Rechtbank Amsterdam 03-05-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4839

Essentie (gemaakt door AI)

Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap waarin: recht van erfpacht en opstal op woning [adres 2] in gemeenschap valt en via spoorboekje wordt verkocht, opbrengst na kosten bij helfte. Appartementsrecht [adres 3] tegen waarde in onverhuurde staat: eerst overname door vrouw binnen 3 maanden, anders verkoop; peildatum voor spaarpoliswaarde, latere waardestijging aan man. Huurpenningen [adres 3] aan man toegewezen. Banksaldi/leningen per peildatum bij helfte. Verevening pensioenrechten. Vergoedingsrecht vrouw wegens inzet uitsluitingsnalatenschap (€68.866,71).

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Vrouw voldoet schulden uit failliete eenmanszaak met uitgesloten geld: man moet € 69.000 vergoeden
Vrouw stelt dat ter voldoening van het faillissement een bedrag van € 318.250, dat zij onder uitsluiting heeft geërfd, is aangewend. Man betwist vergoedingsrecht; volgens hem betreft het privéschulden vrouw. Rb wijst € 68.867 toe.

Datum publicatie29-06-2026
Zaaknummer720511
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Verdeling; Gemeenschapsschulden art. 1:96; Huishoudkosten art. 1:84;
Pensioen; Pensioenverevening
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verdeling ontbonden huwelijsgemeenschap. Twee appartementen waarvan een verhuurd. Spoorboekje voor verdeling. Verevening pensioenrechten.Vergoedingsrecht uit faillissement van vrouw.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

zaaknummer / rolnummer: C/13/720511 / HA ZA 22-560

Vonnis van 3 mei 2023

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Duitsland,

eisende partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.L. Neuteboom-van Asselt,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.J. Ouderdorp.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 juli 2022, met producties,

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties,

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

- het tussenvonnis van 16 november 2022, waarbij een bijeenkomst van partijen is bepaald,

  • akte houdende wijziging van eis in reconventie tevens overleggen producties,

  • de akte indienen aanvullende stukken tevens wijziging / vermeerdering eis (in conventie),

  • de akte houdende aanvulling conclusie van antwoord in conventie tevens wijziging van eis in reconventie,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 maart 2023.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man het deel van zijn vordering dat ziet op de schuld aan mevrouw [naam 1] van € 18.000,- ingetrokken, waarmee die schuld voor rekening van de man blijft/komt. Ook zijn partijen het tijdens de mondelinge behandeling eens geworden over het positieve saldo wat resteerde na het faillissement en dat dit bedrag van € 186.554,49 aan de vrouw toekomt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Op 24 december 1999 heeft de vrouw een bedrag van fl. 338.408,- onder uitsluitingsclausule van haar moeder geschonken gekregen.

2.2.

Op 29 december 2000 heeft de vrouw een woning aan de [adres 1] van haar moeder gekocht voor een bedrag van fl. 960.000,-.

2.3.

Op 26 februari 2002 heeft de vrouw een woning aan de [adres 2] gekocht voor een bedrag van € 558.149,66.

2.4.

Op 16 december 2002 heeft de vrouw de woning aan de [adres 1] verkocht voor een bedrag van € 980.000,-.

2.5.

In de akte van verdeling tussen de vrouw en haar toenmalig geregistreerd partner [naam 2] van 19 september 2003 is vermeld dat de verkoopsom van de [adres 1] in de verdeling wordt betrokken én dat de vrouw een rekeningcourantkrediet heeft bij de ABN Amrobank van € 733.125,-.

2.6.

Op 25 januari 2010 heeft de vrouw de blote eigendom van de woning met ondergrond aan de [adres 2] verkocht voor een bedrag van € 295.000,-, onder voorbehoud van recht van erfpacht en recht van opstal.

2.7.

Partijen zijn op 1 september 2012 te Amsterdam met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

2.8.

Op 19 mei 2015 is de eenmanszaak van de vrouw en daarmee ook de vrouw in privé in staat van faillissement verklaard.

2.9.

In 2016 is de moeder van de vrouw overleden. De vrouw heeft een bedrag van € 318.249,52 onder uitsluitingsclausule geërfd. Dit bedrag is door de curator in de boedel gestort.

2.10.

Op 27 juli 2016 is de man een lening (Wunschkredit) bij de Commerzbank aangegaan voor een bedrag van € 17.000,-.

2.11.

Het faillissement van de vrouw en haar eenmanszaak is opgeheven op 21 november 2017 door neerlegging van de slotuitdelingslijst. De gemeenschappelijke schulden uit het faillissement bedroegen € 193.269,44 en de baten uit het faillissement bedroegen € 373.785,55. Aan de vrouw is daarom bij opheffing van het faillissement een bedrag van € 186.554,49 uitgekeerd.

2.12.

Namens de man is op 31 januari 2017 bij de rechtbank Amsterdam een echtscheidingsverzoek ingediend. De rechtbank heeft bij beschikking van 4 oktober 2017 de echtscheiding van partijen uitgesproken. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld in de echtscheidingszaak. Het Hof heeft de echtscheidingsbeschikking in stand gelaten, deze is op 11 februari 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam .

2.13.

De man is eigenaar van een appartement aan de [adres 3] . Per september 2017 wordt dit appartement verhuurd. Vanaf september 2017 tot en met juni 2018 voor een bedrag van € 1.500,- per maand en vanaf juli 2018 tot heden voor € 750,- per maand, inclusief gas, water en licht.

2.14.

De man heeft de lasten voor het appartement aan de [adres 3] gedragen tot en met heden. Deze lasten bedragen meer dan de huurinkomsten.

2.15.

Bij e-mail van 28 juni 2022 heeft de heer [naam 3] onder meer het volgende aan de gevolmachtigde van de vrouw geschreven:

“Ik ben de buurman van mw. [gedaagde] . Mw [gedaagde] klopte in juli 2016 voor het eerst bij ons aan met het verzoek om financiële hulp. (…) Vanaf dat moment heb ik haar geholpen met aanzienlijke bedragen. Er vallen twee periodes te onderscheiden: 2016-2017 en 2021.

(…)

De tweede periode waarin ik mw [gedaagde] heb geholpen was 2021. Een overzicht hiervan is in bijlage 2.”

2.16.

Uit bijlage 2 van de e-mail van [naam 3] “voorgeschoten aan [gedaagde] vanaf maart 2021” volgt dat [naam 3] in 2021 een bedrag van € 20.661,- aan de vrouw heeft geleend. Op 28 juni 2022 stond er nog een totaalbedrag van € 26.811,- open.

2.17.

Op 15 maart 2022 heeft de vrouw een hypotheek van € 337.500,- gevestigd op de het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning aan de [adres 2] .

3Het geschil

in conventie

3.1.

De man vordert – samengevat – en na wijziging van eis bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de tussen partijen ontbonden gemeenschap van goederen te verdelen, aldus dat aan de vrouw wordt toegescheiden de volgende vermogensbestanddelen:

- de woning [adres 2] ;

- de inboedelgoederen in die woning;

- de inboedelgoederen in het appartement aan de [adres 3] ;

- sieraden en roerende goederen van de vrouw;

- bankrekeningen op naam van de vrouw;

en aan de man:

- het appartement aan de [adres 3] , en de aan de hypotheek gekoppelde Spaar-optie-hypotheek polis bij Reaal;

- het appartement in Duitsland met de inboedelgoederen;

- sieraden en roerende goederen van de man;

- de bankrekeningen op naam van de man ( [rekeningnummer 1] & [rekeningnummer 2] ); en

voorwaardelijk voor de situatie dat de vrouw de woning aan de [adres 2] niet binnen 3 maanden na het wijzen van het vonnis in deze procedure van de gemeenschap heeft overgenomen en toegedeeld heeft gekregen — de man te machtigen deze woning ex art. 3:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te gelde te maken, waarbij de verkoopopbrengst van de woning tussen partijen bij helfte dient te worden gedeeld en de vrouw te veroordelen daaraan mee te werken op straffe van een dwangsom;

II. te verklaren voor recht dat de man draagplichtig is voor de navolgende schulden, onder vrijwaring van de vrouw en onder verrekening van de helft van deze schuld met de vrouw:

- de hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO Bank ad € 400.000,-

- de roodstand op zijn ING Bankrekening [rekeningnummer 3] ad € 1.029,29;

- de roodstand op zijn rekening bij de Commerzbank ad € 9.037,67;

- de schuld aan de Commerzbank Finanz Wunschkredit ad € 20.631,24,

III. te verklaren voor recht dat de vrouw draagplichtig is voor de navolgende schulden, onder vrijwaring van de man en onder verrekening van de helft van deze schuld met de man:

- de schuld aan mevrouw [naam 4] van € 15.000,-;

- de schuld aan [naam 3] van € 14.168,64; en

IV. de vrouw ter zake haar overbedeling ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap van goederen en de draagplicht voor de schulden per peildatum te veroordelen om binnen 14 dagen na datum van het te wijzen vonnis aan de man te betalen het bedrag van € 507.712,04 + PM te vermeerderen met de wettelijke rente over het aan de man verschuldigde bedrag vanaf de 14e dag nadat de beschikking is afgegeven tot aan de dag waarop betaling geheel heeft plaatsgevonden; en

V. de vrouw te veroordelen in de proceskosten;de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van de door haar ontvangen huurpenningen gedurende de periode vanaf september 2017, althans met ingang van een datum die de rechtbank redelijk acht t/m het moment dat het appartement aan de [adres 3] aan de man is geleverd, tot en met maart 2023 een totaal bedrag van € 57.750,- + P.M., vermeerderd met de wettelijke rente;

VI. de vrouw te veroordelen om mee te werken aan de levering van het appartement aan de [adres 3] aan de man, bij gebreke waarvan uitspraak op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van een akte of een gedeelte daarvan.

3.2.

De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitzondering van hetgeen door de man is gevorderd ten aanzien van de verdeling van de waarde van de gemeenschappelijke woning van partijen aan de [adres 3] .

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

De vrouw vordert – samengevat – en na wijziging van eis bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • de verdeling van de door de man opgebouwde pensioenrechten in die zin dat aan de vrouw de helft van de opgebouwde pensioenrechten tijdens huwelijk wordt toegescheiden en dat de vrouw voor dit bedrag een vordering op de man dan wel de pensioenverzekeraar heeft;

  • veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van € 68.866,71;

  • veroordeling van de man tot terugbetaling van een bedrag van € 20.000,-.

3.5.

De man voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het geschil van partijen ziet op de afwikkeling van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

in conventie

Verdeling

4.2.

Beide partijen verzoeken de rechtbank de wijze van verdeling van de tussen hen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen.

4.3.

Niet gesteld of anderszins is de rechtbank gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 1:93 en 1:94 BW, zoals deze golden tot 1 januari 2018, bestaat tussen partijen dus een wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Op grond van artikel 1:100 BW is het uitgangspunt dat de gemeenschap van goederen bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.

Peildatum

4.4.

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b van het BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 31 januari 2017.

4.5.

Voor de waardering van de vermogensbestanddelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap geldt echter – voor zover partijen niet anders zijn overeenkomen of uit de redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum, behoudens ten aanzien van banksaldi.

Samenstelling ontbonden gemeenschap

4.6.

Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen en schulden in de ontbonden gemeenschap vallen:

  • de sieraden en persoonlijke spullen van de man;

  • de sieraden en persoonlijke spullen van de vrouw;

  • de woning aan de [adres 2] ;

  • het appartement aan de [adres 3] ;

  • de inboedel van de woning aan de [adres 2] ;

  • de inboedel van het appartement aan de [adres 3] ;

  • de inboedel van de huurwoning van de man in Duitsland;

  • het positief saldo uit het faillissement van de eenmanszaak van de vrouw;

  • de banksaldi t.n.v. de man;

  • de banksaldi t.n.v. de vrouw;

  • de spaar-optie-hypotheekpolis bij Reaal;

  • de hypothecaire geldlening bij de ABN Amro bank;

  • het Commerz Finanz Wunschkredit;

  • de lening van [naam 4] ;

  • de lening van [naam 3] ;

  • de opgebouwde pensioenrechten van de man.

Sierraden en persoonlijke spullen

4.7.

Partijen zijn het erover eens – nu de vrouw dit niet betwist heeft – dat de sieraden en persoonlijke spullen van partijen aan diegene waarvan deze zijn zullen worden toebedeeld, zonder verrekening van de waarde met de ander.

Woning [adres 2]

4.8.

De man stelt dat de woning aan de [adres 2] in de ontbonden gemeenschap van partijen valt. Per 1 januari 2021 was de WOZ waarde van die woning € 1.047.000,-. De man gaat ervan uit dat in deze waarde al rekening is gehouden met het feit dat de vrouw niet meer het blote eigendom van de woning met ondergrond heeft. Hij stelt dat de waarde van de woning in het economisch verkeer op het moment van verdeling leidend is. Deze waarde moet door een onafhankelijke makelaar worden vastgesteld. De kosten die verbonden zijn aan die taxatie dient door partijen bij helfte te worden gedeeld. De woning moet aan de vrouw toegedeeld worden tegen de waarde in het economisch verkeer per datum verdeling onder verrekening van de helft van de overwaarde met de man.

4.9.

De vrouw betwist dat de woning aan de [adres 2] in de ontbonden gemeenschap van partijen valt. Zij voert daartoe aan dat de woning is verkregen met geld dat een vrucht is van een schenking die zij onder uitsluitingsclausule van haar moeder heeft verkregen. De vrouw heeft eind 2000 een woning aan de [adres 1] van haar moeder gekocht met geld wat zij van haar moeder heeft geleend. De vrouw meent dat deze woning aan de [adres 1] een vrucht van een schenking van haar moeder is. De vrouw voert aan dat de woning aan de [adres 2] mogelijk ook deels gefinancierd is met de schenking van de moeder en met de lening van de moeder aan de vrouw, alsmede uit voorfinanciering middels een lening bij de ABN AMRO Bank. De opbrengst na verkoop van de woning aan de [adres 1] is gebruikt om de leningen af te lossen, waardoor de woning aan de [adres 2] onbelast was.

4.10.

De rechtbank stelt vast dat het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning aan de [adres 2] in de ontbonden gemeenschap van partijen valt, gelet op het volgende. De moeder van de vrouw heeft op 24 december 1994 een bedrag van fl. 900.000,- aan de vrouw geschonken. Op 29 december 2000 heeft de vrouw de woning aan de [adres 1] van haar moeder gekocht voor een bedrag van fl. 960.000,-. Dit bedrag heeft zij in zijn geheel van haar moeder geleend. Op 26 februari 2002 heeft de vrouw de woning aan de [adres 2] gekocht voor een bedrag van € 558.000,-. De woning aan de [adres 1] heeft de vrouw op 16 december 2002 verkocht voor een bedrag van € 980.000,-. Uit de akte van verdeling tussen de vrouw en haar toenmalig geregistreerd partner blijkt dat zowel de verkoopsom van € 980.000 in de verdeling viel als ook het rekeningcourantkrediet van de vrouw van € 733.125,00 bij de ABN Amrobank. Daaruit wordt geconcludeerd dat de woning aan de [adres 2] niet is gefinancierd met de opbrengst uit de verkoop van de woning aan de [adres 1] , maar met een financiering van de ABN Amrobank. Daarbij geldt dat de woning aan de [adres 1] nog niet was verkocht toen de vrouw de woning aan de [adres 2] kocht. De woning aan de [adres 2] is dus geen vrucht van de onder uitsluiting gekregen schenking van de moeder van de vrouw.

4.11.

De hypotheek die de vrouw op 15 maart 2022 op de woning aan de [adres 2] heeft gevestigd voor een bedrag van € 337.500,-, valt buiten de ontbonden gemeenschap van partijen, aangezien het huwelijk van partijen op die datum al ontbonden was.

4.12.

Het voorgaande betekent dat (alleen)het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning aan de [adres 2] in de gemeenschap valt en dus verdeeld moet worden tussen partijen. Nu ter zitting is gebleken dat de vrouw het recht op erfpacht en het recht op opstal op de woning wenst te verkopen, zal de rechtbank hiertoe in het dictum het zogenoemde “spoorboekje” opnemen. In het door de rechtbank opgenomen spoorboekje ligt besloten dat ieder van partijen zijn/haar medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de woning en dat de verkoopsom na aftrek van de kosten, maar niet van de hypotheek bij helfte tussen partijen moet worden gedeeld.

Appartement [adres 3]

4.13.

Partijen zijn het erover eens dat het appartement aan de [adres 3] tot de ontbonden gemeenschap van partijen behoort. Het appartement wordt thans verhuurd aan een derde voor een bedrag van € 750,- inclusief gas, water en licht. Partijen hebben geprobeerd om de huurder uit het appartement te krijgen, maar dat is niet gelukt.

4.14.

De man stelt dat voor de berekening van de waarde van het appartement moet worden uitgegaan van de waarde van het appartement in onverhuurde staat, omdat de vrouw per 1 september 2017 het appartement verhuurt, zonder dat de man hier toestemming voor heeft gegeven. Die huurder betaalt op dit moment € 750,- per maand aan huur, inclusief gas, water en licht. De waarde in het economisch verkeer moet worden vastgesteld door een onafhankelijke makelaar.

4.15.

De vrouw voert aan dat zij het appartement aan de [adres 3] wil overnemen, door de man uit te kopen. Als wordt geoordeeld dat de woning aan de [adres 2] tot de ontbonden gemeenschap van partijen behoort, verzoekt de vrouw om een termijn na verkoop van de woning aan de [adres 2] om het appartement over te nemen, tegen de economische waarde.

De vrouw voert daarnaast aan dat de man toestemming heeft gegeven voor het verhuren van het appartement. En dat, voor zover het niet vast komt te staan dat de man toestemming heeft gegeven voor de verhuur, hij op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW een beroep op de vernietigingsgrond van de huurovereenkomst had kunnen doen. Om die reden moet volgens de vrouw – als het haar niet lukt om het appartement over te nemen – bij verkoop van het appartement worden uitgegaan van de volledige taxatiewaarde in onverhuurde staat.

4.16.

De rechtbank oordeelt als volgt. Vaststaat dat het appartement thans niet rendabel wordt verhuurd. Nu niet alleen de man, maar ook de vrouw aanvoert dat bij de verdeling uitgegaan moet worden van de volledige taxatiewaarde in onverhuurde staat, zal ook de rechtbank hiervan uitgaan. De man moet de vrouw een termijn geven van drie maanden om het appartement over te nemen, door hem uit te kopen tegen de waarde die de woning heeft in onverhuurde staat. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet wenselijk om de vrouw een termijn van langer dan drie maanden – ter overname van het appartement – te gunnen gelet op de financiële situatie met de huurder en de vaste lasten die de man elke maand betaalt. Als eerst gewacht moet worden op de verkoop van de woning aan de [adres 2] en de vrouw dan nog een extra termijn moet worden gegund, zal het aanzienlijk langer duren en zal de man onnodig lang kosten blijven maken.

4.17.

Gelet op het voorgaande zal de wijze van verdeling worden gelast als na te melden, waarbij partijen het appartement drie maanden na dit vonnis – als de vrouw het appartement niet tegen de waarde in onverhuurde staat kan overnemen – te koop zullen aanbieden. De rechtbank zal bepalen dat het appartement na voornoemde termijn, zal moeten worden verkocht als na te melden. Ook hier geldt dat in het door de rechtbank opgenomen spoorboekje ligt besloten dat een ieder van partijen zijn/haar medewerking dient te verlenen aan de verkoop van het appartement.

Voor zover de man stelt dat hij bij verkoop aan een derde benadeeld is vanwege de waardevermindering van het appartement in verband met verhuur, stelt de rechtbank vast dat de man hierover geen concrete vordering heeft ingediend, zodat hierop niet wordt beslist.

Inboedel

4.18.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man laten weten dat hij ermee instemt dat de inboedel de woning aan de [adres 2] en de inboedel van het appartement aan de [adres 3] aan de vrouw toekomt nu de vrouw deze graag wil hebben.

4.19.

De rechtbank stelt vast dat de inboedel van de woning aan de [adres 2] en de inboedel van het appartement aan de [adres 3] aan de vrouw toekomen en dus niet worden betrokken in de verdeling. De inboedel van de huurwoning van de man in Duitsland zal aan hem toekomen en wordt ook niet betrokken in de verdeling.

Bankrekeningen

4.20.

De man stelt dat de saldi van de bankrekeningen van partijen op de peildatum bij helfte verdeeld moeten worden. De man had op peildatum 31 januari 2017 een bankrekening bij de ING Bank ( [rekeningnummer 3] ), waarop het saldo per peildatum € - 1.029,29 bedroeg en een bankrekening bij de Commerzbank ( [rekeningnummer 2] ), waarop het saldo per peildatum € - 9.037,67 bedroeg. Volgens de man zijn partijen beiden draagplichtig voor deze schulden. De man stelt dat het voor hem onbekend is welke bankrekeningen en met welke saldi de vrouw had op de peildatum. Hij weet dat zij twee rekeningen in gebruik had ( [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 5] ).

4.21.

De vrouw betwist dat de saldi van de bankrekeningen van partijen in de ontbonden gemeenschap vallen. Zij voert aan dat beide partijen hun eigen rekeningen hadden en dat zij niet gezamenlijk zijn op grond van de redelijkheid en billijkheid.

4.22.

De rechtbank oordeelt dat de bankrekeningen van partijen in de ontbonden gemeenschap vallen. Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en niet gebleken is dat partijen daarvan zijn afgeweken ten aanzien van de bankrekeningen. Zelfs als partijen beiden alleen de rekeningen op hun eigen naam gebruikten – zoals aangevoerd door de vrouw – leidt dit niet tot een ander oordeel, omdat er sprake was van een algehele gemeenschap. Ook niet op grond van de redelijkheid en billijkheid, omdat partijen zelf gekozen hebben voor een gemeenschap van goederen en geen afwijkende afspraken hebben gemaakt ten aanzien van de bankrekeningen. Dit betekent dat de saldi van alle bankrekeningen van partijen op de peildatum (31 januari 2017) bij helfte moeten worden gedeeld, dan wel ieder voor de helft draagplichtig is voor een eventueel negatief saldo. De rechtbank verstaat dat partijen voor deze verdeling elkaar inzicht verschaffen in de saldi van de bankrekeningen die zij hadden op de peildatum.

Leningen

4.23.

De man stelt dat partijen beiden voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden die zij op de peildatum hadden. Volgens de man zijn dat de schulden aan mevrouw [naam 4] , ter hoogte van € 15.000,-, de schuld aan [naam 3] van € 14.168,68 en de schuld aan de Commerzbank ten bedrage van € 20.631,24.

De schuld aan [gedaagde] en [naam 3] zijn door vrouw tijdens het huwelijk aangegaan. De man stelt hier nooit stukken van te hebben gezien. Hij meent dat de vrouw deze schulden voor haar rekening moet nemen onder vrijwaring van de man, doch onder verrekening van de helft van de hoogte van deze schulden met de man.

De man stelt daarnaast dat hij een regresvordering op de vrouw heeft voor de helft van de schuld bij de Commerzbank per peildatum.

4.24.

De vrouw betwist dat de leningen die zij is aangegaan bij [naam 4] en [naam 3] slechts voor haar rekening komen. Deze leningen vallen in de ontbonden gemeenschap van partijen. De vrouw betwist daarnaast dat zij toestemming heeft gegeven voor de lening die de man heeft afgesloten tijdens het huwelijk bij de Commerzbank. Zij voert aan dat er geen noodzaak bestond om die lening aan te gaan voor de gemeenschap. Daarnaast is die lening aangegaan op 15 september 2016, vlak voordat partijen uit elkaar gingen.

4.25.

Ten aanzien van de leningen bij [naam 4] en [naam 3] oordeelt de rechtbank dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor die leningen per peildatum. Hiervoor geldt immers dat partijen geen – van de gemeenschap van goederen – afwijkende afspraken hebben gemaakt.

4.26.

De rechtbank oordeelt ten aanzien van de lening bij de Commerzbank als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man uitgelegd dat hij deze lening is aangegaan ten tijde van het faillissement van de eenmanszaak van de vrouw. Partijen hadden destijds moeite om de vaste lasten, met name voor de woningen die partijen hadden, te voldoen. De man heeft aangevoerd dat hij de lening heeft gebruikt om in die vaste lasten te voorzien. De rechtbank acht deze uitleg geloofwaardig en ook begrijpelijk. Omdat het krediet is aangevraagd op 27 juli 2016, en niet op 15 september 2016, is er geen sprake van een lichtvaardig aangegane schuld door de man binnen zes maanden voor het verzoek tot echtscheiding, ingevolge artikel 1:164 BW. De lening komt daarom ten laste van de ontbonden gemeenschap.

4.27.

Als uitgangspunt bij het voorgaande geldt dat, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW, de gemeenschap, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten omvat. De rechtbank zal derhalve bepalen dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schulden die op de peildatum in de gemeenschap aanwezig zijn. Voor zover één van partijen meer dan de helft heeft afgelost op deze schulden heeft hij/zij in beginsel regres op de ander.

Hypothecaire geldlening ABN AMRO Bank en Spaar-optie-hypotheekpolis Reaal

4.28.

De man stelt dat hij voor de aanschaf van het appartement aan de [adres 3] een hypothecaire lening bij de ABN AMRO Bank is aangegaan. De hoogte daarvan bedroeg op de peildatum € 400.000,-. De hoogte van deze hypotheek is niet veranderd, omdat de man een volledig aflossingsvrije hypotheek heeft. Aan de hypotheek is een Spaar-optie-hypotheek polis bij Reaal gekoppeld. De afkoopwaarde van de spaarpolis schat de man op de peildatum op € 40.000,- . Vanaf dat moment heeft de man deze premies voor zijn rekening genomen. De vrouw heeft hier nimmer aan mee betaald. Daarom moet de afkoopwaarde van deze spaarpolis op 31 januari 2017 worden meegenomen in de verdeling van de ontbonden gemeenschap van partijen.

4.29.

De vrouw voert aan dat zij totdat partijen uit elkaar gingen heeft bijgedragen in de hypotheeklasten van de woning. De vrouw betwist dat van de afkoopwaarde van de spaarpolis per 31 januari 2017 moet worden uitgegaan. Zij voert daartoe aan dat de man wil profiteren van de waarde van het appartement in het economisch verkeer op dit moment en dat daarom moet worden aangesloten bij de afkoopwaarde van de hypotheek per heden. De man kan daarop volgens de vrouw hoogstens de door hem betaalde premiekosten vanaf 31 januari 2017 in mindering brengen.

4.30.

Ten aanzien van de hypotheek van het appartement aan de [adres 3] geldt dat deze in de ontbonden gemeenschap van partijen valt. Dit betekent dat beide partijen draagplichtig zijn voor de hypotheekschuld per peildatum. De rechtbank volgt verder ten aanzien van de waarde van de spaar-optie-hypotheekpolis de vrouw niet. Voor deze polis geldt dat wat betreft de waarde zal worden aangesloten bij de peildatum en dat de bedragen die daarna door de man zijn voldaan en de waardestijging van de polis aan de man toekomen. Dit betekent dat op het moment dat de woning wordt overgenomen door de vrouw, dan wel wordt verkocht aan een derde de polis moet worden opgeheven en op voorgenoemde wijze de waarde moet worden verdeeld.

Huurpenningen appartement [adres 3]

4.31.

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw de huurinkomsten die zij ontvangt voor de verhuur van het appartement aan de [adres 3] aan hem moet vergoeden. Het appartement is vanaf september 2017 tot en met juni 2018 voor € 1.500,- per maand verhuurd en vanaf juli 2018 tot heden voor € 750,- per maand. Dit gaat in totaal om een bedrag van € 57.750,- aan huurpenningen (voor de periode september 2017 tot en met maart 2023), inclusief gas, water en licht. De man heeft al die tijd de lasten voor het appartement gedragen, zijnde € 1.731,31 per maand. Het appartement aan de [adres 3] behoort tot de ontbonden gemeenschap van partijen. Op grond van artikel 7:226 BW is het huurrecht verknocht aan de mede-eigendom van het verhuurde. Het gerechtshof Amsterdam heeft in 2013 geoordeeld dat er bij gemeenschappelijke eigendom van een woning die verhuurd wordt, sprake is van een eenvoudige gemeenschap, als bedoeld in artikel 3:166 BW. 1 Uit dit arrest valt volgens de man af te leiden dat bij gemeenschappelijke eigendom er slechts geldige rechtshanddelingen ten aanzien van de verhuurde woning kunnen worden verricht als tussen de eigenaren onderlinge overeenstemming bestaat over een bepaalde kwestie. Hij stelt dat, nu hij alle lasten voor het appartement draagt sinds 31 januari 2017, het niet redelijk is dat de vrouw per september 2017 de huurpenningen ontvangt. Er wordt op dit moment geen winst gemaakt op het verhuren van het appartement. De vrouw heeft deze onrendabele huurafspraken gemaakt, ondanks protest van de man. De man stelt daarom dat op grond van de artikelen 3:184 en 3:185 BW de door de vrouw ontvangen huurpenningen aan hem toegescheiden moeten worden, te vermeerderen met de wettelijke rente. De man merkt daarbij op dat, omdat partijen deelgenoten zijn, de vrouw eigenlijk ook zou moeten bijdragen in de lasten van het appartement, maar dat hij dit nu niet zal vorderen.

4.32.

De vrouw betwist dat de man geen toestemming heeft verleend voor het verhuren van het appartement aan de [adres 3] . Zij voert daarnaast aan dat als de man het niet eens was met het verhuren van het appartement hij op grond van artikel 1:88 BW een beroep op de vernietigingsgrond kunnen doen. De vrouw voert verder aan dat de door haar geïnde huurpenningen gezien zouden kunnen worden als een soort onderhoud, dus partneralimentatie.

4.33.

De rechtbank zal de vordering van de man die ziet op het toescheiden van de huurpenningen aan hem vanaf september 2017 toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende naar voren gebracht dat de man akkoord ging met de verhuur tegen deze prijs van het appartement aan de [adres 3] . Hoewel de man – als aangevoerd door de vrouw – op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW de huurovereenkomst had kunnen vernietigen indien hij niet akkoord ging met de verhuur maar dit heeft nagelaten, betekent dat nog niet dat hij geen recht meer heeft op het delen in de opbrengsten van de verhuur van het appartement. Voor wat betreft het appartement aan de [adres 3] is een eenvoudige gemeenschap tussen partijen ontstaan na 31 januari 2017. Dit zou betekenen dat partijen de inkomsten en lasten bij helfte zouden moeten delen. De man heeft zijn vordering echter niet op die manier ingestoken. Hij vordert slechts de huurinkomsten, geen verdeling van de lasten, maar heeft deze lasten wel voldaan en deze lasten bedragen meer dan het dubbele van de huurinkomsten. Voor zover de vrouw meent dat sprake is van een andere afspraak tussen partijen met betrekking tot de opbrengsten en de lasten, is de rechtbank van oordeel dat zij dit onvoldoende naar voren heeft gebracht. De rechtbank zal de vordering van de man toewijzen, tot en met april is dat een bedrag van € 58.500,- en voor de toekomstige maanden bepalen dat de vrouw de volledige huurinkomsten aan de man moet voldoen. De gevorderde wettelijke rente over € 58.500,- zal als onweersproken worden toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.

in reconventie

Pensioenrechten man

4.34.

De vrouw stelt dat de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten voor verdeling in aanmerking komen.

4.35.

De man voert aan dat hij tijdens het huwelijk uitsluitend heeft gewerkt voor de ABN AMRO Bank in Duitsland. Zijn aanvullende pensioen is ondergebracht in het Duitse pensioenfonds BVV. Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Nederlands recht. De Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding (WVPS) is van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Op grond van artikel 1 lid 8 WVPS is deze wet ook van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling. De man voert aan dat zijn ouderdomspensioen opgebouwd bij het in Duitsland gevestigde BVV niet is aan te merken als een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 lid 4 tot en met 6 van de WVPS.

De man voert verder aan dat op grond van artikel 1 lid 8 WVPS de echtgenoot die recht op verevening heeft, geen recht op uitbetaling van een deel van het pensioen jegens het buitenlands uitvoeringsorgaan verkrijgt, maar slechts een recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot. Omdat de vrouw enkel verdeling van de door de man opgebouwde pensioenrechten vordert, moet zij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Voor het geval de vrouw zou hebben bedoeld dat er tot verevening van de pensioenrechten zou moeten worden overgegaan, stelt de man dat hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. De vrouw kan haar vordering daarom pas gelend maken als de man zijn pensioen ontvangt.

4.36.

De rechtbank begrijpt de vordering van de vrouw aldus dat zij vordert dat er tot verevening van de pensioenrechten over moet worden gegaan. De rechtbank oordeelt dat de vrouw op grond van artikel 2 lid 1 WVPS recht heeft op pensioenverevening ter zake van de door de man tijdens huwelijk opgebouwde pensioenrechten (zoals bedoeld in artikel 1 lid 4, 5 en 6 van die wet). Uit lid 2 van deze bepaling volgt dat voor de vrouw een recht ontstaat jegens het uitvoeringsorgaan op uitbetaling van de haar toekomende pensioentermijnen, mits binnen twee jaar na scheiding daarvan mededeling is gedaan aan het uitvoeringsorgaan. Uit artikel 2 lid 6 WVPS volgt dat, indien deze mededeling niet binnen de in lid 2 bedoelde termijn van twee jaar heeft plaatsgevonden, voor de vrouw een recht ontstaat jegens de man op uitbetaling van de haar toekomende pensioentermijnen.

Vaststaat dat de in artikel 2 lid 2 WVPS bedoelde melding – waardoor voor de vrouw een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan zou zijn ontstaan – niet tijdig heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat op grond van artikel 2 lid 6 WVPS de vrouw vanaf het verstrijken van de termijn van twee jaar (dus vanaf 11 februari 2022) in beginsel een recht op uitbetaling heeft jegens de man van een deel van elk van de in de toekomst nog door het pensioenfonds BVV aan de man uit te betalen pensioentermijnen.

Vergoedingsrecht faillissement

4.37.

De vrouw stelt dat ter voldoening van het faillissement een bedrag van € 318.249,52, dat zij heeft geërfd onder uitsluiting van haar moeder, is aangewend. De vrouw stelt dat zij hierdoor een vergoedingsrecht heeft op de man.

4.38.

De man betwist dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft. Hij voert daartoe aan dat het faillissement van de vrouw alleen uit privéschulden van haar bestond. Voor zover het gemeenschapsschulden waren voert de man aan dat de vrouw op grond van artikel 1:84 BW gehouden was om privé, dus uit de erfenis, bij te dragen in die gemeenschapsschulden. Er hoeft daarom niet verrekend te worden.

4.39.

De rechtbank stelt vast dat de het faillissement van de eenmanszaak van de vrouw bestond uit gemeenschapsschulden. Niet gebleken is dat partijen andere afspraken hebben gemaakt waardoor hier de gemeenschap van goederen niet zou gelden. Anders dan de man aanvoert heeft de vrouw daarom een vergoedingsrecht op de man. De vrouw heeft immers een onder uitsluitingsclausule verkregen erfenis van haar moeder aangewend voor het voldoen van een (gemeenschaps)schuld uit het faillissement. De hoogte van de door de vrouw ontvangen erfenis bedroeg € 318.249,52, de gemeenschappelijke schulden uit het faillissement bedroegen € 193.269,44 en de baten uit het faillissement bedroegen € 373.785,55, dat was inclusief de nalatenschap. Het voorgaande betekent dat in de fictieve situatie, zonder de aangewende nalatenschap, een bedrag van (€ 373.785,55 – € 318.249,52 =) € 55.536,03 zou resteren aan baten. Als dit bedrag van de schulden uit het faillissement zou worden afgetrokken, had een schuld van € 137.733,41 geresteerd. In deze fictieve situatie had dat bedrag (aan schulden) voor rekening van beide partijen gekomen. Omdat dit bedrag in werkelijkheid is voldaan uit de onder uitsluitingsclausule verkregen nalatenschap, heeft de vrouw een vergoedingsrecht op de man voor de helft van dat bedrag, zijnde € 68.866,71.

4.40.

De vordering van de vrouw die ziet op een vergoeding van het bedrag van € 68.866,71 zal daarom worden toegewezen.

Lening of schenking € 20.000,-

4.41.

De vrouw stelt dat zij de man op 29 januari 2018 een bedrag van € 20.000,- heeft geleend. Op dat moment was het echtscheidingsverzoek al ingediend. Zij voert aan dat ze dit bedrag aan de man heeft geleend om de schuld aan de Commerzbank af te lossen. Ze heeft daarbij de voorwaarde gesteld dat de man het echtscheidingsverzoek zou intrekken en dat partijen in onderling overleg tot overeenstemming over de echtscheiding en de verdeling zouden komen. De man heeft niet aan deze voorwaarde voldaan, hij is volgens de vrouw zijn verplichting uit overeenkomst niet nagekomen. Subsidiair stelt de vrouw dat sprake is van een onverschuldigde betaling.

4.42.

De man betwist dat sprake was van een lening. Hij voert aan dat de vrouw dat bedrag aan hem heeft geschonken.

4.43.

Nu de bewijslast van de vermeende lening bij de vrouw ligt, de man het bestaan van de vermeende lening betwist en de vrouw niet verder heeft onderbouwd dat sprake was van een lening, zal de rechtbank de vordering van de vrouw die ziet op terugbetaling van de door haar gestelde lening afwijzen. Ook is geen sprake van een onverschuldigde betaling, nu partijen stellen dat er een rechtsgrond was voor de betaling (schenking respectievelijk lening).

Proceskosten

4.44.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

stelt de verdeling van de tussen partijen ontbonden gemeenschap als volgt vast:

- aan de man wordt toebedeeld:

  • zijn sieraden en persoonlijke spullen;

  • de inboedel van zijn appartement in Duitsland;

  • de bankrekening(en) die op zijn naam staan, onder de verplichting om de helft van het saldo op de peildatum 31 januari 2017 aan de vrouw te voldoen. Indien er sprake is van een negatief saldo per 31 januari 2017 dient de vrouw de helft van dit negatieve saldo voor haar rekening te nemen;

- aan de vrouw wordt toebedeeld:

  • haar sieraden en persoonlijke spullen;

  • de inboedel van de woning aan de [adres 2] ;

  • de inboedel van het appartement aan de [adres 3] ;

  • de bankrekening(en) die op haar naam staan, onder de verplichting om de helft van het saldo op de peildatum 31 januari 2017 aan de man te voldoen. Indien er sprake is van een negatief saldo per 31 januari 2017 dient de man de helft van dit negatieve saldo voor zijn rekening te nemen;

5.2.

bepaalt dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de volgende schulden per peildatum:

  • de schuld aan de Commerzbank Finanz Wunschkredit;

  • de schuld bij mevrouw [naam 4] ;

  • de schuld bij de heer [naam 3] ;

5.3.

gelast de wijze van verdeling van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning aan de [adres 2] als volgt:

- bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden gezamenlijk een taxateur de opdracht geven tot het taxeren van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning de [adres 2] tegen de actuele waarde in het economisch verkeer, waarbij partijen binnen tien dagen na de taxatie elkaar schriftelijk berichten of zij akkoord gaan met de getaxeerde waarde;

- bepaalt dat, indien zij niet binnen vier weken na heden gezamenlijk een taxateur opdracht hebben gegeven tot het taxeren van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning, de man drie mogelijke taxateurs kiest en de vrouw uit die drie taxateurs één kiest en namens de man bevoegd is tot het verstrekken van de opdracht aan die taxateur;

- bepaalt dat de kosten van de taxatie door beide partijen gedragen worden, ieder voor de helft;

- bepaalt dat de verkoop van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning geschiedt binnen vier weken na de taxatie door middel van een opdracht aan de makelaar die de hiervoor genoemde bindende taxatie heeft verricht. Ieder van partijen is gehouden deze makelaar daartoe opdracht te geven;

- bepaalt dat partijen binnen vier weken na de taxatie gezamenlijk een makelaar opdracht te geven tot verkoop van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning gelegen aan de [adres 2] tegen een door partijen overeen te komen verkoopprijs;

- bepaalt dat, indien zij niet binnen vier weken na taxatie gezamenlijk een makelaar opdracht hebben gegeven tot de verkoop, ieder van hen afzonderlijk bevoegd is tot het verstrekken van een opdracht aan NVM-makelaar Woe Van Os, [adres 4] tot verkoop van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de appartementsrechten gelegen aan de [adres 2] ;

- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;

- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkooprijs, partijen aan de makelaar kunnen verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;

- bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun mede werking te verlenen aan het notariële transport van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning aan de koper;

- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

- bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;

- bepaalt dat de hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit het deel dat de vrouw ontvangt aan verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning;

5.4.

gelast de wijze van verdeling van het appartement aan de [adres 3] als volgt:

- bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden gezamenlijk een taxateur de opdracht geven tot het taxeren van het appartement aan de [adres 3] tegen de waarde in onverhuurde staat in het economisch verkeer, waarbij partijen binnen tien dagen na de taxatie elkaar schriftelijk berichten of zij akkoord gaan met de getaxeerde waarde;

- bepaalt dat, indien zij niet binnen vier weken na heden gezamenlijk een taxateur opdracht hebben gegeven tot het taxeren van het appartement, de man drie mogelijke taxateurs kiest en de vrouw uit die drie taxateurs één kiest en namens de man bevoegd is tot het verstrekken van de opdracht aan die taxateur;

- bepaalt dat de kosten van de taxatie door beide partijen gedragen worden, ieder voor de helft;

Voor het geval de vrouw binnen drie maanden na taxatie het appartement wenst over te nemen door de man uit te kopen tegen de waarde van het appartement in onverhuurde staat en de man ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek:

  • deelt toe aan de vrouw het appartement aan de [adres 3] , onder de verplichting om binnen twee maanden:

  • de op het appartement rustende hypothecaire leningen geheel voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire leningen;

  • de helft van de overwaarde (deze bestaande uit de taxatiewaarde in onverhuurde staat na aftrek van de hypothecaire leningen op het moment van de notariële overdracht aan de vrouw) aan de man te vergoeden;

- bepaalt dat de kosten van het notariële transport van het appartement voor rekening van partijen ieder voor de helft komen;

Voor het geval toedeling aan de vrouw van het appartement onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet binnen de termijn kan worden gerealiseerd:

- bepaalt dat partijen na de hiervoor genoemde termijn van drie maanden gezamenlijk een makelaar opdracht dienen te geven tot verkoop van het appartement tegen een door partijen overeen te komen verkoopprijs;

- bepaalt dat, indien zij niet binnen vier weken na heden gezamenlijk een makelaar opdracht hebben gegeven tot verkoop van de woning, de man drie mogelijke makelaars kiest en de vrouw uit die drie makelaars één kiest en namens de man bevoegd is tot het verstrekken van de opdracht aan die makelaar;

- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar een door hem/haar vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs bepaalt;

- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkooprijs, ieder der partijen aan de makelaar kan verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;

- bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan derden;

- bepaalt dat de hypothecaire geldleningen bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van het appartement;

- bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;

- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

- bepaalt dat de spaar-optie-hypotheekpolis wordt opgeheven en dat de waarde per peildatum tussen partijen wordt gedeeld en dat de overige waarde volledig aan de man toekomt;

5.5.

bepaalt dat deze uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte tot levering van de man,

5.6.

veroordeelt de man in het kader van het vergoedingsrecht faillissement tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 68.866,71;

5.7.

veroordeelt de vrouw in het kader van de door haar ontvangen huurpenningen tot betaling aan de man van een bedrag van € 58.500,-, berekend tot en met april 2023, te vermeerderen met € 750,- per maand, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over € 58.500,- vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.8.

verklaart voor recht dat tijdens het huwelijk opgebouwde rechten op ouderdomspensioen van de man worden verevend conform het bepaalde in de WVPS;

5.9.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.10.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, rechter, bijgestaan door mr. K.E. Luijckx, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2023.

1

ECLI:NL:GHAMS:2013:3840.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733