Hoge Raad 30-06-2026, ECLI:NL:HR:2026:1005

Essentie (gemaakt door AI)

OM-cassatie tegen partiële vrijspraak voor mishandeling van kind, waarin moeder wel is veroordeeld voor klappen in de nek en dreigen met van balkon gooien, maar is vrijgesproken van langdurig op krukje zetten, alleen in auto achterlaten en kleinerend toespreken. Rechtsvraag: valt ‘psychische mishandeling’ onder art. 300 lid 4 Sr? HR herhaalt dat mishandeling inwerkt op het lichaam; louter psychisch leed valt er niet onder. Benadeling van enkel de geestelijke gezondheid valt niet onder lid 4. Afwijking hof van uos OM is onvoldoende gemotiveerd, maar leidt niet,

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Kan psychische mishandeling kind onder artikel 300 van het Wetboek van strafrecht vallen?
Hoge Raad overweegt dat mishandeling als bedoeld in de wet inwerkt op het lichaam; louter psychisch leed valt er niet onder. Benadeling van enkel de geestelijke gezondheid is dus niet op die grond strafbaar. Taak wetgever.

Datum publicatie30-06-2026
Zaaknummer24/04699
ProcedureCassatie
Formele relatiesIn cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:2388; (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl) Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:238
RechtsgebiedenStrafrecht
TrefwoordenOverig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

OM-cassatie. Mishandeling van eigen kind door moeder door hem klap in nek te geven en te dreigen hem van balkon te gooien, art. 300.1 jo. 304.1.1 Sr. Vrijspraak van aantal andere als mishandeling tlgd. gedragingen zoals onder dwang geruime tijd op krukje zetten, het geruime tijd alleen in auto achterlaten en het kleinerend en denigrerend toespreken. Valt psychische mishandeling onder reikwijdte van mishandeling a.b.i. art. 300.4 Sr? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:2677 m.b.t. doel en reikwijdte van art. 300 Sr. Onder ‘mishandeling’ a.b.i. art. 300 Sr moet worden verstaan opzettelijk aan ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, opzettelijk benadelen van gezondheid en (onder omstandigheden) bij ander teweegbrengen van min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan lichaam, een en ander zonder dat daarvoor rechtvaardigingsgrond bestaat. Niet is uitgesloten dat zo’n min of meer hevige onlust (die gevolg is van een op lichaam van slachtoffer inwerkende gedraging) bestaat in psychisch leed (vgl. HR:2025:774). Voor bewezenverklaring van een op art. 300 Sr toegesneden tll. is vereist dat betreffende gedraging inwerkt op lichaam van slachtoffer. Gedragingen die uitsluitend (zonder inwerking op lichaam van slachtoffer) psychisch leed tot gevolg hebben, vallen niet onder het in art. 300 Sr bedoelde begrip ‘mishandeling’ (vgl. HR:2013:BX9407). Ook is geen sprake van mishandeling a.b.i. art. 300 Sr als niet op lichaam inwerkende gedragingen psychisch leed hebben veroorzaakt dat vervolgens heeft geleid tot nadelige lichamelijke gevolgen, zoals buikpijn of braakverschijnselen door stress. Dit betekent ook dat onder ‘benadeling van de gezondheid’ a.b.i. art. 300.4 Sr, niet enkele benadeling van geestelijke gezondheid valt. Er is echter geen grond om art. 300 Sr ruimer uit te leggen. Daarbij is van belang dat ‘psychische mishandeling’ geen duidelijk afgebakende betekenis heeft en uiteenlopende gedragingen kan omvatten die in enige mate of vorm psychisch leed bij ander tot gevolg hebben. Dergelijke gedragingen kunnen onder omstandigheden naar geldend recht binnen bereik van aantal andere strafbepalingen (art. 284, 285 en 285b Sr) worden gebracht. Gelet op rechtspolitieke keuzes die in geval van eventuele uitbreiding van strafbaarstelling van mishandeling gemaakt moeten worden, ligt het op de weg van wetgever om betreffende afwegingen te maken. Hof is afgeweken van het door OM ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat betreffende gedragingen ‘psychische mishandeling’ opleveren en onder reikwijdte van art. 300.4 Sr vallen. Omdat hof niet meer heeft overwogen dan dat er onvoldoende bewijs is dat betreffende gedragingen “(v.zv. bewezen) strafbare mishandeling opleveren, in die zin dat bij slachtoffer als gevolg daarvan pijn, letsel of hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat slachtoffer als gevolg daarvan in gezondheid is benadeeld”, heeft hof in strijd met art. 359.2 (tweede volzin) Sv in onvoldoende mate redenen opgegeven die tot afwijking van uos hebben geleid. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu opvatting dat ‘psychische mishandeling’ zelfstandig strafbaar is als mishandeling a.b.i. art. 300.4 Sr, gelet op wat hiervoor is overwogen geen steun vindt in het recht. Hof had standpunt OM daarom alleen maar kunnen verwerpen. Volgt verwerping. CAG: anders.

Volledige uitspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/04699

Datum 30 juni 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 december 2024, nummer 22-000349-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Waar het in deze zaak om gaat

Aan de verdachte is onder meer tenlastegelegd dat zij meermalen haar kind heeft mishandeld. Het hof heeft de verdachte daarvan gedeeltelijk vrijgesproken. In cassatie komt het openbaar ministerie op tegen die gedeeltelijke vrijspraak. Het cassatiemiddel stelt in dat verband de vraag aan de orde in hoeverre ‘psychische mishandeling’ onder de reikwijdte van de strafbaarstelling van artikel 300 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) valt.

3. Beoordeling van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel komt op tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde, voor zover deze tenlastelegging inhoudt dat de verdachte – kort gezegd – haar kind (i) op een krukje heeft gezet en (ii) alleen in een auto heeft achtergelaten en (iii) heeft gekleineerd en/of denigrerend heeft toegesproken. Het voert daartoe aan dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het door het openbaar ministerie naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat die gedragingen ‘psychische mishandeling’ opleveren en als zodanig onder de reikwijdte van artikel 300 lid 4 Sr vallen.

De uitspraak van het hof

3.2.1

Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:

“zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 december 2017 tot en met 22 februari 2022 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens haar kind, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012), opzettelijk heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] :

- ( met vlakke hand) een klap in zijn gezicht en/of nek te geven en/of te slaan tegen zijn lichaam en/of

- onder een koude douche te zetten en/of

- te dreigen hem van een balkon te gooien en/of

- ( gedurende geruime tijd en/of onder dwang) op een krukje te zetten (zonder eten en drinken) en/of

- geruime tijd (meer dan een uur) alleen in een auto achter te laten zonder eten en drinken en/of

- te kleineren en/of denigrerend toe te spreken, door onder andere te zeggen ‘kankerjong’, ‘je had nooit geboren mogen worden’, ‘je deugt niet’, althans woorden van gelijke strekking

waardoor [slachtoffer] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording bij hem is veroorzaakt en/of waardoor de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld”.

3.2.2

Daarvan is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van [geboortedatum] 2017 tot en met 22 februari 2022 te [plaats] haar kind, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012), opzettelijk heeft mishandeld door die [slachtoffer] :

- meermalen met vlakke hand een klap in zijn nek te geven en

- eenmaal te dreigen hem van een balkon te gooien

waardoor [slachtoffer] pijn heeft bekomen en waardoor de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld”.

3.2.3

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3..

3.2.4

Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de overige onderdelen van het onder 1 tenlastegelegde. Het heeft daartoe onder meer overwogen:

“Ten aanzien van de overige, door de verdachte ontkende gedragingen, te weten het gedurende geruime tijd en/of onder dwang op een krukje zetten zonder eten en drinken, geruime tijd alleen in de auto achterlaten zonder eten en drinken en het kleinerend en/of denigrerend toespreken door het uiten van de in de tenlastelegging opgenomen opmerkingen, is het hof van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende bewijs opleveren dat deze gedragingen – voor zover bewezen – een strafbare mishandeling opleveren, in die zin dat bij het slachtoffer als gevolg daarvan pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat het slachtoffer als gevolg daarvan in de gezondheid is benadeeld.”

3.2.5

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft het openbaar ministerie daar het woord gevoerd overeenkomstig het schriftelijk requisitoir dat aan het proces-verbaal is gehecht. Dit requisitoir houdt onder meer in:

“Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank omdat zij zich niet kan verenigen met de partiele vrijspraken van feit 1. Dat is dan ook de reden dat we opnieuw praten over waar verdachte van is vrijgesproken. Het OM kan zich niet vinden in de vrijspraak voor met name die onderdelen die psychische kindermishandeling opleveren. (...)

Voor psychische mishandeling of emotionele verwaarlozing van kinderen hanteert het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) de volgende definitie:

‘Aanhoudende of extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind, waaronder ongevoeligheid van de ouders met betrekking tot het ontwikkelingsniveau van het kind alsmede het uiten van bedreigingen (zonder verwondingen).’

In art. 1.1 van de Jeugdwet (en art. 1.1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning) is de definitie van kindermishandeling als volgt gegeven:

‘Elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel.’

In jurisprudentie over strafbare kindermishandeling wordt bij deze twee definities aansluiting gezocht. Artikel 300 lid 4 Wetboek van Strafrecht bepaalt dat “met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid.” De in artikel 300, vierde lid, Sr genoemde gelijkstelling van mishandeling met opzettelijke benadeling van de lichamelijke en/of psychische gezondheid biedt aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of een hevig onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording – dat valt onder het eerste lid – maar ook voor mishandeling van psychische aard.

In een arrest uit 2017 overwoog uw Hof het volgende:

‘De vraag die het hof moet beantwoorden is of psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr. Het hof is van oordeel dat de bewoordingen van genoemd artikel dat niet uitsluiten. Hoewel in de wetsgeschiedenis van artikel 300 Sr niet wordt gesproken over de geestelijke gezondheid, kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat de wetgever ook dit belang beoogt te beschermen. In ieder geval biedt de in het vierde lid van artikel 300 Sr genoemde gelijkstelling van mishandeling met benadeling van de gezondheid aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of onlust, maar ook voor mishandelingen van psychische aard.’

Meerdere rechtbanken en hoven zijn gevolgd. Diverse belangrijke uitspraken zijn in de voetnoten benoemd. Ik zal deze niet voorlezen, maar verzoek deze als integraal onderdeel van het requisitoir mee te wegen.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat onder de benadeling van gezondheid zoals bedoeld in lid 4, ook benadeling van de geestelijke gezondheid valt. Of denigrerende en/of kleinerende handelingen en opmerkingen ook strafbare psychische (kinder)mishandeling oplevert, hangt volgens dit arrest verder af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht of gemaakt.

Het vereiste dat er sprake moet zijn van een patroon, zoals door sommige rechtbanken en hoven wordt overwogen, volgt echter niet uit de wet noch uit hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de strafbaarstellingen in 300 lid 1 en lid 4 Sr. Er moet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte psychisch letsel heeft veroorzaakt dan wel daaraan een voldoende substantiële bijdrage is geleverd. Pijnigen, kleineren en uitschelden door een ouder kan een reële kans opleveren op beschadiging van de geestelijke gezondheid en ontwikkeling van het kind. Er hoeft dan ook geen sprake te zijn van een patroon of van een bepaalde duur in tijd om strafbaar handelen te kunnen vaststellen.

Niet alleen fysiek aantoonbaar letsel, maar ook de onaangename verandering in de innerlijke gezondheid kan bij de beoordeling worden betrokken. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat een gevoel van affectie en veiligheid een basisbehoefte is voor een kind en dat op de opvoedende ouders de verplichting rust om voor die veilige omgeving te zorgen.

Vanwege deze twee definities is het vaststellen van psychisch letsel door een deskundige geen vereiste om het handelen van een verdachte te kwalificeren als mishandeling in de zin van lid 1 dan wel opzettelijke benadeling van de (psychische) gezondheid in de zin van lid 4 van artikel 300 Sr. Immers, daarvan is reeds sprake als door de handelingen psychisch letsel kán ontstaan. Bevestiging daarvan – dat een deskundigenoordeel geen kwalificatievereiste is – valt ook af te leiden uit de Kamerstukken uit 2020.

Uit recent wetenschappelijk onderzoek blijkt dat psychische kindermishandeling zelfs schadelijker voor de (psychische) gezondheid is van een kind dan fysieke mishandeling of soms zelfs dan seksueel misbruik. Dit omdat een kind verstandelijk “weet” dat fysieke mishandeling niet mag. Dat is anders bij psychische kindermishandeling. De woorden die zij te horen krijgen, vaak van hun ouders en/of verzorgers, nemen zij voor waar aan.

Psychische mishandeling en/of verwaarlozing gedurende de kindertijd is in de wetenschap o.a. gekoppeld aan de ontwikkeling van hechtingsstoornissen, ontwikkelingsstoornissen, problemen op school, sociale problemen en het ontwikkelen van psychische stoornissen later in het leven. De gevolgen van psychische (kinder)mishandeling zijn dus uitermate ernstig. Door bijvoorbeeld constante angst en alertheid wordt ook de concentratie belemmerd en komen taalontwikkeling en denkvermogen ernstig onder druk te staan. Ook kan het leiden tot lichamelijke klachten en ziektes door een overmatige productie van het cortisol (stress) hormoon, hetgeen allerlei stressreacties in het lichaam veroorzaakt.

(...)

In de zaak tegen [verdachte] gaat het dus om meerdere varianten van kindermishandeling die vallen onder lid 1 en lid 4 van artikel 300 Sr. Dat onderscheid is ook gemaakt in de tenlastelegging bij feit 1. De eerste twee gedragingen behorend bij feit 1 van de tenlastelegging hebben betrekking op lid 1. De overige gedragingen hebben betrekking op artikel 300 lid 4 Sr.

(...)

Hoewel deze zaak wellicht niet de meest ernstige zaak is die uw Hof op het gebied van psychische kindermishandeling zelf of in de jurisprudentie langs heeft zien komen, en het wellicht een zaak aan de ondergrens is, maakt dit niet dat we de zaak moeten bagatelliseren. De gevolgen voor [slachtoffer] zijn immers groot. En waren dusdanig groot dat [slachtoffer] zelfs enige tijd uit huis is geplaatst.

[slachtoffer] is volgens de Raad voor de Kinderbescherming – verder de Raad – zwaar beschadigd geraakt. Aan de hand van het rapport van de Raad stel ik vast dat [slachtoffer] werd bedreigd in zijn fysieke, cognitieve, sociaal- emotionele en persoonlijke ontwikkeling. Verdachte heeft tegenover de Raad verklaard dat [slachtoffer] ontlasting tegen de muur smeerde en in zijn broek poepte. Dit zou allemaal vier jaar daarvoor zijn begonnen en deed hij nog steeds. Volgens verdachte veroorzaakt door stress.

De schade volgt ook uit omstandigheden:

- dat [slachtoffer] op een leeftijd waarop hij zindelijk behoort te zijn in zijn broek poept en (uit frustratie) met zijn ontlasting smeert (waar moeder jarenlang niet voor aan de bel heeft getrokken, schending zorgplicht 1:247 BW) → na een week uithuisplaatsing was dit voorbij;

- dat [slachtoffer] al jarenlang veel misselijk is en vaak moet overgeven (ook op school) zonder vaststelling van ziektebeeld → na een week uithuisplaatsing was dit voorbij;

- school, familie en artsen omschrijven [slachtoffer] als verdrietig jongetje → na de uithuisplaatsing zien zij duidelijk een vrolijker en socialer kind.

Het kan dan ook niet anders dan dat [slachtoffer] zich in een voor hem bijzonder schadelijke situatie bevond. Een situatie waarin hij te maken heeft gehad met fysiek geweld, bedreigingen, scheldpartijen en kleinerend en denigrerende uitspraken van zijn eigen moeder. Er is niets bagatelliserend aan deze situatie waarin [slachtoffer] zich tussen zijn 4e tot en met zijn 9e levensjaar heeft bevonden. En daarom moet verdachte daarvoor verantwoording afleggen, ook al gaat het nu gelukkig in kleine stapjes steeds beter met [slachtoffer] .

(...)

3.1.4

Gedraging (...) IV: (...) [slachtoffer] (gedurende een ruime tijd en/of onder dwang) op een krukje zetten (zonder eten en drinken)

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het (...) geruime tijd laten zitten op een krukje omdat zij van oordeel was dat deze handelingen niet voldoende ondersteund worden door bewijs.

Naar oordeel van het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank dit ten onrechte overwogen. Deze handelingen worden wel degelijk ondersteund door voldoende wettig en overtuigend bewijs, mede gelet op hetgeen ik over de beoordeling van het tenlastegelegde feit als geheel reeds in de inleiding bij dit feit heb opgemerkt.

(...)

Dan het laten zitten op een krukje, onder dwang, zonder eten en/of drinken.

De rechtbank heeft naar oordeel van het Openbaar Ministerie ten onrechte overwogen dat [getuige 1] dit niet zelf heeft waargenomen. Zij heeft verklaard wel degelijk zelf te hebben waargenomen dat [slachtoffer] op het krukje zat.

Ook [getuige 2] heeft verklaard dat hij zelf heeft waargenomen dat hij bij verdachte thuis kwam en zag dat [slachtoffer] op een krukje zat. Verdachte vertelde tegen hem dat hij daar al de hele dag op zat zonder eten en drinken omdat hij straf had.

[slachtoffer] heeft daarnaast zelf tegen [getuige 1] verteld dat hij kapot werd geslagen als hij van het krukje af zou gaan.

Kort en goed: ook het (...) op een krukje zetten (zonder eten en drinken) van [slachtoffer] kan wettig en overtuigend worden bewezen.

3.1.5

Gedraging (..) V: (...) [slachtoffer] (...) geruime tijd alleen in een auto achterlaten

Verdachte is vrijgesproken van de psychische mishandeling van [slachtoffer] in de vorm van (...) hem in een auto achter te laten, omdat de rechtbank niet kon vaststellen dat sprake was van een dusdanige aard van handelingen of handelingen binnen een zodanig patroon van kleineringen / afstand / afwijzing door en van verdachte dat hierdoor bij [slachtoffer] de lichamelijke en geestelijke gezondheid is benadeeld. Ook voor de waardering van deze gedragingen verwijs ik naar hetgeen ik onder de inleiding bij dit feit reeds heb opgemerkt.

Het vereiste dat er sprake moet zijn van een patroon volgt niet uit de wet of hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de strafbaarstellingen in 300 lid 1 en lid 4 Sr. Er moet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte psychisch letsel heeft veroorzaakt of kan veroorzaken dan wel daaraan een voldoende substantiële bijdrage is geleverd of kan leveren.

De rechtbank heeft naar oordeel van het Openbaar Ministerie het verkeerde criterium toegepast. Dat het handelen van verdachte psychisch letsel bij [slachtoffer] heeft opgeleverd en hij – door alle gedragingen tezamen – ernstig in zijn gezondheid is benadeeld moge wel blijken uit hetgeen ik reeds over de gevolgen voor [slachtoffer] heb opgemerkt en uit het onderzoek door de Raad en Veilig Thuis is gevolgd. Daarbij komt dat het onmiddellijk een stuk beter met [slachtoffer] ging toen hij uit de situatie met verdachte was verwijderd met de uithuisplaatsing.

(...)

Dan nog het alleen laten in de auto. Op 19 februari 2022 heeft [slachtoffer] voor straf in de auto gezeten, zonder eten en drinken. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van de volgende bewijsmiddelen.

Meerdere getuigen hebben, overeenkomstig de verklaring van [slachtoffer] tegenover Veilig Thuis, hierover verklaard. Ook [slachtoffer] heeft hierover verteld tegen de medewerker van Veilig Thuis. Op de bewuste dag was er een verjaardagsfeest bij de broer van verdachte thuis. [slachtoffer] mocht niet mee naar binnen.

Verdachte heeft daarnaast erkend dat zij [slachtoffer] enige tijd alleen heeft gelaten in de auto. Dit was volgens haar maar hooguit een kwartiertje.

Dit komt niet overeen met de verklaringen in het dossier en ook komt het niet overeen met de data van de telefoon van verdachte. Daaruit komt naar voren dat er om 13.32.37 uur WhatsApp contact was tussen [verdachte] en [betrokkene 1] Privé nieuw. Waarin verdachte aangeeft wat te komen brengen naar [betrokkene 2] . Om 15.08.32 uur WhatsApp contact was tussen [verdachte] en [betrokkene 3] . Hierin geeft [verdachte] aan dat zij op een feestje zit. [verdachte] om 16.01.31 uur aangeeft dat ze weg is.

Uit voornoemde blijkt dus duidelijk dat verdachte [slachtoffer] zeker langer dan een kwartiertje alleen heeft gelaten in de auto. Ook hier heeft verdachte ervoor gekozen de bewegingsvrijheid van [slachtoffer] op een heel nare manier te beperken

Anders dan de rechtbank oordeelt, is het Openbaar Ministerie van oordeel dat wel degelijk is vast te stellen dat deze handelingen in gezamenlijkheid de lichamelijke en geestelijke gezondheid van [slachtoffer] hebben benadeeld.

(...)

Het is ook uitermate schadelijk om op zo'n jonge leeftijd alleen te worden gelaten in een auto als straf en daarmee buiten te worden gesloten van een verjaardag. Het kan niet anders dan dat dit impact heeft gehad op de psychische gezondheid en het zelfbeeld van [slachtoffer] .

Ik zal bij de gedragingen hierna uiteenzetten hoe de gezondheid van [slachtoffer] precies is benadeeld door het handelen van verdachte.

Resumerend: De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat nog niet valt vast te stellen dat daarmee reeds sprake was van een dusdanige aard van handelingen of handelingen binnen een zodanig patroon van kleineringen / afstand / afwijzing door en van verdachte dat hierdoor bij [slachtoffer] de lichamelijke en geestelijke gezondheid is benadeeld. Ook deze handelingen kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.

3.1.6

Gedraging VI: [slachtoffer] kleineren en/of denigrerend toespreken

Zoals hiervoor overwogen volgt bovendien niet uit de wet dat sprake moet zijn van een patroon. De rechtbank heeft dus ook hier een onjuist criterium gehanteerd.

Bovendien kan in deze zaak wel degelijk worden gesproken van een patroon naar oordeel van het Openbaar Ministerie.

[getuige 1] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat [slachtoffer] zo bang moet zijn dat hij nooit meer geluid zal maken. Hij hoort van haar al zijn hele leven dat dat hij nooit geboren had moeten worden en dat hij niet deugt, dat hij een mongool is. Aan de hand van deze getuigenverklaring kan ook worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] vaak dreigde met een uithuisplaatsing.

Als verdachte boos is op [slachtoffer] , dan gebruikte ze altijd de woorden: “kanker jong, ondankbaar kankerjong, je had niet geboren moeten worden” zo verklaarde [getuige 1] .

[slachtoffer] heeft niets anders dan in zijn jonge leven gehoord dan dat hij niet gewenst is, hij een niksnut is en nooit iets goeds kan doen in de ogen van zijn moeder.

Volgens [getuige 1] gebeurde dit iedere week, soms wel meerdere keren. Zij stond erbij als verdachte dit tegen [slachtoffer] zei.

Ook aan de hand van een WhatsApp-bericht van [getuige 3] aan [getuige 1] stel ik vast dat verdachte [slachtoffer] op deze nare wijze heeft toegesproken en behandeld, zo schrijft hij: ‘ [slachtoffer] gaat hieraan kapot is ziek hoe ze hem behandeld. Wil hem eigenlijk nog wel helpen maar k kan net met haar in 1 ruimte meer zijn. Ze dreigt hem elke keer dat hij naar een pleeggezin moet en hij mag dan niet piepen want dan draait ze bijna zn arm uit de kom. Ben daar al een paar keer tussen gesprongen.’

In zijn verhoor komt [getuige 3] terug op het door hem in 2020 verstuurde WhatsApp bericht aan [getuige 1] . Zijn verklaring, dat hij er bij [getuige 1] goed op wilde staan, en om die reden dit bericht heeft verstuurd, acht ik ongeloofwaardig.

Je had nooit geboren mogen worden, je deugd niet, kankerjong, je bent een mongool. Vastgesteld kan worden dat verdachte deze opmerkingen gedurende een langere periode, meermalen, tegenover [slachtoffer] heeft gemaakt. Ook stel ik vast dat ze [slachtoffer] meermalen heeft gedreigd met een uithuisplaatsing en dat zij andere lelijke opmerkingen over hem, in zijn bijzijn, heeft gemaakt. Zij heeft zich, zoals verdachte zelf in een sms bericht stelt, afgereageerd op hem.

Niet iedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking kan worden aangemerkt als psychische mishandeling in de zin van artikel 300 lid 4 Sr. In dit geval kan worden vastgesteld dat gedurende een langere periode sprake is van een patroon van kleinerende, denigrerende opmerkingen en scheldpartijen.

Zoals in de inleiding al overwogen kan psychische mishandeling en/of verwaarlozing gedurende de kindertijd verschillende psychische stoornissen veroorzaken.

De raadsonderzoeker van de Raad van de Kinderbescherming ziet een jongetje dat zwaar beschadigd is. Op basis van eigen onderzoek maakt de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) zich ernstige zorgen om de ontwikkeling van [slachtoffer] . Aan de hand van het rapport van de raad kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] werd bedreigd in zijn fysieke, cognitieve, sociaal- emotionele en persoonlijke ontwikkeling door de situatie waar hij zich in bevond.

Bij [slachtoffer] kwam dit daarnaast fysiek tot uiting zoals hiervoor al aangehaald. Hij moest vaak spugen, was vaak misselijk en smeerde vaak met ontlasting. Dit gebeurde alleen thuis bij moeder en niet op school.

Op basis van informatie van de school, getuigen en de Raad kan worden gesteld dat na uithuisplaatsing, [slachtoffer] veel beter in zijn vel lijkt te zitten. Hij had na de uithuisplaatsing weer een open en blij gezicht. Ook was hij niet meer misselijk en hoefde hij niet meer te spugen.

Ook uit wat [slachtoffer] vertelde tegen [getuige 1] kan worden vastgesteld dat hij psychisch beschadigd is geraakt door de situatie. Zo vertelde hij: ‘Oma ik weet een oplossing zodat mama nooit meer boos op mij is. Ik moet gewoon maar dood, dan kan mama nooit meer boos op mij worden.’

Naar oordeel van het Openbaar Ministerie kan aan de hand van het voorgaande worden gesteld dat [slachtoffer] langdurig werd bedreigd in zijn fysieke, cognitieve, sociaal- emotionele en persoonlijke ontwikkeling door de situatie waar hij zich in bevond, waaronder het kleinerend en denigrerend toespreken van [slachtoffer] .

Kort en goed: ook deze gedragingen kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.

Conclusie feit 1: Alle aan verdachte ten laste gelegde gedragingen kunnen afzonderlijk en zeker als geheel, gelet op hetgeen ik reeds over het bewijsminimum heb opmerkt, bewezen worden verklaard. Het vonnis dient dan ook te worden vernietigd.”

Juridisch kader

3.3.1

De tenlastelegging onder 1 is toegesneden op artikel 300 lid 1 en 4 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging voorkomende term ‘mishandeling’ is gebruikt in de betekenis die dat woord heeft in artikel 300 lid 1 en 4 Sr. Deze bepaling luidt:

“1. Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

(...)

4. Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid.”

3.3.2

De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 300 Sr houdt onder meer het volgende in. In het regeringsontwerp van het Wetboek van Strafrecht was in artikel 324 lid 1 Sr, de voorloper van het huidige artikel 300 Sr, een feitelijke omschrijving van het delict mishandeling opgenomen. De betreffende strafbepaling luidde:

“Hij die door eenige daad aan een ander opzettelijk ligchamelijk leed toebrengt of opzettelijk diens gezondheid benadeelt, wordt, als schuldig aan mishandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van ten hoogste vijftig gulden.”

(H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1891, p. 473.)

3.3.3

Kritiek van de Commissie van Rapporteurs op het gebruik van de uitdrukking ‘ligchamelijk leed’ heeft ertoe geleid dat in de huidige redactie van artikel 300 Sr is volstaan met de term ‘mishandeling’. Het ‘Verslag van de Tweede Kamer met Regeeringsantwoord’ houdt hierover in:

“opzettelijk ligchamelijk leed. Men betwijfelde of deze uitdrukking in de Nederlandsche taal geoorloofd is. Is, vroeg men, ligchamelijk leed niet eene contradictio in terminis, omdat leed alleen van morele smart gebezigd wordt? Er is echter nog een ander bezwaar. Die opzettelijk aan een ander ligchamelijk leed toebrengt is volstrekt niet altijd strafwaardig. Men denke aan heelkundige operatien en aan de castigatio paterna. Het misdrijf behoort zóó uitgedrukt te worden, dat deze en dergelijke gevallen er niet in begrepen zijn. De Commissie acht daartoe het woord mishandeling zonder nadere omschrijving volkomen geschikt; het begrip is voldoende bepaald en laat toch den regter ruimte voor eene redelijke toepassing zonder gedwongen interpretatie. Het artikel zou dus moeten gelezen worden: "Mishandeling wordt gestraft met enz."”.

(H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1891, p. 475.)

3.4

Tegen de achtergrond van de onder 3.3 weergegeven wetsgeschiedenis heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677 over het doel en de reikwijdte van artikel 300 Sr overwogen:

“De strafbaarstelling van mishandeling in onder meer art. 300 Sr strekt ter bescherming van de lichamelijke integriteit. Blijkens de wetsgeschiedenis (...) is de aanvankelijke strafbedreiging van art. 300 Sr tegen hem “die door eenige daad aan een ander opzettelijk ligchamelijk leed toebrengt of opzettelijk diens gezondheid benadeelt” in de loop van het wetgevingsproces vervangen door de strafbaarstelling van “mishandeling” teneinde – kort gezegd – twijfels weg te nemen in verband met de taalkundige juistheid van de uitdrukking ‘ligchamelijk leed’ en de niet-strafbaarheid van bepaalde vormen van toebrengen van lichamelijk leed. Niet blijkt echter van een wijziging van opvatting ten aanzien van de reikwijdte van wat oorspronkelijk was omschreven als het opzettelijk toebrengen van lichamelijk leed of het opzettelijk benadelen van de gezondheid. Gelet op dit een en ander moet onder ‘mishandeling’ in de zin van genoemde bepaling niet alleen worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn – zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690, NJ 2011/466) – maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam (vgl. HR 11 februari 1929, NJ 1929, p. 503 en HR 12 december 1967, NJ 1970, 314).”

‘Psychische mishandeling’ en de reikwijdte van artikel 300 Sr

3.5.1

In het licht van de onder 3.3 en 3.4 weergegeven wetsgeschiedenis en rechtspraak overweegt de Hoge Raad verder het volgende over de reikwijdte van artikel 300 Sr.

3.5.2

Onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 Sr moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid en – onder omstandigheden – het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. Niet is uitgesloten dat zo’n min of meer hevige onlust – die het gevolg is van een op het lichaam van het slachtoffer inwerkende gedraging – bestaat in psychisch leed (vgl. HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774).

3.5.3

Voor bewezenverklaring van een op artikel 300 Sr toegesneden tenlastelegging is vereist dat de betreffende gedraging inwerkt op het lichaam van het slachtoffer. Gedragingen die uitsluitend – dat wil zeggen: zonder inwerking op het lichaam van het slachtoffer – psychisch leed tot gevolg hebben, vallen niet onder het in artikel 300 Sr bedoelde begrip ‘mishandeling’ (vgl., over (momenteel) artikel 254 lid 2 Sr, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407). Ook is geen sprake van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr als niet op het lichaam inwerkende gedragingen psychisch leed hebben veroorzaakt dat vervolgens heeft geleid tot nadelige lichamelijke gevolgen, zoals buikpijn of braakverschijnselen door stress. Dit betekent ook dat onder ‘benadeling van de gezondheid’, zoals bedoeld in artikel 300 lid 4 Sr, niet de enkele benadeling van de geestelijke gezondheid valt.

3.6

Het cassatiemiddel strekt ertoe dat ‘psychische mishandeling’ zelfstandig kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr. Er is echter geen grond om artikel 300 Sr ruimer uit te leggen dan onder 3.3 tot en met 3.5 is gebeurd. Daarbij is van belang dat – zoals in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 naar voren komt – ‘psychische mishandeling’ geen duidelijk afgebakende betekenis heeft en uiteenlopende gedragingen kan omvatten die in enige mate of vorm psychisch leed bij een ander tot gevolg hebben. Dergelijke gedragingen kunnen onder omstandigheden naar geldend recht binnen het bereik van bijvoorbeeld de strafbepalingen van dwang (artikel 284 Sr), bedreiging (artikel 285 Sr) en belaging (artikel 285b Sr) worden gebracht. Gelet op de rechtspolitieke keuzes die in geval van een eventuele uitbreiding van de strafbaarstelling van mishandeling gemaakt moeten worden, ligt het op de weg van de wetgever om – mede in het licht van de toepasselijke, in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 weergegeven internationale regelgeving en de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor de Staat – de betreffende afwegingen te maken.

Beoordeling van het cassatiemiddel

3.7.1

Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de in het cassatiemiddel bedoelde onderdelen van de tenlastelegging. Het hof is daarbij afgeweken van het in het cassatiemiddel bedoelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van het openbaar ministerie, dat de betreffende gedragingen ‘psychische mishandeling’ opleveren en als zodanig onder de reikwijdte van artikel 300 lid 4 Sr vallen. Omdat het hof in dat verband niet meer heeft overwogen dan dat er onvoldoende bewijs is dat de betreffende gedragingen “– voor zover bewezen – een strafbare mishandeling opleveren, in die zin dat bij het slachtoffer als gevolg daarvan pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat het slachtoffer als gevolg daarvan in de gezondheid is benadeeld”, heeft het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv in onvoldoende mate de redenen opgegeven die tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hebben geleid. De klacht is gegrond. Dat hoeft echter gelet op het volgende niet tot cassatie te leiden.

3.7.2

Het cassatiemiddel berust, in navolging van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, in de kern op de opvatting dat ‘psychische mishandeling’ zelfstandig strafbaar is als mishandeling in de zin van artikel 300 lid 4 Sr. Gelet op wat onder 3.5 en 3.6 is overwogen, vindt deze opvatting geen steun in het recht. Het hof had het standpunt van het openbaar ministerie daarom alleen maar kunnen verwerpen.

3.8

Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733