Rechtbank Midden-Nederland 27-05-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3772

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. Zoon beheert met gemachtigdenpas financiën van erflaatster. Vordering tot rekening en verantwoording wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De rechtbank stelt vast dat zoon vóór overlijden € 128.380,66 en daarna € 63.598,69 aan de nalatenschap onttrekt, zodat hij onrechtmatig handelt en € 191.979,35 moet vergoeden. Beroep op verjaring faalt. Verbeurdverklaring op grond van art. 3:194 lid 2 BW wordt toegewezen; zoon verzwijgt vordering en verbeurt zijn aandeel. Vordering tegen kleinzoon wordt afgewezen. Zoon wordt in proceskosten veroordeeld.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Uit wrok tegen broer en zus gehandeld: zoon erflaatster verbeurt € 192.000 aan hen
Zoon erflaatster beheerde met gemachtigdenpas haar financiën. Afwijzing afleggen rekening en verantwoording. Rb stelt vast dat zoon vóór overlijden - onrechtmatig - € 191.979,35 heeft onttrokken. Bewijslast rust op zoon. Geen schenking.

Datum publicatie30-06-2026
ZaaknummerC/16/591109 / BE ZA 25-20
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsUtrecht
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht; Opzettelijk verzwijgen ex art. 3:194 lid 2 BW;
Familieprocesrecht; Bewijsrecht; Verjaring / rechtsverwerking
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrecht. De rechtbank oordeelt dat de zoon van erflaatster onrechtmatig geld aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken, zowel voor haar overlijden als daarna. De zoon heeft hiermee onrechtmatig gehandeld en moet daarom de schade aan de nalatenschap vergoeden. Omdat hij het bestaan van de schadevergoedingsvordering heeft verzwegen, heeft hij zijn aandeel daarin verbeurd.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Midden-Nederland

Toezicht, Bureau Erfrecht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/591109 / BE ZA 25-20

Vonnis van 27 mei 2026

in de zaak van

1 [eiseres] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

hierna: [eiseres] ,
2. [eiser],

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna: [eiser] ,

eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna samen te noemen: eisers,

advocaat: mr. N.C. Bouman-de Vos,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende in [woonplaats 3] ,

hierna: [gedaagde 1] ,

gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

advocaat: mr. J.P. den Besten,
2. [gedaagde 2],

wonende in [woonplaats 3] ,

hierna: [gedaagde 2] ,

gedaagde in conventie,

advocaat: mr. C. Waanders.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 17;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] met producties 1 t/m 6;

- de conclusie van antwoord met eis in reconventie van [gedaagde 1] met producties 1 t/m 4;

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 18 t/m 26;

- de akte overleggen producties van [eiseres] en [eiser] met beter leesbare producties 20 en 22.

1.2.

De mondelinge behandeling (zitting) heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Hierbij waren partijen samen met hun advocaten aanwezig. Partijen hebben hun standpunten verder toegelicht en vragen beantwoord van de rechtbank. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De kern van de zaak

2.1.

Op [datum overlijden 1] 2022 is mevrouw [erflaatster] overleden (hierna: erflaatster). Zij was getrouwd met de heer [erflater] . Hij is overleden op [datum overlijden 2] 1991. Samen hadden zij drie kinderen. Dit zijn [eiseres] , [eiser] en [gedaagde 1] . [gedaagde 2] is de zoon van [gedaagde 1] .

2.2.

Erflaatster heeft voor het laatst een testament gemaakt op 8 november 2017. Hierin heeft zij haar kinderen voor gelijke delen tot haar erfgenamen benoemd. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. Erflaatster heeft in haar testament verder [gedaagde 1] aangewezen tot executeur van haar nalatenschap. Hij heeft deze benoeming aanvaard.

2.3.

[gedaagde 1] had vanaf februari 2016 een gemachtigdenpas van de bankrekening van erflaatster. Hij hielp erflaatster sindsdien met haar geldzaken.

2.4.

Na het overlijden van erflaatster is tussen partijen een geschil ontstaan over de afwikkeling van haar nalatenschap. Volgens eisers moet [gedaagde 1] rekening en verantwoording afleggen over het beheer dat hij tussen 1 januari 2017 en de dag van dagvaarding over de bankrekeningen van erflaatster heeft gevoerd. Daarnaast menen eisers dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de periode tussen 1 januari 2017 en de dag van dagvaarding onrechtmatig geld hebben onttrokken aan het vermogen van erflaatster. Dit is het belangrijkste discussiepunt in deze procedure. Eisers stellen dat [gedaagde 1] een bedrag van in totaal € 211.411,05 aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken. Een deel van deze onttrekkingen is volgens hen mede “toe te rekenen” aan [gedaagde 2] , namelijk een bedrag van € 137.327,70.

2.5.

Eisers stellen een groot aantal vorderingen in, die zijn weergegeven in de bijlage van dit vonnis. Als de rechtbank hierin een logische volgorde aanbrengt en de vorderingen samenvat, dan komt het op het volgende neer. Eisers vorderen allereerst dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld om rekening en verantwoording af te leggen ten aanzien van de bankrekeningen van erflaatster over de periode 1 januari 2017 tot de dag van dagvaarding en het bedrag dat blijkens die rekening en verantwoording aan de nalatenschap toekomt, aan de nalatenschap te voldoen. Subsidiair vorderen zij dat de rechtbank [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 211,411,05 (althans in het geval van [gedaagde 2] een bedrag van

€ 137.327,70) aan hen samen, althans vaststelt dat zij dit bedrag aan de nalatenschap verschuldigd zijn. In het geval de rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een schuld hebben aan de nalatenschap, vorderen eisers dat de rechtbank de verdeling van de nalatenschap vaststelt, daarbij bepaalt dat [gedaagde 1] zijn aandeel in de nalatenschap heeft verbeurd en [gedaagde 1] veroordeelt het bedrag van € 211.411,05 aan hen samen te betalen. Tot slot vorderen eisers (meer subsidiair, zo begrijpt de rechtbank) dat de rechtbank de legitieme porties van eisers vaststelt op een bedrag van € 35.235,18 en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om dit bedrag aan eisers te voldoen. Om hun verhaalsrecht ten aanzien van deze vorderingen veilig te stellen, hebben eisers conservatoir beslag gelegd op een bankrekening en twee auto’s van [gedaagde 1] .

2.6.

[gedaagde 1] vindt dat hij geen rekening en verantwoording hoeft af te leggen. Hij erkent dat hij in totaal een bedrag van € 203.707,95 heeft ontvangen van erflaatster. De bedragen die hij in de periode vóór het overlijden van erflaatster heeft ontvangen, heeft erflaatster volgens [gedaagde 1] aan hem geschonken. Hij meent dat hij dit bedrag daarom niet hoeft terug te betalen. Voor de onttrekkingen die hebben plaatsgevonden na het overlijden van erflaatster ligt dit anders. [gedaagde 1] erkent dat hij deze bedragen niet aan de nalatenschap van erflaatster had mogen onttrekken. [gedaagde 1] vordert in reconventie opheffing van het door eisers gelegde beslag.

2.7.

Anders dan [gedaagde 1] stelt [gedaagde 2] dat hij helemaal geen geld aan de nalatenschap heeft onttrokken. [gedaagde 2] ziet daarom geen reden om hem te veroordelen tot betaling van welk bedrag dan ook.

2.8.

De rechtbank zal in dit vonnis vaststellen dat [gedaagde 1] een bedrag van € 191.979,35 aan de nalatenschap heeft onttrokken. Hij heeft hierdoor onrechtmatig gehandeld en moet dit bedrag aan de nalatenschap vergoeden. Omdat [gedaagde 1] het bestaan van deze vordering van de nalatenschap op hem heeft verzwegen, heeft hij zijn aandeel in deze vordering verbeurd. Dit brengt mee dat [gedaagde 1] zal worden veroordeeld om aan zowel [eiseres] als [eiser] een bedrag van

€ 95.989,67 te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente. Voor zover de vorderingen zijn gericht tegen [gedaagde 2] , zullen deze worden afgewezen.

3De beoordeling

In conventie

Ontvankelijkheid eisers

3.1.

[gedaagde 2] heeft gesteld dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat niet vast staat dat de executele is geëindigd. Eisers kunnen volgens hem daarom geen vorderingen instellen namens de nalatenschap. [gedaagde 1] heeft tijdens de zitting echter verklaard dat de executele wel degelijk is geëindigd. [gedaagde 2] heeft dit vervolgens erkend, zodat dit geen punt van discussie meer is.

Rekening en verantwoording

3.2.

[eiseres] en [eiser] vorderen dat de rechtbank [gedaagde 1] veroordeelt tot het afleggen van rekening en verantwoording over het beheer van de bankrekeningen van erflaatster in de periode van 1 januari 2017 tot de dag van dagvaarding. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.3.

[eiseres] en [eiser] hebben de bankafschriften van erflaatster van de periode voor haar overlijden bestudeerd. Zij stellen op basis daarvan dat een bedrag van € 135.027,96 ten goede is gekomen aan [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] . Het gaat om overboekingen van de rekening van erflaatster naar [gedaagde 1] , opnames van contant geld en uitgaves die volgens hen niet passen bij het uitgavenpatroon van erflaatster, maar wel bij dat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 1] heeft zoals vermeld erkend dat dit geldbedrag inderdaad (grotendeels) aan hem ten goede is gekomen. Eisers hebben daarmee duidelijkheid gekregen over het vermogensverloop van erflaatster in de periode voor haar overlijden, zodat zij geen belang meer hebben bij de door hen gevorderde rekening en verantwoording (wat er van de grondslag van die vordering verder ook zij). Het geschil gaat nu nog over de vraag of de onttrekkingen ook (deels) door [gedaagde 2] zijn gedaan en of [gedaagde 1] recht had op de bedragen die hij heeft ontvangen. Daarover geeft een rekening en verantwoording geen uitsluitsel.

3.4.

Voor wat betreft de periode na het overlijden van erflaatster komt de rechtbank tot dezelfde conclusie. [gedaagde 1] heeft na het overlijden van erflaatster als executeur haar financiën beheerd. [gedaagde 1] heeft toen (zoals hierna in 3.32 e.v. zal blijken) verschillende nalatenschapsschulden voldaan en het bedrag dat daarna ter verdeling resteerde, volledig voor zichzelf besteed. Er bestaat kortom ook geen onduidelijkheid meer over het vermogensverloop van erflaatster na haar overlijden, zodat eisers ook geen belang hebben bij rekening en verantwoording over deze periode.

3.5.

Volgens eisers moet [gedaagde 1] toch veroordeeld worden tot het afleggen van rekening en verantwoording over de periode na het overlijden van erflaatster, omdat onbekend is waaraan [gedaagde 1] het geld dat hij heeft onttrokken heeft besteed. Zij benadrukken dat dit van belang is voor hun verhaalsmogelijkheden. De rechtbank begrijpt hieruit dat eisers willen dat [gedaagde 1] aan de hand van een rekening en verantwoording inzicht geeft in zijn eigen uitgaves na het overlijden van erflaatster, maar daarvoor ontbreekt een grondslag. Een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording bestaat immers alleen als dit voortvloeit uit de wet, een overeenkomst of het ongeschreven recht. In dat laatste geval moet altijd sprake zijn van beheer. De persoon wiens vermogen werd beheerd kan onder bepaalde omstandigheden aan degene die het beheer voerde, vragen om rekening en verantwoording. Die situatie doet zich hier niet voor.

3.6.

Het voorgaande betekent overigens niet dat een schuldenaar een schuldeiser helemaal niet hoeft te informeren over diens verhaalsmogelijkheden. Een schuldenaar is wel verplicht om een schuldeiser die een vordering tot betaling van een geldsom op hem heeft, inlichtingen te geven over zijn inkomens- en vermogenspositie en de voor verhaal vatbare goederen. 1 Maar om deze informatie hebben eisers niet gevraagd.

3.7.

De rechtbank zal de vordering van eisers tot het afleggen van rekening en verantwoording gezien het voorgaande afwijzen.

De onttrokken bedragen

3.8.

Zoals gezegd stellen eisers dat [gedaagde 1] tussen 1 januari 2017 en de dag van dagvaarding in totaal een bedrag van € 211.411,05 aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken. Volgens hen is een deel van die onttrekkingen mede “toe te rekenen aan” [gedaagde 2] , namelijk voor een bedrag van € 137.327,70. De rechtbank begrijpt dat eisers met dit laatste bedoelen dat [gedaagde 2] dit bedrag zelf heeft onttrokken, althans voor dit bedrag (bewust) van de onttrekkingen door [gedaagde 1] heeft geprofiteerd. Zij vorderen terugbetaling van die bedragen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Zij baseren hun vordering primair op onrechtmatige daad.

3.9.

De rechtbank zal bij de beoordeling van deze vordering eerst ingaan op de rol van [gedaagde 1] bij het voorgaande. Daarbij zal de rechtbank onderscheid maken tussen de periode voor het overlijden van erflaatster en de periode daarna. Daarna komt de rol van [gedaagde 2] aan bod.

Heeft [gedaagde 1] voor het overlijden van erflaatster geld aan haar vermogen onttrokken?

3.10.

Tussen eisers en [gedaagde 1] staat vast dat [gedaagde 1] voor het overlijden van erflaatster geld uit haar vermogen heeft ontvangen. Zij verschillen echter van mening over de omvang van het totale bedrag (zie hierna 3.26 e.v.) en belangrijker nog, of er voor deze vermogensverschuiving een grond bestond. Volgens eisers is dat niet het geval en gaat het om onrechtmatige onttrekkingen. [gedaagde 1] stelt daarentegen dat erflaatster hem de bedragen in kwestie heeft geschonken.

De bewijslastverdeling

3.11.

Omdat eisers zich beroepen op de rechtsgevolgen van onrechtmatige daad dragen zij volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast van de stelling dat sprake is van onrechtmatige onttrekkingen (en dus niet van schenkingen, zoals [gedaagde 1] stelt). De rechtbank ziet in deze zaak echter reden om de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid om te keren. Dit betekent dat [gedaagde 1] de bewijslast draagt van de stelling dat sprake is van schenkingen. De rechtbank zal daarom hoge eisen stellen aan zijn stelplicht. De rechtbank ziet hier reden voor omdat de te bewijzen (en in eerste instantie dus: te stellen) feiten en omstandigheden vrijwel volledig in het domein van [gedaagde 1] liggen. Het staat namelijk vast dat [gedaagde 1] vanaf februari 2016 een gemachtigdenpas had van de rekeningen van erflaatster en haar sindsdien hielp met haar financiën. Eisers waren daarentegen niet op de hoogte van de financiën van erflaatster. Zij hebben ook niet met erflaatster over haar geldzaken en/of de schenkingen gesproken, omdat erflaatster daarvoor volgens hen te verward was. Dit terwijl [gedaagde 1] naar eigen zeggen juist bijna dagelijks met erflaatster over haar financiën sprak. Ook stelt [gedaagde 1] dat hij erflaatster in de periode waarin de schenkingen zijn gedaan meestal drie tot vier keer per week zag en dat zij dagelijks telefonisch contact hadden. [eiser] en [eiseres] zagen erflaatster toen wat minder. [eiser] zag erflaatster ongeveer een keer per maand en [eiseres] zag haar meestal een keer in de twee weken, zo hebben zij tijdens de zitting verklaard. Eisers zouden gelet hierop naar het oordeel van de rechtbank in een onredelijk zware bewijspositie worden gebracht, als zij moesten bewijzen dat van schenkingen geen sprake is geweest.

De geestestoestand van erflaatster

3.12.

De vermogensverschuivingen vonden zoals vermeld plaats tussen 1 januari 2017 en het overlijden van erflaatster. Het is voor de beoordeling van de vraag of [gedaagde 1] voldoende heeft onderbouwd dat sprake was van schenkingen, allereerst van belang dat wordt vastgesteld of erflaatster in staat was om schenkingen aan [gedaagde 1] te doen en om de gevolgen daarvan te overzien.

3.13.

Tussen partijen staat ter discussie of erflaatster in de genoemde periode dement was. Volgens [gedaagde 1] was erflaatster met vlagen verward, had zij slechte momenten en viel zij soms ook wel in herhaling tijdens gesprekken, maar leed zij niet aan dementie. Dat is volgens hem ook niet door een arts vastgesteld. Hij wijst erop dat erflaatster in maart 2017 is opgenomen in [locatie] in [plaats 1] , omdat zij leed aan de ziekte van Strümpell. Hierdoor had zij veel fysieke klachten en was zij gebonden aan een rolstoel. Omdat van dementie geen sprake was, verbleef erflaatster daar op een open afdeling. [gedaagde 1] wijst er verder op dat erflaatster in 2018 nog haar woning heeft verkocht. De notaris achtte haar op dat moment kennelijk nog in staat om de gevolgen daarvan te overzien. [gedaagde 1] stelt verder dat hij in de periode waarover het gaat veel contact had met erflaatster. Hij ging drie tot vier keer per week bij haar langs en zij hadden dagelijks telefonisch contact. Hij heeft zelf in die periode geen (grote) geestelijke achteruitgang waargenomen, aldus [gedaagde 1] .

3.14.

Eisers hebben een heel ander beeld van de geestestoestand van erflaatster dan [gedaagde 1] . Volgens hen was erflaatster wel degelijk dement. Zij wijzen erop dat dit een van de mogelijke symptomen is van de ziekte van Strümpell waaraan erflaatster leed. Uit het feit dat erflaatster op een open afdeling van [locatie] verbleef, kan volgens hen niet worden afgeleid dat van dementie geen sprake was. Volgens hen was erflaatster daar opgenomen, omdat er geen gevaar voor weglopen bestond. Erflaatster was immers aan haar rolstoel gebonden. Dat erflaatster dement was hebben [eiseres] en [eiser] zelf ervaren. Zo stelt [eiseres] dat zij erflaatster in de tijd dat zij gemachtigd was tot haar bankrekening (dat was tot februari 2016) elk weekend hielp met haar boodschappen. Het viel haar toen al op dat erflaatster vaak producten op haar boodschappenlijstje zette waarvan zij er nog meerdere in huis had. Ook trof [eiseres] regelmatig beschimmeld eten aan in haar koelkast. Toen [gedaagde 1] haar bankmachtiging beëindigde, bleef [eiseres] erflaatster regelmatig bezoeken, ook toen erflaatster in [locatie] woonde. Zij ging meestal eens in de twee weken langs. Volgens [eiseres] keek erflaatster in die periode leeg uit haar ogen, was het lastig om gesprekken met haar te voeren en vergat zij regelmatig haar pincode als zij samen naar de winkel gingen. [eiser] bezocht zijn moeder tussen 1 januari 2017 en haar overlijden maandelijks en heeft daarover verteld dat erflaatster niets meer kon onthouden, gesprekken met haar voeren lastig was en zij vaak niet meer wist wie hij was. Ook uit WhatsAppberichten van de dochter van [eiseres] aan een vriendin blijkt volgens eisers dat erflaatster begin november 2015 al “niets meer wist”. Zij wijzen erop dat in deze berichten zelfs staat dat het in februari 2017 zo slecht ging met erflaatster dat de familie afscheid van haar moest nemen.

3.15.

De rechtbank constateert dat partijen een andere beleving hebben van de geestelijke toestand van erflaatster tussen 1 januari 2017 en haar overlijden. Eisers en [gedaagde 1] zijn het er wel over eens dat zij toen (op zijn minst) met vlagen verward en vergeetachtig was. De rechtbank gaat er voor de verdere beoordeling dan ook van uit dat erflaatster (in ieder geval) soms verward en vergeetachtig was in de periode waarin de vermogensverschuivingen naar [gedaagde 1] plaatsvonden.

Is er sprake van schenkingen?

3.16.

Volgens [gedaagde 1] zijn alle vermogensverschuivingen van erflaatster naar hem schenkingen geweest. [gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat erflaatster hiermee is begonnen omdat hij in de rats zat; hij had schulden. Dat heeft hij met erflaatster besproken en toen heeft erflaatster tegen hem gezegd dat hij haar bankpas mocht gebruiken. Erflaatster zei daarover volgens [gedaagde 1] : “Maak het maar op” en “Doe er maar mee wat je ermee moet doen”. Erflaatster wilde het geld liever aan hem geven dan aan haar andere twee kinderen, omdat zij het hem meer gunde. Hij was haar ‘moederskindje’, zo stelt [gedaagde 1] . Daarnaast wijst [gedaagde 1] erop dat erflaatster altijd vooraf of achteraf met de schenkingen heeft ingestemd. Zo heeft [gedaagde 1] in 2019 een groot aantal keer een bedrag van € 1.000,- aan contant geld opgenomen van de rekening van erflaatster. [gedaagde 1] stelt dat hij over dit soort grotere uitgaven altijd vooraf overleg had met erflaatster. Over de kleinere uitgaven, zoals pinopnames bij tankstations en etentjes bij restaurants, had hij altijd achteraf overleg met haar. [gedaagde 1] stelt verder dat erflaatster tot op het laatst op de hoogte was van haar financiën. Volgens hem bespraken zij samen haar uitgaven aan de hand van haar bankafschriften die [gedaagde 1] op zijn telefoon aan haar liet zien. Dit deden zij zo’n drie tot vier keer per week als zij koffie gingen drinken in het restaurant van het verpleeghuis waar erflaatster woonde. Erflaatster vroeg volgens [gedaagde 1] wel eens waar een bepaalde uitgave voor was en dan legde hij dit uit, maar zij vond eigenlijk altijd alles goed. [gedaagde 1] benadrukt dat erflaatster de gevolgen van dit alles kon overzien, want zij was niet dement.

3.17.

De rechtbank is het met eisers eens dat deze stellingen van [gedaagde 1] om verschillende redenen ongeloofwaardig zijn. Dat zal hierna worden toegelicht.

3.18.

Volgens [gedaagde 1] is de reden voor de schenkingen aan hem gelegen in het feit dat hij schulden had en erflaatster hem hiermee wilde helpen. Het had op zijn weg gelegen om deze stelling te onderbouwen, maar dat heeft hij niet gedaan. Zo is onduidelijk gebleven waarom [gedaagde 1] schulden had en hoe hoog zijn schulden waren. Ook is onduidelijk gebleven wanneer het gesprek hierover met erflaatster heeft plaatsgevonden en wat er precies is besproken, ondanks gerichte vragen hierover tijdens de zitting.

3.19.

Daarnaast heeft [gedaagde 1] tegenstrijdige stellingen ingenomen. [gedaagde 1] stelt in feite dat erflaatster hem een vrijbrief gaf om haar geld uit te geven. Erflaatster zou volgens [gedaagde 1] immers hebben gezegd dat hij haar geld mocht opmaken en ermee mocht doen wat hij wilde. In dat licht is het niet voorstelbaar dat erflaatster wel met iedere uitgave vooraf of achteraf zou hebben ingestemd, zoals [gedaagde 1] ook stelt. Maar los gezien van het feit dat deze stellingen zich niet logisch tot elkaar verhouden, acht de rechtbank ieder van deze stellingen om verschillende redenen onaannemelijk.

3.20.

Voor wat betreft de stelling van [gedaagde 1] dat hij een soort vrijbrief had, is van belang dat eisers hebben gesteld dat erflaatster erg zuinig was. Zij gaf niet meer geld uit dan nodig en probeerde zelfs nog te sparen van het geld dat zij ontving uit haar kleine AOW en pensioen. [eiser] heeft in dit verband gezegd dat hij nog geen € 100,- van erflaatster kon lenen; erflaatster “zat er bovenop”. [gedaagde 1] heeft dit alles niet weersproken. Het uitgavenpatroon van erflaatster veranderde volgens eisers drastisch toen [gedaagde 1] haar ging helpen met haar financiën. [gedaagde 1] heeft vanaf dat moment meer dan een ton van erflaatster ontvangen en van sparen was geen sprake meer. Volgens [gedaagde 1] is deze breuk in het uitgavenpatroon van erflaatster te verklaren door de verkoop van haar woning waarmee in een keer veel geld vrijkwam, maar dit vindt de rechtbank niet geloofwaardig. Erflaatster had toen weliswaar meer geld tot haar beschikking, maar het verschil in haar uitgavenpatroon is zo groot dat het onaannemelijk is dat het is gegaan zoals [gedaagde 1] stelt.

3.21.

Het voorgaande geldt te meer nu erflaatster naast [gedaagde 1] nog twee kinderen had die ook haar erfgenamen zijn. [gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij dit ook wist. Eisers hebben in dat verband onweersproken gesteld dat zij een goede band hadden met erflaatster en dat zij haar regelmatig bezochten (zie ook 3.14). Gelet daarop is het niet goed voorstelbaar dat erflaatster nagenoeg haar hele vermogen wilde schenken aan [gedaagde 1] en bijna niets wilde nalaten aan haar andere twee kinderen, om de enkele reden dat zij het [gedaagde 1] meer gunde (wat eisers overigens hebben betwist). Kortom, de stelling van [gedaagde 1] dat hij een vrijbrief had om met het vermogen van erflaatster te doen wat hij wilde, vraagt gelet op het voorgaande om meer uitleg dan hij heeft gegeven.

3.22.

Dat erflaatster met iedere uitgave vooraf of achteraf heeft ingestemd, acht de rechtbank ook niet geloofwaardig. Vast staat dat erflaatster haar bankafschriften zelf niet kon inzien. Zij kon haar bankafschriften alleen bekijken op de telefoon van [gedaagde 1] . Het is moeilijk voorstelbaar dat erflaatster en [gedaagde 1] drie tot vier keer per week met elkaar deze online bankafschriften doornamen en erflaatster dan haar toestemming voor iedere uitgave gaf. Niet alleen zou dit betekenen dat erflaatster en [gedaagde 1] het dan vrijwel altijd over geld hebben gehad, maar het zou ook in tegenspraak zijn met wat partijen tijdens de zitting over het niveau van de gesprekken met erflaatster hebben verklaard. Zoals vermeld, hebben eisers gezegd dat echte gesprekken met haar niet goed te voeren waren en heeft [gedaagde 1] gezegd dat zij slechte momenten had en tijdens gesprekken soms in herhaling viel. Maar ook als het klopt dat erflaatster telkens instemde met de uitgaven zoals [gedaagde 1] beweert, heeft dit naar het oordeel van de rechtbank nog weinig betekenis. Tijdens de zitting heeft [gedaagde 1] namelijk na vragen daarover van de rechtbank verklaard dat het zou kunnen dat erflaatster altijd instemde met de uitgaven, omdat zij het niet meer zo goed begreep. Dat is in lijn met wat de rechtbank hiervoor in 3.15 heeft vastgesteld, namelijk dat erflaatster met vlagen verward en vergeetachtig was. Het sluit ook aan bij wat [eiseres] en [eiser] hierover hebben verklaard. Zij stellen dat zij niet meer bij erflaatster informeerden naar haar geldzaken, omdat dat simpelweg niets opleverde. Zij was volgens eisers te verward om hierover te praten.

3.23.

Daarnaast neemt de rechtbank mee dat [gedaagde 1] na het overlijden van erflaatster haar pinpas is blijven gebruiken. Sterker nog, hij heeft het geld op haar bankrekening helemaal opgemaakt. Als alle uitgaven alleen met toestemming van erflaatster zouden hebben plaatsgevonden zoals [gedaagde 1] stelt, zou dat niet zijn gebeurd. Toen dit [gedaagde 1] tijdens de zitting werd voorgehouden, heeft hij verklaard dat hij na het overlijden van erflaatster handelde uit wrok. Volgens [gedaagde 1] hadden eisers na de uitvaart van erflaatster een nare opmerking gemaakt en dat was voor hem de druppel die de emmer deed overlopen. Eisers hebben dit echter betwist. Sterker nog, volgens eisers zijn zij na de uitvaart van erflaatster nog samen met [gedaagde 1] uiteten geweest. Dat is vervolgens niet door [gedaagde 1] weersproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gedrag van [gedaagde 1] na het overlijden van erflaatster zijn stelling dat alles met toestemming van erflaatster gebeurde toen zij nog leefde, wel degelijk ontkracht.

3.24.

Daarbij komt dat erflaatster en [gedaagde 1] nooit iets op papier hebben gezet en er nooit aangifte schenkbelasting is gedaan. Evenmin blijkt uit de omschrijving bij de overboekingen van erflaatster naar [gedaagde 1] dat sprake zou zijn van een gift. Dit alles is ongebruikelijk. Tijdens de zitting heeft [gedaagde 1] verklaard dat er nooit iets is vastgelegd omdat erflaatster zelf mocht weten wat zij met haar geld deed. Dat is uiteraard waar, maar er is niets wat het verhaal van [gedaagde 1] dat erflaatster bijna al haar geld aan hem wilde schenken, ondersteunt. Zoals hiervoor vermeld, heeft de rechtbank verschillende redenen om aan dat verhaal te twijfelen.

3.25.

De conclusie is dat [gedaagde 1] , in het licht van de betwisting van eisers, onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake was van schenkingen. Voor de vermogensverschuivingen van erflaatster naar [gedaagde 1] die voor haar overlijden hebben plaatsgevonden ontbreekt dus een grondslag. Daarmee staat vast dat [gedaagde 1] de bedragen onrechtmatig aan de bankrekening van erflaatster heeft onttrokken.

De omvang van de schade

3.26.

Voor de vraag wat de schade is die de nalatenschap heeft geleden is van belang welk bedrag [gedaagde 1] precies aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken voor haar overlijden. Eisers en [gedaagde 1] zijn het hier niet over eens.

3.27.

Volgens eisers heeft [gedaagde 1] toen een bedrag van in totaal € 135.027,96 aan de rekening van erflaatster onttrokken. Volgens [gedaagde 1] moet dit bedrag lager zijn. Hij stelt namelijk dat hiervan € 7.703,10 niet aan hem ten goede is gekomen, maar aan erflaatster. Dit zijn allereerst kosten voor de kapper van erflaatster van in totaal € 5.318,-. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [gedaagde 1] een overzicht van facturen van kapsalon [naam] overgelegd. Deze kapsalon was gevestigd in [locatie] waar erflaatster verbleef. Daarnaast gaat het volgens [gedaagde 1] om kosten voor kleding van erflaatster van in totaal € 2.385,10. Ook hiervan heeft hij een aantal facturen in de procedure gebracht, namelijk van [bedrijf 1] . Ook legt hij een verklaring over van een van de verkoopmedewerkers van een andere kledingwinkel waar erflaatster graag kwam: [bedrijf 2] .

3.28.

Eisers betwijfelen of het bedrag van € 7.703,10 aan erflaatster ten goede is gekomen. Voor wat betreft de kleding valt hun namelijk op dat er verschillende maten zijn gekocht en dat de kleding niet werd afgeleverd op het adres van erflaatster. Dat de kleding voor erflaatster bestemd was, kan volgens hen ook niet afgeleid worden uit de verklaring van de verkoopmedewerkers van [bedrijf 2] . Deze verklaring bevat volgens hen namelijk onjuistheden. Eisers vermoeden daarnaast dat de kosten bij kapsalon [naam] zijn gemaakt door de echtgenote van [gedaagde 1] . Allereerst wijzen eisers erop dat daar ook afspraken hebben plaatsgevonden toen erflaatster niet meer in [locatie] woonde maar in een ander verpleeghuis. Bovendien hebben eisers niet alle facturen kunnen linken aan de bankafschriften van erflaatster. Zij kunnen in totaal een bedrag van € 641,95 niet herleiden naar erflaatster. De rechtbank begrijpt dat eisers menen dat dit hun stelling dat ook de echtgenote van [gedaagde 1] naar deze kapper ging, onderstreept. Er hebben volgens eisers verder ook kappersafspraken plaatsgevonden op vreemde momenten. Zo is er op 13 november 2019 € 147,85 afgerekend bij kapsalon [naam] in [plaats 2] (de rechtbank begrijpt hieruit dat die kapsalon ook daar een vestiging had), terwijl erflaatster daar volgens eisers niet meer kon komen. Zij was immers niet meer mobiel. Ook is op 9 maart 2022 € 132,50 afgerekend bij kapsalon [naam] , terwijl erflaatster toen corona had. Verder is er tien dagen voor het overlijden van erflaatster € 133,50 afgerekend bij de kapsalon, terwijl erflaatster op dat moment volgens eisers al aan haar bed gebonden was. Gelet hierop trekken eisers in twijfel of de kapperskosten die [gedaagde 1] noemt ten behoeve van erflaatster zijn gemaakt.

3.29.

[gedaagde 1] heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van eisers, onvoldoende onderbouwd gesteld dat het bedrag van € 7.703,10 aan erflaatster ten goede is gekomen. Hij had hier meer duidelijkheid over moeten geven en dat heeft hij niet gedaan. Het is de rechtbank echter ook niet duidelijk geworden waar het verweer van eisers precies toe moet leiden. Het is niet helder of zij stellen dat dit hele bedrag niet aan erflaatster ten goede is gekomen of slechts een deel daarvan niet. Het had op de weg van eisers gelegen om dit inzichtelijk te maken aan de hand van een berekening en dat hebben zij niet gedaan. De rechtbank acht het gelet hierop redelijk om ervan uit te gaan dat alleen de kosten waartegen eisers concreet verweer hebben gevoerd, kosten waren van [gedaagde 1] zelf en niet van erflaatster. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat [gedaagde 1] (€ 135.027,96 – € 7.703,10 + € 641,95 + € 147,85 + € 132,50 + € 133,50 = ) € 128.380,66 onrechtmatig aan de rekening van erflaatster heeft onttrokken voor haar overlijden. Dit bedrag moet [gedaagde 1] dan ook vergoeden aan haar nalatenschap.

Het beroep van [gedaagde 1] op verjaring

3.30.

Volgens [gedaagde 1] is de vordering van eisers tot terugbetaling van de door hem onttrokken bedragen verjaard, voor zover deze is gebaseerd op feiten die voor 21 maart 2020 hebben plaatsgevonden. De dagvaarding is namelijk uitgebracht op 21 maart 2025.

3.31.

Een vordering tot vergoeding van schade, zoals een vordering op grond van onrechtmatige daad, verjaart vijf jaar nadat de benadeelde met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dit staat in artikel 3:310 lid 1 BW. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het hier om daadwerkelijke bekendheid. Een enkel vermoeden van het bestaan van schade of de daarvoor aansprakelijke persoon is dus niet genoeg. Uit het beroep van [gedaagde 1] op verjaring leidt de rechtbank af dat hij ervan uitgaat dat de verjaringstermijn is gaan lopen toen de onttrekkingen plaatsvonden. Hij neemt dus aan dat erflaatster op dat moment daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt echter dat het zeer de vraag is of erflaatster op de hoogte was van haar financiën. Zij kon haar bankafschriften in ieder geval zelf niet inzien. De rechtbank acht het onaannemelijk dat [gedaagde 1] de bankafschriften meerdere keren per week met haar doornam. Maar ook als hij dat deed, is daarmee nog niet gezegd dat erflaatster wist wat er met haar geld gebeurde. [gedaagde 1] heeft immers zelf gezegd dat het ook zo kon zijn dat erflaatster dat niet meer begreep. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat verjaringstermijn pas is gaan lopen toen [eiseres] en [eiser] na het overlijden van erflaatster kennisnamen van haar bankafschriften. Sindsdien is nog geen vijf jaar verstreken, zodat het beroep van [gedaagde 1] op verjaring niet slaagt.

Heeft [gedaagde 1] na het overlijden van erflaatster geld aan haar vermogen onttrokken?

3.32.

Tijdens de zitting is gebleken dat [gedaagde 1] het gehele bedrag op de bankrekening van erflaatster dat ter verdeling resteerde, voor zichzelf heeft besteed. [gedaagde 1] stelt dat hij dit uit wrok tegen zijn broer en zus heeft gedaan (zie hiervoor 3.23). Hij heeft dit naar eigen zeggen besteed aan zijn levensonderhoud, schoenen en kleding. Dit geld had [gedaagde 1] echter moeten delen met zijn broer en zus, die ook erfgenamen van erflaatster zijn. [gedaagde 1] heeft hiermee onrechtmatig gehandeld. Hij moet daarom de schade die de nalatenschap hierdoor heeft geleden aan de nalatenschap vergoeden.

3.33.

Voor wat betreft de omvang van de schade is het volgende van belang. Het staat vast dat het saldo op de bankrekening van erflaatster per datum van haar overlijden

€ 75.354,13 was. Op 14 februari 2023 heeft [gedaagde 1] een bedrag van € 75.091,78 van de rekening van erflaatster naar zijn eigen rekening overgemaakt, waarvan hij vervolgens diverse nalatenschapsschulden heeft betaald. Volgens eisers moest dit bedrag op dat moment hoger zijn, omdat er tussentijds nog bij- en afschrijvingen hebben plaatsgevonden die [gedaagde 1] onterecht niet meetelt. Volgens hen had er op 14 februari 2023 een bedrag van

€ 76.242,13 op de rekening van erflaatster moeten staan. Tijdens de zitting heeft [gedaagde 1] verklaard dat dit wel kan kloppen, zodat de rechtbank daar ook van uitgaat.

3.34.

Zoals gezegd, stelt [gedaagde 1] dat hij verschillende nalatenschapsschulden heeft betaald van dat bedrag. Het gaat volgens hem om kosten voor de uitvaart en de notaris van in totaal € 12.643,44. Ter onderbouwing heeft [gedaagde 1] verschillende facturen in de procedure gebracht. Hoewel eisers aanvankelijk stelden dat uit de facturen niet blijkt of [gedaagde 1] deze ook daadwerkelijk heeft voldaan, heeft de rechtbank tijdens de zitting begrepen dat zij dit wel willen aannemen. Dit betekent dat ter verdeling zou moeten resteren (€ 76.242,13 - 12.643,44 =) € 63.598,69. Dit is dan ook het bedrag dat [gedaagde 1] aan de nalatenschap van erflaatster moet vergoeden.

Heeft [gedaagde 2] onrechtmatig gehandeld?

3.35.

Volgens eisers zijn een deel van de onttrekkingen (mede) gedaan door [gedaagde 2] , namelijk voor een totaalbedrag van € 137.327,70. Zij hebben de bankafschriften van erflaatster naast berichten van [gedaagde 2] op zijn social media gelegd. Eisers komen op basis daarvan tot de conclusie dat ook [gedaagde 2] gebruik heeft gemaakt van de betaalpas van erflaatster. Zo is er gepind op plekken waar autoshows plaatsvonden waarbij [gedaagde 2] volgens zijn social media aanwezig was en [gedaagde 1] (voor zover eisers bekend) niet. Ook is er diverse keren gepind bij gespecialiseerde autozaken. [gedaagde 2] houdt zich in zijn vrije tijd graag bezig met het ‘tunen’ van auto’s, zo blijkt uit zijn berichten op social media. [gedaagde 1] heeft deze hobby volgens eisers niet. Maar ook als niet vastgesteld kan worden dat [gedaagde 2] de bankpas heeft gebruikt, benadrukken eisers dat [gedaagde 2] in ieder geval heeft geprofiteerd van de onttrekkingen door [gedaagde 1] . Het geld is immers deels via [gedaagde 1] bij hem terecht gekomen en eisers houden hem daar medeverantwoordelijk voor.

3.36.

[gedaagde 2] ontkent dat hij gebruik heeft gemaakt van de betaalpas van erflaatster. De rechtbank is het met [gedaagde 2] eens dat dit ook niet kan worden vastgesteld op basis van het onderzoek van eisers. Dat sommige uitgaves verband lijken te houden met de handel en wandel van [gedaagde 2] betekent immers nog niet dat [gedaagde 2] de uitgaves daadwerkelijk heeft gedaan. Dit zijn slechts aannames van eisers. Bovendien heeft [gedaagde 1] erkend dat hij het bedrag (grotendeels) aan de rekening van erflaatster heeft onttrokken. Daarmee staat vast dat [gedaagde 2] dit niet heeft gedaan. Daarnaast ziet de rechtbank niet in waarom het van belang is of [gedaagde 2] heeft geprofiteerd van de onttrekkingen door [gedaagde 1] . Ook als dit zo is, is daarmee nog niet gezegd dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld. Daar is meer voor nodig. De rechtbank zal de vorderingen van eisers voor zover deze zijn gericht tegen [gedaagde 2] daarom afwijzen.

Tussenconclusie ten aanzien van de onttrokken bedragen

3.37.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 1] voor het overlijden van erflaatster een bedrag van € 128.380,66 aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken. Na het overlijden van erflaatster heeft hij nog eens € 63.598,69 onrechtmatig aan haar nalatenschap onttrokken. [gedaagde 2] heeft bij dit alles geen rol gehad. Daarom moet [gedaagde 1] de schade die de nalatenschap hierdoor heeft geleden van in totaal € 191.979,35 aan de nalatenschap vergoeden.

Verdeling en verbeurdverklaring

3.38.

Tot de nalatenschap van erflaatster behoort zoals hiervoor vermeld een vordering op [gedaagde 1] ter hoogte van € 191.979,35. Tussen partijen staat vast dat dit het enige goed van de nalatenschap is. Eisers vorderen dat de rechtbank de verdeling van de nalatenschap vaststelt en daarbij bepaalt dat [gedaagde 1] zijn aandeel in de vordering heeft verbeurd.

3.39.

Het beroep van eisers op verbeurdverklaring slaagt. In artikel 3:194 lid 2 BW staat dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere deelgenoten. [gedaagde 1] moet van het bestaan van de vordering op de hoogte zijn geweest, maar heeft deze vordering desondanks niet gemeld. Hij heeft deze vordering daarmee opzettelijk verzwegen en zijn aandeel daarin verbeurd aan [eiseres] en [eiser] . Het gevolg daarvan is dat de vordering niet meer tot de nalatenschap van erflaatster behoort en dat [eiseres] en [eiser] samen daartoe gerechtigd zijn. De rechtbank zal [gedaagde 1] in dit verband dan ook veroordelen tot betaling van

€ 95.989,68 aan zowel [eiseres] als [eiser] . [gedaagde 1] zal hierover de wettelijke rente moeten voldoen vanaf de datum van de dagvaarding, nu hij hiertegen geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.

3.40.

De vordering om te bepalen dat deze beslissing door middel van dwangvertegenwoordiging kan worden geëxecuteerd en daarvoor een onzijdige persoon te benoemen, zal worden afgewezen. Het gaat hier immers om een veroordeling tot betaling van een geldbedrag en niet om de verdeling van een nalatenschapsgoed. Mocht [gedaagde 1] niet tot betaling overgaan dan kunnen [eiseres] en [eiser] dit vonnis op de gebruikelijke manier executeren.

3.41.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet toe aan een beoordeling van de vorderingen van eisers die betrekking hebben op hun legitieme portie. Eisers hebben deze vorderingen slechts ingesteld voor het geval vast zou komen te staan dat erflaatster haar vermogen heeft geschonken aan [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] en daarvan is geen sprake.

Buitengerechtelijke kosten

3.42.

Eisers vorderen betaling van € 2.832,06 aan buitengerechtelijke kosten. Dit bedrag baseren zij op de Staffel Buitengerechtelijke Incassokosten. Ter onderbouwing stellen eisers dat zij maanden bezig zijn geweest met het verzamelen van informatie, omdat [gedaagde 1] voor hen onbereikbaar was. Uiteindelijk hebben zij zelf de benodigde bankafschriften moeten opvragen. Vervolgens hebben zij veel kosten moeten maken in verband met het onderzoek van de bankafschriften op onrechtmatige onttrekkingen. Ook hebben zij voorafgaand aan en tijdens de procedure veel advocaatkosten gemaakt.

3.43.

De kosten die eisers omschrijven zijn kosten die zien op werkzaamheden die hun advocaat heeft verricht ter voorbereiding van deze procedure. Daarbij hanteert de rechtbank het volgende uitgangspunt. Deze kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Kennelijk vinden eisers dat de gevorderde kosten hierop geen betrekking hebben, maar uit de omschrijving van de werkzaamheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank het tegendeel. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

Beslagkosten

3.44.

Eisers hebben conservatoir beslag gelegd onder de ABN AMRO Bank op de bankrekening(en) die [gedaagde 1] daar heeft en op zijn auto’s. Zij vorderen betaling van de beslagkosten die hiermee gepaard zijn gegaan. Deze vordering zal worden toegewezen op grond van artikel 706 Rv, omdat niet is gebleken dat het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig is. De schadevergoedingsvordering waarvoor het beslag is gelegd, wordt in deze procedure ook toegewezen.

De beslagkosten worden begroot op:

- deurwaardersexploten

1.292,21

- griffierecht

90,00

- salaris advocaat

2.051,00

(1 punt x € 2.051,00)

Totaal

3.433,21

Bij het salaris advocaat van eisers heeft de rechtbank het tarief van € 2.051,- gehanteerd, dat past bij de hoogte van het toegewezen bedrag.

Proceskosten in conventie

3.45.

Het uitgangspunt in zaken tussen familieleden is dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet echter aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat zal hierna worden uitgelegd.

3.46.

De rechtbank ziet in de aard en de ernst van de handelswijze van [gedaagde 1] reden om hem in de proceskosten (inclusief nakosten) van eisers te veroordelen. Omdat eisers hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde 1] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van eisers worden in conventie begroot op:

- griffierecht

0,00

(€ 90,00 - € 90,00)

- salaris advocaat

4.102,00

(2 punten × € 2.051,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.250,00

Bij het salaris advocaat van eisers heeft de rechtbank het tarief van € 2.051,- gehanteerd, dat past bij de hoogte van het toegewezen bedrag.

3.47.

Omdat eisers [gedaagde 2] in feite ten onrechte in deze procedure hebben betrokken, zie hiervoor 3.35 en 3.36, moeten eisers zijn proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde 2] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen eisers niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:

- griffierecht

90,00

- salaris advocaat

4.102,00

(2 punten × € 2.051,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.381,00

Bij het salaris advocaat van [gedaagde 2] heeft de rechtbank het tarief van € 2.051,- gehanteerd, dat past bij de hoogte van het bedrag dat van [gedaagde 2] is gevorderd.

3.48.

De veroordeling van eisers zal hoofdelijk worden uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

In reconventie

Opheffing beslag

3.49.

[gedaagde 1] vordert opheffing van het conservatoir beslag dat eisers hebben gelegd. Omdat de vordering van eisers grotendeels zal worden toegewezen, bestaat er voor opheffing van het beslag geen grond. De rechtbank zal de vordering van [gedaagde 1] daarom afwijzen.

Proceskosten in reconventie

3.50.

Om dezelfde reden als hiervoor in 3.46 genoemd, zal de rechtbank [gedaagde 1] veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten) van eisers die zij in reconventie hebben gemaakt. Omdat eisers hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde 1] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van eisers worden begroot op:

- salaris advocaat

326,50

(1 punt × factor 0,5 × € 653,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

474,50

Bij het salaris advocaat van [gedaagde 2] heeft de rechtbank het tarief van € 653,- gehanteerd, dat past bij de waarde van de vordering in reconventie.

4De beslissing

in conventie

4.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan zowel [eiseres] als [eiser] een bedrag van € 95.989,68 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2025 tot de dag van voldoening,

4.2.

veroordeelt [gedaagde 1] in de beslagkosten van eisers, begroot op € 3.433,21,

4.3.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van eisers van € 4.250,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

4.4.

veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 4.381,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als eisers niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

in reconventie

4.5.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van eisers van € 474,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en reconventie

4.6.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 98,00 als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026

Bijlage – overzicht van de vorderingen van eisers

[eiseres] en [eiser] vorderen in conventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:

I. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , des de een betalend de ander bevrijd, ten behoeve van de nalatenschap veroordeelt tot betaling aan [eiseres] en [eiser] , dan wel de gezamenlijke erfgenamen van een bedrag van € 211.411,05, althans voor wat betreft [gedaagde 2] een bedrag van € 137.327,70, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

II. [gedaagde 1] veroordeelt tot het afleggen van rekening en verantwoording ten aanzien van de bankrekeningen van erflaatster over de periode 1 januari 2017 tot en met heden, op straffe van een dwangsom van € 500,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen en [gedaagde 1] veroordeelt tot terugbetaling aan de nalatenschap, vertegenwoordigd door [eiseres] en [eiser] , van de som die blijkens de rekening en verantwoording aan de nalatenschap toekomt;

III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , des de een betalend de ander bevrijd, veroordeelt tot vergoeding aan [eiseres] en [eiser] van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

IV. de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vaststelt:

Primair:

onder verbeurdverklaring van het aandeel van [gedaagde 1] in de nalatenschap, althans de

vorderingen van de nalatenschap op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , in die zin dat de nalatenschap geheel aan [eiseres] en [eiser] toekomt en [gedaagde 1] in dit kader veroordeelt tot betaling aan [eiseres] en [eiser] tezamen van een bedrag van € 211.411,05, € 105.705,53 per persoon, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

Subsidiair:

de vordering op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] toedeelt onder de verplichting ten titel van overbedeling aan [eiseres] en [eiser] ieder € 70.470,35 te voldoen en [gedaagde 1] veroordeelt aan [eiseres] en [eiser] een bedrag te voldoen van € 70.470,35 per persoon;

V. beveelt dat door middel van dwangvertegenwoordiging het vonnis kan worden geëxecuteerd voor het geval een van de deelgenoten weigerachtig zal zijn medewerking te verlenen aan de verdeling van de gemeenschap ondanks de verbeurte van een dwangsom, en daarvoor een persoon benoemt als onzijdig persoon, dan wel [eiseres] en [eiser] machtigt om alle handelingen te verrichten welke nodig zijn voor de realisatie van de verdeling en ex artikel 3:300 lid 1 BW als vertegenwoordiger van [gedaagde 1] de verdeling te kunnen bewerkstelligen,

althans het vonnis in de plaats stelt van de medewerking van [gedaagde 1] voor de realisatie van de verdeling;

VI. bepaalt dat de onzijdig persoon zijn of haar kosten ten laste kan brengen van de weigerachtige deelgenoot, althans de boedel;

VII. de legitieme porties van [eiseres] en [eiser] vaststelt op een bedrag van € 35.235,18 per persoon, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

VIII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk dan wel naar evenredigheid m.b.t. de inkorting, des de een betalend de ander bevrijd, ten behoeve van de legitieme porties van [eiseres] en [eiser] m.b.t. de nalatenschap van erflaatster veroordeelt aan [eiseres] en [eiser] te betalen een bedrag van in ieder geval € 35.235,18 per persoon, althans voor een ieder gemaximeerd tot de door hem van erflaatster ontvangen giften, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, des de een betaald de ander bevrijd;

IX. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , des de een betalend de ander bevrijd, veroordeelt tot betaling aan [eiseres] en [eiser] van de buitengerechtelijke kosten € 2.832,06, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

X. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , des de een betalend de ander bevrijd, veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de advocaat, deurwaarderskosten, beslagkosten en nakosten ten bedrage van € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening, indien en voor zover gedaagden niet binnen de wettelijk vereiste termijn van 2 dagen, althans binnen een door de rechtbank redelijk geachte termijn, na betekening van het in deze te wijzen vonnis, heeft voldaan.

Tijdens de zitting hebben eisers vordering III ingetrokken.

1

HR 20 september 1991, nr. 14509 (Tripels/Masson).



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733