Essentie (gemaakt door AI)
IPR. Bij verdeling heeft Nederlandse rechter uitsluitend rechtsmacht voor in Nederland gelegen onroerende zaken (art. 10 Huwelijksvermogensrechtverordening). Beroep op forum necessitatis wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van onmogelijkheid te procederen in Israël. Man is niet-ontvankelijk in hoger beroep over toedeling aandelen in Nederlandse panden wegens niet-inschrijving in rechtsmiddelenregister (art. 3:301 lid 2 BW).Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 30-06-2026 |
| Zaaknummer | 200.355.864/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; Familievermogensrecht; Alimentatie; Concrete omstandigheden / behoeftelijst; Familieprocesrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
IPR; kinder- en partneralimentatie, verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap; Nederlandse rechter heeft alleen rechtsmacht voor in Nederland gelegen onroerende zaken; beroep op forum necessitatis slaagt niet; ontvankelijkheid bij niet-inschrijven beroep in rechtsmiddelenregister; art. 5, tweede lid sub b, art. 10 en art. 11 Huwelijksvermogensrechtverordening; artikel 3:301 lid 2 BWVolledige uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.355.864/01, 200.355.865/01 en 200.355.865/02
(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 190198 en 196018)
beschikking van 28 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de man),
die woont in [woonplaats1] (Israel),
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verzoeker in het incident tot schorsing,
advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,
en
[verweerster] (de vrouw),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verweerster in het incident tot schorsing,
advocaat: mr. I.M.G. Maste te Almere.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
Het hof verwijst voor het verloop van het geding tot 29 januari 2026 naar zijn tussenbeschikking van die datum. Daarna heeft het hof nog ontvangen:
- een journaalbericht namens de man van 12 februari 2026;
- een brief namens de vrouw van 12 februari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 12 februari 2026;
- een journaalbericht namens de vrouw van 16 februari 2026;
- een journaalbericht namens de man van 17 februari 2026;
- een journaalbericht namens de man van 12 maart 2026;
- een journaalbericht namens de vrouw van 16 maart 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 30 maart 2026 met bijlage(n).
2De motivering van de beslissing
In het principaal en in het incidenteel hoger beroep
Inleiding
Het hof blijft bij wat is overwogen in de tussenbeschikking van 29 januari 2026 voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. Partijen hebben zich naar aanleiding van deze beschikking uitgelaten over de keuze voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de verdeling. Daarom zal het hof daar eerst over oordelen en vervolgens de ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek in hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de verdeling van 50% van de aandelen in de onroerende zaken [adres1] en [adres2] te [plaats] bespreken. Daarna zal het hof ingaan op de door de man aangevoerde processuele punten, om vervolgens de resterende inhoudelijke punten te bespreken, zoals de kinder- en partneralimentatie en als laatste de vraag of de onroerende zaak aan de [adres3] te [plaats] moet worden betrokken bij de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen.
Rechtsmacht ten aanzien van de verdeling
In zijn voornoemde tussenbeschikking heeft het hof al geoordeeld dat het hof op grond van artikel 10 van de Huwelijksvermogensrechtverordening rechtsmacht heeft ten aanzien van de nevenverzoeken voor zover die betrekking hebben op de verdeling van de zich in Nederland bevindende onroerende zaken en dat Nederlands recht daarop van toepassing is.
Voor wat betreft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van die nevenverzoeken met betrekking tot de verdeling die niet vallen onder artikel 10 van de Huwelijksvermogensrechtverordening heeft de vrouw zich primair op het standpunt gesteld dat partijen overeenstemming hebben over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en zich subsidiair beroepen op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter als forum necessitatis op grond van artikel 11 van de Huwelijksvermogensrechtverordening. De man heeft betwist dat er sprake is van overeenstemming over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Hij verzet zich verder tegen toepassing van artikel 11 van de Huwelijksvermogensrechtverordening.
Het hof stelt vast dat er geen overeenstemming is over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de nevenverzoeken tot verdeling die niet vallen onder de reikwijdte van artikel 10 van de Huwelijksvermogensrechtverordening. Dat betreft de verzoeken die betrekking hebben op verdeling van de woning in Israël met de daarbij behorende hypotheek, de roerende zaken (de inboedel van de woning in Israël, de sieraden en kunstwerken, de Renault Captur, de auto’s in Israël (Audi Q7, Audi Q5 en Toyota RAV4), de fietsen), de leningen bij de ouders van de vrouw, de saldi van de bankrekeningen op naam van de vrouw en van de man, de onderneming van de man, de contante gelden, huurinkomsten en de schuld bij DUO.
Omdat de overeenstemming over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ontbreekt, komt het hof toe aan beoordeling van het beroep van de vrouw op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter als forum necessitatis. Het forum necessitatis geldt als een noodbevoegdheid in het internationaal privaatrecht. In artikel 11 van de Huwelijksvermogensrechtverordening is opgenomen dat de gerechten in een lidstaat bij uitzondering uitspraak kunnen doen over een huwelijksvermogensstelsel als in een derde staat, waarmee de zaak nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt. De vermelding van “bij uitzondering” in de tekst geeft aan dat deze bevoegdheidsgrond terughoudend moet worden toegepast en dat niet te lichtvaardig mag worden geconcludeerd dat een gerechtelijke procedure in het buitenland onmogelijk is of dat in het buitenland redelijkerwijs geen gerechtelijke procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd.
Naar het oordeel van het hof zijn de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende onderbouwd om de uitzondering van artikel 11 toe te passen. Niet is gebleken dat door de oorlog in Israël de rechterlijke macht daar niet functioneert, dat daar redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of dat een procedure daar onmogelijk is. Daarvoor heeft de vrouw onvoldoende objectieve informatie (zoals bijvoorbeeld ambtsberichten of landeninformatie van Amnesty International) aangedragen. Dat geldt ook voor haar vrees voor een oneerlijk proces in Israël. Dat haar Israëlische advocaat haar heeft afgeraden om naar Israël te komen overtuigt het hof niet, omdat niet duidelijk door de advocaat is gemotiveerd waarom hij dit afraadt. Dit blijkt ook niet uit de stukken. Het door de vrouw aangedragen argument dat de Israëlische rechtbank haar heeft verboden contact te hebben met haar advocaat passeert het hof ook, omdat de context van dat verbod ontbreekt en er geen documenten zijn overgelegd, voorzien van een beëdigde vertaling, waaruit die context blijkt van dit verbod. Verder is het argument dat procederen voor de vrouw in Israël vervelend en kostbaar is evenmin reden om de uitzonderingsbepaling van artikel 11 van het Huwelijksvermogensrechtverordening toe te passen. Dat geldt ook voor de stelling van de vrouw dat de Israëlische rechter mogelijk het Nederlands recht niet goed toepast.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof zich onbevoegd zal verklaren voor die nevenverzoeken die betrekking hebben op de verdeling van die vermogensbestanddelen, anders dan de in Nederland gelegen onroerende zaken.
Ontvankelijkheid
In grief 13 verzet de man zich tegen toedeling aan de vrouw van zijn 25% aandeel in de woningen aan de [adres1] en [adres2] te [plaats] , omdat de helft van het aandeel in die woningen in eigendom aan zijn broer toebehoort en het volgens hem dan meer voor de hand ligt dat het aandeel van de vrouw van 25% in die woningen aan hem wordt toegedeeld in plaats van andersom. De vrouw voert aan dat niet is gebleken van inschrijving van het beroep in de registers van het kadaster (artikel 3:17 van het Burgerlijk Wetboek (BW)), zodat er geen beletsel is voor de overdracht van het aandeel van de man in deze onroerende zaken aan haar. Zij beroept zich verder op artikel 3:301 lid 2 BW en betoogt dat de man op dit onderdeel van zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk is. Verder heeft de man niet gemotiveerd waarom hij grieft tegen toepassing van het spoorboekje, aldus de vrouw.
De rechtbank heeft in 4.7 van het dictum van de bestreden beschikking ten aanzien van de toedeling van het aandeel van partijen van 50% in de woningen aan de [adres1] en [adres2] in [plaats] aan de vrouw bepaald dat de beschikking in de plaats treedt van de voor de levering van de aandelen in de woning vereiste wilsverklaring van de man in de notariële akte, als de man (ook niet bij volmacht) meewerkt aan de juridische levering van het aandeel van 50% in de woning aan de [adres1] in [plaats] en het aandeel van 50% in de woning aan de [adres2] in [plaats] aan de vrouw, op een notaris te bepalen datum en tijdstip. Weliswaar is de formulering van de rechtbank in het dictum niet helemaal correct, doordat het woordje “niet” abusievelijk ontbreekt, maar voor het hof is duidelijk dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zoals geformuleerd in haar partiële wijziging verzoekschrift met betrekking tot de boedelverdeling van 3 januari 2025 heeft toegewezen. Ook is voor het hof duidelijk dat de rechtbank in haar dictum heeft bedoeld aan te sluiten bij artikel 3:300 lid 2 BW. Dat de notaris de leveringsakte niet zou willen passeren, doet daar niet aan af. Daarbij komt dat namens de vrouw is aangevoerd dat zij om een herstelbeschikking heeft gevraagd.
Artikel 3:301 lid 2 BW bepaalt dat hoger beroep tegen een beslissing waarbij de rechter heeft bepaald dat zijn uitspraak in de plaats van een akte kan treden, op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel wordt ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. De rechter dient ambtshalve na te gaan of aan het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW is voldaan.
Het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW strekt ertoe dat bij inschrijving in de openbare registers van een uitspraak die in de plaats treedt van (een deel van) een tot levering bestemde akte als bedoeld in artikel 3:89 BW, zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat geen rechtsmiddel is ingesteld. Dit is van belang voor de rechtszekerheid die is vereist bij de verkrijging van registergoederen. De bepaling bewerkstelligt dat de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, bij de afgifte van de in artikel 25 Kadasterwet bedoelde verklaring dat hem niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, kan afgaan op het rechtsmiddelenregister. Dit is niet alleen van belang in de gevallen die in artikel 25 lid 1, onder a en b, Kadasterwet zijn genoemd, maar ook in het geval waarin de in te schrijven uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, zoals in deze zaak.
Het is het hof gebleken dat het hoger beroep niet is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. De juistheid van de openbare registers kan niet ter discussie staan. Het systeem van de wet is aldus dat het de verantwoordelijkheid is van degene die hoger beroep instelt om mede de betrouwbaarheid van de registers te waarborgen door bij het instellen van een hoger beroep voor ieder kenbaar te maken dat een rechtsmiddel is ingesteld waarmee levering voorkomen kan worden, dan wel (wanneer levering al heeft plaatsgevonden) voor ieder kenbaar kan zijn dat de levering ter discussie staat.
Gelet op wat hiervoor onder 2.9 tot en met 2.12 is overwogen, is het hof van oordeel dat de man niet kan worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de toedeling van het aandeel van partijen van 50% in de woningen aan respectievelijk [adres1] en [adres2] te [plaats] . Hiervoor was inschrijving van het beroep in het rechtsmiddelenregister vereist, terwijl vaststaat dat een dergelijke inschrijving niet heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan de beoordeling van grief 13 van de man voor zover die grief betrekking heeft op de toedeling van het aandeel van partijen van 50% in bovengenoemde woningen.
Inhoudelijk
Het hof merkt als eerste op dat de door de man opgeworpen grieven niet uitblinken in helderheid, omdat in diverse grieven van de man verholen grieven te lezen zijn. Daarmee is het de vraag of het zowel voor de rechter in hoger beroep als voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welke gronden de bestreden uitspraak volgens de man behoort te worden vernietigd. Het hof zal hierna de grieven bespreken zoals het hof en de vrouw gelet op haar verweer deze hebben begrepen.
Processuele aspecten
Voor zover de man in 1.1 van zijn beroepschrift grieft tegen het feit dat in de bestreden beschikking van 5 maart 2025 is beslist op nevenverzoeken, terwijl er hoger beroep was ingesteld tegen de bij (tussen)beschikking van 22 januari 2025 uitgesproken echtscheiding, oordeelt het hof dat het feit dat hoger beroep is ingesteld tegen de echtscheidingsbeslissing niet betekent dat de rechter niet zou mogen beslissen op voorliggende nevenvoorzieningen. Uit de aard van de nevenvoorzieningen vloeit immers voort dat deze gelden op voorwaarde dat het huwelijk is ontbonden door echtscheiding. Voor zover gegriefd is tegen de in het dictum van de beschikking van 22 januari 2025 onder 4.4 genomen beslissing tot aanhouding van diverse nevenverzoeken is het hof van oordeel dat deze beslissing geen voor beroep vatbare beslissing in de zin van de wet is. De grief die het hof leest in 1.1 van het beroepschrift faalt.
Schending van hoor en wederhoor
In zijn eerste grief klaagt de man over schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Ter zitting heeft zijn advocaat toegelicht dat hij vindt dat het hof de zaak dient terug te verwijzen naar de rechtbank.
Uit het dossier blijkt het volgende:
- de man was bekend met de op 22 januari 2025 geplande datum van de mondelinge
behandeling bij de rechtbank;
- de man had uitstel verzocht van de mondelinge behandeling;
- de rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen;
- voor de mondelinge behandeling op 22 januari 2025 waren zes uren uitgetrokken;
- enkele minuten voor de zitting is het wrakingsverzoek ingediend op 22 januari 2025;
- de man bleek niet aanwezig bij de mondelinge behandeling, die op 22 januari 2025
plaatsvond binnen de daarvoor door de rechtbank gereserveerde tijd en na de behandeling
en uitspraak van de wrakingskamer.
Naar het oordeel van het hof brengt een wrakingsverzoek niet automatisch mee dat een geplande mondelinge behandeling niet doorgaat. Het wrakingsverzoek is voortvarend behandeld en na de uitspraak op het verzoek tot wraking kon de behandeling van de zaak worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond. De man had er rekening mee moeten houden dat de op 22 januari 2025 geplande mondelinge behandeling toch door zou kunnen gaan. Het lag dan ook op de weg van de man om op 22 januari 2025 paraat te blijven en door niet bij de rechtbank te verschijnen op 22 januari 2025, heeft hij het risico genomen dat de zaak door de rechtbank buiten zijn aanwezigheid behandeld zou worden.
Ook gezien de herstelfunctie van het hoger beroep is er naar het oordeel van het hof geen schending van het beginsel van hoor en wederhoor. In dat kader verwijst het hof naar zijn beschikking van 3 juli 2025 waarin het volgende is overwogen:
“5.1. Voor zover de man klaagt over de wijze van totstandkoming van de bestreden
beschikking, in het bijzonder over het niet in acht nemen van het beginsel van hoor en
wederhoor, heeft hij in hoger beroep geen belang bij behandeling van zijn klacht.
Het hoger beroep dient er namelijk mede toe eventuele omissies of misslagen, die zich
hebben voorgedaan in eerste aanleg, te kunnen herstellen. De man heeft in hoger beroep de
zaak geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld zijn
standpunt toe te lichten en zijn inhoudelijke bezwaren tegen de bestreden beschikking
kenbaar te maken. Het hof heeft de man en zijn advocaat gehoord. De klacht van de man
blijft daarom zonder verdere gevolgen.
Dat de man en zijn advocaat niet hadden verwacht dat de mondelinge behandeling bij de
rechtbank op 22 januari 2025 op dezelfde dag, direct na de uitspraak van de wrakingskamer,
zou plaatsvinden en daarom niet aanwezig waren tijdens die mondelinge behandeling, geeft
geen aanleiding voor een ander oordeel.”
Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat er ook geen grond is om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank, zoals de man heeft bepleit bij de mondelinge behandeling in hoger beroep. Grief 1 van de man faalt.
In de zevende grief grieft de man tegen de behandeling door de rechtbank van het aanvullende verzoek van de vrouw.
De man heeft tijdig kennis kunnen nemen van de aanvullende verzoeken, deze waren hem op 3 januari 2025 per mail toegezonden en blijkens de correspondentie in het dossier ook voor de zitting bekend. Voor het bezwaar van de man dat hij dit verzoek niet ter zitting heeft kunnen bespreken verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 2.18 is overwogen. De grief faalt.
Kinderalimentatie
Behoefte
De kosten van de kinderen (de behoefte) worden bepaald aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van hun uiteengaan.
De man betwist dat het NBGI van partijen ten tijde van hun uiteengaan meer dan € 6.000,- netto per maand bedroeg. Hij voert aan dat met de onderbouwing van de behoefte van de kinderen niet kan worden volstaan met verwijzing naar de alimentatietabel 2023, omdat de kinderen ten tijde van het uiteengaan van partijen in Israël woonden. Hij betwist verder de door de vrouw genoemde uitgaven en de “bewijsstukken” ervan. De man erkent dat hij met zijn broer heeft geïnvesteerd in onroerend goed in [provincie] , daarvoor heeft hij een lening afgesloten.
De vrouw heeft de stelling van de man betwist. Zij beroept zich op artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en stelt dat de man beschikt over de benodigde financiële stukken waarmee de behoefte van de kinderen kan worden bepaald en dat het op zijn weg ligt de benodigde stukken te overleggen. Omdat hij die stukken achterhoudt, kan de rechter zelf een inschatting maken, aldus de vrouw. De vrouw verwijst naar de producties 9, 10 en 11 en voert aan dat de man huurinkomsten heeft van € 860,- en € 630,- per maand. Verder heeft de man in zijn verweerschrift betreffende de voorlopige voorzieningen aangevoerd dat zijn maandelijkse uitgaven € 6.390,52 bedroegen (toen de kinderen en de vrouw al in Nederland woonden). Volgens de vrouw waren deze uitgaven alleen voor de man en [naam] en hield het gezin er een luxe levensstijl op na. De vrouw meldt verder dat de door de man overgelegde loonstrook van een niet bij de Kamer van Koophandel in Israël ingeschreven bedrijf is en dat ook de op de loonstrook vermelde ID- gegevens niet overeenkomen met die van de man.
Het hof constateert dat de vrouw informatie heeft aangebracht, waarmee zij de door haar gestelde behoefte van de kinderen van € 577,- per kind per maand in 2024, die is gebaseerd de hoogste categorie inkomen van de alimentatietabel van 2023, heeft onderbouwd. De man heeft de behoefte van de kinderen van € 577,- per kind per maand betwist.
Ten aanzien van het inkomen van de man beschikt het hof over de volgende stukken en informatie:
-
een verklaring van zijn Payroll-accountant en boekhouder van 12 maart 2024 met betrekking tot zijn inkomen (productie 88 bij het verweerschrift in hoger beroep);
-
een verklaring gedateerd 5 augustus 2025 van [naam2] (productie 9 bij het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep);
-
stukken waaruit blijkt dat de man als verhuurder optrad van [adres4] te [plaats2] (productie 9, 10 en 11 bij het aanvullend verzoek van de vrouw bij de rechtbank);
-
de verklaring van de advocaat van de man, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de IKO procedure bij de rechtbank Den Haag (productie 64 bij het aanvullende verzoek van de vrouw bij de rechtbank) waarin deze heeft verklaard dat partijen veel investeringen deden;
-
blz. 22 van het rapport van de raad voor de kinderbescherming van 22 april 2025 (productie 89 bij het verweerschrift in hoger beroep) waarin de man telefonisch heeft verteld dat hij hoopt een woning te kunnen kopen in Nederland waar hij tijdens de omgangsmomenten met de kinderen kan verblijven.
-
blz. 9 van het proces-verbaal van de zitting van 30 oktober 2023 van het gerechtshof Den Haag waarin de advocaat van de man heeft verklaard dat de man zal zorgdragen voor een woning voor de moeder als zij terugkeert naar Israël en ook ervoor zal zorgen dat zij goed verzorgd is (productie 99 bij het verweerschrift in hoger beroep);
-
stukken met betrekking tot de hypotheekschuld in 2022 (productie 12 bij de brief van de man van 24 december 2025), waaruit blijkt dat de hypotheeklasten maandelijks NIS 800 hoger zijn geworden;
-
een verklaring omtrent het arbeidsverleden van de man (productie 15 bij de brief van de man van 24 december 2025);
-
een in de Hebreeuwse taal opgestelde loonstrook, kennelijk gedateerd 8 mei 2025, zonder vertaling ervan (productie 7 bij het beroepschrift).
Het hof constateert dat de door de man overgelegde stukken verre van compleet zijn en tegenstrijdig lijken. De man heeft geen stukken overgelegd als voorgeschreven in artikel 2.1.2 van het procesreglement. Weliswaar heeft de man als productie 15 een inkomensverklaring overgelegd, maar die heeft voor het merendeel betrekking op de jaren tot 2022. Deze inkomensverklaring sluit niet aan bij zijn stelling in zijn beroepschrift (punt 2.5) dat hij in de periode van 2020 tot en met 2024 werkloos was. De man heeft verzuimd de onderliggende stukken, waarop de inkomensverklaring is gebaseerd, te overleggen. Gezien de stelling van de man dat hij werkloos was in de periode van 2020 tot en met 2024, acht het hof het opmerkelijk dat de man er wel in geslaagd is om eind 2022 een nieuwe hypothecaire lening te verkrijgen. De man heeft zijn stelling dat die lening mogelijk was vanwege de overwaarde van de woning en de inkomsten uit verhuur van de panden in Nederland, niet onderbouwd met stukken. Het ligt op de weg van de man, die de door de vrouw gestelde en binnen haar mogelijkheden onderbouwde behoefte van de kinderen betwist, om bij betwisting van die behoefte, inzage te verschaffen in zijn inkomenspositie. Dat heeft hij niet gedaan. Verifieerbare stukken, zoals belastingaangiften en/of -aanslagen ontbreken, evenals een vertaling van zijn loonstrook. Het hof kan dan ook op basis van de door de man overgelegde documenten met betrekking tot zijn inkomen geen conclusies trekken over de welstand van partijen en de behoefte van de kinderen. De vrouw heeft in de stukken de welstand toegelicht en geïllustreerd met foto’s. Ter zitting heeft zij uitleg gegeven over de huurwoning met zwembad waarin het gezin leefde en hun leefstijl nader toegelicht. Daarbij is het hof gebleken dat partijen zonder dat zij daarvoor een hypothecaire lening hoefden af te sluiten, onroerend goed konden aankopen en renoveren. Verder bleek op de zitting dat partijen meermalen per jaar op vakantie gingen, dat jaarlijks de zomer werd doorgebracht in een vakantiewoning in een duur vakantieresort in Nederland, dat partijen in elk geval meerdere, dure auto’s bezaten en dat zij op ruime voet leefden. Of partijen dit deden van geleend geld, zoals de man heeft betoogd, is niet relevant. Het gaat immers om het welvaartsniveau en niet waar dit van werd gefinancierd. Buiten de betwisting van de door de rechtbank bepaalde behoefte, heeft de man in hoger beroep niet aangegeven hoe hoog de behoefte van de kinderen volgens hem dan wèl was. Uit de door de vrouw genoemde feiten en omstandigheden concludeert het hof dat de kinderen in welstand leefden. Daarom komt het hof de door de rechtbank bepaalde behoefte van de kinderen van € 577,- per kind per maand in 2024 aannemelijk voor. Het hof zal dan ook daar van uitgaan.
Draagkracht
2.27. De man betwist dat hij in staat is de door de rechtbank bepaalde kinderalimentatie van € 558,- per kind per maand te voldoen. Hij voert aan dat niet hij, maar de vrouw de volledige huurpenningen heeft ontvangen van de appartementen aan de [adres1] en [adres2] te [plaats] , alsmede van de woning aan de [adres3] te [plaats] en dat hij sinds kort pas weer werk heeft met een netto inkomen van ongeveer € 1.950,- per maand.
Het hof herhaalt dat de man geen stukken heeft overgelegd, zoals vereist volgens artikel 2.1.2 van het procesreglement. Ter zitting heeft hij verklaard binnenkort te starten met een nieuwe baan. Met betrekking tot die baan of het inkomen dat hij zou gaan verdienen, heeft de man geen stukken overgelegd. Al met al heeft de man naar het oordeel van het hof zijn stelling dat hij niet beschikt over voldoende draagkracht, niet onderbouwd.
De man heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vrouw over meer draagkrachtruimte beschikt dan dat de rechtbank heeft becijferd, vanwege huurinkomsten van de panden in [plaats] . De vrouw heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat zij de beschikking heeft over de huurinkomsten van de woningen aan de [adres3] in [plaats] en aan de [adres1] en [adres2] te [plaats] . Zij heeft voldoende uiteengezet dat die huurinkomsten, die pas sinds 2023 worden genoten, op een rekening zijn gezet waarvan het saldo in de verdeling wordt betrokken en dat van de huurinkomsten ook de kosten met betrekking tot de woningen worden voldaan. Daarbij komt dat er bij de kantonrechter een procedure loopt waarin familie van de man aanspraak maakt op de huurinkomsten van de woningen aan de Eewal.
Uit het vorenstaande onder 2.22 tot en met 2.29 overwogen volgt dat grief 3 van de man faalt.
Partneralimentatie
Behoefte
Volgens de man heeft de vrouw haar behoefte niet aangetoond en kan niet zonder meer worden uitgegaan van de hofnorm ter bepaling van haar behoefte. De vrouw voert aan dat zij heeft verwezen naar de hofnorm ter onderbouwing van haar behoefte en dat de toepassing daarvan niet is weersproken. Zij heeft gesteld dat haar behoefte € 13.745,- bruto per maand bedraagt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad
1 dient bij het bepalen van de hoogte van de behoefte rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten – en gelet op de welstand redelijke – kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.
De hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. Indien de huwelijksgerelateerde behoefte in geschil is, kan het hanteren van de hofnorm als (enige) maatstaf voor die behoefte op gespannen voet komen te staan met het door de Hoge Raad verlangde maatwerk. Niet voorbij gegaan mag worden aan de door partijen in dit verband aangevoerde relevante omstandigheden.
Uit het vorenstaande volgt dat voor de bepaling van de behoefte het hof dient te beschikken over informatie betreffende het inkomen van partijen ten tijde van het huwelijk. Die informatie ontbreekt. De man heeft niet betwist dat de vrouw tijdens het huwelijk geen inkomen had, zodat zijn inkomsten bepalend zijn voor de vaststelling van de behoefte. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de man geen inzage gegeven in zijn inkomen tijdens de periode waarin partijen samenleefden. Dat betekent dat het hof op basis van andere informatie de welstand tijdens het huwelijk moet vaststellen. Zoals het hof hiervoor onder 2.26 heeft overwogen is het duidelijk dat partijen gedurende het huwelijk in welstand leefden: ze woonden in Israël in een goede buurt in een huis met zwembad. Ze konden onroerend goed kopen en renoveren zonder daarvoor een hypotheek te hoeven afsluiten en vierden vakanties in Nederland in het hoogseizoen in luxe vakantiewoningen. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar behoefte een behoeftelijstje overgelegd. De man heeft niet betwist dat het gezin in welstand leefde en dat hij alle uitgaven deed. In dat licht bezien had het op de weg van de man gelegen om zijn stellingen te onderbouwen met stukken. In plaats daarvan heeft hij volstaan met een blote betwisting van de door de vrouw genoemde kostenposten en daarmee de door de vrouw gestelde behoefte onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal de behoefte van de vrouw dan ook bepalen op bruto € 13.745,- per maand.
Behoeftigheid
2.34. De vrouw stelt dat zij niet (geheel) in haar behoefte kan voorzien. Zij heeft verklaard dat haar arbeidscontract niet is verlengd nadat zij ziek werd en dat zij een reïntegratietraject volgt. De man betwist dat de vrouw behoeftig is en voert aan dat zij geen recente inkomensgegevens heeft overgelegd en stelt dat zij inkomen heeft uit huurinkomsten uit de verhuur van onroerend goed in Nederland.
Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven, om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. Voor wat betreft de inkomsten uit verhuur van de vrouw verwijst het hof naar wat hiervoor onder 2.29 is overwogen. Het hof herhaalt dat, voor zover de vrouw inkomsten uit verhuur heeft, deze niet van invloed zijn op haar behoeftigheid, omdat deze (zoals de vrouw ter zitting heeft verklaard, wat door de man niet is betwist) worden besteed aan de kosten van de onroerende zaken, dan wel in de verdeling worden betrokken. De vrouw heeft een HBO-opleiding en het hof schat haar verdiencapaciteit (gezien die opleiding) op in elk geval
€ 45.000,- bruto per jaar, dat komt overeen met € 3.750,- bruto per maand. Uitgaande van die verdiencapaciteit schat het hof naar redelijkheid haar behoeftigheid op afgerond € 10.000,- bruto per maand. Hieruit volgt dat de vrouw behoeftig is.
Draagkracht
2.36. De man heeft aangevoerd dat hij geen draagkracht heeft om partneralimentatie te voldoen. Het hof verwijst naar het hiervoor overwogene en nu de draagkracht van de man door zijn nalaten niet kan worden berekend zal het hof per datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (24 november 2025) een partneralimentatie bepalen van € 10.000,- bruto per maand. Het hof merkt nog op dat, hoewel het hof met terugwerkende kracht uitkomt op een lager bedrag dan de rechtbank, dat in dit in dit geval niet relevant is. Gebleken is immers dat de man de door de rechtbank bepaalde partneralimentatie niet heeft betaald. Er is dus aan de zijde van de vrouw geen sprake van een terugbetalingsverplichting.
Met toepassing van de wettelijke indexering van 4,6% zal het hof per 1 januari 2026 de partneralimentatie bepalen op € 10.460,- bruto per maand. De vierde grief van de man slaagt gedeeltelijk.
Verdeling
Woning aan de [adres3] te [plaats]
In zijn tussenbeschikking van 29 januari 2026 heeft het hof al overwogen dat het Nederlands recht van toepassing is ten aanzien van de verdeling van de woning aan de [adres3] te [plaats] .
Het hof maakt uit het beroep van de man op verzwijging in grief 14 op dat hij zich op het standpunt stelt dat de woning aan de [adres3] deel uitmaakt van de gemeenschap van goederen. De vrouw heeft betwist dat zij de woning of de huurinkomsten ervan heeft verzwegen. Uit de stukken maakt het hof op dat de vrouw de woning vóór haar huwelijk met de man had gekocht. Partijen zijn voor 1 januari 2018 en dus in wettelijke gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Dit heeft tot gevolg dat de woning van de vrouw deel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, omdat niet is gebleken dat de woning tot haar privévermogen behoort. Dat geldt ook voor de aan de woning verbonden hypotheekschuld. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake is van verzwijging van de woning aan de [adres3] door de vrouw, omdat zij die woning al in haar aanvullend verzoek bij de rechtbank vermeldt. Dit onderdeel van grief 14 van de man slaagt niet.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de woning in de verdeling moet worden betrokken. Hier zijn echter geen verzoeken toe geformuleerd, zodat het hof over de verdeling van die woning alleen kan overwegen dat die moet worden verdeeld.
Het verzoek in het incident tot schorsing
De advocaat van de man heeft op de zitting verklaard dat er geen belang is bij een schorsing als er een eindbeslissing komt. Omdat het hof in deze beschikking eindbeslissingen uitspreekt, deelt het hof de opvatting van de man dat hij geen belang meer heeft bij zijn verzoek tot schorsing. Daarom zal het hof het schorsingsverzoek van de man afwijzen.
3De slotsom
Het hof wijst het schorsingsverzoek van de man af.
De beslissing met betrekking tot de kinderalimentatie blijft in stand.
De man dient een partneralimentatie aan de vrouw te voldoen, zoals hierna wordt vermeld.
De Nederlandse rechter heeft geen rechtsmacht voor zover de verzoeken van partijen betrekking hebben op andere vermogensbestanddelen of vorderingen die niet zien op de onroerende zaken die zich in Nederland bevinden. Dat leidt er toe dat het hof niet toekomt aan de beoordeling van de grieven 8, 9, 10, 11, (voor zover het de huurinkomsten van de woningen aan de [adressen 1 en 2] betreft), 12, 14 (voor zover dit de verdeling van de banksaldi betreft), grief 15, 16, 17, 18, 19, 20, en 21 (voor zover dit de dicta betreft die zien op de verdeling van de andere vermogensbestanddelen dan de onroerende zaken die zich in Nederland bevinden). Het hof komt daarom ook niet toe aan beoordeling van de grieven 1, 2, 3, en 4 van de vrouw.
Omdat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep voor zover dat de verdeling betreft van het aandeel van partijen van 50% in de woningen aan de [adres1] en [adres2] , betekent dit dat het hof ook niet toekomt aan een beoordeling van grief 13 van de man, voor zover die grief daarop betrekking heeft.
Voor het overige falen de grieven 1, 2, 3, 5 en 7 van de man. Grief 6 van de man slaagt ten dele. Grief 4 van de man slaagt gedeeltelijk en faalt gedeeltelijk. Grief 14 van de man slaagt voor het overige niet. Dat geldt ook voor het overige van grief 21 van de man.
Grief 22 van de man behoeft geen verdere bespreking, omdat het een veeggrief is.
4De beslissing
Het hof beschikkende
In het incident tot schorsing:
wijst het schorsingsverzoek van de man af;
In het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 maart 2025 voor zover het de beslissing betreft die onder 4.1. in het dictum is opgenomen;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 maart 2025 voor zover het de beslissingen betreft onder 4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.8, 4.9, 4.10, 4.11, 4.12, 4.13 en 4.14 van het dictum van die beschikking en in zoverre opnieuw beschikkende:
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de verzoeken die betrekking hebben op de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, met uitzondering van de verdeling van de onroerende zaken die zich in Nederland bevinden;
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep, voor zover het de beslissingen onder punt 4.6 en 4.7 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 maart 2025 betreft;
bepaalt dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling (voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken) dient te voldoen:
- met ingang van 25 november 2025 tot en met 31 december 2025 een bedrag van
€ 10.000,- bruto per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 10.460,- bruto per maand;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. C. Koopman, en mr. M.J. van Lingen, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 28 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
HR 19 december 2003, LJN AM2379, NJ 2004/140.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
