heeft gesteld dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is”.
21
Op de desbetreffende vindplaatsen - of elders in de gedingstukken van de man in feitelijke instanties - lees ik evenwel géén te onderscheiden betoog met als inhoud of strekking dat indien hij hier op zichzelf toch niet bevoegd zou zijn tot verrekening vanwege art. 6:131 lid 1 BW, dus omdat zijn regresvordering op de vrouw is verjaard voordat de mogelijke overbedelingsvordering van de vrouw op hem is ontstaan, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:2 lid 2 BW) als hij ter zake niet zou kunnen verrekenen.
22,
23 Dit ondanks het expliciet zijdens de vrouw gedane beroep op art. 6:131 lid 1 BW in verbinding met verjaring van de regresvordering van de man.
24
Dat zo’n betoog van de man ontbreekt in die gedingstukken verbaast ook niet, want hij heeft daarin onverkort aangevoerd:
25
“Grief 6:
26. Voor het geval het hof een beroep op verjaring honoreert, beroept de man zich in het kader van de betaling van de overbedelingsvordering (…) op verrekening ex art. 6:131 lid 1 BW. (…).
Toelichting:
27. De bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring. (…).”
26
Bij deze opvatting, die dus onjuist is en het hof ten onrechte volgt (zie rov. 2.15), wordt aan zo’n betoog niet toegekomen.
Kortom, ook in zoverre gaat het onder 4.6.4 hiervoor bedoelde betoog van de man niet op.
Nu subonderdeel I.1 gegrond is en daarmee het bestreden oordeel van het hof al onderuit gaat, behoeft subonderdeel I.2 geen verdere bespreking meer.
Onderdeel II
Het onderdeel klaagt, met subonderdeel II.1, ten eerste dat het hof in rov. 2.15 van het arrest art. 23 Rv miskent. Want ondanks de - volgens de vrouw terechte
27 - vooropstelling in rov. 2.15, eerste twee zinnen,
28 beslist het hof dat de man het bedrag van € 50.809,35 mag verrekenen met de vordering die de vrouw alsdan op de man heeft in verband met de verrekening van de overwaarde. Uit art. 23 Rv volgt immers ook a contrario dat de rechter niets mag toewijzen dat niet gevorderd is, het is de rechter verboden ultra petita te gaan. Voor zover het hof van oordeel is dat deze beslissing in de vordering besloten ligt, is dit oordeel onbegrijpelijk, nu enige toelichting ontbreekt.
Behandeling
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
De vrouw mist belang bij het onderdeel, gelet op het slagen van onderdeel I. Daarmee is het bestreden oordeel immers reeds van tafel. Dit is al fataal.
Bovendien mist het onderdeel feitelijke grondslag, nu het eraan voorbijgaat dat het hof in rov. 2.15 van het arrest het beroep van de man op verrekening, overigens niet onbegrijpelijk,
29 opvat als een verweer van de man tegen de mogelijke overbedelingsvordering van de vrouw,
30 en dit honoreert.
Onderdeel III
Het onderdeel stelt dat indien een of meer klachten van de onderdelen I en II slagen, dit ook het dictum van het arrest aantast.
Behandeling
Het onderdeel treft doel, in het verlengde van onderdeel I.
Kort en goed: het slagen van onderdeel I tast ook het dictum van het arrest aan, voor zover dit voortbouwt op of onverbrekelijk samenhangt met het door onderdeel I met succes bestreden oordeel in rov. 2.15, te weten dat als de man er in slaagt het huis uit de gemeenschap over te nemen hij het bedrag van € 50.809,35 kan verrekenen met de vordering die de vrouw dan heeft op de man in verband met verrekening van de overwaarde.
Dit behoeft geen verdere toelichting.
Slotsom
Het cassatiemiddel van de vrouw is derhalve terecht voorgesteld.
5Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Het incidentele cassatieberoep van de man is ingesteld “voor het geval dat een of meer klachten van het principale cassatieberoep” van de vrouw “zouden slagen”. Nu aan deze voorwaarde is voldaan, kom ik toe aan bespreking van dit cassatieberoep.
Het incidentele cassatiemiddel van de man bestaat uit een ongenummerd onderdeel met vijf klachten. Het is gericht tegen rov. 2.11 van het arrest.
“Is de rechtsvordering van de man op de vrouw verjaard? (rov. 2.11)”
Het onderdeel heeft als hoofdklacht dat onjuist en/of onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 2.11 van het arrest dat zou slagen het verweer van de vrouw dat de regresvordering van de man op haar verjaard is. Dit werkt het onderdeel, samengevat, als volgt uit.
a. Het hof miskent dat de aanvullende dan wel beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW en/of art. 6:248 BW) meebrengt dat de regresvordering van de man pas opeisbaar geworden is bij het einde van de relatie van de man en de vrouw. De langdurige affectieve relatie van de man en de vrouw die met hun kind samenleefden in het huis, brengt mee dat het onredelijk dan wel onaanvaardbaar zou zijn indien de man zijn regresvordering zou kunnen opeisen zolang hun relatie voortduurde. Dat de man zijn regresvordering niet heeft opgeëist tijdens de relatie is een aanwijzing dat de man en de vrouw geen directe opeisbaarheid beoogd hebben. Nu volgens de stellingen van de man en de vrouw de relatie is geëindigd op enig moment tussen september 2021 en augustus 2022, is de vijfjarige verjaringstermijn op zijn vroegst gaan lopen in september 2021 en is de termijn nog niet verstreken.
b. Het hof miskent dat, indien de regresvordering van de man wel terstond opeisbaar zou zijn, de vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:307 lid 1 BW op grond van art. 3:307 lid 2 BW pas is gaan lopen van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de man aan de vrouw medegedeeld heeft tot opeising over te gaan, namelijk op 22 augustus 2022. De man en de vrouw hebben zich namelijk op grond van een overeenkomst met de verkoper van het huis hoofdelijk verbonden tot betaling van de hele koopprijs, waarbij geen termijn voor nakoming bepaald is. De regresvordering van de man is daarom een verbintenis uit overeenkomst tot nakoming na onbepaalde tijd. De vijfjarige verjaringstermijn is daarom pas gaan lopen op 23 augustus 2022 en thans nog niet verstreken.
c. Het hof miskent dat, indien de vijfjarige verjaringstermijn in februari 2017 zou zijn gaan lopen, het had moeten onderzoeken: (a) of art. 3:320 BW en art. 3:321 lid 1, aanhef en onder a BW ambtshalve toegepast moeten worden, nu de man en de vrouw met gehuwden gelijkgesteld moeten worden; dan wel (b) of de bepalingen ambtshalve naar analogie toegepast moeten worden. De man en de vrouw hadden sinds 2007 een affectieve relatie, kregen in 2009 een kind, woonden vanaf 2012 ongehuwd samen en zijn sinds 2017 gezamenlijk eigenaar van het huis. Het hof had gelet daarop reden om te onderzoeken of er grond bestaat voor toepassing (naar analogie) van de bepalingen. Het kan niet, althans niet in beginsel, van iemand verwacht worden dat hij een stuitingshandeling verricht jegens een persoon met wie hij (gehuwd of ongehuwd) samenwoont, omdat dit schadelijk is voor de onderlinge verhoudingen. Juist daarom bepaalt de wet dat er tussen niet van tafel en bed gescheiden echtgenoten en tussen geregistreerde partners een grond is voor verlenging van de verjaring. Het past daarom in het systeem van het recht, en het sluit aan bij de in de wet geregelde gevallen, om ook bij ongehuwd samenwonenden de verjaringstermijn te verlengen.
d. Het hof miskent dat, indien de regresvordering van de man verjaard zou zijn, het beroep van de vrouw op die verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verwezen wordt naar de onder c hiervoor genoemde argumenten. De man heeft ook gesteld dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is gezien de gangbare feitelijke praktijk bij gehuwden, waarbij vermogensrechtelijke kwesties (ook) eerst bij het einde van de affectieve relatie aan bod komen.
e. Als het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Behandeling
Het onderdeel treft doel, gelet op het volgende.
Ik zie aanleiding te starten met klacht b
31 in verbinding met klacht e.
In rov. 2.1, 2.3 en 2.8-2.11 van het arrest oordeelt het hof als volgt:
“2.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond op het [adres] , in een huis dat op 2 februari 2017 aan hen samen is geleverd, ieder voor de onverdeelde helft (hierna: het huis). Partijen zijn het er niet over eens hoe en wanneer de relatie precies is geëindigd maar zeker is dat deze in augustus 2022 beëindigd was. Partijen verschillen ook van mening over de wijze waarop zij met elkaar moeten afrekenen. In hoger beroep gaat het voornamelijk over het huis.
(…)
Sinds partijen uit elkaar zijn woont de man, samen met de minderjarige zoon van partijen, in het huis en betaalt hij alle lasten, waaronder de aflossing.
(…)
In de grieven 2 en 3 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte niet heeft vastgesteld dat hij een vordering op de vrouw heeft in verband met de betaling van € 101.618,69. Hij beroept [zich] op artikel 6:6 BW en de jurisprudentie van dit hof over die rechtsgrond.
32 De vrouw betwist de vordering en motiveert dit met een beroep het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019.
33 Volgens de vrouw kan de vordering ook niet gebaseerd worden op de artikelen 6:6 of 3:172 BW.
Het hof is van oordeel dat de grief van de man slaagt. De artikelen 6:6 en 6:10 BW zijn van toepassing. Partijen hebben het huis samen gekocht en het is hen samen geleverd. Tegenover de verkoper hebben zij zich hoofdelijk verbonden tot betaling van de hele koopprijs. Partijen hebben samen, door middel van de hoofdelijk aangegane hypothecaire lening, een deel van de koopprijs voldaan en de rest is betaald door de man. De man heeft daarmee meer dan de helft betaald van de hoofdelijke schuld aan de verkoper. De vrouw heeft geen argumenten aangedragen waarom die door de man betaalde hoofdelijke schuld haar niet voor de helft aangaat, terwijl zij wel de helft van het huis in eigendom heeft gekregen. De man heeft € 50.809,35 meer betaald dan hem in de onderlinge verhouding tot de vrouw aangaat en dus heeft de man voor dat bedrag een vordering op de vrouw.
De vrouw heeft ook gesteld dat een mogelijke regresvordering van de man is verjaard. Zij stelt dat de vordering van de man is ontstaan op 2 februari 2017 en pas voor het eerst is opgeëist op 22 augustus 2022, meer dan vijf jaar later. De man heeft in de onderbouwing van zijn vierde grief gesteld [dat] het beroep van de vrouw op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat het gaat om een minimale termijnoverschrijding, de rechtszekerheid niet in het geding is en de man niet wist dat hij de verjaring diende te stuiten.
Het hof oordeelt dat het beroep van de vrouw op verjaring niet onaanvaardbaar is en slaagt. Artikel 6:38 BW bepaalt dat een vordering, als er geen termijn voor nakoming is bepaald, direct opeisbaar is. Dat betekent in dit geval dat de vordering van de man opeisbaar is vanaf de datum van het passeren van de leveringsakte en de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Gesteld noch gebleken is dat hier sprake is van een overeengekomen termijn zodat op grond van artikel 3:307 BW de verjaring was voltooid voordat de man zijn vordering heeft opgeëist. Verjaring is een wettelijke regeling van dwingend recht. Het toepassen van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid moet daarop zeer terughoudend worden toegepast. De door de man aangevoerde argumenten zijn daartoe onvoldoende. Het verweer van de vrouw dat de vordering van de man op haar voor een bedrag van € 50.809,35 is verjaard slaagt daarom.”
Het is verder dienstig, met instemming, te citeren uit twee conclusies van A-G Hartlief.
Ik doel op:
34
“3.46 Art. 3:307 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen, verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
35
Dit aanvangstijdstip (het moment van opeisbaarheid) is niet voor alle gevallen even redelijk. Er zijn namelijk ook gevallen waarbij in de overeenkomst zelf al besloten ligt dat de opeising van de prestatie niet binnen een afzienbare tijd zal plaatsvinden.
36Voor die specifieke gevallen is de bijzondere regel in het tweede lid van art. 3:307 BW opgenomen.
37Daarin is bepaald dat bij een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd de in lid 1 bedoelde verjaringstermijn aanvangt vanaf de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Daarmee is het aanvangstijdstip van de verjaring afhankelijk gesteld van het moment van de opeising door de schuldeiser. Om te voorkomen dat bepaalde vorderingen hierdoor in het geheel niet voor verjaring vatbaar zouden zijn, is in dit tweede lid ook bepaald dat de vordering in elk geval verjaart door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising op zijn vroegst mogelijk was.
38
Anders dan de Gemeente hier stelt, is een verbintenis waarbij “geen tijd voor de nakoming is bepaald” in de zin van art. 6:38 BW, niet hetzelfde als een “verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd” als bedoeld in art. 3:307 lid 2 BW. Voor de toepasselijkheid van de verjaringsregel uit art. 3:307 lid 2 BW is het enkele feit dat partijen geen tijd voor de nakoming zijn overeengekomen in de zin van art. 6:38 BW onvoldoende. De toepasselijkheid van art. 3:307 lid 2 BW is afhankelijk van de uitleg van de betreffende overeenkomst. In dat verband is bepalend of partijen beoogden dat de vordering op een onbepaald moment in de toekomst, in elk geval niet direct, zal worden opgeëist.
39Anders gezegd: ligt in de overeenkomst besloten dat opeising, indien mogelijk (geworden), niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden?
40
Hier heeft het hof, begrijpelijkerwijs, niet aangenomen dat partijen beoogden dat de Gemeente ook na vervulling van de voorwaarden in artikel 5 haar vordering niet binnen afzienbare tijd zou opeisen. Aanknopingspunten voor de toepasselijkheid van art. 3:307 lid 2 BW zijn immers gesteld noch gebleken.”
En op:
41
“3.21 De verjaringsregeling voor informeel samenlevenden is daarmee op zich duidelijk: art. 3:306-310 BW zijn rechtstreeks van toepassing op hun vorderingsrechten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de verjaringstermijn een aanvang kan nemen gedurende het informele samenleven.
42 Uitzonderingen op dat uitgangspunt zijn echter denkbaar, zoals blijkt uit de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis van art. 3:307 BW (…) (met onderstreping door mij):
“Het voormelde aanvangstijdstip [van art. 3:307 lid 1 BW, A-G]
43 is evenwel niet voor alle gevallen redelijk. Er zijn immers gevallen waarin in de overeenkomst zelf al opgesloten ligt dat de opeising niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden. Men denke aan (…). Ook kan gedacht worden aan overeenkomsten tussen samenlevenden die zich bij voorbeeld verplichten bij te dragen in de kosten van de aankoop van de gemeenschappelijke woning, terwijl, zolang de samenleving duurt, geen reden wordt gezien om deze bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen. (…) Met het oog op dit een en ander is in artikel 3.11.11 [3:307 BW, A-G] lid 2 een bijzondere regel opgenomen voor het geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd. (…) In al deze gevallen begint de in lid 1 bedoelde termijn van vijf jaren pas met de aanvang van de dag waartegen de schuldeiser aan de schuldenaar heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Zolang dit niet is geschied, begint derhalve de voormelde termijn niet te lopen”.
44”
45
Dan zet ik nu, tegen deze achtergrond, de stap naar het arrest.
Naar daaruit blijkt, is het in de onderhavige zaak duidelijk - en aldus het hof minst genomen gebleken - dat sprake is:
- van samenlevenden (zie rov. 2.1 en 2.3 over de man en de vrouw, die een affectieve relatie hadden, hebben samengewoond in het huis en samen een kind hebben),
- die zich hebben verplicht bij te dragen in de kosten van de aankoop van de gemeenschappelijke woning (zie rov. 2.8-2.9 over de financiering van de aankoop van het gemeenschappelijke huis, specifiek de door de man betaalde hoofdelijke schuld die de vrouw voor de helft aangaat, wat zich vertaalt in de regresvordering van de man),
- terwijl door hen, zolang de samenleving duurde, geen reden werd gezien om de desbetreffende bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen (zie rov. 2.1 en 2.10-2.11, waaruit volgt dat de man zijn regresvordering eerst heeft opgeëist op 22 augustus 2022, de maand waarvan zeker is dat daarin de affectieve relatie tussen de man en de vrouw beëindigd was).
46,
47
Daarbij wijs ik nog op het volgende.
Ten eerste dit. Nadat het hof in rov. 2.9 oordeelt dat hier art. 6:6 BW en art. 6:10 BW van toepassing zijn, herleidt het hof de regresvordering van de man blijkens rov. 2.11 naar een (rechts)vordering jegens de vrouw tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen in de zin van art. 3:307 BW. Dat het hof redeneert vanuit dit laatste, oftewel een ‘contractuele’ regresvordering van de man, is helder: in rov. 2.11 plaatst het hof de verjaringsvraag inzake de regresvordering van de man immers in de sleutel van [[“artikel 3:307 BW”, niet die van art. 3:310 BW]].
48
Ten tweede dit. Het antwoord van het hof op die verjaringsvraag in rov. 2.11 is dat de regresvordering van de man is verjaard. Kort en goed: nu gesteld noch gebleken is dat hier sprake is van een overeengekomen termijn voor nakoming van die vordering, geldt blijkens de hoofdregel van art. 6:38 BW dat die vordering opeisbaar is vanaf de datum van het passeren van de leveringsakte en de daaruit voortvloeiende verplichtingen (op 2 februari 2017), zodat de vijfjaarstermijn in art. 3:307 lid 1 BW - die het hof hier aanhoudt - was voltooid voordat de man die vordering heeft opgeëist (op 22 augustus 2022).
Ten derde dit. In rov. 2.10-2.11 oordeelt het hof niet dat de man heeft erkend dat de verjaringstermijn betreffende zijn regresvordering is begonnen te lopen op het door de vrouw gestelde moment, neerkomend 2 februari 2017, laat staan dat die verjaring is voltooid.
49,
50 Het is niet voor niets dat het hof in rov. 2.11 het erop gooit dat “[g]esteld noch gebleken is dat hier sprake is van een overeengekomen termijn”, en langs die weg eerst beziet - zie nader onder 5.8.7-5.8.8 hierna - of de regresvordering van de man is verjaard alvorens hij die vordering heeft opgeëist (antwoord: ja), voordat het hof beoordeelt of het verjaringsberoep van de vrouw inzake de regresvordering van de man naar maatstaven van redelijkheid en billijk onaanvaardbaar is (antwoord: nee). Was volgens het hof wel sprake geweest van zo’n erkenning door de man, dan had ‘s hofs oordeel inzake de verjaring van de regresvordering van de man logischerwijs aanmerkelijk korter geluid.
Evenmin lees ik trouwens in rov. 2.10-2.11 dat volgens het hof de man en/of de vrouw zou(den) hebben aangevoerd dat de verjaringsvraag inzake zijn regresvordering moet worden geplaatst in de sleutel van art. 3:307 BW (laat staan specifiek lid 1 daarvan). Daarbij betrek ik dat de vrouw zich ter zake in hoger beroep juist nadrukkelijk had beroepen op art. 3:310 lid 1 BW onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van het hof,
51 die het hof hier dus niet volgt. En dat ook ter mondelinge behandeling bij het hof de regeling van art. 3:307 BW (laat staan specifiek lid 1 daarvan) niet kenbaar ter sprake is gekomen, evenmin zijdens de man.
52,
53 Het hof gaat in rov. 2.11 eigener beweging voor het anker van art. 3:307 BW liggen, specifiek dus lid 1 daarvan in verbinding met art. 6:38 BW, naar ik begrijp in het verlengde van rov. 2.9.
54
Ten vierde, en ten slotte, dit. In rov. 2.11 verwijst het hof naar art. 6:38 BW, maar oordeelt het niet dat een verbintenis waarbij “geen tijd voor de nakoming is bepaald” in de zin van art. 6:38 BW, hetzelfde is als een “verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd” in de zin van art. 3:307 lid 2 BW. Het hof oordeelt daar immers dat er voor de regresvordering van de man niet zo’n tijd voor de nakoming is bepaald (geen “sprake is van een overeengekomen termijn”), zonder daaraan de conclusie te verbinden dat ‘dus’ wat betreft art. 3:307 BW het lid 2-regime van toepassing is. Want het hof ziet blijkens rov. 2.11, kennelijk met inachtneming van wat in de onderhavige procedure is gesteld/gebleken
55 en ondanks hetgeen aan de orde kwam onder 5.8.1, 5.8.3 en 5.8.5-5.8.6 hiervoor,
56 grond voor toepassing van het lid 1-regime van de bepaling, derhalve niet voor toepassing van het lid 2-regime daarvan. Zie onder 5.8.4 hiervoor.
Dat het hof zich (naar in rov. 2.11 besloten ligt) aldus eerst afvraagt welk regime het binnen de regeling van art. 3:307 BW gaat toepassen en vervolgens kiest voor dat van lid 1 daarvan (in verbinding met art. 6:38 BW) , waarop de expliciete verjaringsanalyse in rov. 2.11 zich dan toespitst, strookt ook daarmee dat partijen hun discussie rond de verjaring van de regresvordering van de man dus niet hebben geplaatst in de sleutel van art. 3:307 BW.
57 Zoals gezegd, het hof gaat in rov. 2.11 zélf voor dit anker liggen, waarbij het zich dan logischerwijs eerst voor de vraag gesteld ziet welk regime het binnen de bepaling van toepassing acht: dat van lid 1 of dat van lid 2 daarvan.
58
Dit een en ander leidt mij, voor zover relevant bij de bespreking van het onderdeel, tot deze uitkomst.
In het licht van het voorgaande heeft het hof met zijn in rov. 2.11 vervatte oordeel over de verjaring van de regresvordering van de man hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Van een onjuiste rechtsopvatting is sprake indien het hof, waar het, uitgaande van de regeling van art. 3:307 BW,
59 beziet welk regime het binnen die regeling gaat toepassen (dat van lid 1 of dat van lid 2 daarvan), miskent dat hier sprake kan zijn van een geval waarin in de overeenkomst tussen de man en de vrouw
60 zelf al besloten ligt dat de opeising van de regresvordering van de man,
61 indien mogelijk (geworden), niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden en zodoende sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd in de zin van art. 3:307 lid 2 BW, zodat dít regime - en niet dat van art. 3:307 lid 1 BW - hier van toepassing is.
Als het hof dat niet miskent, is diens keuze voor het regime van art. 3:307 lid 1 BW (in verbinding met art. 6:38 BW) zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende begrijpelijk. In het bijzonder is dan onvoldoende gemotiveerd waarom volgens het hof, ondanks voorliggende kenmerken van deze zaak die wijzen richting toepasselijkheid van art. 3:307 lid 2 BW, de man en de vrouw met voornoemde overeenkomst niet beoogden dat de regresvordering van de man op een onbepaald moment in de toekomst, in elk geval niet direct, zal worden opgeëist.
Ik meen dat het onderdeel dit, in het bijzonder dus met klacht b in verbinding met klacht e, in afdoende mate aan de orde stelt om succes te boeken.
Tot slot: het betreft hier geen ‘lood om oud ijzer’, gelet op het voorstelbare verschil in uitkomst bij toepassing van art. 3:307 lid 1 BW dan wel art. 3:307 lid 2 BW.
Bij deze stand van zaken ontvalt reeds de bodem aan rov. 2.11 en behoeven de overige klachten in het onderdeel geen bespreking.
Slotsom
Het cassatiemiddel van de man is derhalve terecht voorgesteld.
6Afronding
Gelet op 4.15 en 5.11 hiervoor kan het arrest m.i. niet in stand blijven.
Ik acht verwijzing van het geding ter verdere beoordeling en beslissing aangewezen.
7Conclusie
De conclusie strekt in het principale cassatieberoep en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 mei 2025, en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 20 mei 2025, zaaknummer 200.341.109 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Zo speelden tussen partijen nog andere vorderingen dan de navolgende. Deze zijn in de onderhavige cassatieprocedure niet van belang en laat ik daarom verder rusten.
Zie Rb. Gelderland 7 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:599
Zie bijv. Asser/C.H. Sieburgh, De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte (6-II), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nrs. 387, 390.
Zie TM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 503.
Zie bijv. R.J.Q. Klomp, GS Verbintenissenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025 (actueel t/m 5 november 2025), art. 6:56 BW, aant. 3.
Zie HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93, NJ 2026/67, rov. 3.2, eerste alinea.
[Noot in het origineel, A-G:] Parl. Gesch. Boek 6, p. 503.
Zie HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93, NJ 2026/67, rov. 3.2, tweede alinea. Zie ook de conclusie van A-G Hartlief voor dit arrest (ECLI:NL:PHR:2025:970), onder 3.32.
Zie bijv. de MvA, nrs. 47-48, waaronder: “Verder is de vordering van de man al op 2 februari 2022 verjaard, nog voordat de overbedelingsvordering van de vrouw op de man ontstond, waardoor de man geen succesvol beroep kan doen op verjaring op grond van artikel 6:131 lid 1 BW”. Zie over die verjaring bijv. ook nr. 27 aldaar.
En in lijn met het betoog van de man. Zie de MvG, nrs. 26-27. Zie trouwens ook rov. 2.17, waarin het hof kenbaar maakt de man nog een laatste gelegenheid te bieden om het aandeel van de vrouw in het huis over te nemen: “Het is wel zaak dat zo snel mogelijk duidelijk wordt of de man de woning kan overnemen tegen de nog te taxeren waarde. Mocht dat niet het geval zijn dan moet direct tot verkoop worden overgegaan”.
Zie de schriftelijke toelichting van de man, nr. 5.1, met verwijzingen, mede naar N.E.D. Faber, Verrekening (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2005, nr. 83, p. 87.
Zie bijv. ook R.J.Q. Klomp, GS Verbintenissenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (actueel t/m 2 maart. 2026), art. 6:131 BW, aant. 5.
Het valt op dat de schriftelijke toelichting van de man, nr. 5.1 geen gewag maakt van dit Hoge Raad-arrest, al dateert deze toelichting (6 februari 2026, ingediend op 5 februari 2026) van ruim na dit arrest (23 januari 2026, diezelfde dag gepubliceerd op rechtspraak.nl) en noemt deze toelichting wel de conclusie van A-G Hartlief voor dit arrest (ECLI:NL:PHR:2025:970), onder 3.31.
Zie B.A. Schuijling in JOR 2026/142, onder 2, 4.
Zie de schriftelijke toelichting van de man, nr. 5.2, met verwijzingen naar Faber 2005, nr. 83, p. 87; HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0492, NJ 1992/686, rov. 3.5; en (‘vgl.’) HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:377, NJ 2019/365, rov. 3.5.
In de schriftelijke toelichting van de man, nr. 5.2, noot 6 merkt de man nog op: “De man heeft gesteld dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zie memorie van grieven-§ 23, 26 en 27”. Daarop kom ik terug vanaf 4.7 hierna.
Zie Schuijling 2026, onder 5.
Toevoeging A-G: hier verwijst Schuijling via ‘vgl.’ naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:377, NJ 2019/365.
Toevoeging A-G: hier verwijst Schuijling via ‘vgl.’ naar Faber 2005, nr. 83; annotator P. van Schilfgaarde in NJ 1992/686, onder 6; en HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0492, NJ 1992/686.
Zie noot 16 hiervoor.
Zie ook de repliek in cassatie van de vrouw, nr. 1.3.
Oftewel: dat een beroep van de vrouw op art. 6:131 lid 1 BW in verbinding met verjaring van die vordering van de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:2 BW) .
Zie mede noot 10 hiervoor. Daarop heeft de man niet kenbaar gerespondeerd bij het hof, zie de MvA inc. en het p-v. Integendeel, zie noot 26 hierna.
Zie de MvG, nrs. 26-27. Nr. 23 aldaar betreft alleen de onder 4.7 hiervoor bedoelde stellingname van de man.
Toevoeging A-G: zie ook het p-v, p. 21: “Mr. Wolkenfelt [advocaat van de man, A-G]: (…) In art. 6:131 is geregeld dat verjaring van een vordering niet in de weg staat aan een beroep op verrekening”. En: “Mr. Wolkenfelt: Mijn cliënt heeft een beroep gedaan op verrekening met de overbedelingsvordering”.
Zie deel A, onder 1 over “rov. 2.15, waar het hof terecht oordeelt dat de man aan zijn stelling omtrent verrekening van de verjaarde vordering geen vordering in zijn petitum verbindt”.
Dus: “In grief 6 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat een eventueel verjaarde vordering nog steeds voor verrekening in aanmerking komt. Hij verbindt hieraan in zijn petitum geen vordering”.
Zie bijv. de MvG, nrs. 26-27 en het p-v, p. 20-21, waaronder: “Mr. Wolkenfelt: Mijn cliënt heeft een beroep gedaan op verrekening met de overbedelingsvordering. Dat houdt ermee verband dat je het niet zelfstandig kunt vorderen, ervan uitgaande dat de vordering van € 50.809,35 is verjaard. Volgens mij hoef je dat dus verder niet in het petitum naar voren te brengen”.
Zie bijv. OM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 503 en TM en MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 503-504. Daaruit volgt dat een lid van ontwerpartikel 6.1.10.8 (nu: art. 6:131 BW) , dat bepaalde dat verrekening in iedere stand van het geding en zelfs na de uitspraak was toegestaan, was opgenomen onder meer om duidelijk te maken dat “de (…) regel van concentratie van het verweer niet belet dat de gedaagde na zijn antwoord alsnog tot verrekening overgaat en hieraan een verweer ontleent”. Het lid is vervolgens geschrapt, omdat het verwoordt wat al voldoende vaststaat. Zie ook art. 6:136 BW over de mogelijkheid van verrekening als verweer, en verder bijv. Faber 2005, nr. 97; B.A. Schuijling, Verrekening, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 16; en H.W.B. thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 146, 249.
Die verwijst naar rov. 2.9-2.10 van het arrest; MvT Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1410, 1411 (daaruit citeert de klacht ook); en A.G.F.M. Flos & J.L. Smeehuijzen, ‘Verjaring van vergoedingsrechten tussen ongehuwde samenwoners’, WPNR 2024/7460, § 4.2.
Toevoeging A-G: gedoeld wordt op Hof Arnhem-Leeuwarden 31 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4364. Zie de MvG, nrs. 10, 12.
[Noot (i) in het origineel, A-G:] HR 10 mei 2019 ECLI:NL:HR:2019:707.
Zie de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2021:358) voor HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:960, RvdW 2021/662.
[Noot 24 in het origineel, A-G:] Art. 6:38 en 6:39 BW zien op de opeisbaarheid van een verbintenis. Art. 6:38 BW geeft het uitgangspunt: indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, kan terstond nakoming worden gevorderd.
[Noot 25 in het origineel, A-G:] Daarbij kan, bijvoorbeeld, worden gedacht aan de teruggaveverbintenis van de bewaarder bij bewaargeving voor onbepaalde tijd, aan renteloze leningen en voorschotten die tussen familieleden worden verstrekt en die jarenlang een slapend bestaan leiden totdat de nalatenschap van de uitlener openvalt en aan overeenkomsten tussen samenlevenden die zich verplichten bij te dragen in de kosten van de aankoop van de gemeenschappelijke woning, terwijl, zolang de samenleving duurt, geen reden wordt gezien om deze bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen. Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1410-1411.
[Noot 26 in het origineel, A-G:] Daarbij kan het zowel gaan om opeisbare verbintenissen als om verbintenissen die gedurende een zekere tijd niet opeisbaar zijn. Bepalend is steeds of in de overeenkomst besloten ligt dat opeising, indien mogelijk (geworden), niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden. Zie Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 404.
[Noot 27 in het origineel, A-G:] Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1411.
[Noot 28 in het origineel, A-G:] Zie J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring, diss., Deventer: Kluwer 2008, p. 203 met verdere uitwerking van het onderscheid tussen art. 6:38 BW en art. 3:307 lid 2 BW. Ik verwijs in dit verband ook nog naar de conclusie van A-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2016:1006) voor HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2988, NJ 2017/25 en JA 2017/25 m.nt. M.R. Hebly, randnummers 4.10 e.v.
[Noot 29 in het origineel, A-G:] Zie Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 404.
Zie de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2024:139) voor HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1598, RvdW 202/1073.
[Noot 45 in het origineel, A-G:] Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2022:328, randnummer 3.31, met verdere verwijzing) voor HR 23 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:1936, NJ 2023/145 m.nt. L.C.A. Verstappen, Ars Aequi 2023, p. 134 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2023/17 m.nt. D.A.C. Smulders en Vp-bulletin 2023/22 m.nt. S.G.M.J. Rebbens & J.M.P. Tobben.
Toevoeging A-G: zie ook deze conclusie van A-G Hartlief, onder 3.20: “Een vordering op grondslag (1) verjaart in beginsel door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (art. 3:307 lid 1 BW) ”.
[Noot 46 in het origineel, A-G:] Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1410-1411. Zie hierover ook Asser Personen- en familierecht/W.D. Kolkman & F.R. Salomons, Deel 1-II. Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 572: “In dit verband wijzen wij verder op de mogelijkheid dat een vergoedingsrecht tussen ongehuwde samenlevers een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd is in de zin van art. 3:307 lid 2 BW, waardoor de korte verjaringstermijn van vijf jaar niet [bedoeld zal zijn: wel, gelet op art. 3:307 lid 2 BW, A-G] eerst aanvangt als tot opeising is overgegaan. Bij art. 3:307 lid 2 BW heeft de wetgever (…) immers onder meer gedacht aan overeenkomsten tussen samenlevenden die zich verplichten bij te dragen in de kosten van aankoop van een gemeenschappelijke woning, terwijl gedurende de samenleving geen reden wordt gezien de bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen (Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1411). Wij zouden de grondslag voor een vergoedingsrecht in verband met de aankoop van een woning dan ook in het algemeen eerder willen zoeken in een (eventueel stilzwijgende) overeenkomst tussen de samenlevers, dan (…) in art. 6:10 BW (waarbij op de verjaring art. 3:310 BW van toepassing is).”
Toevoeging A-G: zie bijv. ook Flos & Smeehuijzen 2024, p. 334: “Bij de invoering van Boek 3 BW overwoog de minister in de memorie van toelichting expliciet dat de strikte toepassing van art. 3:307 lid 1 BW, verjaring van rechtsvorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, niet geschikt is voor samenwoners”, etc.
Zie ook rov. 2.14, waar het hof ervan uitgaat dat tot uiterlijk in augustus 2022 nog sprake was van een gezamenlijke huishouding, daarna niet meer. Zie verder bijv. het p-v, p. 11.
De onderhavige klachten (waarvan het middel vraagt ze in onderling verband en samenhang te beschouwen) herhalen het niet, maar door het hele onderdeel heen loopt als rode draad onder meer dat de man en de vrouw sinds 2007 een affectieve relatie hadden, dat zij in 2009 een kind kregen, dat zij vanaf 2012 ongehuwd samen woonden, en dat zij sinds 2017 gezamenlijk eigenaar zijn van het huis. Klacht b wijst dus ook nog op andere aspecten, en verwijst daarbij nadrukkelijk mede (met citaat) naar MvT Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1410, 1411. Het valt op dat hiermee in de schriftelijke toelichting van de vrouw, nrs. 2.2-2.3 inzake klacht b niets noemenswaardigs wordt gedaan.
Daarmee volgt het hof m.i. de lijn als bijv. bepleit door Flos & Smeehuijzen 2024, p. 336-338, met verwijzingen. Zij schrijven onder meer: “Het gaat bij ongehuwde samenwoners (…) niet om een wettelijke regresvordering; het betreft een contractuele regresvordering en de hoofdvordering is geen schadevergoedingsvordering. De grondslag voor contractueel regres is gelegen in de overeenkomst waarin partners verklaren hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor hun gezamenlijke schuld. Toepassing van art. 3:307 BW, dat immers de verjaring van de nakoming van de verbintenis uit overeenkomst regelt, ligt dan veel eerder voor de hand [dan toepassing van art. 3:310 BW, A-G]. (…) In de vorige paragraaf is betoogd dat art. 3:307 BW van toepassing is op contractuele regresvorderingen. (…) Waar het gaat om investeringen in een woning, en daarop concentreert zich dit artikel, moet art. 3:310 BW buiten toepassing blijven bij contractuele regresvorderingen”.
Dit strookt ook met de stellingname van de man in hoger beroep (die het hof samenvat in rov. 2.10), waar hij aanvoerde dat “indien ervan uit wordt gegaan dat op dat moment” zijn vordering is ontstaan “en daarmee de verjaringstermijn is gaan lopen, de man op[merkt] dat hij in de zomer van 2022 de vrouw heeft laten weten zijn privé geld terug te willen ontvangen” en dat hij, samengevat, “dan ook [meent] dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is”. Zie de MvG, nr. 23. Van een erkenning zijdens de man is wel sprake in rov. 2.14, maar daar gaat het over iets anders. Zie ook noot 53, tweede alinea hierna.
Het is goed navolgbaar dat het hof zo’n erkenning door de man evenmin afleidt uit het p-v, p. 14-15. Zie ook het p-v, p. 16, waar zijdens het hof wordt opgemerkt: “Dus we hebben de vraag: is er een vordering? Dat hangt ervan af. Het kan zijn dat die verjaard is, als hij er is”. En verder bijv. het p-v, p. 17. Daar wordt zijdens het hof gewezen op de stelling van (de advocaat van) de man dat “als de vordering van meneer in verband met de ongelijke financiering verjaard zou zijn” (dus: áls), hij dan “nog steeds wel verrekend kan worden met de overwaarde”. Ook wordt daar zijdens het hof opgemerkt: “Stel dat het zo is dat meneer een vordering heeft van zo’n € 50.000 in verband met de ongelijke financiering, en die vordering is verjaard”, etc. (dus: stél).
Zie bijv. de MvA, nr. 27, onder verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden 11 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4553, rov. 5.22-5.24. In eerste aanleg - zie de CvA i.r., nr. 58 - bleef het zijdens de vrouw nog bij een cryptisch beroep op “artikel 3:300 BW” (tweemaal). Ook in het vonnis, rov. 4.26 staat niet hoe de rechtbank dit precies heeft verstaan. Zie verder het p-v, p. 15, waar zijdens het hof wordt onderkend dat de rechtbank in het vonnis “eigenlijk niets [zegt] over” wanneer de verjaringstermijn hier is gaan lopen. Tegen deze achtergrond verrast het ook niet dat de MvG, nr. 23 die verjaringsgrondslag in het midden laat.
Zoiets komt niet terug in het p-v. Ik lees zoiets evenmin in het p-v, p. 15. Het gaat mij te ver om uit de korte gedachtewisseling aldaar tussen het hof en de advocaat van de man inzake art. 6:38 BW (zijdens het hof te berde gebracht), of uit het vervolg van het p-v, iets anders op te maken. Zie ook noot 50 hiervoor.
Ik lees in het p-v evenmin iets concreets zijdens de vrouw over art. 3:307 BW, laat staan specifiek lid 1 daarvan. Haar advocaat (mr. Anik) valt daar wat betreft de regresvordering van de man terug op het eerder in hoger beroep nadrukkelijk door de vrouw gedane beroep op art. 3:310 lid 1 BW, zie noot 51 hiervoor. Zie het p-v, p. 17, waar door mr. Anik wordt opgemerkt inzake de vordering van de man “van zo’n € 50.000 in verband met de ongelijke financiering” (zie ook het p-v, p. 15 over die vordering) dat zij in de MvA heeft “aangegeven dat de vordering verjaard is”. En verder bijv. het p-v, p. 18, waar mr. Anik dit herhaalt: “de vordering is verjaard”, etc.
In het p-v, p. 18-19 gaat het vervolgens over iets anders: dat de man “maandelijks of jaarlijks” heeft “afgelost” inzake het huis / dat tijdens de relatie “meneer degene was die de vaste lasten voldeed” (mr. Anik), zijdens het hof geduid als “dat geld wat meneer er extra instopte” / “de hypotheekaflossingen”. Wat daarvan verder zij: dát te onderscheiden punt (dit betreft niet de regresvordering van de man) behandelt het hof elders in het arrest, te weten in rov. 2.13-2.14.
Zie ook al (als schot voor de boeg?) het p-v, p. 15, zijdens het hof: “Het gaat over art. 6:38 BW: ”, etc.
Waaronder de stelling van de man in de MvG, nr. 23 dat “net als de gangbare feitelijke praktijk bij gehuwden met een Amsterdams verrekenbeding vermogensrechtelijke kwesties eerst bij einde van de affectieve relatie aan bod [komen]”, wat naar de aard wel past bij art. 3:307 lid 2 BW. Dat het hof in rov. 2.11 oog heeft voor wat in de onderhavige procedure is gesteld en gebleken, blijkt ook uit rov. 2.11 zelf (“Gesteld noch gebleken”, etc.). Zie bijv. ook het p-v, p. 22, waar zijdens het hof wordt opgemerkt: “Dat betekent dat we het nog hebben over die € 50.809,35 en daar zijn een aantal argumenten genoemd aan de zijde van meneer. Daar is verweer tegen gevoerd door mevrouw en daarover moet het hof een beslissing nemen”.
Wat het hof dan, mede gelet op rov. 2.1, 2.3 en 2.8-2.11, ook is gebleken.
De vrouw heeft zich ter zake, zoals gezegd, beroepen op art. 3:310 lid 1 BW. Zie bijv. de MvA, nr. 27. Zie ook de noten 51 en 53 hiervoor.
Overigens kiest het hof in rov. 2.12 voor het verjaringsregime van art. 3:310 lid 1 BW. Daar gaat het evenwel om iets anders: de vordering van de man op de vrouw “wegens ongerechtvaardigde verrijking”, oftewel een “vordering tot schadevergoeding voor een verbintenis uit de wet”. Dienaangaande had de vrouw zich in hoger beroep nadrukkelijk ook beroepen op art. 3:310 lid 1 BW, zie bijv. de MvA, nr. 35.
Dat het hof blijkens rov. 2.11 voor de verjaringsvraag inzake de regresvordering van de man uitgaat van de regeling van art. 3:307 BW, niet die van art. 3:310 BW, wordt op zichzelf in cassatie niet bestreden en dient daarin derhalve tot uitgangspunt.
Overigens acht ik het ook goed verdedigbaar dat dit uitgangspunt van het hof op zichzelf geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, zie mede noot 48 hiervoor. Iets anders is dus de vraag naar het hier toepasselijke regime binnen de regeling van art. 3:307 BW: dat van lid 1 of dat van lid 2 daarvan.
Welke overeenkomst in de zin van art. 3:307 BW het hof dus aanneemt, en waarbij volgens het hof door partijen dus geen tijd voor de nakoming is bepaald in de zin van art. 6:38 BW.
Welke vordering het hof dus ook aanneemt.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
