Essentie (gemaakt door AI)
Informele rechtsingang. Minderjarigen vragen wijziging zorgregeling, verhuizing en schoolinschrijving. Rechtbank oordeelt dat, gelet op samenhang tussen zorgregeling en gezagsbeslissingen, ambtshalve ook over hoofdverblijfplaats, verhuizing en school kan worden beslist op basis van art. 1:377g BW in samenhang met art. 1:251a lid 3 BW. Voortzetting week-op-week-af is schadelijk. Hoofdverblijfplaats wordt bij moeder bepaald; vervangende toestemming voor verhuizing naar [plaats 1] en inschrijving school; weekendregeling bij vader. Uitvoerbaar bij voorraad.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 26-06-2026 |
| Zaaknummer | C/09/699881 / FA RK 26-1665 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familieprocesrecht; Eigen rechtsingang minderjarige; Kinderen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
informele rechtsingangVolledige uitspraak
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1665
Zaaknummer: C/09/699881
Datum beschikking: 19 mei 2026
Informele rechtsingang
Beschikking naar aanleiding van de op 16 februari 2026 ingekomen aanvraag via de informele rechtsingang als bedoeld in artikel 1:253a lid 4 jo 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) van:
[de minderjarige 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
en
[de minderjarige 2] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
en
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. van Bendegem te Zoetermeer.
Procedure
De rechtbank heeft op 16 februari 2026 de brief ontvangen die [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met hulp van de Kinder- & Jongerenrechtswinkel naar de rechtbank hebben gestuurd. Naar aanleiding van die brief hebben zij op 26 maart 2026 een gesprek gehad met de rechter.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vragen de rechter om met hun moeder naar [plaats 1] te mogen verhuizen, daar naar school te gaan en in de weekenden waarin hun vader vrij is, bij hem te zijn.
De rechter heeft de aanvraag van de kinderen in behandeling genomen en de ouders bij brief van 31 maart 2026 uitgenodigd om de wens van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te bespreken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) is voor de zitting uitgenodigd.
De rechter die met de kinderen en de ouders heeft gesproken, is dezelfde rechter die als voorzitter van de meervoudige kamer in 2025 mede de beslissing heeft genomen om de moeder geen vervangende toestemming voor verhuizing te geven.
De zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Hierbij zijn verschenen:
-
de moeder;
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-
[naam] namens de Raad.
De advocaat van de vader heeft op de zitting pleitaantekeningen overgelegd.
Feiten
- De ouders zijn gehuwd geweest van 29 augustus 2009 tot 23 december 2021.
- Zij zijn de ouders van de volgende, nog minderjarige kinderen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] .
- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 april 2025 is:
de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader bepaald;
een zorgregeling vastgesteld, inhoudende een week-op-week-af-regeling, waarbij de kinderen in de week dat ze bij de moeder zijn, in Zoetermeer moeten verblijven;
een verdeling van de zomervakantie vastgesteld, waarbij de kinderen drie weken aaneengesloten bij elke ouder verblijven, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen.
Beoordeling
Informele rechtsingang
In de wet staat een artikel (artikel 1:377g BW) waarin de onderwerpen zijn genoemd waarover kinderen zelf de rechter kunnen vragen om een beslissing te nemen. Deze regeling geldt ook als sprake is van gezamenlijk gezag. Naar aanleiding van de aanvraag van een kind, kan de rechter ambtshalve een beslissing nemen over de zorgregeling. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] willen daarnaast ook dat hun hoofdverblijfplaats verandert en dat zij naar [plaats 1] mogen verhuizen en daar naar school mogen gaan. Dat zijn gezagsgeschillen in de zin van artikel 1:253a lid 1 BW. Deze geschillen worden niet genoemd in artikel 1:377g BW. In een ander artikel (artikel 1:251a lid 4 BW) is de mogelijkheid opgenomen voor de rechter om ambtshalve te bepalen dat één van de ouders het gezag krijgt (in plaats van allebei), als een kind dit graag wil.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat zij ambtshalve ook een beslissing kan nemen over de verhuizing en hoofdverblijfplaats van de kinderen en de inschrijving op school. De beslissing over de zorgregeling is namelijk zo vervlochten met de andere beslissingen, dat deze niet los van elkaar beoordeeld kunnen worden. Het enkel wijzigen van de zorgregeling biedt geen oplossing in deze situatie, zodat ook een beslissing moet worden genomen over de andere onderwerpen.
De rechtbank vindt daarbij een grondslag in een samenhang van artikel 1:377g BW en artikel 1:251a lid 3 BW. Als de rechter ambtshalve gezag mag wijzigen, dan kan daaruit worden afgeleid dat hij ook een beslissing mag nemen over minder vergaande beslissingen. Gelet hierop, de specifieke omstandigheden in deze zaak, en het feit dat de vader is bijgestaan door een advocaat, zal de rechtbank ambtshalve een beslissing nemen over alle onderwerpen die door [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn voorgelegd.
Voorgeschiedenis
De ouders van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn in 2021 gescheiden. Zij hebben toen een ouderschapsplan opgesteld. Daarin is afgesproken dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en dat een zorgregeling met de vader geldt. Omdat de vader als engineer een wisselend werkrooster heeft, is de zorgregeling daarop aangepast. Volgens de vader waren de kinderen ongeveer 35% van de tijd bij hem, volgens de moeder was dat iets minder. Vast staat in ieder geval dat beide ouders zeer betrokken zijn bij de kinderen. Beide ouders hebben inmiddels een andere partner. De partner van de moeder woont in [plaats 1] . De vader heeft met zijn vriendin een dochter van inmiddels ruim drie jaar oud ( [de minderjarige 3] ).
In 2025 heeft de moeder vervangende toestemming gevraagd om met de kinderen naar [plaats 1] te mogen verhuizen. Dat verzoek is bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 11 april 2025 afgewezen.
In de belangenafweging die de rechtbank toen heeft gemaakt, heeft de rechtbank overwogen dat het in het belang van de kinderen en de vader was dat de kinderen (in de buurt van) [plaats 2] bleven wonen. Daarbij heeft de rechtbank onder andere betrokken dat de kinderen met beide ouders een goede band hadden en aangaven meer tijd met hun vader door te willen brengen. De rechtbank achtte de kans groot dat een verhuizing naar [plaats 1] het contact tussen de vader en de kinderen onder druk zou zetten. Ook heeft de rechtbank overwogen dat een verhuizing naar de andere kant van het land veel van de kinderen zou vragen, mede gelet op de leeftijd van [de minderjarige 2] (hij zat toen in groep 7 van de basisschool) en de kwetsbaarheid van [de minderjarige 1] .
In de beschikking is ook aan de moeder uitgelegd waarom de rechtbank van oordeel was dat er aan haar kant – gelet op haar werk en partner – weliswaar een wens, maar geen noodzaak was tot verhuizen. Ook is uitgelegd dat de spanningen die de moeder ervaarde in het contact met de vader, niet opwogen tegen het belang van de kinderen en de vader om in de omgeving van Zoetermeer te blijven.
De rechtbank heeft vervolgens de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader bepaald en een week-op-week-af-zorgregeling vastgesteld, waarbij de moeder in de week dat de kinderen bij haar zijn, in (de buurt van) [plaats 2] moest verblijven.
Ontwikkelingen na de beschikking en de huidige situatie
Uit de brieven van en gesprekken met de kinderen, dat wat de ouders op de zitting hebben verteld en de stukken van de vader is het volgende gebleken.
De regeling zoals de rechtbank die in april 2025 heeft bepaald, is in grote lijnen uitgevoerd. De kinderen waren echter al snel niet tevreden over deze zorgregeling. Volgens de moeder wilden zij verhuizen naar [plaats 1] en een weekendregeling met de vader. Volgens de vader waren [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vooral ontevreden over de zorgregeling, omdat zij meer tijd met hem willen doorbrengen als ze volgens het schema bij hem zijn. De vader heeft toen zijn werkrooster aangepast en vaker verlof opgenomen. Volgens hem was de afspraak dat hij en de kinderen in januari 2026 zouden evalueren of het zo beter ging.
Op 5 oktober 2025 heeft [de minderjarige 1] in overleg met [de minderjarige 2] een e-mail gestuurd aan haar ouders, met de stiefouders in de cc. Zij schrijft het volgende:
“Beste vader en moeder,
Wij hebben nu al meerdere keren bij beide ouders aangekaart dat wij geen fan zijn van deze
regeling, onder andere omdat we het niet goed uit vinden komen met school of sport, en wij
vader niet veel meer zien dan wij hadden gehoopt. Wij trokken al twijfel bij dit besluit van de rechter vanaf het begin, maar hebben het toch uitgeprobeerd in de hoop dat het een goede manier was om bij beide gezinnen te wonen. Wij weten dat de communicatie tussen jullie beide verslechterd is in de laatste jaren. Onze verwachting van jullie is dat jullie minstens één gesprek met elkaar kunnen en zullen aangaan, waarvoor medewerking van beide partijen nodig is.
Wij sturen jullie nu deze mail in de hoop dat jullie, na dit gelezen te hebben, meer motivatie
hebben om een keer met elkaar te gaan praten, met of zonder onafhankelijke derde partij. In dat gesprek met elkaar willen wij graag dat jullie het hebben over de huidige situatie met de
regeling, wij willen dat het veranderd wordt naar een weekendregeling met vader, waarbij wij doordeweeks bij moeder zijn in [plaats 1] . Ook willen wij dat het gesprek gehouden wordt binnen de twee weken voor de herfstvakantie, met uiteraard jullie, onze ouders, wij, en onze beide stiefouders. Na overeenkomst van de regeling spreken we tijdens het gesprek met zijn allen af wanneer de precieze ingangsdatum is, deze moet binnen twee weken verschil van de
conversatie ingaan. Immers laten wij jullie weten dat met de ingang van de regeling wij niet
gelijk naar [plaats 1] willen verhuizen; dat doen we pas in de kerstvakantie. Ten slotte willen wij jullie laten weten dat wanneer jullie geen afspraak kunnen maken door onderlinge
communicatie, wij een rechter in zullen schakelen om onze stemmen nog harder te laten
klinken. Natuurlijk hopen wij dat jullie er zelf uit kunnen komen.
Groetjes, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ”
Beide ouders hebben empathisch op dit bericht gereageerd. De moeder heeft aangegeven achter de wens van de kinderen te staan. De vader heeft aangegeven mediation te zullen regelen: “De communicatie tussen pappa en mamma moet verbeteren als jullie daar last van hebben, dus zullen we dit via mediation doen aangezien daar behoefte voor is”. De vader heeft ook aangegeven dat een verhuizing naar [plaats 1] niet bespreekbaar is.
In januari 2026 heeft er één mediationgesprek plaatsgevonden tussen de ouders. Dit gesprek heeft geen gevolg gehad, omdat de moeder wel en de vader niet wilde spreken over een eventuele verhuizing naar [plaats 1] .
De kinderen zijn in februari 2026 naar de kinderrechtswinkel gegaan en hebben daar ieder de rechtbank een brief geschreven. Naar aanleiding van die brieven hebben de kinderen ieder apart gesproken met de kinderrechter.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij graag met de moeder naar [plaats 1] willen verhuizen. De kinderen hebben allebei veel last van de spanning tussen hun ouders, die ze door de vele wisselingen indirect meekrijgen. Af en toe zijn er verbale confrontaties tussen de ouders. Ze ervaren bij de ouders twee heel verschillende werelden en vinden het soms moeilijk om te schakelen. Ze vinden het bij de vader thuis vaak te druk. Er is soms ruzie tussen hun vader en stiefmoeder. Dat gaat over wie voor hen moet zorgen en over de opvoeding van [de minderjarige 3] . Beide kinderen vinden het jammer dat ze regelmatig worden opgevangen door hun stiefmoeder, die vaak druk is met [de minderjarige 3] , in plaats van hun vader. In [plaats 1] vinden ze het fijn. Het nieuwe huis is prettig en ruim, ze hebben er huisdieren en ze kunnen het goed vinden met hun stiefvader.
Op de zitting hebben beide ouders aangegeven dat het niet goed gaat met de kinderen en dit raakt hen beiden diep. Zij vertelden dat de kinderen na het gesprek met de kinderrechter met de vader mee naar huis zijn gegaan. Daar is iets voorgevallen en [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] zijn toen weggelopen. Uiteindelijk bleken zij in de (lege) woning van de moeder in [plaats 2] te zitten, waar ze bewust het licht uit hadden gelaten zodat niemand zou zien dat ze daar waren. Sindsdien is er beperkt contact geweest tussen de kinderen en de vader. Enkele dagen voor de zitting zijn de ouders gebeld door de praktijkondersteuner van de huisarts die vertelde dat [de minderjarige 1] zichzelf had gesneden.
De ouders onderkennen dat de kinderen grote moeite hebben met de verschillende werelden bij hen thuis en dat er te veel druk op hen ligt. Beide ouders zien dat de kinderen lijden, maar zij leggen de oorzaak van de problemen van de kinderen voornamelijk bij de andere ouder. Volgens de vader worden de kinderen in hun wens om te verhuizen gestuurd door de moeder. De moeder wil niet rechtstreeks met hem communiceren en doet dat via de kinderen. De ouders weten van elkaar niet wat de regels thuis zijn en omdat deze zo verschillend zijn, maakt dat het heel lastig. De vader weet dat de kinderen graag willen dat hij vaker thuis is bij hen en probeert dat ook te regelen door aanpassingen in zijn rooster. Om meer rust te creëren volgen hij en zijn partner relatietherapie en krijgen ze opvoedondersteuning voor [de minderjarige 3] . De vader is aan de slag gegaan met de adviezen die hij van de raadsvertegenwoordiger tijdens de vorige zitting heeft gekregen. Hij wil heel graag met de moeder een hulpverleningstraject zoals Ouderschap Blijft volgen.
Volgens de moeder is de vader een leuke vader als hij tijd heeft voor de kinderen, maar voelen zij zich onder druk gezet om op een bepaalde manier te leven. Hij is daarin zeer bepalend en de vader ziet dat niet in. De moeder is niet meer in staat om rechtstreeks met de vader te overleggen en trekt zich terug.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft alles wat de ouders, de kinderen en de Raad in de stukken en op de zitting naar voren hebben gebracht, gehoord en afgewogen. Op basis daarvan komt de rechtbank tot de volgende beslissing.
Naar het oordeel van de rechtbank is het voortzetten van de huidige zorgregeling niet in het belang van en zelfs schadelijk voor de kinderen. Ook als de kinderen, zoals de vader verwacht, zich er uiteindelijk bij zullen neerleggen als de situatie blijft zoals die is, verandert dat niets aan de ernstige problemen die zij bij deze regeling ervaren. Zij hebben te veel last van de hele situatie en gaan daar – ook volgens de ouders – aan onderdoor. De rechtbank prijst de vader dat hij aan de slag is gegaan met de tips die hij bij de zitting een jaar geleden heeft gekregen en ook hulp heeft gezocht om in de situatie bij hem thuis meer rust te creëren. De kinderen kunnen echter niet wachten tot die hulp effect heeft. Zij zijn nu op een leeftijd dat zij moeten werken aan hun eigen ontwikkelingstaken, waarbij een stabiele thuisbasis essentieel is. Het laten voortduren van de huidige zorgregeling kan er juist toe leiden dat de kinderen steeds verder verwijderd raken van de vader, zo is op de zitting ook door de Raad naar voren gebracht. De kinderen kunnen zich niet langer verdelen over de twee huizen van hun ouders en moeten bij één van hen een vaste basis krijgen.
Tot aan de beschikking van april 2025 zijn de kinderen steeds het grootste deel van de tijd bij de moeder geweest. Bovendien is gebleken dat de situatie bij de vader thuis drukker is dan bij de moeder en hebben de kinderen aangegeven behoefte te hebben aan meer rust. Hoewel de rechtbank, evenals de Raad, niet uitsluit dat de moeder mogelijk bewust of onbewust invloed op de kinderen heeft uitgeoefend, zitten de kinderen klem in de huidige situatie en moet deze doorbroken worden. Het is daarbij het meest in hun belang om hun vaste basis bij de moeder te krijgen.
Gegeven de verhuizing van de moeder naar [plaats 1] , betekent het voorgaande dat ook de kinderen naar [plaats 1] moeten verhuizen. Anders dan ten tijde van de eerdere procedure in 2025, uiten de kinderen sinds oktober 2025 bij herhaling een sterke wens om zelf ook naar [plaats 1] te verhuizen. Voor [de minderjarige 2] komt dit ook op een natuurlijk moment, omdat hij dan per september 2026 in [plaats 1] op een middelbare school kan starten. [de minderjarige 1] is inmiddels 15 jaar. Zij is een kwetsbaar meisje en ten tijde van het wijzen van de eerdere beschikking was de verwachting dat zij baat zou hebben bij het behouden van een thuisbasis in [plaats 2] . Helaas is gebleken dat dit niet het geval is en dat zij sterk lijdt onder de huidige situatie. Hoewel het de vraag is in hoeverre de kinderen kunnen overzien wat een verhuizing naar [plaats 1] betekent, is het in ieder geval inmiddels geen onbekende plaats meer voor hen. Tot slot is ook gebleken dat de spanningen tussen de ouders niet zijn verminderd en dat deze een grote weerslag hebben op de kinderen. In deze situatie kan niet van de moeder verlangd worden dat zij haar leven in [plaats 1] opgeeft en volledig terugkeert naar [plaats 2] .
Voor wat betreft de zorgregeling zal de rechtbank aansluiten bij de wens van de kinderen, in die zin dat zij bij de vader verblijven in de weekenden dat hij vrij is van zijn werk. Door de moeder is op de zitting toegelicht dat dit vier van de zeven weekenden zijn, dus grofweg om en om. Dit is door de vader niet betwist, zodat de rechtbank hierbij zal aansluiten. De rechtbank verwacht daarbij van de moeder dat zij de kinderen op vrijdag na schooltijd naar Zoetermeer toebrengt en hen op zondag begin van de avond ook weer daar ophaalt. De vader dient de moeder tijdig te informeren om welke weekenden het gaat.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ambtshalve de hoofdverblijfplaats en zorgregeling wijzigen in lijn met de wens van de kinderen. Dat geldt ook voor de verhuizing naar [plaats 1] en de inschrijving op een middelbare school daar, zowel voor [de minderjarige 1] als voor [de minderjarige 2] .
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de uitspraak onmiddellijk ingaat, ook als hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank vindt het belangrijk dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor het einde van dit schooljaar duidelijkheid hebben over de vraag waar zij na de zomer naar school zullen gaan. [de minderjarige 2] begint in september aan de middelbare school en [de minderjarige 1] kan dan starten met de vijfde klas van het gymnasium, een belangrijk jaar omdat daarin al punten worden gehaald die meetellen voor het eindexamen. De kinderen zullen allebei moeten wennen aan een nieuwe sociale omgeving. Als die overgang gelijk loopt met een nieuw schooljaar, zal het in ieder geval wat makkelijker voor ze zijn. Als moet worden afgewacht of één van partijen in hoger beroep gaat, is de kans groot dat dit niet lukt.
Brieven aan [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
Tot slot vindt de rechtbank het belangrijk de ouders te laten weten dat aan de kinderen gelijktijdig met de beschikking een brief is gestuurd, waarin de beslissing is uitgelegd. In die brief is het volgende opgenomen:
“Beste [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ,
Wij hebben elkaar gesproken omdat jullie graag met jullie moeder naar [plaats 1] willen verhuizen en daar naar school willen gaan. Ik heb daarover een gesprek gehad met jullie ouders. Ik heb toen ook gehoord dat het na ons gesprek niet goed met jullie is gegaan.
Deze gesprekken zijn voor mij reden om jullie moeder alsnog toestemming te geven om met jullie naar [plaats 1] te verhuizen en daar in te schrijven op school. In de weekenden dat jullie vader niet hoeft te werken, brengt jullie moeder jullie naar [plaats 2] .
Ik neem deze beslissing vooral om de volgende redenen. Jullie ouders zien allebei dat het nu helemaal niet goed gaat. Jullie lijden onder de spanningen tussen jullie ouders en hebben behoefte aan rust. Jullie vinden de situatie bij jullie moeder thuis rustiger dan bij jullie vader en jullie vinden het fijn in [plaats 1] . Jullie vader heeft verteld dat hij wel begrijpt dat jullie het soms druk vinden bij hem. Ook begrijpt hij dat jullie graag willen dat hij zelf thuis is. Hij doet zijn best om dat te veranderen. Ik ben echter van oordeel dat jullie niet meer hoeven te wachten tot het beter loopt, omdat jullie nu te veel last hebben van de hele situatie.
Ik hoop dat deze beslissing jullie de rust geeft die jullie nodig hebben. Ik wens jullie heel veel sterkte.”
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 11 april 2025 –:
bepaalt ambtshalve de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] , en
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ,
bij de moeder;
bepaalt ambtshalve dat (vervangende) toestemming wordt verleend aan de moeder – die de toestemming van de vader vervangt – voor een verhuizing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar [plaats 1] en voor inschrijving op een middelbare school aldaar;
wijzigt ambtshalve de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader verblijven gedurende de helft van de weekenden mits hij dan niet werkt (dus ongeveer om de week, in onderling overleg nader af te stemmen), waarbij de moeder de kinderen op vrijdag na school naar de vader brengt en op zondag om 18.30 ook weer ophaalt;
handhaaft de beschikking van 11 april 2025 voor het overige;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026. |
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
