Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding. IPR/vastgoed in Marokko. Het hof bevestigt dat het Nederlandse huwelijksvermogensrecht vanaf 2005 geldt; art. 10:127 lid 1 BW ziet slechts op goederenrechtelijke aspecten en bepaalt niet het huwelijksvermogensrecht. Vaststaat dat de man in 2009 een woning in Marokko heeft verkregen; deze valt in de algehele gemeenschap. Geen bigamie: eerdere echtscheiding van de vrouw is in 1999 ingeschreven; latere Marokkaanse procedure betreft erkenning. art. 3:194 lid 2 BW toegepast: man verbeurt zijn aandeel wegens opzettelijk verzwijgen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 01-07-2026 |
| Zaaknummer | 200.356.432 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; IPR huwelijksvermogensrecht; Familievermogensrecht; Opzettelijk verzwijgen 3:194 BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheiding. IPR. Woning in Marokko. Valt de woning in Marokko in de huwelijksgemeenschap naar Nederlands recht? Is voldaan aan de vereisten van artikel 1:194 lid 2 BW? Was er sprake van bigamie?Volledige uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.432
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 560775 en 574196)
beschikking van 23 april 2026
inzake
[Verzoeker] ,
wonende te [woonplaats1],
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Makhloufi,
en
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats1],
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Bouddount.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 maart 2024 en van 9 april 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 1 tot en met 8, ingekomen op 7 juli 2025;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht van mr. Makhloufi van 5 maart 2026 met een akte aanvulling en
bijlages A en B en producties 7 tot en met 9;
- een journaalbericht van mr. Bouddount van 6 maart 2026 met producties 1 tot en met 3;
- een journaalbericht van mr. Makhloufi van 9 maart 2026 met producties 1 tot en met 2.
De mondelinge behandeling heeft op 16 maart 2026 plaatsgevonden. Daar zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft het hof beslist dat de akte aanvulling van de zijde van de man van 5 maart 2026 niet zal worden toegelaten. Op grond van de twee-conclusieregel dienen grieven en wijziging of vermeerdering van een verzoek te worden aangevoerd in het hoger beroepschrift. De rechter mag in principe geen acht slaan op grieven, stellingen, feiten en wijzigingen die na de uitwisseling van de stukken worden aangevoerd. Van een uitzondering op die regel is het hof niet gebleken. De bij het stuk gevoegde bijlages/producties zijn wel toegelaten.
3De feiten
Partijen zijn [in] 2002 gehuwd in [woonplaats1].
De vrouw heeft [in] 2023 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en zich daarin gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de echtscheiding. Op zijn beurt heeft hij ook verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen gedaan.
In de tussenbeschikking van 7 maart 2024 heeft de rechtbank de beslissing over alle verzoeken aangehouden.
In de eindbeschikking van 9 april 2025 heeft de rechtbank:
-
de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
-
beslist over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige zoon van partijen en de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie;
-
bepaald dat de vrouw huurster is van de woning in [woonplaats1];
-
de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast (een woning in [provincie1], Marokko, saldi van bankrekeningen, auto’s en inboedel); en
-
de overige verzoeken van partijen afgewezen.
De echtscheidingsbeschikking is volgens verklaring van partijen ter zitting op 25 augustus 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
4De omvang van het geschil
Tussen partijen is in geschil de vermogensrechtelijke afwikkeling van het ontbonden huwelijk. Meer in het bijzonder gaat het geschil over een woning in Marokko.
De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 april 2025 (die hierna ook wordt aangeduid als: de bestreden beschikking). Hij verzoekt het hof primair om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw te beslissen. Subsidiair verzoekt hij het hof te bepalen dat het Marokkaans recht op grond van artikel 10:127 Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is en te bepalen dat de verzoeken van de vrouw in eerste aanleg wegens ontbreken van bewijs niet-ontvankelijk zijn.
De vrouw voert verweer en is op haar beurt ook in hoger beroep gekomen (incidenteel hoger beroep). Zij verzoekt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover daarin is beslist dat de woning in [provincie1] (Marokko) tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort en te bepalen dat de man op grond van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in die woning verbeurt en dat de vrouw gerechtigd is tot de volledige waarde van die woning, vast te stellen bij taxatie. Subsidiair verzoekt zij het hof te bepalen dat de man gehouden blijft de helft van de netto-overwaarde aan de vrouw te voldoen conform de bestreden beschikking. Tot slot verzoekt ze het hof om de man te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
5De motivering van de beslissing
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat de Nederlandse rechter bevoegd is te beslissen over de financiële afwikkeling van het huwelijk. De rechtbank heeft vastgesteld dat vanaf het moment van het huwelijk het Marokkaanse recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime en dat vanaf het moment dat beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben gekregen, dan wel (zo dat eerder is) vanaf het moment dat zij na het huwelijk gedurende meer dan tien jaar hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben gehad het Nederlandse recht daarop van toepassing is geworden.
De rechtbank is, net als partijen zelf, ervan uitgegaan dat al het huwelijksvermogen van partijen is verkregen in de periode dat het Nederlandse recht van toepassing was en dat ook in die periode (eventuele) schulden zijn ontstaan. Omdat partijen zijn getrouwd vóór 1 januari 2018 is volgens de rechtbank sprake is van de destijds geldende algehele gemeenschap van goederen.
welk recht is van toepassing?
In de inleiding op zijn eerste grief stelt de man dat op grond van artikel 10:127 lid 1 BW het goederenrechtelijk regime van een onroerende zaak wordt beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied die zaak zich bevindt. Ten aanzien van de woning in Marokko, waarvan de vrouw stelt dat die eigendom is van de man, is dat in dit geval het Marokkaans recht. Uit lid 4 van gemeld wetsartikel volgt dan dat het in dat artikel onder meer gaat over de vraag of een zaak roerend of onroerend is, wat een bestanddeel van die zaak is en welke vereisten voor overdracht of vestiging worden gesteld.
Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is wat het toepasselijk recht ten aanzien van het huwelijksvermogensregime is. Partijen hebben in de procedure bij de rechtbank beiden gesteld dat van een gemeenschap van goederen sprake is. De rechtbank heeft beslist dat vanaf het moment dat partijen beiden de Nederlandse nationaliteit hadden het Nederlandse recht van toepassing is geworden. Dat is omstreeks 2005 geweest, zoals de vrouw onweersproken heeft gesteld in haar verweerschrift in hoger beroep. Toen was er al een algehele gemeenschap van goederen naar het destijds geldende Nederlands recht. Als de man een onroerende zaak in Marokko zou hebben verkregen, is niet in geschil dat dit in 2009 is gebeurd, dus ten tijde dat het Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing was. Het is inderdaad zo, zoals de man stelt, dat voor de goederenrechtelijke aspecten van een woning in Marokko het Marokkaanse recht van toepassing is. Maar de vraag of een dergelijke woning tot de Nederlandse huwelijksgemeenschap behoort, wordt naar Nederlands huwelijksvermogensrecht beoordeeld. Dat geldt immers vanaf 2005 tussen partijen. Met andere woorden: artikel 10:127 lid 1 BW regelt niet welk huwelijksvermogensrecht van toepassing is. Het regelt enkel welke goederenrechtelijke regels in acht dienen te worden genomen bij bijvoorbeeld een overdracht van een onroerende zaak. De stelling van de man dat ten aanzien van de woning op grond van voormeld wetsartikel het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht zou gelden berust op een onjuiste wetstoepassing.
valt de woning in Marokko in de huwelijksgemeenschap?
In zijn eerste en derde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de woning onderdeel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap. Volgens hem kunnen de door de vrouw overgelegde stukken niet als bewijs dienen en zijn deze ‘gefabriceerd’. Uit de door de man zelf overgelegde stukken blijkt volgens hem dat de betreffende woning van zijn vader is. De vrouw betwist dat gemotiveerd.
De stelling van de vrouw was en is dat de man [in] 2009 de woning in [provincie1], Marokko, aan [adres1], met kadastraal nummer [nummer1] heeft verkregen en dat daarop een recht van hypotheek is gevestigd ten behoeve van de Banque Populaire de [provincie1]. Ter onderbouwing daarvan heeft de vrouw in het geding gebracht: (1) een (in het Arabisch opgestelde en daarbij Nederlandse vertaling van een) afschrift van de kadastrale akte nr. [nummer1], (2) een Engelstalige ‘Certificate of Ownership’, en (3) twee eigendomsverklaringen [van] 2024 en [van] 2025 in het Arabisch met een vertaling naar het Nederlands.
In (de vertaling van) het kadastrale stuk [nummer1] staat onder meer:
D.d. [van] 2004 – De onroerende zaak aangeduid als “[adres1]” – gelegen in de provincie [provincie1], gemeente [gemeente1] met een oppervlak van 24 […woord onleesbaar], welke is afgescheiden van de zaak (…)
en
D.d. [van] 2009 – Op grond van een gewoonterechtelijke akte gedateerd op 24-12-2009 – gevoegd bij het verzoek tot bezwaring gedateerd op 29-12-2009 – het geheel van de zaak die voorwerp is van deze kadastrale akte is door middel van verkoop geheel en al overgegaan ten gunste van de heer: [Verzoeker], geboren in het jaar 1976 – gehuwd met mevrouw [verweerster] (…)
In het Certificate of Ownership gedateerd [in] 2025 staat onder meer:
The land register in [provincie1] hereby certifies that the material en legal [..onleesbaar] data of the real estate title No.11/[nummer1] are as follows
OWNERSHIP DATA
The property alle ‘[adres1]’ with real estate title No.11/[nummer1], situated in Province of [provincie1], with a surface of 124 square meters, made of a piece of land upon which a building made of land floor en first floor was built.
OWNER’S DATA
1- [Verzoeker]
In de (vertaling van de) verklaring van eigendom van 14 oktober 2024 staat onder meer:
VERKLARING VAN EIGENDOM
De beheerder van vastgoedeigendommen te [provincie1], ondergetekende, verklaart dat de gegevens van de feitelijke en wettelijke status van eigendomsakte nr. [nummer1] tot op de datum van ondertekening van deze verklaring als volgt zijn:
EIGENDOMSGEGEVENS
Het eigendom genaamd ‘[adres1]’ met eigendomsakte nr. [nummer1], gelegen in de provincie [provincie1], op de locatie genaamd [locatie1], met een oppervlakte van 1 are en 24 centiare, bestaande uit grond met daarop een pand, bestaande uit een benedenverdieping en één bovenverdieping.
GEGEVENS VAN DE EIGENAAR
1 – [Verzoeker] [in Latijns schrift] : ([Verzoeker])
In de (vertaling van de) verklaring van eigendom van 3 februari 2025 staat onder meer:
VERKLARING VAN EIGENDOM
De beheerder van vastgoedeigendommen te [provincie1], ondergetekende, verklaart dat de gegevens van de feitelijke en wettelijke status van eigendomsakte nr. [nummer1] tot op de datum van ondertekening van deze verklaring als volgt zijn:
EIGENDOMSGEGEVENS
Het eigendom genaamd ‘[adres1]’ met eigendomsakte nr. [nummer1], gelegen in de provincie [provincie1], op de locatie genaamd [locatie1], met een oppervlakte van 1 are en 24 centiare, bestaande uit grond met daarop een pand, bestaande uit een benedenverdieping en één bovenverdieping.
GEGEVENS VAN DE EIGENAAR
1 – [Verzoeker] [in Latijns schrift]: ([Verzoeker]
De man betwist dat hij eigenaar is van een onroerende zaak in Marokko. De bedoelde onroerende zaak is volgens hem van zijn vader. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een kadastraal uittreksel in het Arabisch met een vertaling naar het Engels overgelegd, een ‘Attestation du Revenu’, een ‘Attestation de non-imposition’ en een naar het Engels vertaalde ‘Contract of sale en purchase of a registered premises’.
In het door de man overgelegde kadastraal uittreksel en ‘Contract of sale’ wordt de vader van de man genoemd als eigenaar of koper. Daar zijn partijen het ook over eens. Het kadastrale nummer daarin is echter [nummer2], terwijl het kadastrale nummer van de woning waarvan de vrouw stelt dat de man eigenaar is kadastraal nummer [nummer1] heeft. De man heeft met zijn stukken dus aangetoond dat zijn vader eigenaar is van een andere woning, ook gelegen in [provincie1], Marokko. Gelet op de omschrijving van de onroerende zaak en de verschillende kadastrale nummers is volgens het hof waarschijnlijk sprake van twee bij/naast elkaar gelegen onroerende zaken. Een daarvan staat op naam van de man en de ander op naam van zijn vader. Het verweer van de man dat inhoudt dat hij geen onroerende zaak in [provincie1], Marokko heeft wordt dus niet met bovengemelde stukken onderbouwd; die stukken tonen juist het tegendeel aan. De door de man overgelegde ‘Attestation du Revenu’ en ‘Attestation de non-imposition’ tonen volgens de man aan dat hij geen eigendom heeft en geen belasting betaalt over eigendom, maar dat kan het hof uit die stukken niet opmaken.
Het betoog van de man dat de door de vrouw overgelegde stukken ‘gefabriceerd’ ofwel vals zijn onderbouwt de man niet, terwijl hij zelf ook soortgelijke stukken heeft overgelegd.
Op grond van het vorenstaande slagen de grieven 1 en 3 van de man niet. De woning in [provincie1], Marokko met kadastraal nummer [nummer1] behoort, zoals de rechtbank al heeft bepaald, tot de huwelijksgemeenschap.
is sprake van bigamie?
In zijn tweede grief stelt de man dat de vrouw ten tijde van de aankoop van de woning in 2009 en op de peildatum zowel met de man als ook nog met haar eerste echtgenoot was gehuwd. De woning in Marokko valt volgens hem daarom niet in de gemeenschap van de man en de vrouw. Verder voert de man aan dat de rechtbank in Leeuwarden op 23 juni 1999 de echtscheiding tussen de vrouw en haar eerste man heet uitgesproken en die is op 22 december 1999 ook ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw heeft na deze Nederlandse scheiding volgens de man vervolgens nagelaten om ook een Marokkaanse echtscheidingsprocedure op te starten en zij is pas in september 2023 van haar eerste echtgenoot gescheiden naar Marokkaans recht.
De vrouw betwist de stelling van de man gemotiveerd.
Het is het hof niet duidelijk geworden welk rechtsgevolg de man aan zijn stelling verbindt als de juistheid daarvan zou komen vast te staan. Indien de vrouw nog met haar eerste echtgenoot gehuwd zou zijn op het moment dat zij met de man huwde, zoals de man kennelijk stelt, dan zou het huwelijk tussen de man en de vrouw nietig zijn. Dat zou allerlei vermogensrechtelijke gevolgen hebben. Het hof stelt vast dat de man niet betwist dat de rechtbank in Leeuwarden op 23 juni 1999 de echtscheiding tussen de vrouw en haar eerste man heeft uitgesproken en dat die echtscheidingsbeschikking op 22 december 1999 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Daarmee staat voor het hof vast dat het huwelijk van de vrouw met haar eerste echtgenoot geëindigd is. Er is dus geen sprake van dat de vrouw nog gehuwd was met haar eerste echtgenoot toen zij in 2002 met de man huwde.
De door de vrouw overlegde stukken over de procedure in Marokko, waar de man op doelt, betreffen geen echtscheiding naar Marokkaans recht. Het gaat daar om een erkenning van de in 1999 in Nederland uitgesproken echtscheiding. Met deze erkenning kan die Nederlandse echtscheidingsbeschikking in Marokko ten uitvoer worden gelegd als ware het een vonnis dat in Marokko zou zijn uitgesproken. Grief 2 faalt.
is voldaan aan de vereisten van artikel 3:194 lid 2 BW?
Op grond van artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt een deelgenoot zijn aandeel in tot de gemeenschap behorende goederen als hij die opzettelijk verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt.
Volgens de vrouw heeft de man de tot de gemeenschap behorende woning opzettelijk verzwegen door te ontkennen dat hij een woning in Marokko heeft. Ze verzoekt het hof daarom te bepalen dat de man op grond van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in die woning verbeurt en dat de vrouw gerechtigd is tot de volledige waarde van die woning, vast te stellen bij taxatie.
Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de man eigenaar is van een onroerende zaak in [provincie1], Marokko. Deze woning behoort tot de huwelijksgemeenschap van partijen. Door voortdurend te ontkennen dat hij die woning in eigendom heeft en te doen alsof deze van zijn vader is, heeft de man naar het oordeel van het hof opzettelijk de tot de gemeenschap behorende woning verzwegen/verborgen gehouden. Hij wist dat de woning daartoe behoorde en heeft dat verzwegen. Daarmee is voldaan aan voormeld wetsartikel en verbeurt de man zijn aandeel in die woning. Hierdoor is de vrouw eigenaar van gehele woning, zodat vaststelling van de waarde door middel van taxatie in dit kader niet nodig is.
6. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven van de man. Het hof zal het verzoek van de vrouw deels toewijzen. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarin de wijze van verdeling van de woning in [provincie1], Marokko aan de [adres1]) is gelast en daarover beslissen als hierna vermeld.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft.
7De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 april 2025, voor zover daarin de wijze van verdeling van de woning in [provincie1], Marokko aan [adres1]) is gelast en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man zijn aandeel in de woning in [provincie1], Marokko aan [adres1], kadastraal nummer [nummer1], op grond van artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt aan de vrouw;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, J.U.M. van der Werff en L. Hamer, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 23 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
